ECLI:NL:PHR:2024:844

ECLI:NL:PHR:2024:844, Parket bij de Hoge Raad, 24-09-2024, 22/03923

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 24-09-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/03923
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1702
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. Vernieling (art. 350 Sr) en wederspannigheid (art. 180 Sr). Verdachte en aangeefster zijn getrouwd voor de islamitische wet. Is de verdachte daarmee een ‘echtgenoot’ in de zin van art. 316 Sr jo. 353 Sr? Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

3. Het eerste middel

Het middel bevat de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het enerzijds heeft vastgesteld dat sprake is van een situatie zoals omschreven in art. 316 lid 2 Sr, maar anderzijds heeft geoordeeld dat geen klacht vereist is.

Het hof heeft het preliminaire verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:

“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat vernieling een relatief klachtdelict is, de aangeefster en de verdachte voor de islamitische wet zijn getrouwd en de aangeefster geen klacht heeft ingediend.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient vernieling te worden aangemerkt als een relatief klachtdelict. Indien de verdachte een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot van het slachtoffer is, kan vervolging wegens vernieling enkel plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte en zij zijn getrouwd volgens de Islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte niet samenwoont met aangeefster. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van artikel 316 Sr en is in dit geval geen klacht nodig voor de vervolging van de verdachte wegens vernieling.

Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.”

Ten laste van de verdachte is voor zover hier van belang bewezenverklaard dat:

“2.

Hij op 5 maart 2020 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een tablet (Microsoft) en een telefoon (iPhone X) die aan een ander, te weten aan [aangeefster] toebehoorden, heeft vernield;”

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen:

“4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2020 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2020071062-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 32 en 33) :

als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam:

[…]

Het gaat al enige tijd niet goed tussen mijn man en mij. Mijn man is genaamd [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]. Wij zijn getrouwd volgens de Islamitische wetgeving niet voor de Nederlandse wet.

[…]

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 maart 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2020071062-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8 t/m 20, inclusief fotobladen):

als de op 6 maart 2020 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik woon niet samen met mijn vriendin, maar ik ben daar 70/80% van de tijd daar.

Maar eigen huis, eigen spullen.”

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 353 Sr:

“De bepaling van artikel 316 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001854/2024-07-01/0) is op de in deze titel omschreven misdrijven van toepassing.”

- art. 316 Sr:

“1. Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige uitgesloten.

2. Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, heeft de vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.

3. Indien het vorige lid van toepassing is, neemt de termijn bedoeld in artikel 66 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001854/2024-07-01/0) een aanvang op de dag nadat de identiteit van de verdachte aan de tot de klacht gerechtigde bekend werd.”

Uit art. 316 Sr volgt dat strafvervolging uitgesloten is wanneer de dader de niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot van het slachtoffer is (art. 316 lid 1 Sr). Indien sprake is van een echtgenoot die van tafel en bed of goederen gescheiden is, kan wel worden vervolgd, maar alleen als een klacht is ingediend door degene tegen wie het misdrijf is gepleegd (art. 316 lid 2 Sr).

In de onderhavige zaak doet zich het volgende voor. Namens de verdachte is in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat de aangeefster geen klacht heeft ingediend, terwijl de aangeefster en de verdachte (voor de islamitische wet) getrouwd zijn. Art. 316 lid 1 Sr bepaalt echter dat wanneer de dader de echtgenoot is van de persoon tegen wie het misdrijf is gepleegd, strafvervolging hoe dan ook uitgesloten is. Het hof is naar ik vermoed door de formulering van het verweer op het ‘verkeerde been’ gezet en is meegegaan met de redenering van de verdediging en heeft overwogen dat vervolging wegens vernieling enkel kan plaatsvinden op een tegen de verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd indien de verdachte een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot is. Dit oordeel geeft strikt gelezen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 316 Sr. De misslag van het hof kan echter ook verbeterd worden gelezen. Op zich beschouwd heeft het middel dus wel een punt, maar tot cassatie behoeft dat niet te leiden.

Het middel faalt.

4. Het tweede middel

Het middel behelst de klacht dat het hof bij de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten onrechte en ongemotiveerd een onderscheid heeft gemaakt tussen een huwelijk conform de Nederlandse wetgeving en een huwelijk conform de islamitische wetgeving.

Het hof heeft overwogen dat geen sprake is van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van artikel 316 Sr, ondanks dat de verdachte en de aangeefster getrouwd waren volgens de islamitische wetgeving. Dit doet de vraag rijzen hoe de term echtgenoot zoals bedoeld in art. 316 Sr moet worden begrepen.

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 90octies Sr:

“Waar van huwelijk of echtgenoot wordt gesproken wordt, met uitzondering van artikel 449, daaronder mede begrepen geregistreerd partnerschap dan wel geregistreerde partner.”

- Art. 10:31 lid 1 en 4 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):

“1. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.

[…]

4. Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.”

- Art. 10:32 BW:

“Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk:

a. reeds gehuwd was of een geregistreerd partnerschap had gesloten met een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezat of zelf de Nederlandse nationaliteit bezat of in Nederland zijn gewone verblijfplaats had, tenzij het eerder gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap is ontbonden of nietig verklaard;

b. aan de andere echtgenoot in rechte lijn verwant was of de broer of zuster van die echtgenoot was, hetzij door bloedverwantschap, hetzij door adoptie, tenzij deze familierechtelijke betrekking later is verbroken vanwege het ontbreken van biologische verwantschap of herroeping van de adoptie;

c. niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt, tenzij de echtgenoten op het moment dat erkenning van het huwelijk gevraagd wordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;

d. geestelijk niet in staat was zijn toestemming te geven, tenzij deze daartoe wel in staat is op het moment dat de erkenning van het huwelijk gevraagd wordt en uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt; of

e. niet vrijelijk zijn toestemming tot het huwelijk had gegeven, tenzij deze uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt.”

De regeling van art. 316 Sr is al sinds 1886 opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (destijds in art. 343 ORO). Op een aantal wetstechnische en redactionele wijzigingen na is de tekst hetzelfde als in 1886. Uit de parlementaire behandeling ten tijde van de invoering van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat de ratio achter de regeling is gelegen in een zedelijke en een materiële grond. De zedelijke grond houdt in dat men wilde voorkomen dat personen “die in de innigste betrekking tot elkander staan” in een strafzaak tegenover elkaar komen te staan. De materiële grond komt erop neer dat echtgenoten een bijzondere vermogensrechtelijke verhouding hebben en allebei zeggenschap hebben over de goederen binnen de gemeenschap. Een omschrijving of nadere duiding van het begrip echtgenoot heb ik in de wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 316 Sr niet aangetroffen.

In 1997 werd art. 90octies Sr ingevoerd. De aanleiding hiervoor was de invoering van het geregistreerd partnerschap in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze definitiebepaling houdt in dat onder een echtgenoot ook een geregistreerde partner wordt begrepen. Ook in de parlementaire stukken met betrekking tot de invoering van art. 90octies Sr heb ik geen informatie aangetroffen over het begrip echtgenoot in het Wetboek van Strafrecht.

De jurisprudentie van de Hoge Raad hieromtrent is schaars. In de eerste plaats kan gewezen worden op het arrest van 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2872. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat wanneer het huwelijk tussen de verdachte en de persoon tegen wie het misdrijf is gepleegd ten tijde van de tenlastegelegde periode door echtscheiding is ontbonden, geen sprake is van een echtgenoot als bedoeld in art. 316 Sr.

Een tweede arrest betreft HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1574. In deze zaak had het hof geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging. Het hof had echter ook vastgesteld dat, hoewel de samenwoning was beëindigd, althans ten minste onderbroken, de verdachte nog was getrouwd met het slachtoffer. Een klacht ontbrak in het dossier. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie kon worden ontvangen in de strafvervolging niet zonder meer begrijpelijk en casseerde.

In het arrest van 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587, ging het om een geval waarin de verdachte meende dat zij vanwege haar samenlevingsrelatie met de aangever een beroep kon doen op art. 316 lid 1 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat art. 14 EVRM op zichzelf beschouwd niet noopt tot analoge toepassing van art. 316 lid 1 Sr op een ander samenlevingsverband dan dat van echtgenoten en geregistreerde partners. Ook voor zover een beroep werd gedaan op het verbod van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zoals bedoeld in art. 26 IVBPR, faalde het cassatieberoep, omdat voor zover al gesproken zou kunnen worden van gelijke gevallen en van een ongelijke behandeling daarvan, voor die ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat, in aanmerking genomen dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 316 lid 1 jo. art. 90octies Sr een uitzondering is op de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend.

Dit laatstgenoemde arrest vertoont enige overeenkomsten met het arrest van 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3291. In deze zaak had de verdediging een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgrond van art. 189 lid 3 Sr en gesteld dat deze bepaling ook van toepassing is op mensen die anders dan als gehuwden een relatie hebben. Het hof had dit verweer verworpen en daartoe overwogen dat een extensieve uitleg van de uitzonderingsbepaling van art. 189 lid 3 Sr niet aangewezen is, omdat gelet op de rechtszekerheid grenzen moeten worden gesteld aan een uitzonderingsbepaling. Over dit oordeel werd in cassatie geklaagd. Mijn voormalig ambtgenoot Machielse concludeerde dat de wetgever in het kader van de rechtszekerheid zeer bewust voor een scherp geformuleerde exceptie heeft gekozen. Hij achtte het oordeel van het hof dat de verdachte, die niet getrouwd was met de aangeefster, geen bescherming geniet, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering en verwees daarbij naar art. 90octies Sr en het zojuist genoemde arrest van 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587.

Een arrest dat evenmin betrekking heeft op art. 316 Sr, maar misschien wel het meest relevant is voor de onderliggende zaak, betreft HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1053. In dit arrest ging het om de uitleg van het begrip echtgenoot in art. 304, aanhef en onder 1°, Sr (mishandeling). Meer in het bijzonder stond de vraag centraal of een in Irak volgens islamitisch recht gesloten huwelijk meebrengt dat het slachtoffer van de mishandeling kan worden aangemerkt als echtgenoot als bedoeld in art. 304, aanhef en onder 1°, Sr. De Hoge Raad stelde vast dat de wetgever bij de uitleg van het begrip echtgenoot zoals bedoeld in art. 304 Sr zoveel mogelijk aansluiting heeft gezocht bij het systeem van het personen- en familierecht, zoals dat is neergelegd in het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop kan ook sprake zijn van zo een echtgenoot in geval van een buiten Nederland aldaar rechtsgeldig gesloten huwelijk, tenzij blijkt dat dit huwelijk ingevolge art. 10:31 BW in verbinding met art. 10:32 BW niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt.

Ik meen dat hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen met betrekking tot het begrip echtgenoot in art. 304 Sr op systematische gronden eveneens zal hebben te gelden voor art. 316 Sr. Bij de uitleg van het begrip echtgenoot zoals bedoeld in art. 316 Sr, moet dan dus ook zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het systeem van het personen- en familierecht. Dat art. 90octies Sr is ingevoerd in het kader van de Wet tot aanpassing van wetgeving aan de invoering van het geregistreerd partnerschap in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en dat een nieuwe rechtsfiguur in het burgerlijk recht dus heeft geleid tot het opnemen van diezelfde rechtsfiguur in het Wetboek van Strafrecht, ondersteunt dit standpunt. Steun daarvoor biedt ook de literatuur. Demeersseman stelt dat uit de tekst van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht en uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat daaraan een andere betekenis moet worden gegeven dan in het Burgerlijk Wetboek.

Naar burgerlijk recht wordt een huwelijk dat naar islamitisch recht is gesloten in Nederland als rechtsgeldig erkend, wanneer dat huwelijk in het land waar het is gesloten als rechtsgeldig wordt aangemerkt (art. 10:31 lid 1 BW), tenzij de erkenning kennelijk in strijd is met de openbare orde (art. 10:32 BW). Dat is het geval wanneer een uitzonderingsgrond als bedoeld in art. 10:32 BW van toepassing is. Kort gezegd gaat het hierbij om situaties waarin één van de echtgenoten al getrouwd was, in rechte lijn verwant was of broer of zus van de echtgenoot was, minderjarig was, geestelijk niet in staat was toestemming te geven, of niet vrijelijk toestemming heeft gegeven voor het huwelijk.

Het voorgaande brengt mee dat het begrip echtgenoot in art. 316 Sr in zoverre extensief moet worden uitgelegd. Ik heb mij afgevraagd of een dergelijke extensieve interpretatie van art. 316 Sr wel wenselijk is. De reden voor die aarzeling is dat naar huidige maatschappelijke opvattingen vraagtekens te zetten zijn bij de ratio van art. 316 Sr als zodanig. Het ‘materiële’ argument uit 1886 is voorstelbaar, maar gaat alleen op wanneer het betreffende goed valt binnen de gemeenschap van goederen van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Art. 316 Sr mist een degelijke nuance. Een huwelijk of een geregistreerd partnerschap met een algehele gemeenschap van goederen is vandaag de dag geen vanzelfsprekendheid meer. Er zullen dus steeds meer gevallen zijn waarin art. 316 Sr van toepassing is, terwijl helemaal geen sprake is van een bijzondere vermogensrechtelijke band tussen de dader en het slachtoffer.

Voor wat betreft het ‘zedelijke’ argument, is het opvallend dat dit argument ook kan worden aangevoerd met betrekking tot de mishandeling van een echtgenoot, geregistreerd partner of levensgezel (art. 304 Sr), terwijl de nauwe band tussen de dader en het slachtoffer in dat geval juist strafverhogend werkt. Daarbij moet worden bedacht dat huiselijk geweld zich niet altijd uit door ‘klassieke’ mishandeling, maar ook tot uitdrukking kan komen in vermogensdelicten in de huiselijke kring. Bovendien kan de onwenselijkheid van vervolging van bepaalde gevallen ook tot uitdrukking worden gebracht in beleidsregels met betrekking tot opportuniteit.

Ik meen echter dat het bij de huidige stand van zaken aan de wetgever is om hieromtrent een keuze te maken. Zolang de huidige wettelijke regeling van art. 316 Sr geldt, moet deze worden toegepast en ligt het niet in de rede om het begrip echtgenoot alleen in dit specifieke geval uit de pas te laten lopen met het burgerlijk recht en anders uit te leggen dan elders in het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat de dader die een islamitisch huwelijk, dat als rechtsgeldig wordt aangemerkt in het land waar het is gesloten en dat niet kennelijk in strijd is met de openbare orde, heeft gesloten met de persoon tegen wie het misdrijf is gepleegd, moet worden aangemerkt als een echtgenoot in de zin van art. 316 Sr.

In de voorliggende zaak blijkt uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen dat het slachtoffer heeft verklaard dat zij met de verdachte is getrouwd volgens de islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Het hof heeft niet vastgesteld of dit islamitische huwelijk ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of rechtsgeldig is geworden en evenmin of zich een uitzonderingsgeval zoals bedoeld in art. 10:32 BW voordoet. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan dit ook niet worden opgemaakt.

Gelet hierop, meen ik dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van art. 316 Sr en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, ontoereikend is gemotiveerd. Dit brengt mee dat ik niet toekom aan de in het middel nog opgeworpen vraag of het discriminatieverbod als bedoeld in onder meer art. 14 EVRM is geschonden. Ten overvloede valt daarover op te merken dat die kwestie zoals hierboven is gemeld al in HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587, in ontkennende zin is beantwoord.

Het middel slaagt.

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 20 oktober 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad naar verwachting uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee zal de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM waarschijnlijk worden overschreden. De rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen zal zo nodig in dat geval ook over de schending van de redelijke behandeltermijn in de cassatiefase moeten oordelen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof maar uitsluitend met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?