ECLI:NL:PHR:2024:838

ECLI:NL:PHR:2024:838, Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2024, 22/04283

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-08-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/04283
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1462
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Zware mishadeling met de dood als gevolg. M1 over het opzet op de zware mishandeling. M2 over de afwijzing van het verzoek stukken toe te voegen aan het dossier. Volgens de plv. AG faalt het eerste middel. Het tweede middel is volgens hem tevergeefs voorgesteld omdat het bestreden arrest niet mede op deze beslissing is gebaseerd. Het middel strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

Nummer22/04283

Zitting 27 augustus 2024

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 16 november 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 onder A subsidiair "zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft" en 2. “bedreiging met brandstichting”, veroordeeld tot 34 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast twee vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en in dat verband schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

Het eerste middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het middel komt met diverse deelklachten op tegen de bewezenverklaring van het opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voordat ik het middel bespreek, zal ik eerst, voor zover relevant, de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen weergeven.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“1. hij op of omstreeks 11 juli 2018 te [plaats] aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een ernstige hersenzwelling met tekenen van herseninklemming en een bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen (subarachnoïdale bloeding), heeft toegebracht, door

- die [slachtoffer] met kracht bij haar keel te pakken en

- die [slachtoffer] tegen een muur te duwen en

- die [slachtoffer] bij haar keel vast te houden en

- met kracht (gedurende meerdere seconden) de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;”

De bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

1. Een proces-verbaal aangifte d.d. 11 juli 2018 van de politie Eenheid [plaats] (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1-3):

als de op 11 juli 2018 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe bij deze aangifte van poging doodslag, mishandeling en bedreiging. Ik ben leidinggevende in het restaurant [A] , gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik was vandaag, woensdag 11 juli 2018 in de zaak aanwezig. Verder waren in de zaak de pizzabakker, genaamd [betrokkene 1] , en de [betrokkene 2] , genaamd [betrokkene 3] .

(…)

Op dat.moment kwam de eerste klant binnen. Dat was een man. Dat was een man met twee jonge kinderen.

(…)

Ik vroeg de man of ik hem kon helpen. De man zei tegen mij: "doe maar een margaritha”. Ik gaf dit door aan de pizzabakker. De man zei vervolgens dat hij die hier op wilde eten. Ik zei tegen de man dat het dan een andere prijs zou worden: Bij ons is het zo dat men in het restaurant kan eten, maar dan betaal je meer als het afhalen. De man zei toen opeens: "laat maar, het hoeft niet meer”. De man begon tegen mij te schelden. Hij zei tegen mij: ”Kankerhoer, je bent een vuile kankerhoer. Ik kom hier terug en ik brand alles plat." Ik zei tegen de man dat hij met zijn kinderen weg moest gaan. Ik voelde mij enorm bedreigd door de uitspraak van de man.

Ik stond op dat moment nabij de kassa bij een muurtje. Dat is achterin in de winkel nabij de bar. De man kwam toen hard op mij aflopen en pakte mij rechtstreeks bij mijn keel. Ik voelde dat de man met zijn rechterhand met kracht mijn keel dichtkneep. Ik voelde dat ik geen lucht meer kreeg. Ik voelde een hevige pijn. Ik probeerde mij nog te verweren en heb getracht met mijn rechterhand de man te slaan. Ik wilde hem bij mij vandaan hebben. Ik voelde dat ik de man raakte in zijn gezicht. Ik voelde mij slap worden, ik werd licht in mijn hoofd en ik dacht dat het afgelopen zou zijn. Ik was zo bang.

Op een gegeven moment voelde ik dat de hand van de man mijn keel losliet. Ik zag dat de man naar achteren werd getrokken door [betrokkene 1] . Als hij er niet was geweest, dan weet ik zeker dat ik niet meer had geleefd. Ik kan u niet vertellen hoe lang hij mijn keel had vastgeknepen, voor mijn gevoel duurde dit erg lang, mede omdat ik mij voelde wegzakken doordat ik geen lucht kreeg. [betrokkene 1] heeft de man van mij afgehaald en samen met. [betrokkene 3] , die ondertussen bij [betrokkene 1] stond, heeft hij de man naar buiten gebracht.

De man was langer dan ik. Ik ben 1.62 meter lang en hij was een flink stuk groter dan ik. Ik schat ongeveer 1.80/1.85 meter lang.

Ik moet u vertellen dat ik steeds meer pijn krijg. Ik voel pijn in mijn nek en richting mijn borst. Ik voel flinke hoofdpijn. Ik voel mij niet lekker.

Ik dacht werkelijk dat ik er geweest was. Het is omdat [betrokkene 1] mij te hulp schoot en de man van mij had weggetrokken en samen met [betrokkene 3] de man naar buiten had gebracht.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer, in - zakelijk weergegeven - (blz. 8):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , was op woensdag 11 juli 2018 omstreeks 17:30 uur in dienst op het politiebureau gevestigd aan de Prins Frederik Hendrikstraat 40 te Rotterdam . Ik kreeg te horen dat er een mevrouw aan de voordeur van het politiebureau stond die zojuist bij haar keel gegrepen was. Ik ben samen met collega [verbalisant 2] naar de voordeur van het bureau gelopen en trof daar [slachtoffer] aan.

Ik zag dat [slachtoffer] hevig geëmotioneerd was en ik zag de angst in haar ogen. Zij vertelde dat een man haar keel had dichtgeknepen en dat zij daardoor geen lucht meer had gekregen.

(…)

[slachtoffer] gaf ook aan dat haar nek pijn deed.

Letsel:

Ik zag in de nek van [slachtoffer] rode vlekken zitten. De vrouw wees deze plekken ook aan, als de plekken waar de man haar nek had vastgepakt. Dit was aan beide zijkanten van de nek.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 14-15):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Tijdens het doen van aangifte was aangeefster erg overstuur, huilde regelmatig, verklaarde erg moe te zijn, dat zij hoofdpijn, pijn in haar nek en bij haar oren had. Zij gaf aan dat de pijn naar haar borsten toe trok.

Ik heb haar vervolgens het advies gegeven om langs de huisartsenpost te gaan. Ik bood aan haar daar naartoe te brengen. Aangeefster [slachtoffer] verklaarde dat dit niet nodig was. Zij verklaarde als de pijn aanbleef, zij alsnog naar de huisartsenpost zou gaan.

Zij gaf aan bang te zijn voor de man, die haar dit had aangedaan, en was bang dat hij terug zou komen om alles in de brand te steken.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 juli 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 32-35):

als de op 13 juli 2018 afgelegde verklaring van - [verdachte] :

Ik ging met de kinderen naar binnen en bestelde een Margherita. Ik zei dat ik hem daar wel wilde opeten.

Ik hoorde dat die vrouw tegen me zei dat het dan duurder zou worden. Ik zei toen tegen die vrouw: "Laat die pizza dan maar zitten.” We begonnen tegen elkaar te schelden. Ik stond op en liep naar die vrouw toe.

(…)

Ik heb haar bij haar nek beetgepakt. Die werknemers van haar hebben me toen weggeduwd.

(…)

V: hoe lang heb je haar vast gehad?

A: Ongeveer 5 seconden maar dat weet ik niet zeker.

5. Een proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding d.d. 13 juli 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Verklaring verdachte

De verdachte verklaarde dat hij niets te verbergen had en graag wilde vertellen wat er was gebeurd: Ik pakte haar met één hand vast bij haar keel en duwde haar tegen de muur achter haar. Ik hield haar zo vast tot de werknemers kwamen die mij van haar af trokken.

6. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 2 november 2022. Dit proces-verbaal houdt onder meer In - zakelijk weergegeven -:

De verdachte verklaart: ik ben 1.90 meter lang.

De voorzitter deelt mede dat het hof waarneemt dat verdachte een fors postuur heeft.

7. Een .proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 juli 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10-11):

als de op 11 juli 2018 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik zag vervolgens de man in de richting van mijn baas lopen. Ik hoorde de man schreeuwen en schelden tegen mijn baas, ik dacht dat het bij praten bleef. Op een gegeven moment pakte de man mijn baas hard bij haar keel. Ik zag dat ze pijn had en bang was. Later zag ik ook dat haar keel helemaal rood was. Ik heb toen ingegrepen, ik heb de man vastgepakt en hem van mijn baas afgehaald. Ik heb tegen de man gezegd dat hij de winkel moest verlaten. De man toonde geen respect en ik hoorde hem schreeuwen en schelden. Hij heeft mijn baas uitgescholden en ik hoorde hem zeggen "Je bent een kankerhoer", "Ik maak je dood", "Vergeet mijn gezicht niet, want ik kom om 22:00 uur terug en steek je zaak in brand". Ook zag ik dat de man tijdens het uiten van de bedreiging en scheldwoorden met zijn wijsvinger wees naar mijn baas. Dit was dus echt gericht op mijn baas.

V: Werd uw baas met kracht beetgepakt?

A: Ja. Ik zag wel dat mijn baas bang was en dat ze met kracht beetgepakt werd. Op het moment dat hij haar bij haar keel beetpakte heb ik haar eigenlijk niets horen zeggen.

V: Wat deed de man nadat hij uw baas beet had?

A: Hij duwde mijn baas in de hoek bij de kassa tegen de kassa aan. Ze kon echt nergens meer heen. Ik heb hem vervolgens beetgepakt en hem van haar afgetrokken.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 juli 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 22-25):

als de op 13 juli 2018 afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :

Op een gegeven moment hoorde ik een hoop kabaal. Mijn collega [betrokkene 3] is direct naar de zaal gelopen om te kijken wat er aan de hand was. Ik bleef in de keuken staan. Ik hoorde iemand roepen: "ik maak je dood, ik maak je dood". Hierop besloot ik om ook te gaan kijken in de zaal. Toen ik de zaal in liep zag ik een man staan. Ik hoorde de man meerdere malen roepen: "ik maak je dood". Ik zag dat de man [slachtoffer] aankeek toen hij dat riep. Ik zag dat de man op ongeveer 30 centimeter afstand van [slachtoffer] stond.

[betrokkene 3] stond links naast de man en ik stond rechts van [slachtoffer] . Ik heb de man gezegd dat hij dat niet moest doen en dat hij rustig moest worden. Daar reageerde hij niet op. Ik zag dat [slachtoffer] haar hoofd rood van kleur werd. Ik heb het idee dat zij erg bang was van de man. Vervolgens greep de man [slachtoffer] bij haar keel. Ik kan u niet vertellen met welke hand hij haar vastgreep, ik werd er zelf ook zenuwachtig van. [betrokkene 3] en ik hebben diverse keren geroepen dat de man [slachtoffer] los moest laten. Dit deed hij uiteindelijk. [betrokkene 3] en ik hebben de man verzocht de pizzeria te verlaten. De man bleef maar roepen: "ik maak je dood, ik maak je dood".

Vervolgens heeft de man de pizzeria verlaten. Ik ben met [betrokkene 3] ook naar buiten gelopen om te kijken of de man echt weg zou gaan. Buiten bleef hij de woorden: "ik maak je dood, ik maak je dood" herhalen. Hij zei ook dat hij de pizzeria in brand zou gaan steken om 22:00 uur. Hij zei dat hij terug zou gaan komen. Enkele minuten nadat de man de pizzeria had verlaten zag ik bij [slachtoffer] rode striemen in haar hals. [slachtoffer] begon te huilen.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 juli 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 27-28):

als de op 13 juli 2018 afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :

V: [betrokkene 3] . Ik heb naar aanleiding van uw verklaring nog twee vragen aan u. Kan u mij vertellen hoe lang de dader [slachtoffer] bij haar keel vast hield?

A: Ik denk zo’n 10 a 12 seconden.

10. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam van 6 Juni 2019. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 6 juni 2019 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik hoorde gepraat en daarna geschreeuw en lawaai. Ik leidde daaruit af dat er iets niet klopte. Ik ben door de klapdeuren uit de keuken richting de kassa gelopen. Ik hoorde dat [slachtoffer] en verdachte allebei tegen elkaar schreeuwden. Ik hoorde dat de verdachte tegen [slachtoffer] zei dat ze een hoer was. Ik hoorde [slachtoffer] tegen hem schreeuwen, dat ze al 40 jaar getrouwd was en dat zijn moeder een hoer was. Ik zag dat de verdachte [slachtoffer] in de hoek dreef bij de muur waar de kassa staat. Ik zag dat de verdachte [slachtoffer] bij de keel pakte. Ik zag dat hij haar goed beet had. Ik probeerde hem los te trekken, maar dat lukte in eerste instantie niet. Ik had niet gezien dat [betrokkene 3] achter mij aan was gelopen, maar toen ik de verdachte beetpakte om hem van [slachtoffer] af te trekken, zag ik dat hij naast mij stond. Ik voelde en merkte dat de verdachte niet weg wilde gaan en dat hij [slachtoffer] niet los wilde laten. Ik stond achter de verdachte en [slachtoffer] stond tussen de verdachte en de muur. Ik kon zien wat de verdachte deed, omdat ik schuin achter zijn arm meekeek. Op de vraag of het snel ging of lang duurde, zeg ik dat het niet heel snel ging; verdachte wilde [slachtoffer] niet loslaten en hij wilde niet weggaan. [betrokkene 3] pakte de verdachte beet op het moment dat hij [slachtoffer] al los had gelaten. Ik had hem toen losgetrokken van [slachtoffer] . [betrokkene 3] en ik hebben de man toen vastgehouden en naar de uitgang begeleid. Ik zag dat [slachtoffer] nog bij het muurtje stond. Ik zag dat ze krachteloos was.

Op de vraag hoe ik dat kon zien, zeg ik dat ze bijna viel en dat ze over haar hele lichaam trilde. Mr. Van Stratum houdt mij voor dat mijn collega heeft verklaard dat [slachtoffer] een sterke vrouw was. Op de vraag of ik dat herken, zeg ik dat ze altijd bezig was en altijd actief was.

Ik heb gezien dat de verdachte [slachtoffer] recht van voren met zijn hand horizontaal bij de keel pakte. Hij hield haar keel met één hand vast. Ik zag een handafdruk op [slachtoffer] keel.”

Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden als vermeld in de pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte ter zake van feit 1 dient te worden vrijgesproken van alle onder A tenlastegelegde varianten waarin causaal verband wordt aangenomen tussen het handelen van de verdachte en het overlijden van het slachtoffer, alsmede van de onder B tenlastegelegde varianten, waarbij dat causale verband niet wordt aangenomen, met uitzondering van de eenvoudige mishandeling.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 11 juli 2018 is in de pizzeria [A] een woordenwisseling ontstaan over het verschil in prijs van een pizza Margherita in de pizzeria ten opzichte van de afhaalprijs tussen de verdachte en [slachtoffer] , de aangeefster/het slachtoffer, tevens eigenaresse van de pizzeria. Daarbij dreigde de verdachte alles plat te zullen branden.

Tijdens die woordenwisseling heeft de verdachte het slachtoffer op enig moment bij de keel gepakt. Het slachtoffer voelde dat de verdachte met zijn rechterhand met kracht haar keel dichtkneep en dat zij geen lucht meer kreeg. Ook voelde zij een hevige pijn. Vervolgens voelde zij zich slap worden en werd zij licht in haar hoofd.

Twee medewerkers van de pizzeria hebben ingegrepen en hebben de verdachte van het slachtoffer afgehaald en naar buiten begeleid. Enkele minuten, nadat de man de pizzeria had verlaten zag één van de medewerkers (getuige [betrokkene 3] ) bij het slachtoffer rode striemen in haar hals. Het slachtoffer was na het voorval hevig ontdaan. Zij heeft kort daarna bij de politie aangifte gedaan van poging tot doodslag, mishandeling en bedreiging. Tijdens de aangifte is door de politie gezien dat zij rode vlekken aan beide zijden van haar nek had. Op het moment dat zij aangifte deed, vertelde zij dat ze steeds meer pijn kreeg in haar nek en richting haar borst. Ze voelde zich niet goed en had ook flinke hoofdpijn. Ook signaleerde de politie dat het slachtoffer tijdens de aangifte erg overstuur was en regelmatig huilde. Op advies van de verbalisanten is zij diezelfde avond nog naar de huisartsenpost gegaan. Daar is haar bloeddruk gemeten, die te hoog bleek, en heeft zij kalmeringstabletten voorgeschreven gekregen.

Een dag later, op donderdag 12 juli 2018, werden de klachten erger. Het slachtoffer klaagde in de ochtend al over vreselijke hoofdpijn. Ze had die nacht ook nauwelijks geslapen. De halfzus van het slachtoffer verklaarde dat zij het slachtoffer in de ochtend had gezien en dat het slachtoffer zich niet goed voelde. Zij kon niet goed meer uit haar woorden komen, zag lijkbleek en zakte op een gegeven moment door haar benen, waarbij haar mond scheef wegzakte naar de rechterkant. Dit trok later weer weg, maar het slachtoffer ging zich steeds slechter voelen. Ze was erg moe en bleef vreselijke hoofdpijn houden. In de middag heeft zij opnieuw een huisarts bezocht omdat ze nog steeds hoofdpijn had en pijn in haar nek. Haar bloeddruk werd weer gemeten (en bleek nog verhoogd) en de huisarts schreef haar extra kalmeringsmiddelen voor.

Die avond vond een dochter van het slachtoffer haar in bed. Zij zag dat het niet goed ging met haar moeder. Haar mond hing scheef en ze was nagenoeg niet aanspreekbaar. De dochter zag ook dat de linkerkant van het lichaam van haar moeder ter hoogte van haar hand/arm er slapjes bij hing. Ook had ze urine en ontlasting laten lopen.

De ambulance kwam en eenmaal in het ziekenhuis bleek het slachtoffer een herseninfarct te hebben gekregen.

Op 14 juli 2018 om 6.23 uur is zij aan de gevolgen van dit herseninfarct overleden.

Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel

Door de verdediging is in hoger beroep - op gronden zoals in de pleitnota verwoord - aangevoerd dat, gelet op de aard en de geringe mate van het toegepaste geweld, en de aard en de geringe ernst van het letsel, in dit geval, ook naar algemene ervaringsregels, niet kan worden aangenomen dat sprake is geweest van opzet op de dood, ook niet in voorwaardelijke zin.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is het hof - met de raadsman - van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven. Het hof is echter van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte (minst genomen) voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals in dit geval zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich- willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het hof is van oordeel dat op grond van de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen en de verklaring van de verdachte is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer met kracht bij de keel heeft gepakt en vervolgens relatief lang, ongeveer 10 a 12 seconden, de keel van het slachtoffer heeft dichtgeknepen. Het vastpakken en -houden en het dichtknijpen van de keel moet daarbij met kracht hebben plaatsgevonden, ook gezien het feit dat de verdachte haar tegelijkertijd tegen de muur duwde. Hierbij komt nog de omstandigheid dat de verdachte 1.90 m lang is en - ook middels eigen waarneming van het hof - een fors postuur heeft, terwijl uit de aangifte blijkt dat het slachtoffer een stuk kleiner van gestalte was.

Daarbij komt dat het slachtoffer duidelijk heeft verklaard dat zij geen lucht meer kreeg, dat zij licht werd in haar hoofd, dat zij slap werd en dat zij zich voelde wegzakken. Ook dat duidt erop dat haar keel gedurende langere tijd met kracht werd dichtgeknepen. Op grond van de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen kan voorts worden vastgesteld dat verdachte erg boos was en pas stopte met het dichtknijpen van de keel toen hij door een werknemer van de pizzeria, [betrokkene 1] , van het slachtoffer werd afgetrokken. Pas op dat moment liet de verdachte de keel van het slachtoffer los. Verdachte heeft aldus met kracht gedurende langere tijd geweld uitgeoefend op de keel van het slachtoffer, met een zodanige druk dat ook de ademhaling werd belemmerd en de greep rode vlekken achterliet aan beide zijden van de nek van het slachtoffer.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de halsstreek een zeer kwetsbaar gebied van het lichaam is, waar zich onder meer de luchtpijp en (slag)aders bevinden. De halsstreek is zeer gevoelig voor samendrukking waardoor als gevolg van zuurstoftekort en/of verminderde doorbloeding grote schade aan het lichaam, waaronder met name ook de hersenen, kan worden toegebracht. De verdachte had dit kunnen en ook moeten weten.

Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte, door te handelen zoals bewezen verklaard, de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat daardoor aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht en dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van die kans.

Voor wat betreft de vraag of de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, overweegt het hof dat de bewezen verklaarde gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken.

In dat kader hecht het hof eraan nogmaals op te merken, dat de verdachte de keel van het slachtoffer pas losliet toen hij door één van de medewerkers van de pizzeria van het slachtoffer af werd getrokken.

Aldus is het hof van oordeel dat de verdachte (in ieder geval) voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel .aan het slachtoffer.

Causaal verband tussen de fysieke handeling(en) en het fataal gebleken letsel

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of het uiteindelijk fatale letsel en de dood van het slachtoffer op 14 juli 2018 redelijkerwijs als gevolg van de bewezen verklaarde handelingen van de verdachte op 11 juli 2018 aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Het hof overweegt dat in het onderhavige geval niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte in de keten van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het overlijden van het slachtoffer een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg. Voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (de gedragingen van) de verdachte is dan ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van de verdachte is veroorzaakt.

Het hof heeft in dit verband acht geslagen op het sectierapport d.d. 13 december 2018, het NFI-rapport van 16 juli 2019 en de FARR-rapporten (van respectievelijk 29 september 2019 en 7 november 2019). Uit deze rapportages volgt dat het herseninfarct waaraan het slachtoffer uiteindelijk is overleden, is veroorzaakt door een bloedstolsel in een bloedvat in de hersenen. Dit bloedstolsel kan afkomstig zijn uit het hart of de halsslagader. Bij het slachtoffer was sprake van meerdere stolsels in het hart. Het FARR-rapport van 7 november 2019 benoemt in dit verband drie mogelijkheden voor het ontstaan van deze bloedstolsels, waarvan er één zijn oorsprong vindt in een langer bestaande aandoening. De andere twee mogelijkheden kunnen gelegen zijn in een recent ontstane aandoening, die onder meer veroorzaakt kan zijn door fysieke en/of lichamelijke stress. De beroerte van het slachtoffer kan tenslotte ook zijn ontstaan door een vernauwde halsslagader aan de linkerzijde. In voornoemd FARR-rapport staat voorts dat een stolsel in de halsslagader of in het hart op ieder moment kan loslaten en een beroerte kan veroorzaken in de hersenen. Het loslaten van het stolsel kan daarbij veroorzaakt worden door hevige stress of directe druk op de hals. Het overlijden kan niet los worden gezien van de bestaande medische aandoeningen aan de bloedvaten en het hart van het slachtoffer.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte naar hun aard geschikt zijn om een bloedstolsel te doen loslaten, met een herseninfarct bij het slachtoffer tot gevolg. Zowel het door de verdachte toegepaste geweld op de hals als de lichamelijke en psychische stress als gevolg van deze geweldshandelingen, kunnen, al dan niet in combinatie met elkaar, hebben geleid tot het loslaten van een stolsel en daarmee tot het herseninfarct en het overlijden van het slachtoffer. Het handelen van de verdachte kan aldus een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van het slachtoffer.

De vraag is vervolgens of ook aannemelijk is dat het overlijden met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer op 11 juli 2018 gewoon aan het werk was in de pizzeria en dat zij op dat moment al ruim 2 jaar vrij was van klachten samenhangend met de hersenen en het hart. Duidelijk is voorts dat het slachtoffer direct vanaf het moment van het tegen haar door de verdachte uitgeoefende (forse) geweld serieuze, aanhoudende en toenemende pijnklachten en andere lichamelijke klachten kreeg. Gelet op de aard en het verloop van deze klachten, zoals die blijken uit (onder meer) de aangifte en de waarnemingen van familieleden, waarbij onder meer sprake was van een uitstraling van de pijn in de nek naar de borst en het hoofd, en de korte tijdspanne waarbinnen de klachten verergerden en waarbinnen het. slachtoffer vervolgens is overleden aan (de gevolgen van) een herseninfarct, is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat het in de bewezenverklaring genoemde letsel en het (vervolgens als gevolg daarvan) overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van de verdachte zijn veroorzaakt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het naar zijn oordeel hoogst onwaarschijnlijk is dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedragingen van de verdachte tot de genoemde gevolgen heeft geleid.

In dat kader overweegt het hof dat de omstandigheid dat het slachtoffer bekend was met onder meer hartklachten en in het verleden een beroerte heeft gehad aan het voorgaande niet af doet. Zoals reeds vastgesteld, was het slachtoffer immers al (meer dan) 2 jaar klachtenvrij, waardoor naar het oordeel van het hof de kans dat het slachtoffer onafhankelijk van het op haar uitgeoefende geweld - maar wel min of meer precies op datzelfde moment de klachten en het verdere verloop daarvan enkel door ziekte heeft ontwikkeld, dusdanig klein is dat deze mogelijkheid in redelijkheid kan worden uitgesloten.

Het voorgaande betekent dat het bewezen verklaarde letsel en het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Dat de verdachte niet op de hoogte was van de medische voorgeschiedenis van het slachtoffer, zoals door de verdediging is aangevoerd, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Datzelfde geldt voor de stelling van de verdediging dat de artsen in het onderhavige geval nalatig zouden hebben gehandeld, en dat wanneer dat niet was gebeurd het slachtoffer wellicht nog in leven zou zijn geweest. Het hof overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat eventueel medisch nalatig handelen, niet in de weg staat aan de toerekening van de gevolgen aan het handelen van de verdachte (HR 23 december 1980, NJ 1981/534).

Gelet op het bovenstaande is het hof dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat er sprake is van een voltooid delict, nu aan het slachtoffer het in de tenlastelegging omschreven zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, terwijl de verdachte ook (minst genomen voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.”

De eerste deelklacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel. In het bijzonder richt deze deelklacht zich tegen het oordeel dat sprake is geweest van een aanmerkelijk kans op het vastgestelde zwaar lichamelijk letsel. De tweede deelklacht houdt in dat uit de bewijsvoering evenmin kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van zijn handelen wetenschap had van de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel. De vierde deelklacht houdt, zo begrijp ik, in dat het hof de wetenschap van de aanmerkelijke kans ontoereikend heeft gemotiveerd omdat het slechts heeft vastgesteld dat de verdachte van de kwetsbaarheid van de halsstreek van het lichaam “had (…) kunnen en ook moeten weten”. Deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Vooropgesteld moet worden dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof heeft geoordeeld dat op grond van de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen en de verklaring van de verdachte vast is komen te staan dat de verdachte het slachtoffer met kracht bij de keel heeft gepakt en vervolgens relatief lang, ongeveer tien à twaalf seconden de keel van het slachtoffer heeft dichtknepen. Het hof heeft daarbij vastgesteld dat door het bij de keel vastpakken en -houden ook de ademhaling werd belemmerd en de greep rode vlekken achterliet aan beide zijden van de nek van het slachtoffer. Ten slotte heeft het hof er op gewezen dat het een feit van algemene bekendheid is dat de halsstreek een zeer kwetsbaar gebied van het lichaam is. Het hierop gebaseerde uiteindelijke oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van die kans en dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd. Voor zover de steller van het middel meent dat voor een bewezenverklaring van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is vereist dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte (ook) is gericht op het specifiek en bewezenverklaarde letsel of de ontstaanswijze daarvan, merk ik op dat dat uitgangspunt geen steun vindt in het recht.

De eerste en tweede en vierde deelklacht falen.

De derde deelklacht houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte het slachtoffer relatief lang/gedurende langere tijd de keel heeft dicht geknepen. In het bijzonder zou de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring dat hij opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht, omdat zijn verklaring afbreuk doet aan het oordeel dat gedurende langere tijd geweld is uitgeoefend op de keel van het slachtoffer.

Uit de aangifte volgt dat het slachtoffer heeft verklaard dat de man met kracht haar keel dichtkneep, dat ze geen lucht meer kreeg en dat ze zich heeft geprobeerd te verweren en dat ze zich daarna slap voelde worden. Ook verklaart aangeefster dat het keel dichtknijpen voor haar gevoel erg lang duurde (bewijsmiddel 1). De verklaring van de verdachte houdt in dat hij het slachtoffer ongeveer vijf seconden heeft vastgepakt, maar dat hij het niet zeker weet (bewijsmiddel 4). Uit de verklaring van getuige [betrokkene 3] volgt dat hij zag hoe het slachtoffer bij de keel werd gegrepen, dat hij diverse keren heeft geroepen dat de man het slachtoffer los moest laten en dat de man dat uiteindelijk deed. Hij schat in dat de man het slachtoffer zo’n tien à twaalf seconden bij de keel heeft vastgehouden (bewijsmiddelen 8 en 9). De getuige [betrokkene 1] heeft ten slotte verklaard dat hij heeft geprobeerd de verdachte van het slachtoffer af te trekken, dat dat niet lukte en dat ze voelde en merkte dat de verdachte het slachtoffer niet los wilde laten. Op de vraag of het snel ging of lang duurde, antwoordt hij dat het niet heel snel ging (bewijsmiddel 10).

Dat het hof op basis van deze bewijsmiddelen tot het feitelijke oordeel is gekomen dat de verdachte “het slachtoffer met kracht bij de keel heeft gepakt en vervolgens relatief lang, ongeveer 10 a 12 seconden, de keel van het slachtoffer heeft dicht geknepen”, acht ik niet onbegrijpelijk. Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet niet af dat het hof ook de verklaring van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd. Daaruit volgt immers dat de verdachte niet zeker weet hoelang hij het slachtoffer heeft vastgepakt.

Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het voegen van het volledige medische dossier van het slachtoffer bij de processtukken en het (subsidiaire) verzoek tot het verkrijgen van inzage in dit medisch dossier heeft afgewezen, althans dat het hof bij de afwijzing is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

Voordat ik het middel bespreek geef ik eerst het relevante procesverloop weer.

De verdachte is op 26 juni 2020 door de rechtbank Rotterdam veroordeeld wegens (onder meer) “poging zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft”. Tegen dit vonnis is op 10 juli 2020 namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De raadsman van de verdachte, mr. Van Stratum, heeft op 3 september 2020 een schriftuur houdende grieven tegen het vonnis van de rechtbank ingediend. Deze schriftuur houdt, voor zover van belang, in:

“Ten onrechte heeft de rechtbank echter verzuimd integraal van de tenlastelegging en verweten feiten vrij te spreken en is de dood van het slachtoffer niet redelijkerwijs aan [verdachte] toe te rekenen. Ook is onbegrijpelijk de overweging van de rechtbank voor zover inhoudende dat gelet op deskundigenrapporten het verweten handelen van [verdachte] een onmisbare schakel in het overlijden kan hebben gevormd en dat zij een gezonde, sterke en vitale vrouw zou zijn geweest voor haar overlijden, ondanks al haar medische aandoeningen. Zonder nadere toelichting, die thans ontbreekt, is echter niet zonder meer begrijpelijk dat de rechtbank overweegt dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van [verdachte] zijn veroorzaakt, terwijl ten onrechte nalatig handelen van artsen na afloop niet bij de beoordeling is betrokken.

Het aangevallen strafvonnis is daarmee tevens innerlijk tegenstrijdig voor zover de rechtbank ook expliciet doch wel begrijpelijk in de strafmaat overweegt, dat indien er bij [slachtoffer] geen sprake was geweest van onderliggende medische aandoeningen, het incident ook een andere afloop zou hebben gehad.

(…)

De strafmaat is disproportioneel, mede gelet op het ontbreken van onder primair tenlastegelegd causaal verband, de vaststelling dat indien er bij [slachtoffer] geen sprake was geweest van onderliggende medische aandoeningen het incident ook een andere afloop zou hebben gehad en de voorgedragen overige strafmatigende factoren (...).

Verzochte onderzoekshandelingen in hoger beroep

A. Er dient door het hof in het belang van de verdediging opdracht te worden gegeven te bewerkstelligen, dat het volledige medische dossier van het overleden slachtoffer alsmede alle in het ziekenhuis aanwezige stukken en gegevens alsnog aan de processtukken worden toegevoegd, ook om de hiervoor uiteengezette relevante punten, medische beoordelingen, voor zover betwist, feitelijke vragen en rechtsvragen opnieuw in hoger beroep op evenwichtige en zorgvuldige wijze te laten beoordelen. Tevens dienen als getuigen te worden opgeroepen en gehoord resp. de nalatige huisartsen en behandelend neuroloog (die vergeefs heeft geprobeerd een propje weg te halen), welke kort na het incident aantoonbare medische fouten hebben gemaakt, welke waarschijnlijk de dood (mede) hebben veroorzaakt, althans de kans op de dood heeft vergroot, om redenen ook in de voorgedragen pleitnota uiteengezet, welke hier uitdrukkelijk als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.”

Op de terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2022 heeft de raadsman van de verdachte de onderzoekswensen van de verdediging gehandhaafd en toegelicht.

Blijkens het proces-verbaal van die regiezitting heeft het hof de verzoeken afgewezen en daar het volgende over medegedeeld:

“- Het verzoek van de verdediging om toevoeging aan het dossier van het volledige medische dossier van het slachtoffer wordt afgewezen. Het hof acht de noodzaak daartoe niet gebleken, mede gelet op de toelichting van dat verzoek. Het hof acht zich door de zich reeds bij de processtukken bevindende (medische) rapportages – waaronder twee FARR-rapporten en een rapportage opgesteld door het NFI – op dit moment voldoende voorgelicht, mede nu in het rapport van het NFI staat vermeld dat het NFI de beschikking heeft gehad over informatie uit huisartsen-informatiesysteem en het medische dossier van het EMC ten aanzien van het slachtoffer (het elektronisch patiëntendossier over de periode 12 juli tot en met 15 juli 2018). Daaraan ontleende informatie is ook terug te vinden in het NFI-rapport.

Het subsidiaire verzoek, te weten het verkrijgen van inzage in het medisch dossier in het bijzijn van een medisch deskundige, wordt eveneens afgewezen, nu de noodzaak daartoe eveneens niet is gebleken.”

Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens geschorst tot de terechtzitting van 2 november 2022.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2022 heeft het hof bevolen dat het ter terechtzitting van 31 mei 2022 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen omdat de samenstelling van het hof gewijzigd is. Het bestreden arrest houdt in dit verband onder de aanhef “Onderzoek van de zaak” in dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het ingevolge art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijnde art. 322 lid 4 Sv bepaalt welke beslissingen, ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, in stand blijven. Die bepaling noemt onder meer beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen ter terechtzitting uit hoofde van art. 287 Sv of art. 288 Sv.

De door de verdediging gedane verzoeken om het medisch dossier van het slachtoffer aan het dossier toe te voegen dan wel inzage in het medisch dossier te verkrijgen betreffen verzoeken als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Op een dergelijke beslissing heeft art. 322 lid 4 Sv geen betrekking. Nu het onderzoek ter terechtzitting op 2 november 2022 opnieuw is aangevangen en het bestreden arrest niet mede berust op de op de eerdere terechtzitting gegeven beslissingen tot afwijzing van de door de verdediging gedane verzoeken, is het tweede middel, dat klaagt over die beslissingen, tevergeefs voorgesteld.

Afronding

Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende formulering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?