PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04269
Datum 17 oktober 2025
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Wet waardering onroerende zaken 2020
Nr. Gerechtshof 22/00407
Nr. Rechtbank 21/835
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
[X] (belanghebbende)
tegen
het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking
Gouwe-Rijnland (Dagelijks Bestuur van BsGR)
1. Inleiding en overzicht
Er zijn diverse zaken bij de Hoge Raad aanhangig waarin het gerechtshof een oordeel heeft gegeven of de heffingsambtenaar een afschrift van bepaalde gegevens had moeten verstrekken op de voet van art. 40(2) Wet WOZ. Ik heb enige van die zaken (alsnog) geselecteerd voor conclusie, waaronder de onderhavige zaak. Bij de conclusies in de geselecteerde zaken hoort een gemeenschappelijke bijlage (de Bijlage).
In de Bijlage staat centraal het begrip “de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde” in art. 40(2) Wet WOZ. Mijn analyse in de Bijlage mondt erin uit dat ik de Hoge Raad in overweging geef dat begrip zo uit te leggen dat daaronder wordt verstaan de gegevens die zijn vermeld in een taxatieverslag dat is vastgesteld in overeenstemming met een modeltaxatieverslag als bedoeld in art. 6 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling, alsmede – als het om een woning gaat – de secundaire objectkenmerken van die woning voor zover die niet in het taxatieverslag zijn vermeld maar wel zijn gebruikt bij de waardebepaling.
In deze zaak gaat het wat betreft de gevraagde en niet verstrekte gegevens om KOUDV-correcties en de grondstaffel.
Bij de concrete beoordeling van de klachten in deze zaak is echter gebleken dat het in cassatie niet draait om deze gegevens. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat art. 40(2) Wet WOZ is geschonden doordat de Heffingsambtenaar die gegevens niet heeft verstrekt, en dit oordeel is in cassatie niet in geschil. Het Dagelijks Bestuur heeft namelijk geen incidenteel beroep in cassatie ingesteld (zie 3.5). Evenmin komt in deze zaak uit de verf de vraag of art. 6:17 Awb wordt geschonden als de heffingsambtenaar gegevens die onder art. 40(2) Wet WOZ vallen, niet verstrekt aan de gemachtigde. Het oordeel van het Hof dat art. 6:17 Awb niet is geschonden, is in cassatie namelijk niet bestreden door belanghebbende (zie 2.6). Omdat de analyse in deze zaak al was gedaan, heb ik niet alsnog afgezien van een conclusie in deze zaak. Wel heb ik aanleiding gezien om in twee andere vergelijkbare zaken, waarin dezelfde gemachtigde optreedt en die ik eveneens had geselecteerd voor conclusie, alsnog af te zien van conclusie. De gemachtigde ontvangt daarover bericht.
Wat in deze zaak in cassatie wel aan de orde is, is het oordeel van het Hof dat het geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling, hoewel art. 40(2) Wet WOZ is geschonden. Althans ik begrijp het (warrige) beroepschrift in cassatie zo dat (alleen) tegen dat oordeel wordt opgekomen (3.2-3.3).
Gelet op HR BNB 2025/44 slagen de klachten tegen dat oordeel (4.3-4.5).
Dit betekent dat het beroep in cassatie gegrond is. De Hoge Raad kan de zaak afdoen (4.6).
2. De feiten en het geding voor het Hof
Feiten
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een WOZ-beschikking die te zijnen aanzien is genomen voor het jaar 2020. Voor zover thans nog van belang, is in het bezwaarschrift verzocht om de grondstaffel en de taxatiematrix.
Het is niet in geschil dat de heffingsambtenaar van BsGR (de Heffingsambtenaar) niet heeft voldaan aan dit verzoek uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (het Hof). Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Heffingsambtenaar in strijd met art. 6:17 Awb en/of art. 40(2) Wet WOZ heeft gehandeld doordat hij de grondstaffel en de taxatiematrix niet heeft toegezonden aan de gemachtigde.
Het Hof (rov. 5.5) heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de Heffingsambtenaar art. 6:17 Awb niet heeft geschonden. Dit artikel regelt slechts aan wie stukken moeten worden toegezonden voor het geval dat er een gemachtigde is; het heeft geen betrekking op de vraag voor welke stukken een toezendplicht geldt.
Het Hof (rov. 5.8) heeft wel een schending van art. 40(2) Wet WOZ aanwezig geacht. Voor zover in het bezwaarschrift is verwezen naar een matrix, heeft het Hof het verzoek aldus opgevat dat belanghebbende heeft verzocht om verstrekking van kwaliteits-, onderhouds-, uitstralings-, doelmatigheids- en voorzieningsfactoren (KOUDV-factoren) van zowel de woning als de vergelijkingsobjecten. De Heffingsambtenaar heeft dit artikellid geschonden door de KOUDV-factoren niet te verstrekken. Hetzelfde geldt voor de grondstaffel, die evenmin op verzoek is verstrekt.
Het Hof (rov. 5.9) heeft vervolgens uiteengezet op grond van welke omstandigheden het aanleiding ziet om geen gebruik te maken van de hem toekomende bevoegdheid een proceskostenvergoeding toe te kennen, hoewel art. 40(2) Wet WOZ is geschonden.
Het Hof heeft daarnaast nog allerlei andere oordelen over andere geschilpunten gegeven (rov. 5.10-5.21), maar die zijn niet in geschil, althans als ik het goed begrijp – al is dat laatste een uitdaging (zie hierna 3.2-3.3).
3. Het geding in cassatie
Belanghebbende heeft op regelmatige wijze en ook tijdig beroep in cassatie ingesteld. Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gerepliceerd. Het Dagelijks Bestuur heeft gedupliceerd.
(Inhoud van) het beroep in cassatie
Het beroepschrift in cassatie is een wat warrig geheel van tekstblokken. Van sommige tekstblokken is evident dat ze niet van belang zijn voor déze zaak, dan wel valt als uitgangspunt niet uit te sluiten dat ze relevant zouden kunnen zijn, maar blijkt de relevantie vervolgens nergens uit. Ik wijs op de tekstblokken onder ‘Inleiding’ en ‘Bewijslast’. Verder bevat het beroepschrift bijna twee pagina’s aan ‘beschouwingen’, maar wordt niet op één plaats vermeld tegen welk oordeel van het Hof nu precies wordt opgekomen. De onderlinge verhouding tussen de tekstblokken in de ‘beschouwingen’ is mij daarnaast ook niet steeds helder. Evenmin is mij helder wat belanghebbende precies wil als het een bepaalde vaststelling doet, zoals de vaststelling dat de matrix niet is verstrekt in beroep (p. 3). Is daarmee beoogd op te komen tegen het andersluidende oordeel van het Hof in rov. 5.16? Daartegen spreekt dat het beroepschrift op geen enkele wijze ingaat op de motivering van dat oordeel. Ook is de verhouding tussen wat onder ‘Resumerend’ staat en de voorafgaande beschouwingen niet duidelijk. De pointe van die beschouwingen lijkt me te zijn dat het Hof “wel degelijk proceskosten [had] moeten toekennen” (p. 4) maar onder ‘Resumerend’ staat dat teruggewezen moet worden voor beoordeling van de WOZ-waarde, hetgeen bij mij de indruk oproept van een standaardtekstbok. Dit een en ander maakt het beroepschrift in cassatie de trekken heeft van een zoekplaatje.
Ik moet toch een duiding geven aan het beroepschrift in cassatie. Die duiding is dat belanghebbende alleen opkomt tegen het in 2.8 vermelde oordeel van het Hof in rov. 5.9 dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding hoewel art. 40(2) Wet WOZ is geschonden. Dat baseer ik enerzijds op het zojuist vermelde slot van de beschouwingen en anderzijds op het begin daarvan, waarin belanghebbende met zoveel woorden vermeldt wat hij bestrijdt namelijk “dat het bezwaar enkel formele punten zou betreffen en geen inhoudelijke punten”. Dat laatste lijkt te zien op bepaalde elementen in de overwegingen van het Hof in rov. 5.9.
Verweerschrift
Volgens het Dagelijks Bestuur kunnen de klachten niet tot cassatie leiden.
Voor het geding in cassatie is vooral ook van belang dat het Dagelijks Bestuur geen (voorwaardelijk) incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het in 2.7 vermelde oordeel van het Hof dat art. 40(2) Wet WOZ is geschonden.
4. Beoordeling van de klachten
Uitgangspunt bij de beoordeling van de klachten is dat de Heffingsambtenaar de verplichting van art. 40(2) Wet WOZ heeft geschonden doordat hij noch de grondstaffel noch KOUDV-factoren van de woning en vergelijkingsobjecten heeft verstrekt. Dit heeft het Hof immers geoordeeld (zie 2.7) en is in cassatie niet bestreden (zie 3.5).
Daarmee beperkt het geschil in cassatie zich tot het in 2.8 vermelde oordeel van het Hof dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding ondanks de schending van art. 40(2) Wet WOZ. Dit oordeel berust, in de kern, op de grond dat belanghebbende ook beroep zou hebben ingesteld wanneer dat artikellid niet zou zijn geschonden.
Uit HR BNB 2025/44 – waarmee het Hof geen rekening kon houden – volgt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een schending van art. 40(2) Wet WOZ dient te leiden tot een vergoeding van de proceskosten. De zojuist vermelde grond geldt niet als een bijzondere omstandigheid. De beschouwing in het beroepschrift in cassatie lijkt mij overigens strikt genomen niet de vinger op de zere plek te leggen. Zij bestrijdt namelijk vooral de omstandigheden die het Hof in aanmerking heeft genomen maar bestrijdt niet zozeer dat die omstandigheden niet rechtvaardigen dat afgezien wordt van het toekennen van een proceskostenvergoeding. Nu (ook) belanghebbende HR BNB 2025/44 niet kon kennen, zou ik dat belanghebbende echter niet willen tegenwerpen. Het is bovendien wel (voldoende) duidelijk dat belanghebbende van opvatting is dat het Hof in de schending van art. 40(2) Wet WOZ aanleiding had moeten zien om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Gegeven dat de Heffingsambtenaar en het Dagelijks Bestuur evenmin kennis konden hebben van HR BNB 2025/44 en hen in dat opzicht niet kan worden tegengeworpen dat zij geen bijzondere omstandigheid hebben gesteld, heb ik in de stukken van het geding gezocht naar enige omstandigheid die als zodanig zou kunnen gelden, maar tevergeefs.
Daarom slagen de klachten: de schending van art. 40(2) Wet WOZ had het Hof aanleiding moeten geven voor vergoeding van de proceskosten in beroep. Dit geldt ook voor vergoeding van het griffierecht in beroep.
De Hoge Raad kan de zaak naar mijn mening afdoen. Aan belanghebbende dient een vergoeding van griffierecht en van proceskosten te worden toegekend voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank. Ook indien daarbij beslist zou moeten worden of er aanleiding is om gebruik te maken van de bevoegdheid om de proceskostenvergoeding te matigen met toepassing van art. 2(2) Besluit Proceskosten Bestuursrecht, noopt dat mijns inziens niet tot verwijzing.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal