PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01700 P
Zitting 4 november 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkene.
1. Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 19 april 2023 het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2021 onder aanvulling van gronden bevestigd. Bij dit vonnis is aan de betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 55.000,- opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/01699 (de strafzaak tegen de verdachte). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de betrokkene is cassatieberoep ingesteld.
2. Ontvankelijkheid cassatieberoep
De aanzegging is op 16 november 2023 in persoon aan de verdachte betekend. Vervolgens is niet binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging namens de betrokkene een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend door een advocaat, hetgeen op grond van art. 435 lid 1 jo. 437 lid 2 jo. 511h Sv tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep leidt.
3. Slotsom
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG