BESLISSING
Het hof: (…)
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 26.110,78 (zesentwintigduizend honderdtien euro en achtenzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 26.110,78 (zesentwintigduizend honderdtien euro en achtenzeventig cent). (…).”
De bespreking van het middel
20. Met de steller van het middel ben ik van mening dat de vermelding van het bedrag van € 19.811,56 aangemerkt kan worden als een kennelijke verschrijving (dit bedrag komt hieronder nog wel terug). Echter kan in cassatie m.i. wel degelijk worden vastgesteld wat het hof feitelijk heeft beoogd te beslissen en uiteindelijk ook in het dictum heeft opgenomen. Zo kan uit het bestreden arrest worden afgeleid dat het hof heeft beoogd het wederrechtelijk verkregen voordeel en de daaraan gekoppelde betalingsverplichting vast te stellen op een bedrag van € 26.110,78. Ik meen dan ook dat het bestreden arrest in zoverre verbeterd kan worden gelezen.
21. Deze verbeterde lezing brengt mee dat het middel in zoverre op een verkeerde lezing van het arrest berust en derhalve feitelijke grondslag mist, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
Het vierde middel
De toelichting op het middel
22. Het vierde middel klaagt dat het hof de niet-verkochte hoeveelheid van 1,99 kg hennep die is aangetroffen in sealbags in de woning, bij het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft betrokken terwijl de betrokkene hieruit geen voordeel heeft behaald.
23. In eerste aanleg is door de politierechter rekening gehouden met de in de woning aangetroffen sealbags. Het hof is er kennelijk op onjuiste gronden van uitgegaan dat de 1,99 kg hennep wel heeft geleid tot voordeel. Nu ondubbelzinnig vaststaat dat deze hennep niet is verkocht maar er wel kosten voor zijn gemaakt, kan de betrokkene hieruit geen voordeel hebben behaald, aldus de steller van het middel.
De procesgang
24. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van de aangetroffen sealbags het volgende in:
“Gemaakte kosten beide kweekruimtes
Er werden sealbags aangetroffen in de opslagruimtes naast de kweekruimtes, hierin werden henneptoppen en bladafval aangetroffen, in totaal 1.990 kilogram. Deze hoeveelheid heeft verdachte dus niet kunnen verkopen, waardoor het hof de kosten die benodigd waren voor de teelt die deze oogst mogelijk heeft gemaakt zal aftrekken van het totaalbedrag. Het hof neemt de gemaakte kosten bij kweekruimte één hiervoor als uitgangspunt voor de berekening .
(1.990 kg / 3,22 kg) x € 2.869 = € 1.773,08Totale netto opbrengst kweekruimte 1 en kweekruimte 2
(€ 17.674,46 + € 10.236,40) – € 1.773,08 = € 26.110,78”.
De bespreking van het middel
25. De bovenstaande overweging wijst uit dat het hof de inhoud van de sealbags die zijn aangetroffen in een opslagruimte naast de kweekruimten, heeft aangemerkt als hennep(toppen en -bladafval) die de betrokkene niet heeft kunnen verkopen. Het hof heeft de kosten die benodigd waren voor de teelt hiervan (door het hof naar rato becijferd op: € 1.773,08) in mindering gebracht op het voordeelbedrag van (€ 17.674,46 + € 10.236,40 =) € 27.910,86.
26. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene uit deze (in beslag genomen) hoeveelheid van 1,99 kg hennep géén voordeel heeft behaald. Hoewel het hof dat evenmin uitdrukkelijk onder woorden heeft gebracht, ga ik er bovendien van uit dat het hof heeft aangenomen dat de hoeveelheid van 1,99 kg hennep onderdeel was van de ene oogst waarop het hof de voordeelsontneming heeft gegrond.
27. Bij die stand van zaken ligt het m.i. in de rede om deze hoeveelheid van 1,99 kg bij de berekening van het voordeel in mindering te brengen op de geoogste hoeveelheid hennep (3,22 kg + 5,238 kg). Zonder nadere motivering (die ontbreekt) ontgaat mij dan ook waarom het hof er niet voor heeft gekozen om het bedrag van (€ 4.070 per kg x 1,99 kg = ) € 8.099,30 in aftrek te brengen op de opbrengst. Dat levert dus € 27.910,86 – € 8.099,30 = € 19.811,56. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
28. Mocht Uw Raad mij in deze opvatting volgen én ervoor kiezen om de zaak zelf af te doen, dan wijs ik erop dat bij het bepalen van het bedrag waarop het voordeel kan worden geschat met de kosten voor de teelt van die hoeveelheid van 1,99 kg hennep géén rekening hoeft te worden gehouden, omdat die kosten niet in directe relatie staan tot het delict (en die kosten dus niet tot enig voordeel hebben geleid). In de door het hof becijferde kosten (€ 2.869 + € 3.644,20) waren deze kosten evenwel reeds begrepen. Daarvoor moet dus worden gecorrigeerd, zulks door minder kosten in aftrek te brengen op het voordeelbedrag. Dat zou ertoe leiden dat de door het hof becijferde kosten van de teelt van de hoeveelheid van 1,99 kg hennep (te weten: € 1.773,08) bij het genoemde bedrag van € 19.811,56 moeten worden opgeteld (uitkomst: € 21.584,64).
29. Het middel slaagt.
Het vijfde middel
30. Het vijfde middel klaagt dat ‘wellicht’ sprake is van een kennelijke verschrijving.
31. In de schriftuur ontbreekt het aan een nadere toelichting. Er wordt enkel gesteld dat naar de mening van de betrokkene wellicht sprake is van een kennelijke verschrijving en dat, nu het strafrecht niet de regel van artikel 31 Rv kent, de betrokkene genoodzaakt was om cassatie in te stellen tegen het arrest.
32. Over dit middel kan ik kort zijn. Van een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, is geen sprake. Gelet hierop kan het aangevoerde niet worden aangemerkt als een middel van cassatie zoals bedoeld in artikel 437 Sv en dient het aangevoerde buiten behandeling te blijven.
Slotsom
33. Het vierde middel slaagt. De overige middelen (voor zover zij daarvoor kunnen doorgaan) falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
34. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest. Behoudens indien de Hoge Raad ervoor kiest om de zaak zelf af te doen, strekt deze conclusie tevens tot terugwijzing van de zaak, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG