ECLI:NL:PHR:2025:1162

ECLI:NL:PHR:2025:1162, Parket bij de Hoge Raad, 11-11-2025, 24/00492

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 11-11-2025
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 24/00492
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:81

Samenvatting

Conclusie AG. Overtreding art. 9 lid 2 WVW 1994. Middel klaagt dat hof ten onrechte tot bewezenverklaring is gekomen door te oordelen dat rijbewijs op grond van recidiveregeling uit art. 123b WVW 1994 van rechtswege ongeldig is geworden. Is recidiveregeling op grond van art. 123b lid 5 WVW 1994 niet van toepassing is omdat verdachte op moment begaan tweede delict in bezit was van Belgisch rijbewijs en niet in Nederland woonde? Oordeel hof dat rijbewijs ongeldig is geworden op moment waarop tweede veroordeling onherroepelijk werd en dat niet moment waarop feit werd gepleegd bepalend is, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Conclusie strekt tot verwerping beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00492

Zitting 11 november 2025

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 2 februari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002079-22) wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een gevangenisstraf van een week, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.P.M. Mol, advocaat in Son en Breugel, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel klaagt in de kern dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen door te oordelen dat het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig is geworden.

3. Bewezenverklaring en overwegingen hof

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 7 juni 2021 te Eindhoven, op de weg, [b-straat], als bestuurder een motorrijtuig (personenauto), van categorie B heeft bestuurd, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven.”

Het bestreden arrest houdt verder in:

“Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Bespreking verweer

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het Belgische rijbewijs van de verdachte is niet ongeldig omdat de verdachte in 2017, derhalve ten tijde van het weigeren van de bloedproef waarvoor hij op 5 juli 2018 voor de politierechter te ’s-Hertogenbosch is gedagvaard, niet in Nederland woonachtig was. Voor de toepasselijkheid van artikel 123b, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), inhoudende dat een in het buitenland afgegeven rijbewijs zijn geldigheid verliest indien de houder in Nederland woonachtig is, is volgens de raadsman van de verdachte bepalend de datum van het plegen van het strafbare feit op grond waarvan het rijbewijs ongeldig zou zijn geworden, in casu 21 juli 2017. Nu verdachte op dat moment in België woonachtig was heeft het Belgische rijbewijs van de verdachte zijn geldigheid niet verloren en dient de verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde rijden zonder geldig rijbewijs op 7 juni 2021. Een andere uitleg zou volgens de raadsman betekenen dat op grond van het legaliteitsbeginsel er sprake zou zijn van strijd met het zekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Immers, het Openbaar Ministerie zou anders met zijn vervolgingsbeslissing invloed kunnen uitoefenen op de vraag wanneer er sprake is van een onherroepelijk vonnis voor de tweede overtreding en of het bepaalde van lid 5 van toepassing is. Een verdachte verkeert in deze situatie in onzekerheid, hetgeen anders is indien wordt uitgegaan van de pleegdatum van het tweede overtreding.

Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 november 2023 is de verdachte op 14 april 2015 onherroepelijk veroordeeld ter zake een overtreding van artikel 8 WVW tot een geldboete. Op 10 augustus 2016 heeft de verdachte zijn Nederlandse rijbewijs omgewisseld voor een Belgisch rijbewijs. Op 21 juli 2017 heeft de verdachte geweigerd mee te werken aan een op grond van de Wegenverkeerswet bevolen bloedonderzoek. Voor deze overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet is de verdachte op 5 juli 2018 veroordeeld door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, welk vonnis op 20 juli 2018 onherroepelijk is geworden. De mededeling dat het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig is, is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 16 augustus 2018. In de mededeling staat vermeld dat het rijbewijs ongeldig is geworden op de datum dat het vonnis onherroepelijk is geworden.

Op 7 juni 2021 wordt de verdachte in Eindhoven aangehouden wegens rijden zonder geldig rijbewijs. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 9 lid 2, eerste en tweede volzin WVW.

Blijkens de Informatiestaat SKDB d.d. 15 november 2023 staat de verdachte vanaf 28 maart 2018 ingeschreven op het BRP adres [a-straat 1] in [plaats] .

Artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover van toepassing in de onderhavige zaak, luidde op 7 juni 2021:

Lid 1: Onverminderd de artikelen 123, eerste lid, en 123a verliest een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid , indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist , is veroordeeld wegens overtreding van :

(...)

e. artikel 163 , tweede, zesde of zevende lid,

een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf iaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van (onderstreping, het hof)

3°. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid.

Lid 5: Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

Artikel 9, tweede lid, WVW luidde op 7 juni 2021:

Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn haam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor hef besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven. (onderstreping, het hof).

De vraag waar het hof zich in de onderhavige zaak voor ziet gesteld is of het Belgische rijbewijs van de verdachte op grond van artikel 123b, eerste lid in combinatie met het vijfde lid, WVW zijn geldigheid heeft verloren en zo ja, vanaf welke datum het rijbewijs dan ongeldig is en of de verdachte van de ongeldigheid op de hoogte was.

De recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten, zoals die met ingang van 1 juni 2011 in werking is getreden, houdt in dat indien een rijbewijshouder binnen vijf jaar na een vorige onherroepelijke veroordeling wegens bijvoorbeeld een alcoholdelict (het eerste punt) wordt betrapt op bijvoorbeeld een nieuw alcoholdelict (het tweede punt) en daarvoor onherroepelijk wordt veroordeeld, het rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt. De recidiveregeling is opgenomen in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel betreffende deze recidiveregeling leidt het hof af dat het moment waarop de recidiveperiode begint te lopen het moment is waarop de veroordeling onherroepelijk wordt.

Het hof stelt aldus vast dat voor de vraag wanneer de recidivetermijn begint alleen bepalend is dat een onherroepelijke strafrechtelijke afdoening is voorafgegaan. Het hof sluit hierbij aan voor de uitleg van de wettekst van artikel 123b, eerste lid, WVW en is derhalve van oordeel dat het rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt nadat de veroordeling voor het tweede feit eveneens onherroepelijk is geworden. Het hof merkt daarbij op dat het vijfde lid van artikel 123b WVW naar het oordeel van het hof enkel uitleg biedt wat onder “rijbewijs” moet worden verstaan, bij de toepassing van het eerste lid van artikel 123b WVW. Het houdt niet in een regeling of een bepaling voor de aanvangstermijn van de ongeldigheid van het rijbewijs. Van belang is, dat op het moment waarop het vonnis onherroepelijk werd, op 20 juli 2018, verdachte, die in het bezit was van een Belgisch rijbewijs, in Nederland woonde, waardoor het rijbewijs op die datum van rechtswege ongeldig werd.

Het verweer wordt verworpen.

Aangezien de verdachte op 20 juli 2018 woonachtig was in Nederland is het Belgisch rijbewijs van de verdachte op die datum van rechtswege ongeldig geworden. Voorts is de mededeling dat het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig is geworden per datum onherroepelijkheid van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 5 juli 2018, aan de verdachte in persoon uitgereikt op 16 augustus 2018. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte op 7 juni 2021 wist dat hij een auto bestuurde terwijl zijn rijbewijs zijn geldigheid had verloren, zoals ten laste is gelegd. Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.”

4. Juridisch kader

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

Art. 9 lid 2 en 9 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994):

2. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven.

9. Voor de toepassing van het tweede, vierde, vijfde, zesde en achtste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland.

Art. 123b lid 1 en 5 van de WVW 1994:

1. Onverminderd de artikelen 123, eerste lid, en 123a verliest een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, is veroordeeld wegens overtreding van:

(…)

b. artikel 8, eerste lid;

c. artikel 8, tweede, derde of vierde lid, indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed;

d. artikel 8, vijfde lid, of

e. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid,

een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van

(…)

2° artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid,

3° artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid.

(…)

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

Op grond van art. 123b lid 1 WVW 1994, dat deel uitmaakt van Afdeling 7 (Verlies geldigheidsduur) van Hoofdstuk VI (Rijvaardigheid en rijbevoegdheid) WVW 1994, verliest een rijbewijs van rechtswege zijn geldigheid indien aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Daarvan is, kort gezegd, sprake in geval van recidive ter zake van met middelengebruik verband houdende verkeersdelicten. Het verlies van de geldigheid van het rijbewijs is daarbij het directe gevolg van het onherroepelijk worden van een tweede veroordeling ter zake van zo een delict dat is begaan binnen de in art. 123b, eerste lid, WVW 1994 genoemde periode van vijf jaar.

Deze zogenoemde recidiveregeling komt voort uit een tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een puntenstelsel rijbewijzen aangenomen amendement dat door de Tweede Kamerleden Wolfsen en Weekers is voorgesteld. Het oorspronkelijke wetsvoorstel bevatte een nieuw artikel 123a WVW 1994. Dat is later art. 123b WVW 1994 geworden. Het voorgestelde artikel bevatte in oorspronkelijke vorm twee hoofdelementen. Het eerste hoofdelement was dat de rechter zou worden verplicht om bij herhaling binnen vijf jaar van bij AMvB aangewezen verkeersdelicten aan de bestuurder een rijontzegging op te leggen voor een periode in die AMvB bepaalt, waarbij de rechter in bijzondere gevallen zou kunnen afwijken van de in de AMvB voorgeschreven minimumduur van de rijontzegging. Het tweede hoofdelement zou zijn dat het rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt als een rijontzegging van een bepaalde duur zou worden opgelegd. In de memorie van toelichting bij dat oorspronkelijke wetsvoorstel wordt uitvoerig herhaald dat de recedivetermijn uit het eerste hoofdelement begint met lopen op het moment dat het verkeersdelict met een onherroepelijke veroordeling is afgedaan.

Het amendement van Wolfsen en Weekers heeft geleid tot de recidiveregeling zoals die uiteindelijk in de wet is gekomen. Dit amendement was als volgt toegelicht:

“Dit amendement strekt ertoe dat de geldigheid van het rijbewijs van rechtswege vervalt, indien de houder, na een eerdere onherroepelijke veroordeling wegens – kort gezegd – «besturen van een motorrijtuig onder de invloed» binnen vijf jaren nadien opnieuw wordt veroordeeld wegens zo een misdrijf. (…) Aan de veroordelingen wordt geen nadere eis gesteld voor wat betreft de strafoplegging.”

Art. 123b WVW 1994 heeft door het aangenomen amendement een andere inhoud gekregen dan met het wetsvoorstel werd beoogd. Het amendement heeft geleid tot een meer eenvoudige recidiveregeling, die tot ongeldigheid van het rijbewijs van rechtswege leidt. Over het moment waarop de recidivetermijn van start gaat, bestaat in de verdere parlementaire behandeling geen discussie. De toenmalig minister van Justitie en Veiligheid Hirsch Ballin zei tijdens de behandeling in het parlement nog het volgende over de inhoud van de voorgestelde wetsbepaling na het aangenomen amendement:

“Het houdt in dat een rijbewijshouder die binnen vijf jaar na de eerdere strafrechtelijke afdoening opnieuw onder invloed van alcohol rijdt zijn rijbewijs definitief en automatisch kwijtraakt, als dat tweede delict ook strafrechtelijk is afgedaan.”

Lid 6 uit het oorspronkelijke wetsvoorstel is (onder vernummering tot lid 5) gehandhaafd. De memorie van toelichting bij dit lid luidt als volgt:

“Artikel 123a, zesde lid, WVW 1994

Voorgesteld wordt de regel dat het rijbewijs van rechtswege ongeldig is indien de opgelegde rijontzegging een bepaalde periode overstijgt (het voorgestelde eerste lid, onderdelen a en b) ook van toepassing te doen zijn op rijbewijzen die zijn afgegeven door het bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat het niet goed uit te leggen zou zijn waarom rijbewijzen die zijn afgegeven door het bevoegd gezag buiten Nederland waarvan de houder in Nederland woonachtig is, wel – in de vorderingsprocedure – ongeldig zouden kunnen worden verklaard, maar de ongeldigheid van rechtswege op basis van het puntenstelsel beperkt zou moeten zijn tot rijbewijzen die zijn afgegeven door het bevoegd gezag in lidstaten van de Europese Gemeenschappen of staten die partij zijn bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.”

5. De bespreking van het middel

In de toelichting op het middel wordt (evenals in feitelijke aanleg) betoogd dat art. 123b WVW 1994 op deze zaak, althans op de weigering tot medewerking aan een bloedonderzoek op 21 juli 2017, althans het daarop betrekking hebbende vonnis van 5 juli 2018 niet van toepassing is omdat de verdachte op 21 juli 2017 niet in Nederland woonde en in het bezit was van een Belgisch rijbewijs. Anders dan het hof heeft geoordeeld is voor de vraag naar de toepasselijkheid van art. 123b WVW 1994, met name in verband met lid 5 van dat artikel, de datum van het strafbare feit beslissend en niet de datum waarop het veroordelende vonnis onherroepelijk wordt, aldus de steller van het middel.

Het hof heeft de volgende feiten vastgesteld:

- Op 14 april 2015 is de verdachte onherroepelijk veroordeeld voor een overtreding van art. 8 WVW 1994.

- Op 10 augustus 2016 heeft de verdachte zijn Nederlandse rijbewijs omgewisseld voor een Belgisch rijbewijs.

- Op 21 juli 2017 heeft de verdachte geweigerd mee te werken aan een op grond van de WVW 1994 bevolen bloedonderzoek.

- Vanaf 28 maart 2018 staat de verdachte blijkens de BRP ingeschreven op een adres in [plaats] .

- Op 5 juli 2018 is de verdachte door de politierechter veroordeeld wegens voornoemde overtreding van art. 163 lid 6 WVW 1994.

- Op 20 juli 2018 is dit vonnis onherroepelijk geworden.

- Op 16 augustus 2018 is aan de verdachte in persoon uitgereikt de mededeling dat zijn rijbewijs van rechtswege ongeldig is.

- Op 7 juni 2021 is de verdachte in Eindhoven aangehouden wegens rijden zonder geldig rijbewijs.

Dat de verdachte op 21 juli 2017 niet in Nederland (maar in België) woonde heeft het hof niet vastgesteld, maar neem ik aan. De steller van het middel wijst er terecht op dat uit de Informatiestaat SKDB van 15 november 2023 waarnaar het hof verwijst blijkt dat de verdachte van 22 maart 2016 tot 28 maart 2018 in België woonde.

Het hof heeft zich voor de vraag gesteld gezien of het Belgisch rijbewijs van de verdachte zijn geldigheid had verloren en zo ja, vanaf welk moment. Op basis van de wettekst van art. 123b WVW 1994 heeft het hof geoordeeld dat een rijbewijs ongeldig wordt nadat een tweede veroordeling wegens een alcoholdelict onherroepelijk is geworden, in dit geval 20 juli 2018. Aangezien de verdachte op dat moment in Nederland woonde, werd zijn Belgisch rijbewijs op die datum ongeldig. Dat getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting, hetgeen ik als volgt toelicht.

Het oordeel van het hof sluit aan bij de in noot 4 genoemde uitspraak van de Hoge Raad, de wettekst van art 123b WVW 1994 en past bovendien in het systeem van de WVW 1994. Art. 123b WVW 1994 maakt zoals gezegd deel uit van het onderdeel van de wet waarin de rijvaardigheid- en rijgeschiktheid van de rijbewijshouder centraal staat. Uit zowel de wet als de wetsgeschiedenis volgt glashelder dat constitutief vereiste voor ongeldigheid van rechtswege als bedoeld in dat artikel een tweede onherroepelijke veroordeling is voor een met middelengebruik verband houdend verkeersdelict. Met die onherroepelijke veroordeling wordt – zo begrijp ik de wetgever – vastgesteld dat de rijbewijshouder ongeschikt is om deel te nemen aan het verkeer. Van terugwerkende kracht is daarbij geen sprake. De ongeldigheid geldt niet vanaf het moment waarop het feit dat tot de tweede onherroepelijke veroordeling heeft geleid is gepleegd. Dat lijkt mij goed, want het zou de onzekere situatie in het leven roepen dat de verdachte er rekening mee moet houden dat achteraf wordt vastgesteld dat zijn rijbewijs al vóór de onherroepelijke veroordeling ongeldig was en hij zich mogelijk vele malen schuldig zou hebben gemaakt aan overtreding van art. 9 WVW 1994. Het vestigingsland van de verdachte ten tijde van het plegen van het onderliggende feit speelt geen rol bij de ongeldigheid van rechtswege die pas later aan de orde komt. Art. 123b WVW 1994 grijpt niet terug op dat onderliggende strafbare feit en de hiervoor weergeven toelichting op dat artikel geeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat dat wel de bedoeling van de wetgever is geweest. De beweerdelijke bezwaren die de steller van het middel oproept maken dat niet anders, al kunnen internationale verhuisbewegingen de situatie wel gecompliceerd maken. Strijd met het legaliteitsbeginsel levert het voorgaande niet op. De verdachte wordt in deze zaak verweten dat hij op 7 juni 2021 heeft gereden zonder geldig rijbewijs. De mededeling dat het rijbewijs met ingang van 20 juli 2018 ongeldig is geworden, is op 16 augustus 2018 in persoon uitgereikt. Op 7 juni 2021 wist de verdachte dus al bijna drie jaar dat hij geen geldig rijbewijs meer had en wist hij – om in de woorden van de schriftuur te blijven – waar hij aan toe was en welk gevolg de wet aan zijn handelen zou kunnen verbinden. Het oordeel van het hof dat de recidiveregeling van toepassing is en het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig is geworden getuigt – zoals gezegd – dus niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

6. Slotsom

Het middel faalt. In verband met de afdoening in cassatie merk ik op dat de politierechter de verdachte in eerste aanleg heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde. Afdoening van het middel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering ligt reeds daarom niet in de rede.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?