PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02488
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
Het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden heeft bij arrest van 18 juni 2024 (parketnummer: 2100407421) het vonnis van de rechtbank Gelderland van 4 mei 2017 (onder aanvulling van de gronden van de bewezenverklaring) bevestigd, behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de verdachte voor ‘ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Als bijkomende straf heeft het hof de verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van groepsleider in de jeugdzorg, voor de duur van vijf jaren. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding afgewezen en de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en te maken kosten.
Het cassatieberoep is op 1 juli 2024 ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat klachten over (de motivering van) de afwijzing van de (voorwaardelijke) verzoeken tot het oproepen en horen van vier getuigen à décharge, alsmede tot het doen toevoegen van verschillende stukken aan het dossier.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
2. De verzoeken van de verdediging en de daarop genomen beslissingen van het hof
Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting van 31 mei 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar op de zitting overgelegde pleitnota. De pleitnota houdt, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende in:
“Cliënt meent dat hij ten onrechte is veroordeeld. Cliënt ontkent ten stelligste dat sprake is geweest van seksuele handelingen met aangeefster [A-G: [aangeefster] ].
Daarbij heeft cliënt verklaard dat hij wel masturbeerde op zijn werk en zijn sperma dan opving in een slipje welke hij zelf had gekocht. Dat slipje bevond zich in zijn tas in de kantoorruimte. Aangeefster kon/mocht bij zijn spullen komen. Hiermee kan de aanwezigheid van het sperma op het slipje worden verklaard.
(…)
Voorts kunnen de hierna te noemen getuigen verklaren over het gedrag van [aangeefster] tijdens haar verlof. Volgens cliënt was dit zeer obsessief gedrag. Zo is [aangeefster] in [plaats] cliënt gaan zoeken. Dit kan bevestigd worden door [betrokkene 2] .
Daarbij hield [aangeefster] een dagboek bij waarin zij haar gedachten opschreef. Dit waren nogal heftige en haatdragende gedachten over en naar haar ex-vriend waarin zij – onder andere – sadistische uitlatingen deed over wat zij met hem wilde doen. Ook schreef [aangeefster] in haar dagboek over haar BDSM-verleden en haar seksuele ervaringen (het hebben van een trio en de Japanse kawai verlangens). In dit dagboek schreef [aangeefster] ook over haar haar interesse in magie. Dit dagboek is door meerdere collega's gezien en gelezen. Zo heeft destijds haar mentor, de [betrokkene 1] , dat dagboek op verzoek van cliënt gelezen zodat hij wist wat er in [aangeefster] omging.
Het zoekgedrag op de computer van [aangeefster] vóór en na haar aangifte is opmerkelijk te noemen. Zowel collega’s als de docent op haar school hebben hier uitlatingen over gedaan richting de unit leider, [betrokkene 2] .
Het feit dat [aangeefster] lijdt aan Borderline is tijdens het opsporingsonderzoek en in eerste aanleg naar de mening van de verdediging sterk onderbelicht gebleven. [aangeefster] was geobsedeerd door haar liefde voor cliënt. Zo had zij de naam van cliënt in haar been gekerfd. Dit kunnen na te noemen collega's van cliënt bevestigen.
(…)
Volgens cliënt kende iedere jongere op de groep de lichamelijke kenmerken van cliënt. Wat tijdens het sporten en vrije tijd werd gezien, werd door de jongeren met elkaar besproken.
De camerabeelden zijn slechts een momentopname. Volgens cliënt gebeurde het wel vaker dat begeleiders op de kamers van de jongeren kwamen, ook al mocht dit officieel niet. In de praktijk kwam het regelmatig voor dat door onderbezetting van het personeel op bepaalde dagen de begeleiders soms genoodzaakt waren om zulke beslissingen te nemen De hierna te noemen collega’s van cliënt, kunnen deze praktijk bevestigen. Zeker ten tijde van de reorganisatie van de stichting was de werkdruk soms heel hoog.
De hierna te noemen personen/collega’s van cliënt kunnen verklaren over het gedrag van cliënt tijdens zijn werkzaamheden binnen de stichting alsook zijn professionele houding ten opzichte van de jongeren. Daarnaast kunnen deze collega’s verklaren over het vreemde gedrag van [aangeefster] .
De verdediging [wenst] de navolgende personen als getuige te horen:
[A-G: hier volgt een opsomming van tien namen met adresgegevens].
Ten slotte wenst de verdediging een (getuige-)deskundige te horen over Borderline.
(…)
7. [betrokkene 2] , werkzaam bij [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 2] kan verklaren over de zoekgeschiedenis op de computer waaraan [aangeefster] had gezeten. In de zoekgeschiedenis waren termen als: sperma, kerven van de naam. Ook kan [betrokkene 2] verklaren over haar obsessie van cliënt en het obsessieve gedrag [aangeefster] . Zo is [aangeefster] tijdens haar verlof cliënt gaan zoeken. Ook zou zij de naam van cliënt in haar been gekerfd hebben.
8. [betrokkene 6] , werkzaam bij [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[A-G: op deze getuige wordt in de pleitnota van de regiezitting geen toelichting gegeven.]
9. [betrokkene 3] , werkzaam bij [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 3] kan verklaren over wie (…) wanneer bij hem kwam met het verhaal van [aangeefster] . [betrokkene 3] kan verklaren over het gedrag van [aangeefster] en haar seksoverschrijdende gedrag. [betrokkene 3] kan verklaren over het verhoor dat hij heeft afgenomen van [aangeefster] . De verdediging wenst hem te vragen welke vragen hij destijds heeft gesteld aan [aangeefster] .
[betrokkene 3] weet van de schriftjes die [aangeefster] bijhield en wat zij daarin geschreven had over seks en haar fantasieën.
10. [betrokkene 4] , als beveiliger werkzaam bij [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[A-G: op deze getuige wordt in de pleitnota van de regiezitting geen toelichting gegeven.]
(…)
Volgens cliënt hield [aangeefster] twee schriftjes bij. Het eerste schriftje betreft het schriftje waarover de verbalisanten ook beschikten, het zogenaamde: daldeeschriftje (…). Dat leest iedereen, volgens cliënt. De verdediging zou graag inzage hebben in dit schriftje en verzoekt om toevoeging van het schriftje aan het dossier. In dat andere schriftje, een paars/blauw schriftje met een zachte kaft beschrijft [aangeefster] haar seksuele belevingen en/of fantasieën: over verkrachtingen en magie (…). [betrokkene 3] en [betrokkene 5] hebben dit tweede schriftje ook gezien en gelezen. De verdediging zou graag inzage hebben in dit schriftje. U wordt verzocht om navraag te doen bij de groepsleiding over dit tweede schriftje en deze aan het dossier toe te voegen.
Voorts zijn uitlatingen van [aangeefster] over haar seksuele fantasieën, zoals BDSM, door de groepsleiding ook in het BRES systeem opgenomen. De verdediging verzoekt deze rapportages en opmerkingen over [aangeefster] in het BRES systeem aan het dossier toe te voegen.”
Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting van 31 mei 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte in dupliek het volgende aangevoerd:
“Ik wil één opmerking maken over de schriftjes. Wellicht staat in die schriftjes iets wat er is gebeurd op de dagen van de tenlastegelegde periode wat wel van belang is voor beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Voor de rest persisteer ik bij hetgeen ik heb gezegd.”
Bij tussenarrest van 14 juni 2022 heeft het hof als volgt beslist:
“Het hof is van oordeel dat het horen van getuigen 7 tot en met 10 en een (getuige-)deskundige niet noodzakelijk is en wijst de betreffende verzoeken af.
Het verzoek tot het toevoegen van de gevraagde nadere stukken aan het dossier, wordt eveneens afgewezen. Naar het oordeel van het hof is door de raadsvrouw onvoldoende concreet en specifiek gemotiveerd waarom het toevoegen van deze stukken noodzakelijk is.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte haar onderzoekswensen herhaald en daartoe het volgende aangevoerd:
“De verdediging is vanaf het begin af aan heel duidelijk geweest over welke getuigen zij wilde horen. Ik heb ook steeds gevraagd om de stukken die met deze zaak zijn verweven te voegen in het dossier. Het gaat dan bijvoorbeeld om de schriftjes en rapportages in het BRES-systeem. Door de politie en de officier van justitie zijn deze stukken wel ingezien, maar de verdediging heeft hier geen inzage in mogen hebben. Ik heb nu een aantal getuigen kunnen horen, maar de schriftelijke stukken waarin het een en ander uiteen is gezet door [aangeefster] , [getuige 1] en [getuige 2] heb ik niet aan de getuigen kunnen tonen. Ik vraag daarom om dezelfde getuigen als waar ik eerder om verzocht. Ik heb dit op papier gezet.”
Verder heeft de raadsvrouw het woord gevoerd overeenkomstig haar op de zitting overgelegde pleitnotities. Deze notities bevatten op onderdelen herhalingen van hetgeen tijdens de regiezitting naar voren is gebracht. Ze houden, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende in:
“De verdediging is [van] mening dat [zowel] uit Uw arrest van 18 juni 2019 als dat van 14 juni 2022 wederom niet is gebleken waarom het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend ten aanzien van de getuigen 7 tot en met 10. Voorts is Uw gerechtshof niet ingegaan op het gewicht van de verklaringen van de gevraagde getuigen. Daarnaast is het ontbreken van het ondervragingsrecht voor deze (ontlastende) getuigen op geen enkele wijze gecompenseerd. Zelfs het laten toevoegen van bepaalde documenten (schriftjes, schriftelijke verklaringen en het BRES-systeem) dan wel het horen van een (getuige-)deskundige over Borderline is afgewezen. De verdediging meent dat cliënt geen eerlijk proces heeft gekregen.
Kennelijk is uw gerechtshof niet geïnteresseerd in de waarheid en ook niet geïnteresseerd in hetgeen zich destijds daadwerkelijk heeft afgespeeld. Wat is er gebeurd voorafgaand aan de aangifte? Wat heeft aangeefster vóór, tijdens en na de aangifte gezegd en gedaan? Zij heeft verklaard en ook opgeschreven dat het allemaal een droom was. Een droom dat zij seks had gehad met cliënt. De verdediging begrijpt niet waarom Uw hof niet geïnteresseerd is in wat zij heeft gezegd en opgeschreven. Dit maakt haar verklaring wel degelijk onbetrouwbaar.
Voorts hebben we hier te maken met een man zonder strafblad, met een vlekkeloze reputatie, een gewaardeerde collega, die van een zeer ernstig feit wordt verdacht en op 18 juni 2019 door Uw gerechtshof is veroordeeld tot een lange gevangenisstraf.
(…).
Onderzoekswensen
De verdediging persisteert daarom bij de onderzoekswensen zoals in de appelmemorie en op zitting van 4 juni 2019 is verzocht.
Cliënt meent dat hij ten onrechte is veroordeeld. Cliënt ontkent ten stelligste dat sprake is geweest van seksuele handelingen met aangeefster.
Daarbij heeft cliënt verklaard dat hij wel masturbeerde op zijn werk en zijn sperma dan opving in een slipje welke hij zelf had gekocht. Dat slipje bevond zich in zijn tas in de kantoorruimte. Aangeefster kon/mocht bij zijn spullen komen. Hiermee kan de aanwezigheid van het sperma op het slipje [A-G: van aangeefster] worden verklaard.
De hierna te noemen getuigen hebben vóór, tijdens en na de aangifte het gedrag van aangeefster en de schriftelijke en mondelinge uitlatingen van aangeefster waargenomen. Zo kunnen de hierna te noemen getuigen verklaren over het gedrag van [aangeefster] tijdens haar verlof. Volgens cliënt was dit zeer obsessief gedrag. Zo is [aangeefster] in [plaats] cliënt gaan zoeken. Dit kan bevestigd worden door [betrokkene 2] .
Daarbij hield [aangeefster] een dagboek bij waarin zij haar gedachten opschreef. Dit waren nogal heftige en haatdragende gedachten over en naar haar ex-vriend waarin zij – onder andere – sadistische uitlatingen deed over wat zij met hem wilde doen. Ook schreef [aangeefster] in haar dagboek over haar BDSM-verleden en haar seksuele ervaringen (het hebben van een trio en de Japanse kawai verlangens). In dit dagboek schreef [aangeefster] ook over haar interesse in magie. Dit dagboek is door meerdere collega's gezien en gelezen. Zo heeft destijds haar mentor, de [betrokkene 1] , diegene die haar dagelijkse begeleidde, dat dagboek op verzoek van cliënt gelezen zodat hij wist wat er in [aangeefster] omging.
Het zoekgedrag op de computer van [aangeefster] vóór en na haar aangifte is tevens zeer opmerkelijk te noemen. Zowel collega's als de docent op haar school hebben hier uitlatingen over gedaan richting de unitleider, [betrokkene 2] .
Het feit dat [aangeefster] lijdt aan Borderline is tijdens het opsporingsonderzoek en in eerste aanleg alsook in hoger beroep naar de mening van de verdediging sterk onderbelicht gebleven. [aangeefster] was geobsedeerd door haar liefde voor cliënt. Zo had zij de naam van cliënt in haar been gekerfd. Dit kunnen na te noemen collega's van cliënt bevestigen.
Volgens cliënt, kende iedere jongere op de groep de lichamelijke kenmerken van cliënt. Wat tijdens het sporten en vrije tijd werd gezien, werd door de jongeren met elkaar besproken.
De camerabeelden zijn slechts een momentopname. Volgens cliënt gebeurde het wel vaker dat begeleiders op de kamers van de jongeren kwamen, ook al mocht dit officieel niet. In de praktijk kwam het regelmatig voor dat door onderbezetting van het personeel op bepaalde dagen de begeleiders soms genoodzaakt waren om zulke beslissingen te nemen De hierna te noemen collega's van cliënt, kunnen deze praktijk bevestigen. Zeker ten tijde van de reorganisatie van de stichting was de werkdruk soms heel hoog.
De hierna te noemen personen/collega's van cliënt kunnen verklaren over het gedrag van cliënt tijdens zijn werkzaamheden binnen de stichting alsook zijn professionele houding ten opzichte van de jongeren. Daarnaast kunnen deze collega's verklaren over het vreemde gedrag van [aangeefster] vóór, tijdens en na haar aangifte.
De verdediging [wenst] de navolgende personen als getuige te horen:
7. [betrokkene 2] , werkzaam bij [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 2] kan verklaren over de zoekgeschiedenis op de computer waaraan [aangeefster] had gezeten. In de zoekgeschiedenis waren termen als: sperma, kerven van de naam. Ook kan [betrokkene 2] verklaren over haar obsessie voor cliënt en het obsessieve gedrag van [aangeefster] . Zo is [aangeefster] tijdens haar verlof cliënt gaan zoeken. Ook zou zij de naam van cliënt in haar been gekerfd hebben.
8. [betrokkene 6] , werkzaam bij [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 6] heeft als pedagogisch medewerker [aangeefster] dagelijks meegemaakt. [betrokkene 6] heeft achter de computer gezeten en gezien dat [aangeefster] allemaal al langere tijd informatie over de houdbaarheid van sperma, het kerven van een naam, aan het opzoeken was op de computer en derhalve een plan (een complot) aan het opzetten was tegen cliënt.
9. [betrokkene 3] , werkzaam bij [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 3] was de mentor van [aangeefster] , en kan verklaren over wie wanneer bij hem kwam met het verhaal van [aangeefster] . [betrokkene 3] kan verklaren over het gedrag van [aangeefster] en haar seksoverschrijdende gedrag. [betrokkene 3] kan verklaren over het verhoor dat hij heeft afgenomen van [aangeefster] . De verdediging wenst hem te vragen welke vragen hij destijds heeft gesteld aan [aangeefster] . [betrokkene 3] weet van de schriftjes die [aangeefster] bijhield en heeft gelezen wat zij daarin geschreven had over seks en haar fantasieën.
10. [betrokkene 4] , als beveiliger werkzaam bij [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
Volgens cliënt kan [betrokkene 4] verklaren over de persoon van cliënt en zijn professionele werkwijze binnen [B] . Cliënt is nooit aangesproken door [betrokkene 4] of andere collega’s op vreemd of overschrijdend gedrag naar jongeren op de groep. Cliënt werkte al meer dan vijf jaar in de jeugdzorg. Er zijn nooit klachten over hem geweest.
(…)
Volgens cliënt hield [aangeefster] twee schriftjes bij. Het eerste schriftje betreft het schriftje waarover de verbalisanten ook beschikten, het zogenaamde: daldeeschriftje (pagina 93). Dat leest iedereen, volgens cliënt. De verdediging zou graag inzage hebben in dit schriftje en verzoekt om toevoeging van het schriftje aan het dossier. In dat andere schriftje, een paars/blauw schriftje met een zachte kaft, beschrijft [aangeefster] haar seksuele belevingen en/of fantasieën: over verkrachtingen en magie (pagina 93). [betrokkene 3] en [betrokkene 5] hebben dit tweede schriftje ook gezien en gelezen. De verdediging zou graag inzage hebben in dit schriftje. U wordt verzocht om navraag te doen bij de groepsleiding over dit tweede schriftje en deze aan het dossier toe te voegen.
Voorts zijn uitlatingen van [aangeefster] over haar seksuele fantasieën, zoals BDSM, door de groepsleiding ook in het BRES systeem opgenomen. De verdediging verzoekt deze rapportages en opmerkingen over [aangeefster] in het BRES systeem aan het dossier toe te voegen.”
Het hof heeft op de zitting van 4 juni 2024 als volgt op de verzoeken beslist:
- “De verdediging heeft verzocht de dagboekschriftjes en het BRES-systeem te voegen aan het dossier omdat hieruit seksuele fantasieën van aangeefster, obsessief gedrag/fixatie jegens verdachte en haar interesse in magie zou blijken. Dit verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering. Het dossier dient die stukken te bevatten die redelijkerwijs van belang zijn in ontlastende en in belastende zin. In het dossier wordt reeds door verschillende getuigen gesproken over obsessief gedrag en seksuele fantasieën. Seksuele fantasieën, obsessief gedrag/fixatie jegens verdachte en interesse in magie brengen bovendien niet zonder meer mee dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn. Waarom dat hier wel het geval zou zijn en waarom het voegen van deze stukken in dat kader noodzakelijk is, is niet onderbouwd. Het hof ziet geen noodzaak tot het voegen van deze stukken aan het dossier en wijst de verzoeken af.
- De verdediging heeft verzocht om de verklaringen die aangeefster, [getuige 2] en [getuige 1] op de groep hebben opgeschreven in te mogen zien, en zo nodig te voegen aan het dossier. Dat deze schriftelijke verklaringen enige rol hebben gespeeld in het opsporingsonderzoek is niet gebleken. De getuigen zijn gehoord bij de politie en later op verzoek van de verdediging nogmaals ten overstaan van de ’raadsheer-commissaris. De verdediging heeft de mogelijkheid gehad de getuigen te horen over hun waarnemingen en de schriftelijke verklaringen. De noodzaak tot het inzien en zo nodig toevoegen van deze verklaringen aan het dossier is niet gebleken. Het hof wijst dit verzoek af.
- Uit het dossier volgt dat [aangeefster] was opgenomen in een gesloten setting en dat sprake was van verschillende soorten problematiek. Verdachte heeft daarover zelf verklaard en ook over het seksueel overschrijdend gedrag van aangeefster. De verdediging heeft niet onderbouwd waarom een deskundige over de ziekte borderline in zijn algemeenheid moet worden gehoord. Het hof acht dit verzoek niet noodzakelijk en wijst dit verzoek af.
- Het verzoek tot het horen van getuigen is na terugwijzing door de Hoge Raad voor het eerst mondeling gedaan op de regiezitting. Daarom is het noodzaakcriterium van toepassing. De verdediging heeft een beroep gedaan op de post-Keskin jurisprudentie. Het hof is van oordeel dat deze jurisprudentie niet van toepassing is, omdat geen sprake is van belastende getuigen. De verdediging heeft aangevoerd dat [betrokkene 2] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] kunnen verklaren over obsessief en seksueel overschrijdend gedrag vanuit aangeefster. In het dossier wordt hierover verklaard door getuigen en door verdachte zelf. De noodzaak om deze getuigen te horen voor de bewijswaarde van de verklaring van aangeefster is niet gebleken. Ten aanzien van [betrokkene 3] heeft de verdediging aangegeven hem te willen bevragen over de vragen die destijds aan aangeefster zijn gesteld. Dit verzoek is niet verder onderbouwd en het hof ziet hier dan ook geen noodzaak toe. Ten aanzien van beveiliger [betrokkene 4] heeft de verdediging aangevoerd dat deze getuige zou kunnen verklaren over het feit dat verdachte nooit eerder is aangesproken over zijn gedrag en dat er nooit klachten over hem zijn binnengekomen. Dit zegt echter niets over de voorliggende vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafrecht [A-G: ik begrijp Strafvordering]. De noodzaak tot het horen van deze getuigen is niet gebleken en deze verzoeken worden dan ook afgewezen.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 juni 2024 heeft de raadsvrouw het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar op de zitting overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende in:
“Incompleetheden dossier en onderzoek:
- In diverse verhoren wordt verwezen naar schriftelijke verklaringen en schriftjes, dagboeken. Deze zijn niet aan het dossier toegevoegd.
- [betrokkene 1] heeft gesloten vragen gesteld aan [aangeefster] , vlak na de vermeende, handelingen op zaterdag, 30 mei 2015, van cliënt.
- Op woensdag, 3 juni 2015, op de buitenschool lieten [betrokkene 1] en [betrokkene 5] de meiden: [aangeefster] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] opschrijven wat zij gehoord en meegemaakt hadden. [betrokkene 1] zat erbij en de meiden hebben vragen op [aangeefster] afgevuurd.
- [aangeefster] kreeg de mogelijkheid om haar verhaal op papier te [plaats] . Deze schriftelijke verklaring ontbreekt bij de stukken van het dossier.
- Aan de moeder van [aangeefster] is destijds nooit de slip getoond die inbeslaggenomen was en waarop DNA is aangetroffen van [aangeefster] en sperma van cliënt. De moeder kan verklaren of dit één van de slipjes betreft die zij voor [aangeefster] had gekocht. Op 6 maart 2023, acht jaren later, is de slip door de raadsheer-commissaris aan [moeder aangeeftser] getoond. Alsdan verklaart zij dat dat gemakkelijk zou kunnen. Maar zij vindt het (logischerwijs) moeilijk om zich nog te herinneren of zij specifiek deze string voor haar dochter heeft gekocht.
De verdediging wenst Uw gerechtshof te wijzen op haar verklaring bij de politie op 22 juni 2015 (…). Aldaar verklaart [moeder aangeeftser] over de strings die zij heeft gekocht bij Hans Textiel: een zwarte, een knalgele, een zwarte of donkerblauwe met stippen, en misschien een roze. Het was niet met kant of doorschijnend. Het is niet het formaat van touwtje aan de bovenzijde maar een kleine band aan de bovenzijde. Het is een versterkte band aan de bovenzijde. Het is een versterkte band en niet een elastiek. Met andere woorden: de omschrijving van de onderbroek/slip/string komt geheel niet overeen met de onderbroek die door het NFI is onderzocht.
- Cliënt heeft tijdens zijn verhoor verklaard over twee schriftjes van [aangeefster] . Het eerste schriftje waarover de politie destijds beschikte, het zogenaamde daldeeschriftje, las iedereen. Maar volgens cliënt was er ook een tweede (haat-)schriftje met een paar/blauwe zachte kaft. In dit schriftje schrijft [aangeefster] over verkrachtingen en over haar fantasieën. Dit schrift heeft cliënt destijds gelezen en toen [aangeefster] geadviseerd om hiervoor naar een psycholoog te gaan. Volgens cliënt weten [betrokkene 3] en [betrokkene 5] van dit schriftje en hebben zij dat ook gezien en gelezen (pagina 93).
- Volgens cliënt heeft hij in het BRES systeem geschreven over de seksualiteit en de verwarring daarin van [aangeefster] (pagina 93).
Achtergrond van [aangeefster] :
- aangeefster heeft een achtergrond van seksoverschrijdend gedrag, suïcidaal, automutilatie en Borderline;
- bij de groepsleiding was bekend dat zij van magie hield, dat zij bezig was met BDSM, dat zij vaker zou zijn betast door mannen en jongens bij andere internaten;
- zij droeg graag verkeerde kleding, graag truitjes waar haar borsten uit hingen. Ze daagt volgens [betrokkene 5] graag uit (pagina 64);
- [aangeefster] was verliefd op cliënt, en dacht dat zij een relatie had met cliënt. Haat en liefde liggen dichtbij elkaar.
Achtergrond cliënt:
- geen strafblad;
- cliënt werkt sinds 2009 bij de [A] , er zijn nooit klachten geweest over ongewenste seksuele intimiteiten naar de jongeren op de groep;
- [betrokkene 9] heeft verklaard dat zij zeker wist dat [verdachte] nooit iets zou doen met een meisje van de groep.
Op grond van het hiervoor betoogde [betrokkene 5] de verdediging Uw hof cliënt integraal vrij te spreken van het tenlastegelegde bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Indien Uw hof niet tot een vrijspraak overgaat, doet de verdediging hierbij wederom het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [betrokkene 2] , [betrokkene 6] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Daarnaast het voorwaardelijk verzoek tot het horen van een deskundige over Borderline persoonlijkheidsstoornissen, en het toevoegen van de schriftelijke verklaringen, de schriftjes, de rapportage en het BRES-systeem.
De verdediging meent dat alleen in dat geval sprake is geweest van een eerlijk proces en dat Uw hof geen totaal en compleet beeld heeft van wat zich destijds heeft afgespeeld.”
In het bestreden arrest heeft het hof de voorwaardelijke verzoeken als volgt samengevat en afgewezen:
“Bij pleidooi heeft de verdediging een aantal voorwaardelijke verzoeken gedaan, voor het
geval het hof niet tot een vrijspraak komt. Het betreft een herhaling van verzoeken die door
de verdediging zijn gedaan op de regiezitting van 31 mei 2022 en ter terechtzitting van het
hof van 4 juni 2024. Het hof heeft deze verzoeken toen afgewezen.
Het hof zal verdachte niet vrijspreken van het tenlastegelegde en dient daarom te beslissen op de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging. Het gaat hierbij om de volgende verzoeken:
- Het horen van de navolgende personen als getuige:
o [betrokkene 2]
o [betrokkene 6]
o [betrokkene 3]
o [betrokkene 4]
- Het horen van een deskundige over borderlinepersoonlijkheidsstoornissen;
- Het toevoegen aan het dossier van schriftjes van aangeefster;
- Het toevoegen aan het dossier van de rapportages en opmerkingen in het BRES-systeem met betrekking tot de seksuele fantasieën en seksualiteit van de aangeefster;
(…)
Het hof overweegt ten aanzien van deze verzoeken als volgt.
De getuigenverzoeken
De verzoeken tot het horen van getuigen zijn, nadat de zaak door de Hoge Raad naar het hof is teruggewezen, voor het eerst gedaan op de regiezitting van 31 mei 2022. Deze verzoeken worden daarom beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling de criteria moeten worden aangelegd zoals die in de postKeskin jurisprudentie zijn geformuleerd. Het hof is van oordeel dat deze jurisprudentie niet van toepassing is, omdat geen sprake is van belastende getuigen.
De verdediging heeft aangevoerd dat [betrokkene 2] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] kunnen verklaren over obsessief en seksueel overschrijdend gedrag alsook over andere gedragingen van aangeefster. De verdediging stelt dat gedragingen van aangeefster voor en na de aangifte als zeer opmerkelijk en vreemd moeten worden aangemerkt. Het hof stelt ten aanzien van dit verzoek vast dat zich in het dossier meerdere getuigenverklaringen bevinden waarin wordt gesproken over gedragingen en fantasieën van aangeefster, waaronder verklaringen van aangeefster en van verdachte zelf. Ook stelt het hof vast dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld aangeefster en andere belastende getuigen nader te horen bij de raadsheer-commissaris teneinde de betrouwbaarheid van verklaringen te toetsen. Bij die stand van zaken is naar het oordeel van het hof de noodzaak om de verzochte getuigen over de gedragingen te horen niet gebleken. Ten aanzien van [betrokkene 3] heeft de verdediging ook verzocht hem te kunnen bevragen over de vragen die hij destijds aan aangeefster heeft gesteld. De noodzaak om vast te stellen welke vragen [betrokkene 3] aan aangeefster heeft gesteld is het hof niet gebleken en wordt verder in het verzoek ook niet onderbouwd. Ten aanzien van de getuige " [betrokkene 4] " heeft de verdediging aangevoerd dat deze getuige werkzaam was als beveiliger bij de instelling waar verdachte werkte en kan verklaren over het feit dat verdachte nooit eerder is aangesproken op zijn gedrag naar de jongeren op de groep en dat er nooit klachten over hem zijn binnengekomen. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit niet waarom het horen van deze getuige bijdraagt aan de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafrecht [A-G: ik begrijp Strafvordering] in het kader van de voorliggende concrete verdenking.
De noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen is niet gebleken en deze verzoeken worden dan ook afgewezen.
Het horen van een deskundige
Ook dit verzoek is door de verdediging, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad, voor het eerst op de regiezitting gedaan, waardoor ook hier het noodzaakcriterium geldt. Uit het dossier volgt dat aangeefster was opgenomen in een gesloten setting en dat sprake was van verschillende soorten problematiek, waaronder (mogelijk) een borderline persoonlijkheidsstoornis. De verdediging heeft niet onderbouwd waarom voor de beoordeling van de in deze zaak voorliggende vragen een deskundige moet worden gehoord over de persoonlijkheidsstoornis borderline in zijn algemeenheid. Het hof acht het horen dan ook niet noodzakelijk en wijst dit verzoek af.
Het toevoegen aan het dossier van de dagboekschriftjes en de rapportages en opmerkingen uit het BRES-systeem
De verdediging heeft verzocht deze stukken te voegen aan het dossier omdat hieruit seksuele fantasieën van aangeefster, obsessief gedrag/fixatie jegens verdachte en haar interesse in magie zou blijken. Ook ten aanzien van dit verzoek dient op grond van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering te worden beoordeeld of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het hof overweegt daarbij dat een dossier de stukken moet bevatten die redelijkerwijs van belang zijn in belastende en ontlastende zin. In het dossier wordt door verschillende getuigen gesproken over obsessief gedrag van aangeefster jegens verdachte en over haar seksuele fantasieën. Aangeefster heeft zelf als getuige bovendien verklaard dat zij de naam van verdachte in haar been had gekerfd. Het dossier geeft daarmee steun aan het standpunt van de verdediging dat aangeefster destijds, als 16-jarige, (in zekere mate) door verdachte geobsedeerd was en dat zij aan BDSM-gerelateerde fantasieën had. Waarom het voegen van de verzochte stukken noodzakelijk is in ontlastende zin volgt niet uit het verzoek. Daarbij overweegt het hof in het bijzonder nog dat het hebben van seksuele fantasieën, obsessief gedrag/fixatie jegens verdachte en interesse in magie niet zonder meer meebrengen dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn. Het hof ziet daarom geen noodzaak tot het voegen van deze stukken aan het dossier en wijst de verzoeken af.”
3. Oordeel hof over de betrouwbaarheid van de aangeefster en over het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario
Volgens de steller van het middel houden de voorwaardelijke verzoeken niet alleen verband met de wens om de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) de aangeefster te toetsen, maar ook met de aannemelijkheid van het naar voren gebrachte alternatieve scenario.
Het hof heeft in dat kader het volgende (nader) overwogen:
“Het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van de aangeefster. Er kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen indien de door de aangeefster verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Niet is vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging in ander bewijsmateriaal steun vindt. Dat betekent dat het hof moet beoordelen, of enerzijds de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en anderzijds of haar verklaring voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Het feit dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Het steunbewijs dient verder te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen.
Steunbewijs
In het vonnis van de rechtbank is al uitgebreid vastgesteld dat de verklaring van aangeefster steun vindt in ander bewijsmateriaal. Daaruit volgt dat deze verklaring niet op zichzelf staat. Het hof neemt die overwegingen over en voegt daaraan toe dat de verklaring van aangeefster ook in belangrijke mate ondersteund wordt door de verklaringen van verdachte zelf ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Verdachte heeft immers ook verklaard dat hij een goede band had met aangeefster, dat hij met haar sprak over seks en dat hij haar een boek had uitgeleend met een bijzonder seksueel karakter. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij met aangeefster op zolder is geweest en dat dit tegen de regels in was.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en in aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen, overweegt het hof dat de verklaring van aangeefster ook als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Aangeefster heeft op 12 juni 2015 aangifte gedaan tegen verdachte. Zij heeft daarbij uitgebreid verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. Tegenover de politie heeft aangeefster aangegeven dat zij het moeilijk vond om aangifte te doen. De voornaamste reden dat zij aangifte deed, was omdat ze niet wilde dat haar ouders of de instelling aangifte zouden doen. Ze wilde zelf de hoofdpersoon zijn, omdat het om haar ging. In haar aangifte heeft ze daarnaast verklaard dat ze van verdachte hield en dat ze het idee had dat zij een soort van relatie hadden. Ook gaf aangeefster aan dat het fout was wat verdachte deed, maar dat zij er zelf aan meedeed. Tijdens gesprekken met begeleiding op [C] heeft aangeefster in eerste instantie niet willen toegeven dat zij seks met verdachte had gehad omdat ze met verdachte had afgesproken dat zij zouden vertellen dat het niet waar was. Aangeefster heeft nadien gedetailleerd en consistent verklaard. Ook in haar verhoor bij de raadsheer-commissaris is zij bij haar aangifte gebleven. Bij de raadsheer-commissaris is zij ook ingegaan op haar eigen gedragingen, haar verliefdheid, en haar obsessie ("misschien") voor verdachte. Uit niets blijkt dat aangeefster haar verklaring heeft verzonnen of heeft willen aandikken. Het tegendeel was aanvankelijk het geval. Naar het oordeel van het hof is sprake van een authentieke en daardoor betrouwbare verklaring. Het hof acht de verklaring van aangeefster in haar aangifte dan ook bruikbaar voor het bewijs.
Conclusie hof
Naar het oordeel van het hof kan de bewezenverklaring worden gebaseerd op de verklaring van aangeefster, nu deze voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van aangeefster dient te worden uitgesloten van het bewijs omdat deze verklaring onbetrouwbaar zou zijn. Gelet op het hiervoor overwogene wordt dit verweer verworpen.
De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat sprake is van een alternatief scenario. De andersluidende verklaring van verdachte vindt - gelet op het bovenstaande - geen steun in het bewijs en het hof acht deze verklaring niet aannemelijk.”
In het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank van 4 mei 2017 heeft de rechtbank over het alternatieve scenario het volgende overwogen:
“Verdachte heeft zoals voornoemd verklaard dat hij masturbeerde op zijn werk en zijn sperma in een slip – niet afkomstig van aangeefster – opving. Nu aangeefster toegang had tot zijn spullen, zou dit de aanwezigheid van zijn sperma op haar ondergoed kunnen verklaren.
De rechtbank acht deze verklaring van verdachte gelet op al het voorgaande en in het bijzonder de zeer consistente (ook tegenover anderen) en gedetailleerde verklaringen van aangeefster niet aannemelijk. Daarbij overweegt de rechtbank verder dat haar verklaringen op specifieke onderdelen – waaronder de (seksuele) aard en intensiteit van haar contact met verdachte, de verstrekking van het boek en het beeldje en de bezoeken aan de zolder zonder dat kleding door de ouders werd opgehaald dan wel door [aangeefster] werd meegebracht – door diverse getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte zelf worden ondersteund. De rechtbank acht de verklaring van verdachte te meer niet aannemelijk, nu niet kan worden vastgesteld dat aangeefster op de hoogte is geweest van het slipje in de tas van verdachte, noch dat zij – nu alle kamers zoals overwogen voor de jongeren waren afgesloten – toegang heeft gehad tot de tas van verdachte. Er zijn daarmee in het dossier geen aanknopingspunten voor een complot tegen verdachte te vinden. Daar komt nog bij dat aangeefster van verdachte hield en de slip waarop verdachte masturbeerde – aldus zijn verklaring – bij thuiskomst zich gewoon in zijn tas bevond. Gelet op al dit voorgaande acht de rechtbank een alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van het sperma van verdachte in het ondergoed van aangeefster niet aannemelijk geworden en is zij van oordeel dat ook het NFI-rapport de verklaringen van aangeefster ondersteunt.”
4. Het middel
Het middel is gericht tegen (de motivering van) de afwijzing van de “(onvoorwaardelijke en voorwaardelijke) verzoeken” tot 1. het oproepen en horen van vier getuigen à décharge en 2. het aan het dossier doen toevoegen van verschillende stukken.
De eerste deelklacht
De eerste deelklacht omvat de klacht dat de verzoeken tot het oproepen c.q. horen van vier getuigen (à décharge) is afgewezen op onjuiste, ontoereikende dan wel onbegrijpelijke gronden.
Ten behoeve van de bespreking van het middel geef ik eerst in algemene zin het inmiddels genoegzaam bekende beoordelingskader voor getuigenverzoeken weer. De eisen die verband houden met het oproepen van getuigen à decharge (‘defence witnesses’ of ontlastende getuigen) verschillen van die van voor het oproepen van getuigen à charge (‘prosecution witnesses’ of belastende getuigen). Ten aanzien van de laatste categorie geldt dat het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het verzoek betrekking heeft op een getuige die de verdediging nog niet heeft kunnen ondervragen, terwijl die getuige al wel een verklaring heeft afgelegd met een voor de verdachte belastende strekking (en die de rechter kan gebruiken of heeft gebruikt voor het bewijs). Een dergelijk verzoek hoeft niet te worden onderbouwd, en mag evenmin op grond van gebreken in de motivering worden afgewezen. In andere gevallen, zoals ten aanzien van de eerste categorie, geldt wel een plicht voor de verdediging om het getuigenverzoek te motiveren. Die motiveringsplicht houdt in dat de verdediging ten aanzien van iedere getuige die zij wil doen oproepen, moet uitleggen waarom het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Op die manier moet de rechter in staat worden gesteld om de relevantie van het verzoek te beoordelen. De rechter kan het verzoek afwijzen als de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad omdat de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing, of als redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat de getuige over de bedoelde punten zou kunnen verklaren. Een afwijzing mag de “overall fairness” van het proces overigens niet ondermijnen.
Om te beoordelen of de afwijzing van een verzoek om een getuige à décharge te horen in overeenstemming is met art. 6 EVRM moet worden nagegaan: (i) of een, gelet op de beschuldiging, toereikend gemotiveerd verzoek is gedaan, (ii) of de rechter bij zijn beslissing tot afwijzing van dit verzoek de relevantie van de getuigenverklaring in zijn oordeel heeft betrokken en zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd, en (iii) of door deze beslissing de procedure als geheel nog voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
Voor de bespreking van het middel zij verder nog opgemerkt dat in cassatie wordt beoordeeld of de beslissing begrijpelijk is in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en de gronden waarop het is afgewezen.
Terug naar de onderhavige zaak. De steller van het middel brengt in de toelichting op het middel, aan de hand van het toetsingskader dat volgt uit de jurisprudentie over getuigen à décharge, naar voren (1.) dat van verzoeken de getuigen op te roepen “bezwaarlijk kan worden gezegd dat zij onvoldoende gemotiveerd noch dat de verklaringen van de getuigen niet relevant zouden zijn in het licht van de beschuldiging” en (2.) dat het hof de verzoeken niet (afdoende) op hun relevantie heeft onderzocht. Daarbij heeft, volgens de steller van het middel, te gelden dat de verdediging meer heeft aangevoerd dan wat het gerechtshof daarvan samenvattend heeft opgenomen, waarbij in het bijzonder de aandacht is gevestigd op een droom van de aangeefster, het huilen en het doen van aangifte. Daarnaast zouden de overwegingen van het hof de verwerping van het alternatieve scenario en de daarmee verband houdende afwijzing van de voorwaardelijke verzoeken tot het oproepen van de getuigen à décharge niet kunnen dragen. Dat brengt de steller van het middel tot de conclusie dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de noodzaak tot het oproepen van de getuigen ontbreekt, onbegrijpelijk is, “terwijl de verklaringen van die getuigen de uitkomst van het proces konden beïnvloeden, dan wel dat daarvan redelijkerwijs verwacht kon worden dat ze de positie van de verdediging zouden versterken”. Dit alles leidt er volgens de steller van het middel toe dat het recht op een eerlijk proces is ondergraven.
Het hof heeft in zijn motivering van de afwijzing van het verzoek stilgestaan bij de relevantie van hetgeen door de verdediging is verzocht. Daarbij is niet alleen de nadruk gelegd op de kwaliteit van de onderbouwing van het verzoek, maar ook op de materiële relevantie van de verzochte getuigen. Het hof heeft het verzoek (kort) samengevat en verworpen, en spreekt in dat kader over “gedrag” en “gedragingen” van de aangeefster. Hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht over de droom van de aangeefster, het huilen en het doen van aangifte valt naar mijn mening binnen de reikwijdte van de samenvatting van het hof.
Enigszins complexer is de door de steller van het middel opgeworpen tegenstrijdigheid tussen de motivering van de afwijzing van het verzoek tot het horen van de vier getuigen à décharge enerzijds en de (uit het vonnis van de rechtbank bevestigde) bewijsmotivering c.q. weerlegging van het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario anderzijds. De steller van het middel brengt in herinnering dat het alternatieve scenario – kort gezegd: dat aangeefster een door de verdachte voor masturbatie gebruikt slipje uit de tas van de verdachte moet hebben gepakt en het sperma van de verdachte daarna op de tailleband en aan de binnenzijde van het kruis van het slipje van de aangeefster moet zijn gekomen – niet aannemelijk is geacht, onder meer vanwege de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld dat “aangeefster op de hoogte is geweest van het slipje in de tas van verdachte, noch dat zij – nu alle kamers (…) voor de jongeren waren afgesloten – toegang heeft gehad tot de tas van verdachte”. Dit lijkt strijdig met hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht in het pleidooi in hoger beroep en in de cassatieschriftuur wordt opgeworpen, te weten dat de aangeefster bij de raadsheer-commissaris zou hebben verklaard dat de aangeefster “wel wist dat verzoeker masturbeerde op slips, wist hoe zijn tas eruit zag en ook weleens zonder toestemming in het kantoor van de groepsleiding was geweest”. Deze inconsistentie leidt er volgens de steller van het middel toe dat het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het oproepen van de gevraagde getuigen ontbreekt, onbegrijpelijk is. “Gelet op de redengeving van de verzoeken tot het oproepen van de getuigen (…) en het door verzoeker gegeven alternatieve scenario, is sprake van een situatie waarin de verklaringen van die getuigen de uitkomst van het proces konden beïnvloeden, dan wel dat daarvan redelijkerwijs verwacht kon worden dat ze de positie van de verdediging zouden versterken,” aldus de steller van het middel. Door de afwijzing van de verzoeken is de verdachte, volgens de steller van het middel, “ten onrechte niet c.q. onvoldoende in de gelegenheid (gesteld) de door hem betrokken, gemotiveerde stellingen en de betwisting van het tenlastegelegde te onderbouwen”.
Een blik over de papieren muur leert dat de soep niet zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend. In het proces-verbaal van het verhoor van [aangeefster] dat op 2 oktober 2018 in het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft plaatsgevonden is het volgende opgenomen (A-G: mijn onderstrepingen):
“U vraagt mij of ik wist van het masturberen op slips door [verdachte] . Ja, daarover had hij mij wel iets verteld. Hij had mij niet verteld wat hij later in de rechtszaal vertelde. Dat vond ik eerlijk gezegd nogal een lachwekkende verklaring. Hij vertelde zoiets als dat ik dan die sperma ervan afgehaald zou moeten hebben met een zakje en over mijn ondergoed zou hebben gesmeerd. En ook over het [zeil] op zolder, waar ik niet eens zomaar komen kon. Dit was allemaal niet wat ik van hem gehoord had. Hij had mij verteld dat hij op lingerie viel. En dat hij lingerie aantrekkelijker vond dan naakt. Hij had me ook verteld dat hij masturbeerde op zijn werk. Hij vertelde dat hij dat deed op de slaapkamer van de groepsleiding. De RHC vraagt of hij ook vertelde over masturberen in combinatie met lingerie. Nee, dat niet. De RHC vraagt me of ik op die slaapkamer kon komen. Nee, die zat op slot. Letterlijk alles daar zit op slot. Het was alleen wel een keer zo dat hij een deo ofzo uitleende aan [betrokkene 7] bijvoorbeeld, dat je dan naar binnen kon kijken als hij de deur opendeed. Maar niet dat ik daar in mijn eentje naar binnen kon. Ik ben weleens zonder toestemming in het kantoor van de groepsleiding geweest. Dat is een andere ruimte dan de slaapkamer. Dat kantoor zat ook op slot. Maar soms zet ik dan mijn voet tussen de deur als ze wegliepen ofzo zodat hij openbleef. Of ze waren slordig met hun sleutels. De RHC vraagt of dat ook gold voor de sleutel van de slaapkamer. De meeste deuren gingen open met van die druppels bij zo’n automatisch kastje.
De raadsvrouw vraagt me of ik zijn tas herkende. Hij had een beetje een legerstijl. Ik geloof ook dat ik wel een tas bij hem gezien heb. Ik heb daar niet echt een beeld van. Als hij een tas had zou dat een legerachtige tas zijn geweest ofzo denk ik, of zo’n backpackachtig ding. Een beetje stoere tas. Ik weet het eigenlijk niet. Mij staat wel iets bij van een tas met elastische touwtjes. (…)
De raadsvrouw vraagt me of ik wist dat [verdachte] slipjes bewaarde in zijn tas. Nee, dat wist ik niet.”
Gelet op de inhoud van dit verhoor zijn de beweringen van de verdediging, dat aangeefster “wel wist dat verzoeker masturbeerde op slips” en “wist hoe zijn tas eruit zag”, te stellig. Dat aangeefster “ook weleens zonder toestemming in het kantoor van de groepsleiding was geweest” volgt onmiskenbaar wel uit het proces-verbaal, maar dat maakt de door het hof bevestigde en door de steller van het middel gewraakte bewijsoverweging van de rechtbank (hiervoor geciteerd onder randnr. 3.3) nog niet zonder meer onbegrijpelijk. Die overweging kan immers ook zo worden begrepen dat volgens het hof niet kan worden vastgesteld dat de aangeefster op het in het alternatieve scenario geschetste moment toegang heeft gehad tot de tas van de verdachte. Maar ook als een andere interpretatie zou worden gevolgd, hoeft hetgeen door de steller van het middel naar voren is gebracht niet tot cassatie te leiden. De aanvullende bewijsoverweging wordt immers kort en krachtig afgesloten met de overweging (i.) dat de verklaring over het alternatieve scenario geen steun vindt in het bewijs (A-G: daarvan zou bijvoorbeeld wel sprake zijn indien iemand aangeefster op de bewuste dag uit de normaliter afgesloten kamer van de begeleiders heeft zien komen of iemand aangeefster een greep heeft zien doen uit de tas van de verdachte, etc.) én (ii.) dat het hof de verklaring over het alternatieve scenario niet aannemelijk acht. In feite had het hof in dit geval met het laatste kunnen volstaan, te meer nu de verdediging enkel heeft gesteld dat de lezing van de verdachte “derhalve de mogelijkheid niet uit[sluit] dat [aangeefster] in de maanden vóór 30 mei 2016 een slipje uit de tas van cliënt heeft gehaald en deze in haar handtas heeft gestopt” (A-G: mijn onderstreping). De door de verdediging opgesomde vragen die zij in dit verband aan de verzochte getuigen wenst te stellen, staan in een te ver verwijderd verband van het veronderstelde scenario.
Gelet op het voorgaande zijn de verzoeken tot het oproepen c.q. horen van vier getuigen (à décharge) niet op onjuiste, ontoereikende dan wel onbegrijpelijke gronden afgewezen. Het oordeel van het hof, inhoudende dat de noodzaak tot het oproepen van de gevraagde getuigen ontbreekt, acht ik in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en de gronden waarop het is afgewezen, niet onbegrijpelijk.
De eerste deelklacht is tevergeefs voorgesteld.
De tweede deelklacht
De tweede deelklacht bevat de klacht dat de verzoeken tot het doen toevoegen van stukken aan het dossier zijn afgewezen op gronden die de afwijzingen niet kunnen dragen, althans dat de betreffende beslissingen onbegrijpelijk zijn en/of onvoldoende zijn gemotiveerd.
In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het “niet onwaarschijnlijk” is dat in de schriftjes (soort dagboekjes waarin de aangeefster haar belevingen en fantasieën zou hebben beschreven) en in de rapportages in het BRESsysteem (waarin uitlatingen zouden staan over haar seksuele fantasieën), informatie is terug te vinden die specifiek betrekking heeft op de aan de verdachte verweten feiten, dan wel dat de informatie van belang is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen.
Het door de verdediging gedane verzoek tot voeging van de genoemde stukken in het procesdossier moet op grond van art. 315 lid 1 Sv in verbinding met art. 415 Sv worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Bij het nemen van zijn beslissing moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van art. 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier moeten worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Bepalend is dus niet primair de aard van het stuk, maar de relevantie daarvan voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen.
Bij de beoordeling van de vraag of een stuk waarvan de voeging bij de processtukken is verzocht, relevant is voor een door de rechter te nemen beslissing – naast de inhoud van de reeds aanwezige processtukken – lijkt op basis van de jurisprudentie van belang: (i) de mate van bepaaldheid waarmee het verzochte stuk is omschreven, en (ii) in hoeverre verwacht mag worden dat de inhoud van het stuk uitsluitsel kan geven over de door de rechter te nemen beslissing. De enkele (gestelde) mogelijkheid dat het stuk ontlastende gegevens bevat, is in beginsel niet voldoende.
Anders dan de steller van het middel beweert ligt aan de afwijzing van het verzoek niet zozeer ten grondslag dat de stukken ‘niet redelijkerwijs van belang kunnen zijn’, als wel dat de verdediging bij het doen van het voorwaardelijke verzoek niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre verwacht mag worden dat de inhoud van het stuk, naast de reeds aanwezige processtukken, uitsluitsel kan geven over c.q. relevant is voor de door de rechter te nemen beslissing (zie de laatste alinea van de in randnr. 2.8 geciteerde overwegingen van het hof). Hierbij benadrukt het hof dat er reeds stukken in het dossier aanwezig zijn die inzicht geven in aanwezige obsessies, interesses en fantasieën, en ook dat de inhoud van de schriftjes en rapportages in het BRES-systeem niet zonder meer hoeven mee te brengen dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zouden zijn. Het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het voegen van de verzochte stukken niet is gebleken, is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Dat er in de verzochte stukken “wellicht” iets beschreven staat over wat er op de dagen van de ten laste gelegde periode is gebeurd, is (zoals volgt uit vaste jurisprudentie) niet voldoende om van een noodzaak tot het toevoegen van die stukken aan het procesdossier te kunnen spreken.
De tweede deelklacht treft hetzelfde lot als de eerste deelklacht.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
5. Slotsom
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G