Nummer23/03761 P
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Bij arrest van 21 september 2023 (parketnummer 23-003440-21 ontneming) heeft het gerechtshof Amsterdam het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 7.001.707 en aan de betrokkene de hoofdelijke verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (nr. 23/03755), en met de strafzaak en ontnemingszaak tegen [medeverdachte] , de enig bestuurder en aandeelhouder van de betrokkene (nr. 23/03753 en 23/03756 P). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C.F. Korvinus, advocaat in Amsterdam, heeft bij schriftuur twee als middelen van cassatie aangeduide klachten voorgesteld, en de eerste klacht bij aanvullende schriftuur nader toegelicht.
4. Het hof heeft vastgesteld dat wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen door middel van de in de strafzaak bewezen verklaarde actieve omkoping. Uit de bewijsvoering in de strafzaak blijkt dat de betrokkene [betrokkene 1] , een werknemer van [A] , heeft omgekocht door hem de helft van de provisie van twee procent in het vooruitzicht te stellen als [betrokkene 1] het er binnen [A] toe zou leiden dat zij de volledige private equity portefeuille zou verkopen aan [B] . Niet omdat [B] de beste keuze voor [A] zou zijn maar omdat [betrokkene 1] daarmee vier miljoen euro zou verdienen. [betrokkene 1] was als senior portfoliomanager bij [A] onder meer verantwoordelijk voor de private equity en hedge fondsen van [A] . De betrokkene is er daarbij van uitgegaan dat [betrokkene 1] deze belofte zou verzwijgen aan [A] . [A] heeft de private equity fondsen inderdaad aan [B] verkocht. [B] heeft de provisie betaald aan [verdachte] B.V. (hierna: [verdachte] B.V.). In de onderhavige ontnemingszaak heeft het hof vastgesteld dat [B] in totaal omgerekend € 7.398.336 aan [verdachte] B.V. heeft overgemaakt, waarop bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kosten in minder zijn gebracht, met als resultaat € 7.001.707.
De als eerste middel aangeduide klacht
5. De als eerste middel aangeduide klacht houdt in dat het hof “onvoldoende, althans ontoereikend met redenen omkleed, in strijd met artikel 359a Sv het beroep op niet-ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting heeft verworpen en ten onrechte tot bewezenverklaring van Feit 1 heeft geconcludeerd.” Ik citeer de klacht omdat daaruit blijkt dat het slechts is gericht tegen beslissingen die het hof in de strafzaak heeft genomen.
6. Nu niet wordt geklaagd over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter in de ontnemingszaak, kan het niet als middel van cassatie worden aangemerkt en moet het hier onbesproken blijven. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat een gelijkluidend middel is ingediend in de samenhangende strafzaak. In die zaak wordt het middel wel inhoudelijk besproken en kom ik tot de conclusie dat het faalt.
De als tweede middel aangeduide klachten
7. De als tweede middel aangeduide klachten houden onder meer in dat het hof “onvoldoende, althans ontoereikend met redenen omkleed, het ontnemingsbedrag heeft bepaald op € 7.001.707,=. Op grond van vereenzelviging van requirant en het in [verdachte] bepaalde wederrechtelijk verkregen voordeel.”
8. De als tweede middel aangeduide klachten zijn gelijkluidend aan het tweede middel dat is voorgesteld in de ontnemingszaak van [medeverdachte] . Ook de toelichting is (nagenoeg) identiek, met dit verschil dat in de samenhangende zaak van [medeverdachte] de toelichting iets nader is uitgewerkt. Dit doet er niet aan af dat de in de onderhavige zaak voorgestelde klachten in essentie zijn gericht tegen beslissingen van het hof in de ontnemingszaak van [medeverdachte] . Zo wijs ik erop dat de door middel van actieve omkoping verkregen provisie door [B] is overgemaakt op de rekening van de betrokkene. Vereenzelviging van de betrokkene met [medeverdachte] is dan niet nodig om te kunnen vaststellen dat de betrokkene het voordeel heeft behaald. Ook de vraag of het aan [medeverdachte] uitbetaalde loon onder het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschaard, regardeert de betrokkene niet.
9. Hetgeen als tweede middel wordt gepresenteerd, kan niet als middel van cassatie in de zin der wet worden aangemerkt en moet hier onbesproken blijven.
Slotsom
10. Nu geen van de als middelen voorgestelde klachten kunnen worden aangemerkt als middel van cassatie, is niet voldaan aan de in artikel 437 lid 2 Sv gestelde voorwaarde.
11. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het namens haar ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG