ECLI:NL:PHR:2025:1049

ECLI:NL:PHR:2025:1049, Parket bij de Hoge Raad, 15-07-2025, 23/04964

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-07-2025
Datum publicatie 30-09-2025
Zaaknummer 23/04964
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1397
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001941

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen voorbereidingshandelingen invoer cocaïne (art. 10a Opiumwet), deelneming aan een criminele organisatie die zich bezig houdt met de invoer van cocaïne (art. 11a (oud) Opiumwet) en witwassen (art. 420bis Sr). Strafmotivering. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 22/04610, 22/04631, 22/04624 en 23/04742.

Uitspraak

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid Van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens.de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Het hof stelt vast dat die redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. De verdachte is immers op 29 oktober 2013 in verzekering gesteld, terwijl er eerst op 11 januari 2021 door de rechtbank vonnis is gewezen. Ook in hoger beroep is evenbedoelde termijn overschreden. De verdachte heeft namelijk op 25 januari 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof eerst thans – bijna 2 jaren en 11 maanden later – arrest wijst. In een en ander wordt aanleiding gezien die passend geachte straf met 3 maanden te bekorten.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Voorlopige hechtenis

De advocaat-generaal heeft verzocht bij eindarrest een bevel gevangenneming tegen de verdachte uit te spreken. Dit verzoek wordt afgewezen, nu het hof hiertoe geen termen aanwezig acht, mede gelet op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten en de periode gedurende welke de verdachte uit hoofde van (in elk geval) de beslissing tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijstelling waarvoor de verdachte thans gedetineerd is, van zijn vrijheid beroofd zal zijn.’

7. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel uit de Justitiële documentatie van 8 november 2023 dat aan het hof ter beschikking stond. Dat uittreksel houdt onder het kopje ‘Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven’ onder meer in een veroordeling door het gerechtshof Amsterdam met als datum zitting 20 april 2016. Kennelijk is dit de zaak waarin de verdachte op 4 mei 2016 is veroordeeld. Het ‘aan de Opiumwet gerelateerd feit’ betreft volgens dat uittreksel ‘om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen’ en de pleegperiode was ‘in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 december 2012’. Uw Raad heeft de opgelegde gevangenisstraf bij arrest van 11 september 2018 verminderd tot 9 maanden.

8. De veroordeling tot 8 jaren gevangenisstraf van 2 februari 2010 is blijkens het uittreksel uitgesproken door het gerechtshof Arnhem en betreft onder meer het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 aanhef en onder A, B en C Opiumwet. Het uittreksel vermeldt voort dat de verdachte op 7 februari 2002 is veroordeeld tot 3 jaren gevangenisstraf wegens het medeplegen van een poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A Opiumwet gegeven verbod. Op 5 november 1997 is de verdachte wegens onder meer het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, tot 6 jaren gevangenisstraf veroordeeld.

9. Alleen al in het licht van de in het vorige randnummer vermelde veroordelingen heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte in het verleden bij herhaling is veroordeeld tot gevangenisstraffen ‘voor het plegen van drugsdelicten als waarvan hier weer sprake is’. Het hof heeft eveneens kunnen oordelen dat deze (eerdere) veroordelingen tot langdurige gevangenisstraffen de verdachte er niet van hebben weerhouden ‘op schaamteloze wijze opnieuw cocaïnetransporten voor te bereiden en met anderen een criminele organisatie met dat oogmerk te vormen’.

10. De stellers van het middel voeren terecht aan dat het hof de veroordeling van 4 mei 2016 niet had mogen vermelden als een veroordeling die de verdachte er niet van heeft weerhouden opnieuw cocaïnetransporten voor te bereiden. De veroordeling van 4 mei 2016 dateert van na de bewezenverklaarde feiten, die in 2013 zijn gepleegd. De kern van de strafmaatoverweging is naar het mij voorkomt evenwel dat de verdachte ‘bij herhaling (is) veroordeeld tot gevangenisstraffen voor het plegen van drugsdelicten als waarvan hier weer sprake is’ en dat deze de verdachte er niet van hebben ‘weerhouden op schaamteloze wijze opnieuw cocaïnetransporten voor te bereiden en met anderen een criminele organisatie met dat oogmerk te vormen’. Die vaststelling heeft het hof evident ook op andere veroordelingen dan de veroordeling van 2 februari 2010 kunnen baseren. In dat licht meen ik dat de enkele omstandigheid dat het hof in de betreffende overweging abusievelijk de veroordeling van 4 mei 2016 heeft vermeld niet tot cassatie behoeft te leiden nu belang bij cassatie ontbreekt. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat het vermelden van deze inmiddels onherroepelijke veroordeling het hof op zichzelf vrijstond.

11. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?