ECLI:NL:PHR:2025:1154

ECLI:NL:PHR:2025:1154, Parket bij de Hoge Raad, 04-11-2025, 24/02475

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 04-11-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 24/02475
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:1

Samenvatting

Conclusie AG. Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Vrijspraak eerste aanleg. De middelen, die klagen over de verwerping door het hof van het beroep op (putatief) noodweer en over de verwerping van het beroep op medeschuld van de benadeelde partij, falen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, waarbij het middel over medeschuld met toepassing van art. 81 lid 1 RO kan worden afgedaan.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02475

Zitting 4 november 2025

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 28 juni 2024 (parketnr. 21-002788-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. de Heer, advocaat in Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De verdachte is veroordeeld wegens mishandeling bestaande uit het toebrengen van een gecompliceerde kaakbreuk aan het slachtoffer. In feitelijke instanties is een beroep op (putatief) noodweer gedaan. In eerste aanleg is dit beroep door de politierechter gehonoreerd en is de verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. In hoger beroep heeft het hof het beroep op (putatief) noodweer verworpen. Het eerste middel komt op tegen deze verwerping, terwijl het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat van medeschuld van de benadeelde partij geen sprake is.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

3. Het eerste middel

Het middel klaagt dat de verwerping door het hof van het beroep op (putatief) noodweer onbegrijpelijk is, althans dat het hof zijn oordeel in het licht van hetgeen ter verdediging is aangevoerd onvoldoende heeft gemotiveerd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op of omstreeks 12 november 2021 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door haar (hard) op haar kaak te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak ten gevolge heeft gehad”

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 15 juli 2022, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Aangeefster kwam mijn kamer binnen en er ontstond een discussie. Ik ben naar beneden gegaan om hulp te halen en toen ik terug kwam ben ik het incident gaan filmen. Ik wilde dat ze mij met rust zou laten en weg zou gaan, maar dat deed ze niet.

Het klopt dat ik aangeefster op haar kaak heb geslagen.

Zij lachte gewoon en provoceerde mij. Alles wat ze deed was puur om mij te provoceren.

Het was een en al provocatie.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 november 2021, opgenomen op pagina 2 van het aanvullend procesdossier van het dossier van de Politie Midden-Nederland met registratienummer PL0900-2021358089, inhoudende als verklaring van [benadeelde] :

Ik kwam op 11 november 2021 omstreeks 23:38 uur aan bij de woning van [verdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik liep vervolgens via de trap naar de kamer van [verdachte] op de eerste verdieping van de woning. Vervolgens ben ik de kamer in gelopen. Ik zag dat [verdachte] in zijn kamer stond. Ik vond dat [verdachte] een gewelddadige indruk op mij maakte. Ik hoorde hem tweemaal schreeuwen: “weg, ga weg, ga uit mijn kamer”. Ik zag dat [verdachte] op mij afliep. Ik zag dat hij zijn beide armen strekte en ik zag dat hij zijn beide handen op mijn borstkas plaatste. Ik voelde dat hij mij met kracht en snelheid weg duwde. Ik heb niet waargenomen dat [verdachte] mij sloeg, ik ben vanaf het moment dat [verdachte] naast mij stond een deel kwijt. Ik voelde dat er bloed uit mijn mond stroomde. Ik voelde dat mijn mond pijn deed. Ik voelde dat de pijn steeds heviger werd. Na onderzoek in het ziekenhuis en opvolgende onderzoeken de dagen erna bleek dat ik mijn kaak op twee plekken had gebroken. Ook is er een voortand verwijderd om mijn kaak weer goed te plaatsen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 november 2021, opgenomen op p. 119 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik zag dat [verdachte] en [benadeelde] een discussie hadden. Ik zag dat [verdachte] met zijn gebalde vuist [benadeelde] met kracht op haar linker kaak sloeg. Het was zo hard dat [benadeelde] op de grond viel. Ik zag dat [benadeelde] , bloed had in haar mond.

[…]”

Het bestreden arrest houdt ten aanzien van de verwerping van het beroep op (putatief) noodweer het volgende in:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu hem een beroep op noodweer toekomt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich uit angst heeft verdedigd tegen een aanhoudende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, inhoudende dat aangeefster zich bleef opdringen en de kamer van verdachte niet wilde verlaten.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er gen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat het verweer dient te worden verworpen.

Oordeel van het hof

Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. (Vgl. Hoge Raad, 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

Voor de beoordeling van de vraag of sprake was van noodweer(exces) gaat het hof, gelet op de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen, uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 12 november 2021 komt aangeefster de kamer van verdachte binnen, waarna een discussie ontstaat. Verdachte gaat vervolgens naar beneden om hulp te halen en als hij terugkomt op zijn kamer begint hij met filmen. Verdachte vraagt aangeefster herhaaldelijk hem met rust te laten en zijn kamer te verlaten, maar aangeefster geeft daar geen gehoor aan. Aangeefster vraagt of verdachte haar wil omhelzen, maar verdachte wil dit niet. Aangeefster begint vervolgens te lachen, waarna verdachte haar met zijn vuist op haar kaak slaat.

Het hof stelt vast dat verdachte wisselend heeft verklaard over de reden waarom hij aangeefster heeft geslagen. Verdachte heeft het enerzijds verklaard dat hij aangeefster heeft geslagen, omdat hij bang was. Maar ter terechtzitting van het hof heeft verdachte anderzijds verklaard dat hij sloeg, omdat hij het niet meer kon verdragen dat aangeefster bleef terwijl hij zei dat ze weg moest gaan, dat zij hem uitlokte, dat aangeefster lachte en hem provoceerde en dat het een en al provocatie was. Ten aanzien van de filmbeelden en hetgeen daarop werd gezegd, heeft verdachte verklaard dat hij heeft gezegd dat aangeefster hem provoceerde. Het hof acht het gelet op de verklaringen van verdachte bij het hof niet aannemelijk dat verdachte aangeefster sloeg, omdat er sprake zou zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en evenmin omdat er sprake zou zijn van een dreiging daartoe. Het hof gaat er gelet op de verklaringen van verdachte bij het hof vanuit dat verdachte sloeg, omdat hij vond dat aangeefster hem provoceerde en niet uit zijn kamer wilde gaan.

Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

[…]

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op noodweerexces dan wel putatief noodweer toekomt.

Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat verdachte niet handelde ter verdediging, maar dat hij aangeefster sloeg, omdat hij vond dat zij hem provoceerde. Gelet daarop kan het door de verdediging gevoerde verweer niet slagen. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen, net zoals dit het geval is met het beroep op putatief noodweer. Immers deze expliciete verklaring van verdachte omtrent de aanleiding tot de opzettelijke uithaal naar aangeefster staat haaks op een situatie waarin kan worden gesproken van een verontschuldigbare dwaling aan de zijde van verdachte omtrent het bestaan van een ‘aanranding’ in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”

In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de overwegingen van het hof over het al dan niet bestaan van een ‘ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding’ voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor de steller van het middel is niet geheel duidelijk of het hof meent dat er geen sprake was van zo’n aanranding of dat het hof het bestaan hiervan in het midden laat en slechts van oordeel is dat – als er al sprake was van zo’n aanranding – dat niet de reden is geweest van de klap en het beroep op noodweer om die reden niet slaagt. Verder zou het hof ten onrechte een (bewijsbaar) verband leggen tussen de verklaring van de verdachte dat hij door het latere slachtoffer werd geprovoceerd en het geven van de klap. De verdachte zou weliswaar ter zitting van het hof hebben verklaard dat het latere slachtoffer hem provoceerde, maar de verdachte verbindt daar niet zelf de conclusie aan dat deze provocatie de reden was voor het geven van de klap. In de verklaring van de verdachte, zoals door het hof gebezigd als bewijsmiddel 1, valt dat in elk geval niet te lezen volgens de steller van het middel. Zijns inziens kan uit het samenstel van de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen, mede bezien in het licht van zijn bij de rechtbank afgelegde verklaring, worden afgeleid dat er vanuit het latere slachtoffer voor de verdachte sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dat vanuit haar een onmiddellijk dreiging hiervoor uitging (noodweer), dan wel dat de verdachte zich een dreigend gevaar vanuit het latere slachtoffer verontschuldigbaar heeft ingebeeld (putatief noodweer), ten gevolge waarvan hij ter verdediging een klap heeft gegeven. Zoals door de verdediging is bepleit hebben de omstandigheden dat de verdachte geen kant meer op kon in zijn eigen kamer, hij door het slachtoffer in een hoek werd gedreven en telkens ongewenst werd aangeraakt – waardoor de verdachte zich ernstig in zijn persoonlijke bewegingsvrijheid voelde aangetast – tot de uiteindelijke klap geleid. Dat de verdachte daar ter terechtzitting in hoger beroep nog het element van provocatie aan toevoegt zou niet betekenen dat daarmee de klap enkel en alleen ten gevolge van die provocatie is gegeven. Resumerend wordt gesteld dat de oordelen dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de reden van de klap en het aannemelijk is dat hij heeft geslagen vanwege provocatie geen steun vinden in het gebezigde bewijs dan wel het verhandelde ter terechtzitting.

Vooropgesteld moet worden dat de rechter die een beroep op (putatief) noodweer verwerpt, duidelijk dient te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.

Het hof heeft over de feitelijke toedracht vastgesteld dat de aangeefster op 12 november 2021 de kamer van de verdachte is binnen gekomen, waarna er een discussie tussen haar en de verdachte ontstaat. De verdachte is vervolgens naar beneden gegaan om hulp te halen en als hij terugkomt in zijn kamer begint hij met filmen. Hij heeft de aangeefster herhaaldelijk gevraagd om hem met rust te laten en zijn kamer te verlaten, maar de aangeefster geeft daar geen gehoor aan. De aangeefster vraagt aan de verdachte of hij haar wil omhelzen, maar de verdachte wil dit niet, waarop de aangeefster begint te lachen en de verdachte haar met zijn vuist op haar kaak slaat.

Het hof stelt vervolgens vast dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de reden waarom hij de aangeefster heeft geslagen. Waar de verdachte enerzijds heeft verklaard dat hij de aangeefster heeft geslagen omdat hij bang was, verklaart de verdachte anderzijds ter terechtzitting in hoger beroep dat hij sloeg omdat hij het niet meer kon verdragen dat de aangeefster bleef terwijl hij zei dat ze weg moest gaan, dat zij hem uitlokte, dat de aangeefster lachte en hem provoceerde en dat het een en al provocatie was. Verder stelt het hof vast dat de verdachte over hetgeen op de filmbeelden door hem werd gezegd heeft verklaard dat hij heeft gezegd dat de aangeefster hem provoceerde.

Volgens het hof is het gelet op de door de verdachte bij het hof afgelegde verklaring (bewijsmiddel 1) niet aannemelijk dat de verdachte de aangeefster sloeg omdat er sprake zou zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en evenmin van een dreiging daartoe. Het hof verduidelijkt daarbij dat het hof er gelet op die verklaringen van uitgaat dat de verdachte sloeg “omdat hij vond dat aangeefster hem provoceerde en niet uit zijn kamer wilde gaan”. Met deze overwegingen brengt het hof mijns inziens in voldoende mate tot uitdrukking dat de door de verdediging aangevoerde feitelijke toedracht van de klap het beroep op noodweer niet kan doen slagen. Van een voor meerdere uitleg vatbare overweging is zodoende geen sprake. Het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de door de verdachte gestelde provocatie door aangeefster en het door haar niet uit de kamer willen gaan, niet een dergelijke aanranding oplevert is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor ’s hofs oordeel dat een opzettelijke uithaal om genoemde reden haaks staat op een situatie waarin kan worden gesproken van een verontschuldigbare dwaling aan de zijde van de verdachte over het bestaan van een “aanranding” in de zin van art. 41 Sr. De verwerping van het (putatieve) noodweer verweer is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

4. Het tweede middel

Het middel klaagt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij over de verwerping door het hof van het beroep op medeschuld van de benadeelde partij.

Door de raadsman van de verdachte is in aanvulling op zijn aan het hof overgelegde pleitnota – waarin het medeschuldverweer niet voorkomt – ter terechtzitting van 14 juni 2024 het volgende aangevoerd:

“Ik zou uw hof willen verzoeken de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, nu ik heb verzocht om vrijspraak. Subsidiair doe ik een beroep op medeschuld en wil ik uw hof verzoeken de vordering te matigen.”

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.635,42. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft ter terechtzitting primair bepleit, dat de vordering dient te worden afgewezen nu vrijspraak wordt bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op medeschuld en bepleit dat de vordering dient te worden verminderd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof is van oordeel dat van medeschuld geen sprake is.

Naar het oordeel van het hof zijn zowel de materiële schade als de immateriële schade voldoende met stukken onderbouwd en de benadeelde partij heeft door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de overweging van het hof “dat van medeschuld geen sprake is” onbegrijpelijk is in het licht van de vaststellingen van het hof bij de verwerping van het beroep op noodweer over de voorafgaande provocatie door de benadeelde partij. Het hof zou daarmee als vaststaand hebben aangenomen dat er sprake was van provocatie door de benadeelde partij, hetgeen tot de mishandeling heeft geleid. Volgens de steller van het middel heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom die provocatie geen aan de benadeelde partij toe te rekenen omstandigheid als bedoeld in art. 6:101 BW oplevert en de betalingsverplichting aan de benadeelde partij op grond van medeschuld moet worden verminderd.

Vooropgesteld moet worden dat in het geval namens de verdediging in verband met de vordering van de benadeelde partij verweer is gevoerd over medeschuld van de benadeelde partij, de rechter een dergelijk verweer dient te beoordelen. Verder geldt dat de begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij mede afhankelijk is van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering meer aandacht vragen.

Art. 6:101 lid 1 BW houdt het volgende in:

“Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.”

Het gaat bij de beoordeling of sprake is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend om de vraag of de benadeelde zelf in de gegeven omstandigheden onvoorzichtig, onzorgvuldig, foutief, verkeerd heeft gehandeld, een en ander afgezet tegen de mogelijkheid dat hij daardoor schade voor zichzelf zou doen ontstaan. Buiten het geval van toerekening op grond van risico zal dus steeds eerst moeten worden vastgesteld of het gedrag van de benadeelde in deze zin “een fout, een verkeerde handelwijze” behelst. Zo nee, dan komt men aan een eventuele vermindering van de verplichting tot schadevergoeding in het geheel niet toe.

Het hof heeft geoordeeld dat van medeschuld geen sprake is en heeft het medeschuldverweer dus beoordeeld. Wat betreft de door de verdediging gestelde provocatie heeft het hof vastgesteld dat de verdachte “vond dat aangeefster hem provoceerde”, maar het hof heeft die kwalificatie van het gedrag van de benadeelde partij niet zelf overgenomen. Over dat gedrag heeft het hof niet meer vastgesteld dan dat de benadeelde partij geen gehoor heeft gegeven aan de herhaaldelijke oproep van de verdachte om zijn kamer te verlaten en dat de benadeelde partij is gaan lachen nadat de verdachte ontkennend had geantwoord op haar vraag of hij haar wilde omhelzen. Nu het hierbij niet gaat om een verkeerde handelwijze in de onder 4.7 bedoelde zin, is het oordeel dat geen sprake is van medeschuld niet onbegrijpelijk. Gelet op wat de verdediging omtrent medeschuld heeft aangevoerd, is dit oordeel bovendien ook niet ontoereikend gemotiveerd. Overigens merk ik nog op dat het hof de verklaring van de benadeelde partij dat zij vond dat de verdachte een gewelddadige indruk op haar maakte toen zij zijn kamer binnenkwam voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 2).

Het middel faalt.

5. Afronding

Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?