ECLI:NL:PHR:2025:1111

ECLI:NL:PHR:2025:1111, Parket bij de Hoge Raad, 14-10-2025, 23/03195

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 14-10-2025
Datum publicatie 17-10-2025
Zaaknummer 23/03195
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:7
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. Veroordeling wegens o.m. gewoontewitwassen. Art. 36e.3 Sr en eenvoudige kasopstelling. M1 klaagt over schatting WVV en houdt in dat betrokkene in strafzaak is veroordeeld voor gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 69.454,15 en is vrijgesproken voor hetgeen meer ten laste is gelegd, als gevolg waarvan door ’s hofs schatting van het WVV op € 80.028,00 een bedrag van € 10.573,85 is ontnomen waarvoor de betrokkene is vrijgesproken, zodat sprake is van schending van de onschuldpresumptie a.b.i. art. 6.2 EVRM. Middel faalt. M2 klaagt over niet betrekken lening kredietverstrekker in eenvoudige kasopstelling en faalt eveneens. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

Beginsaldo contant geld (6.1)

Het Hof is naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene] dat hij in de betreffende periode de beschikking had over spaartegoeden uitgegaan van een gespaard vermogen van € 20.000,-. Nu het spaartegoed niet blijkt uit de onderzochte bankrekeningen, zal uitgegaan worden van een contant spaartegoed. Dit spaartegoed zal worden meegenomen in de kasopstelling als contant beginsaldo.

Legale contante ontvangsten (inclusief bankopnamen) (6.2)

In de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel was oorspronkelijk een bedrag van € 14.183,- opgenomen, bestaande uit een deel contante opnames van € 6.383,- en een bedrag van € 7.800,- aan contante huuropbrengsten.

Huurinkomsten (6.2.1)

Ten aanzien van de huurinkomsten heeft [betrokkene] verklaard dat hij huurinkomsten heeft genoten van zijn woning aan de [c-straat 1] te [plaats] in de periode van juni 2014 tot en met oktober 2018. Een bedrag van € 12.564,39 is daarvan terug te zien middels de analyse van de bankrekeningen en betreft dus girale betalingen die niet in de eenvoudige kasopstelling worden meegenomen. Dit betreft 19 transacties van € 650,- en 1 transactie van € 214,39 van [betrokkene 1] in de periode van 17 juni 2014 tot en met 11 augustus 2017. Daarnaast heeft [betrokkene] aangegeven dat hij van 1 november 2017 tot en met 30 november 2018 de woning verhuurde aan [betrokkene 2] en daarvoor een bedrag van € 500,- per maand ontving. De vader van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , heeft verklaard iedere maand een bedrag van € 600,- aan huur voor zijn dochter te betalen. Nu deze transacties niet blijken uit de analyse van de bankrekeningen mag ervan worden uitgegaan dat dit contante transacties betroffen, die opgenomen worden in de eenvoudige kasopstelling. In de oorspronkelijke berekening van het wvv is daarmee een bedrag van € 7.800,- opgenomen aan contante ontvangsten.

Het bedrag van € 3.900,- aan huurinkomsten die buiten de periode van de kasopstelling liggen (december 2013 tot en met mei 2014) dient niet in de berekening van de kasopstelling te worden meegenomen, waardoor het bedrag aan huurinkomsten in de onderzochte periode van juni 2014 tot en met oktober 2018 een bedrag van € 33.150 betreft (51 termijnen van € 650,-). In het voordeel van [betrokkene] is gelijk aan het arrest van het Hof uitgegaan van een constante huuropbrengst van € 650,- per maand.

Bovendien dient ten behoeve van de kasopstelling alleen het contante deel te worden meegenomen. In de onderzochte periode is een bedrag van € 12.564,39 aan huuropbrengsten via de bank verkregen. Van het resterende deel zal worden uitgegaan van contante opbrengsten. In de aangepaste berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal daarom in plaats van het eerder gehanteerde bedrag van € 7.800,- een bedrag worden gehanteerd van € 20.585,61 (€ 33.150 -/- € 12.564,39) als contante huurinkomsten.

Contante opnames (6.2.2)

De contante opnames zoals die blijken uit de analyse van de bankrekeningen blijven ongewijzigd en behelzen een bedrag van € 6.383,-.

Overname inventaris (nieuw in berekening nav arrest Hof)

[betrokkene] heeft voorts verklaard dat hij van [betrokkene 4] een bedrag van € 10.000,- heeft ontvangen voor overname van de inventaris en verbeteringen in het pand [a-straat 1] te [plaats] bij gelegenheid van overname van huur. Het Hof heeft in haar arrest overwogen dat verdachte hiermee een concrete verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven die door het Openbaar Ministerie niet nader is onderzocht en daarmee van dit geldbedrag niet kan worden geoordeeld dat het uit enig misdrijf afkomstig is. Nu dit bedrag niet uit de analyse van de bankrekeningen naar voren komt, zal worden uitgegaan van een contante ontvangst en zal deze om die reden meegenomen worden in de eenvoudige kasopstelling als beschikbaar vermogen voor het doen van uitgaven.

Eindsaldo contant geld (6.3)

Het eindsaldo contant geld van [betrokkene] zal op € 0,- worden vastgesteld. Zowel de rechtbank als het Hof hebben geoordeeld dat het in de woning van de ouders van [betrokkene] in beslag genomen geldbedrag van € 8.080 niet aan hem toebehoort.

Gezien het bovenstaande had [betrokkene] in de bewuste periode een legaal contant geldbedrag van € 56.969,- (€ 20.000,- + € 6.383,- + € 20.586,- + € 10.000,-) beschikbaar voor het doen van uitgaven.

Werkelijke contante uitgaven (6.4)

De werkelijke contante uitgaven waren in de oorspronkelijke berekening begroot op een bedrag van in totaal € 235.846,- en zijn nader gespecificeerd aan de hand van contante stortingen en contante uitgaven.

Contante stortingen 6.4.1

Saldo Marokkaanse bankrekening (6.4.1.1)

Het Hof heeft vastgesteld op basis van rekeningafschriften van de Marokkaanse bankrekening op naam van [betrokkene] dat het saldo van die rekening tussen 29 februari 2012 en 12 maart 2014 is toegenomen met ruim 92.000 euro. Het Hof overweegt daarnaast dat zij, om dubbeltellingen te voorkomen, de bedragen die na 12 maart 2014 (mogelijk) van deze rekening zijn overgeboekt of opgenomen niet zal meenemen bij de berekening van het onverklaarbaar vermogen.

Stortingen Marokkaanse bankrekeningen (6.4.1.2)

Ten aanzien van de stortingen op de rekening van [betrokkene 5] voor een totaalbedrag van € 3.002,50 geldt dat ze voor 12 maart 2014 zijn gestort en dus worden meegenomen in de berekening, maar dat de storting van € 9.151,60 op rekening van [betrokkene 6] niet wordt meegenomen nu deze op 6 mei 2015 heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van de omwisseling van de valuta ter waarde van € 11.000,- op 31 juli 2014 overweegt het Hof dat deze wel kan worden meegenomen, omdat die van buitenaf in andere valuta op de Marokkaanse bankrekening is gestort en dat daarmee redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat dit bedrag tevoren van deze rekening was opgenomen.

Gezien het voorgaande zal het bedrag van € 23.155,- aan extra stortingen op Marokkaanse bankrekeningen worden gecorrigeerd naar € 14.003,- (€ 3.002,50 + € 11.000,-).

Stortingen Nederlandse Bankrekening (6.4.1.3)

De stortingen van de contante geldbedragen van € 3.900,- en € 1.200,- op de Nederlandse bankrekening hebben beiden plaatsgevonden voor 12 maart 2014 en zullen worden meegenomen in de eenvoudige kasopstelling.

Ten aanzien van het door de broer van [betrokkene] gestorte geldbedrag van € 5.000,- onder vermelding van ‘afbetaling lening’ heeft het Hof overwogen dat zij dit bedrag niet meeneemt als onverklaarbaar vermogen nu op hetgeen [betrokkene] heeft aangevoerd en nader onderzoek onvoldoende valt uit te sluiten dat deze betaling inderdaad strekte ter afbetaling van een lening, terwijl niet is gebleken dat de lening ook in de ten laste gelegde periode is verstrekt.

Gezien het voorgaande zal het bedrag van € 10.100,- aan stortingen Nederlandse bankrekening gecorrigeerd worden naar € 5.100,- (€ 3.900,- + € 1.200,-).

Het totaal aan contante stortingen komt hiermee op € 111.886,- (€ 92.783,- + €14.003,- + € 5.100,-).

Contante Uitgaven (6.4.2)

In de oorspronkelijke berekening is opgenomen dat door [betrokkene] contante uitgaven zijn gedaan in de onderzochte periode voor een totaalbedrag van € 109.808,-, bestaande uit een post van € 23.614,- aan aankoop onroerend goed in Marokko, een bedrag van € 27.977,- aan huurbetalingen voor de [a-straat ] , een bedrag van € 30.800,— aan huurbetalingen voor de [b-straat] , een bedrag van € 1.000,- aan Money transfers Western Union, een bedrag van € 20.289,- aan NIBUD-uitgaven en een bedrag van € 6.128,- aangetroffen cash geld bij de aanhouding in 2014.

Het Hof heeft overwogen dat de aankoop van het onroerend goed in Marokko, een deel van de huurbetalingen aan de [a-straat ] , en de aanhouding waarbij het cash geld is aangetroffen hebben plaatsgevonden na 12 maart 2014. Het bedrag van € 23.614,- voor het onroerend goed, alsmede het cash geldbedrag van € 6.128,- zullen derhalve niet langer in de berekening worden meegenomen. Ten aanzien van de huurbetalingen van de [a-straat ] heeft het Hof overwogen dat een bedrag van € 12.502,02 in mindering dient te worden gebracht, waardoor een bedrag van €15.475,65 over blijft.

Het bedrag van € 1.000,- aan Money transfers en de NIBUD uitgaven hebben geen onderdeel uitgemaakt van de witwasverdenking, zodat het Hof zich hier in de strafzaak niet over uit heeft gelaten. Redenerend vanuit de overweging van het Hof met betrekking tot de mogelijke dubbeltelling voor uitgaven na 12 maart 2014, kan geconcludeerd worden dat dit ook voor een van de twee Money transfers geldt, nu deze gedaan is op 5 juli 2014, alsmede voor een deel van de NIBUD-kosten voor de periode na 12 maart 2014. Het bedrag aan money transfers zal derhalve gecorrigeerd worden naar € 500,- en de NIBUD uitgaven naar € 6.335,- (23x € 253,- +2x € 258,-).

Ten aanzien van de huurbetalingen voor het pand aan de [b-straat] heeft het Hof overwogen dat zij de verklaring van [betrokkene] volgt dat hij slechts twee tot drie huurbetalingen van € 1.400,- heeft betaald en gaat veiligheidshalve uit van twee huurbetalingen, waardoor deze post gecorrigeerd wordt naar € 2.800,-.

De totale contante uitgaven zullen gezien hetgeen hiervoor is overwogen worden gecorrigeerd naar € 25.111,- (€ 15.475,65 + € 500, + € 6.335,- + €2.800,-).

De werkelijk contante uitgaven (contante stortingen + contante uitgaven) komt hiermee op een bedrag van € 136.997,- (€111.886,- + € 25.111,-).

Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel komt hiermee op een bedrag van € 80.028,‑.”

Het eerste middel en de toelichting erop

9. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van een door de verdediging ingenomen standpunt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven, althans dat ’s hofs oordeel omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.

10. De steller van het middel voert daartoe aan dat de betrokkene in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is veroordeeld voor het gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 69.454,15 en is vrijgesproken voor hetgeen meer ten laste is gelegd. Doordat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel – in lijn met een (naar aanleiding van het arrest van het hof in de strafzaak) gewijzigde berekening van het Openbaar Ministerie – zonder nadere toelichting heeft geschat op € 80.028,00, heeft het hof een bedrag van € 10.573,85 (€ 80.028,00 -/- € 69.454,15) ontnomen waarvoor de betrokkene is vrijgesproken. Dit is volgens de steller van het middel in strijd met de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM.

De bespreking van het eerste middel

11. Het hof heeft het voordeel berekend aan de hand van een ‘eenvoudige kasopstelling’. Bij deze abstracte berekeningswijze wordt op zichzelf genomen geen rechtstreeks verband gelegd tussen het verkregen voordeel en concrete strafbare feiten.Gelet daarop doet schending van de onschuldpresumptie zich in beginsel niet voor. Daar komt nog eens bij dat de vrijspraak waarop de steller van het middel zich beroept niet onherroepelijk is. Het hof had het door de verdediging ingenomen standpunt daarom alleen maar kunnen passeren.

12. Het middel faalt om meer redenen.

Het tweede middel en de toelichting erop

13. Het tweede middel bevat de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onbegrijpelijk is.

14. De steller van het middel voert daartoe aan dat namens de betrokkene het standpunt is ingenomen dat hij door een lening van € 25.000,- van Defam B.V. bij aanvang van de ten laste gelegde periode over meer vermogen kon beschikken. Het hof heeft aangenomen dat dit bedrag op de bankrekening van de betrokkene is gestort, als gevolg waarvan dit bedrag bij de eenvoudige kasopstelling buiten beschouwing is gelaten. De aanname van het hof dat dit bedrag giraal is ontvangen, is niet onderbouwd. Verder voert de steller van het middel aan dat de betrokkene het bedrag – na het giraal te hebben ontvangen – contant had kunnen maken middels een bankopname, zodat sprake is van contant beginvermogen. Het hof is dan ook uitgegaan van een onjuiste feitelijke voorstelling van zaken, als gevolg waarvan ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is.

De bespreking van het tweede middel

15. Uit het onder randnummer 5 weergegeven proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de betrokkene over de lening van Defam B.V. heeft verklaard dat het een contant bedrag betrof. Op de vraag van de voorzitter wat hij daarmee bedoelt, heeft de betrokkene als volgt verklaard: “ik kreeg het contant op de rekening. Het is op mijn rekening gestort”.

16. Het hof heeft hieruit m.i. niet onbegrijpelijk afgeleid dat de betrokkene het bedrag giraal van kredietverstrekker Defam B.V. heeft ontvangen (en dat dit in een eenvoudige kasopstelling dus buiten beschouwing moet blijven). Ik betrek daarbij de algemene ervaringsregel die inhoudt dat professionele kredietverstrekkers in Nederland gelden giraal verstrekken.

17. Daarmee faalt ook het tweede middel.

Slotsom

18. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.

19. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 1 augustus 2023, hetgeen dient te leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

20. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?