Nummer23/03700
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het middel
3. Het middel klaagt dat het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen ten onrechte tot een bewezenverklaring van overtreding van art. 9 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is gekomen.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 10 december 2020 te Delft terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, A13, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”
5. De door het hof overgenomen bewijsmiddelen uit het vonnis in eerste aanleg houden het volgende in:
“Alle gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
De politierechter heeft voor de bewezenverklaring de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
- Het artikel 9 WVW proces-verbaal, opgemaakt op 10 december 2020, nr. pll500/101220200145122347, voor zover inhoudende:
Proces-verbaal van overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet 1994
Datum feit: 10 december 2020 om 01:45 uur.
Locatie: op de voor het openbaar verkeer openstaande weg buiten de bebouwde
kom, A3 (rechts) ter hoogte van hectometerpaaltje 12.0 te Delft.
Ik, verbalisant, [verbalisant] verklaar het volgende:
Ik zag dat op genoemde dag, datum, tijdstip en plaats als bestuurder reed op
genoemde weg/locatie.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
[…]
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn/haar naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BVI-IB.
als de op 10 december 2020 tegenover deze agent afgelegde verklaring van verdachte, inhoudende:
"Ik wist niet dat ik niet mocht rijden. Het CBR heeft mij gezegd dat ik een nieuw rijbewijs aan mocht vragen en dat ik gewoon weer mocht rijden. Ik ben mijn rijbewijs kwijt geraakt in 2018 door alcohol daarna moest ik een cursus doen. Die heb ik wel betaald maar nog niet gedaan omdat er corona was. Ik heb ook even vastgezeten in het buitenland en daarom is het er nog niet van gekomen.
- een RDW-uitdraai d.d. 10 december 2020, behorende bij voornoemd proces-verbaaI, inhoudende (bladzijde 3):
NL-RDW
Volgnummer: 1
Soort: Vorderingsprocedure
Autoriteit: CBR Divisie Vorderingen (Divisie Vordering)
Registratie: 27-06-2018
VORDERING
Schorsingperiode: vanaf 27-06-2018 t/m 09-10-2018
Ingeleverd bij: Cbr Diviesie Vorderingen
CBR dossiernummer: 2018010895
Feitelijke inleverdatum schorsing: 10-07-2018
Ingang ongeldigverklaring: 02-10-2018
Reden ongeldigverklaring: Geschiktheid
Feitelijke inleverdatum ongeldig: 09-10-2018
CATEGORIEËN
Categorie: B
Periode vanaf 09-10-2018
Soort: Ongeldigheid
- Het geschrift, te weten het besluit van het CBR van 2 oktober 2018 waaruit blijkt dat het rijbewijs van verdachte per 9 oktober 2018 ongeldig is verklaard.”
6. Het als bewijsmiddel gebruikte besluit van het CBR van 2 oktober 2018 heeft de volgende inhoud:
“AANGETEKEND
[verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
Dossiernummer 2018010895 Datum 2 oktober 2018
Onderwerp Besluit: rijbewijs ongeldig
Geachte [verdachte],
Op 27 juni 2018 hebben we u een brief gestuurd. In die brief stond dat u een onderzoek naar uw alcoholgebruik moest laten doen. Helaas heeft u dit onderzoek niet, of niet op tijd betaald. U bent dus ook niet onderzocht. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 9 oktober 2018. En mag u niet meer rijden. In deze brief leest u waarom we dit besluit genomen hebben en wat dit voor u betekent.
[…].”
7. De bewezenverklaring is gebaseerd op de eerste volzin van art. 9 lid 2 WVW 1994, die luidt:
“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
8. Over het bewijs van overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 heeft de Hoge Raad in een arrest van 9 juli 2019 – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“2.4.2. Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9, tweede lid, eerste volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal uit de bewijsvoering allereerst moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. art. 3:40 en 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.”
9. De steller van het middel voert onder meer aan dat zich geen bewijs van verzending van het besluit door het CBR bij de bewijsmiddelen bevindt en dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan de verdachte is bekendgemaakt.
10. Daarover het volgende. Het hof heeft de hierboven weergegeven brief van het CBR aan de verdachte van 2 oktober 2018 voor het bewijs gebruikt. In deze brief is het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte (van 2 oktober 2012) weergegeven. De bewijsmiddelen bevatten echter geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze die brief daadwerkelijk aan de verdachte is verzonden. Nu ook overigens niet blijkt dat het besluit aan de verdachte is bekendgemaakt, betekent dit dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd. Dat maakt dat het restant van het middel niet hoeft te worden besproken.
Slotsom
11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG