(i) De zaaksofficier en de onderzoeksleider van de politie ( [betrokkene 2] ) hadden op 14 oktober 2015 een gesprek met [betrokkene 1] , die op dat moment onder zware beperkingen in voorarrest verbleef en tot dan toe bij meerdere verhoren van zijn zwijgrecht gebruik had gemaakt. Van dit gesprek is een audiovisuele registratie (AVR) gemaakt. Uit de woordelijke uitwerking daarvan blijkt dat de officier van justitie in dit gesprek opmerkt dat hij wat betreft detentieomstandigheden wat kan betekenen voor [betrokkene 1] als hij meewerkt in het onderzoek, namelijk (a) dat zijn kleding goed geregeld wordt, (b) dat er via de vader van [betrokkene 1] geld op zijn rekening komt, (c) dat hij naar een andere p.i. zou kunnen worden overgebracht en (d) dat de mediabeperkingen vervallen. Na dit gesprek begon [betrokkene 1] mee te werken aan het opsporingsonderzoek in Maggiora .
(ii) Bij zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris van het hof van 27 januari 2023 merkte [betrokkene 1] op dat hij kort na zijn bekennende verklaring één of twee verklaringen opnieuw heeft moeten ondertekenen, omdat anders de nummering niet meer zou kloppen. Zijn verklaring houdt onder meer in: “De volgorde van de verhoren van mij is destijds veranderd. Ik moest mijn verklaringen opnieuw ondertekenen omdat er anders een gat zou ontstaan in de verhoren” en “Het had te maken met een ingebouwd opnamesysteem, daar was iets mee. Het gesprek werd opgenomen maar niet gevoegd in dossier. Dat is mij duidelijk gemaakt. Het had te maken met het gesprek met officier van justitie dhr. [Officier van Justitie 1] .”
(iii) Uit mutaties in het journaal van het team Speciale Getuigen/team Bijzondere Getuigen van de politie dat opereert onder verantwoordelijkheid van het Landelijk parket (hierna: TSG of TBG) blijkt dat het Openbaar Ministerie en [betrokkene 1] in november 2015 besloten de mogelijkheden voor een kroongetuigendeal te verkennen. Het Openbaar Ministerie regelde daarom dat de rest van de verhoren in onderzoek Maggiora onder verantwoordelijkheid van het Landelijk parket door het TSG zouden plaatsvinden. In december 2015 begon vervolgens het TSG/TBG-traject met een reeks verhoren. [betrokkene 1] legde in dat kader verschillende ‘kluisverklaringen’ af over feiten die buiten het Maggiora -onderzoek vallen.
(iv) Op 3 maart 2016 vond een gesprek plaats tussen het TSG, het Openbaar Ministerie, [betrokkene 1] en zijn advocaat. Een e-mail van officier van justitie [Officier van Justitie 2] van het Landelijk parket aan de advocaat van [betrokkene 1] ter voorbereiding op dat gesprek houdt in: “Wij hebben alles nog eens op een rijtje gezet en daar lijkt uit te volgen dat een zgn. "executiedeal" de meest praktische en voor uw cliënt de meest gunstige optie is. Ik heb daaromtrent nog geen vast format voorhanden, dus ik kan mijn toezegging om u die voor de afspraak toe te zenden helaas niet gestand doen.” In een mutatie van 9 maart 2016 van het TSG over dit gesprek staat: “Onderwerp: sessie advocaat/ [codenaam betrokkene 1] /OM en TSG […] Hem zijn de opties mbt de boterbriefjes voorgehouden en dat wij denken dat dit voor hem de beste optie is. Dealen in Maggiora ziet [betrokkene 3] niet (nauwelijks) zitten. De opties: cooperatieve houding in Maggiora en daardoor een lagere straf eisen om daarna in te gaan op een executieverzoek (GRATIE) positief te adviseren vond ook de advocaat ogenschijnlijk de beste optie […] de advocaat [vroeg] advies hoe zich te gedragen wanneer er doorgevraagd wordt op zekere thema/s waarbij [codenaam betrokkene 1] zelf weet dat hij dit al bij TSG heeft verklaard. Het risico bestaat dan dat niet antwoorden wordt gezien als niet cooperatief, wat dus zijn eerste boterbriefje niet ten goede komt. […] Aangegeven dat een deal in Maggiora niet tot de opties behoort maar dat er zeker kans van slagen is middels de boterbriefjes.”Bij de e-mails afkomstig van het Landelijk parket bevindt zich een ongedateerd stuk genaamd “OVEREENKOMST ALS BEDOELD IN DE AANWIJZING TOEZEGGINGEN AAN GETUIGEN IN STRAFZAKEN”. In deze conceptovereenkomst is opgenomen dat als de getuige zijn verplichtingen nakomt de officier van justitie bij de indiening van een gratieverzoek door de getuige een positief advies zal uitbrengen tot vermindering van de opgelegde straf met “[xxxx]” maanden. [betrokkene 1] verklaarde bij de raadsheer-commissaris dat door mr. [Officier van Justitie 2] is gezegd dat er sowieso een deal zou komen, maar dat hij geduld moest hebben en dat hij vanwege de kluisverklaringen 50% korting op zijn straf in Maggiora zou krijgen.
(v) Eind maart 2017 besloot het Openbaar Ministerie dat toch geen deal zou gaan plaatsvinden met [betrokkene 1] voor de kluisverklaringen die hij in het TBG-traject had afgelegd. Uit een mutatie van 8 juni 2017 met als onderwerp “overleg OM/advo/ [codenaam betrokkene 1] /TBG iz afketsen deal” blijkt dat er kort voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen [betrokkene 1] in Maggiora nog een bijeenkomst plaatsvond. [Officier van Justitie 3] , de officier van justitie van het Landelijk parket die toen verantwoordelijk was voor het TBG-traject van [betrokkene 1] , was daar namens het Openbaar Ministerie aanwezig. In de mutatie staat: “ [codenaam betrokkene 1] had van de week contact gezocht met het LP om vervolgens door verbonden te worden met [Officier van Justitie 3] . Aldus geschiedde. Tot verrassing van [Officier van Justitie 3] had hij gelijk [codenaam betrokkene 1] aan de lijn. Boos en geëmotioneerd. Dit omdat hij zojuist had vernomen dat er voor hem geen deal in zat. […] in dit gesprek het onderscheid kunnen maken in het traject in magiore en bij ons. Begrijpelijkerwijze zien [codenaam betrokkene 1] en advocaat daar niet gelijk onderscheid in. Uiteindelijk gaat het om de uitkomst voor [codenaam betrokkene 1] en die leek niet hoopvol. [Officier van Justitie 3] had gister gesproken met [Officier van Justitie 1] . [Officier van Justitie 1] gaat voor een voorwaardelijke strafeis. Heeft hij toegezegd aan [Officier van Justitie 3] . [Officier van Justitie 3] heeft dit meegedeeld aan advocaat en aan [codenaam betrokkene 1] (in ons bijzijn uiteraard). Dit stemde [codenaam betrokkene 1] en advo een stuk milder.”
(vi) [betrokkene 1] heeft over dit gesprek het volgende verklaard bij de raadsheer-commissaris. Hij heeft, toen hij hoorde dat er geen deal zou komen, direct boos gebeld naar mr. [Officier van Justitie 3] . Hij heeft toen gezegd dat hij alles op zitting zou gaan vertellen. Ze wilden niet dat het bekend zou worden en zouden het op een andere manier oplossen. Door de officier van justitie van het Landelijk parket is gezegd dat hij met de zaaksofficier zou regelen dat er een mooie eis zou komen en dat hij zou regelen dat [betrokkene 1] geen straf hoefde uit te zitten.
(vii) In een mail van de toenmalig raadsman van [betrokkene 1] (datum onbekend, waarbij boven de mail is opgenomen 'zitting vrijdag 16 juni’) na de zitting, schrijft hij aan [betrokkene 1] : “De Ovj berichtte mij na de zitting nog dat het goed was gegaan. Lees: je hebt je keurig aan de voorwaarden gehouden. Nu het OM nog.” [betrokkene 1] verklaarde bij de raadsheer-commissaris dat met ‘voorwaarden’ werd bedoeld: “niks over andere dingen zeggen”.
(viii) Op de zitting eiste de zaaksofficier een gevangenisstraf van drieënhalf jaar en benadrukte hij dat geen sprake was van een deal met [betrokkene 1] (in de strafzaak Maggiora ). Op 1 augustus 2017 veroordeelde de rechtbank Noord-Nederland [betrokkene 1] tot een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarbij hield de rechtbank er onder meer rekening mee dat [betrokkene 1] had meegewerkt aan het opsporingsonderzoek. Nadien heeft [betrokkene 1] nog steeds contact met het Openbaar Ministerie onderhouden, in het bijzonder met de eerder genoemde officier van justitie van het Landelijk parket die de verantwoordelijkheid had over het TBG-traject, [Officier van Justitie 3] . Uit die contacten blijkt dat het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] tegemoetkwam door afspraken te maken over de executie van zijn gevangenisstraf (in twee delen), door de executie herhaaldelijk uit te stellen en de advocaatkosten die [betrokkene 1] in verband met dit contact met het Openbaar Ministerie maakte, te betalen.
(ix) Naast het voorgaande beroept de verdediging zich op het procesverloop. Uit het procesverloop volgt dat het Openbaar Ministerie in het strafproces van de aanvraagster en in de zaken van de medeverdachten niet uit zichzelf openheid van zaken heeft gegeven over de contacten en afspraken met [betrokkene 1] met betrekking tot zijn verklaringen in Maggiora en het TBG-traject. De bovenstaande informatie is pas boven water gekomen nadat hiernaar in hoger beroep (door het hof en op instigatie van de verdediging) nader onderzoek was verricht. Door het tijdsverloop is niet al het gewenste onderzoek meer mogelijk geweest. De eerder genoemde onderzoeksleider van de politie kon vanwege zijn gezondheidssituatie niet meer worden gehoord. Verder waren herinneringen van getuigen verbleekt.
(i) In het gesprek tussen de zaaksofficier, de onderzoeksleider van de politie en [betrokkene 1] op 14 oktober 2015 was sprake van gunstbetoon zoals omschreven in artikel 226g lid 4 Sv. Van het gesprek op 14 oktober 2015 was oorspronkelijk een proces-verbaal opgemaakt, maar dit proces-verbaal is uit het systeem verwijderd en het Openbaar Ministerie heeft in ieder geval de nummering van één proces-verbaal in het dossier aangepast, om te voorkomen dat de verwijdering van het proces-verbaal aan de hand van de nummering van de processen-verbaal in het dossier kon worden achterhaald. Hierdoor is de in artikel 226g lid 4 Sv opgenomen verbaliseringsplicht ten aanzien van het gunstbetoon niet nagekomen.
(ii) Tijdens het onderzoek Maggiora heeft [betrokkene 1] in het TBG-traject kluisverklaringen afgelegd over andere zaken dan Maggiora . Hoewel het volgens het Openbaar Ministerie afzonderlijke trajecten betreffen, moest al vrij snel duidelijk zijn geweest dat een eventuele beloning in de vorm van een lagere eis of een positief gratieadvies waarschijnlijk alleen kon volgen in de strafzaak Maggiora . In het TBG-traject heeft het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] een ‘executiedeal’ in Maggiora in het vooruitzicht gesteld. Deze deal hield in dat een lagere straf zou worden geëist en dat positief zou worden geadviseerd op een executieverzoek in Maggiora , terwijl hiervoor in ruil niet alleen medewerking werd verlangd in het TBG-traject, maar ook in het onderzoek Maggiora . Het Openbaar Ministerie heeft op deze manier (in strijd met de wet) de kroongetuigenregeling en de daarin opgenomen waarborgen omzeild door in ruil voor een lagere strafeis en een positief gratieadvies (de executiedeal) een coöperatieve houding te verwachten in zowel het TBG-traject als in de strafzaak Maggiora en door vervolgens meteen gebruik te maken van de verklaringen die [betrokkene 1] in Maggiora had afgelegd, namelijk door deze in het dossier te voegen.
(iii) Nadat aan [betrokkene 1] was medegedeeld dat er toch geen deal zou plaatsvinden voor zijn kluisverklaringen in het TBG-traject, heeft het Openbaar Ministerie hem de voorwaarde gesteld dat hij (in zijn strafzaak) niet mocht verklaren over de contacten die hij met het Openbaar Ministerie onderhield over zijn verklaringen in Maggiora en het TBG-traject. Daar werd een toezegging over een (voordelige) strafeis in Maggiora tegenovergesteld. Deze gang van zaken vormt een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde.
11. De verdediging is van oordeel dat hierdoor een zodanig ernstige inbreuk is gemaakt op de volledigheid van de waarheidsvinding dat het Openbaar Ministerie ernstig tekort is geschoten in het bewerkstelligen van een eerlijk proces. Daarnaast voert de verdediging aan dat het tijdsverloop dat door het gebrek aan transparantie van het Openbaar Ministerie is ontstaan, tot gevolg heeft gehad dat het verdedigingsbelang, het ondervragingsrecht en het uitgangspunt van equality of arms zijn geschonden. Uit de ingebrachte informatie kan verder niet worden afgeleid dat de inbreuken op de verdedigingsrechten voldoende zijn hersteld om het proces van de aanvraagster in zijn geheel als eerlijk aan te merken, zo begrijp ik de verdediging.
12. Nu de verklaringen van [betrokkene 1] ook in de zaak van de aanvraagster in de bewijsvoering een prominente rol speelden, moet het voorgaande tot het eindoordeel leiden dat zich in haar zaak een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijke behandeling heeft voorgedaan dat de doelen van artikel 6 EVRM niet meer kunnen worden verwezenlijkt. Dit betekent dat het ernstige vermoeden bestaat dat de rechter in de zaak van de aanvraagster het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard, als hij op de hoogte was geweest van de thans door de verdediging aangeleverde informatie, aldus de verdediging.
Uitgangspunten bij de beoordeling van het herzieningsverzoek
13. Ik bespreek een aantal uitgangspunten voor de beoordeling van het herzieningsverzoek. Eerst richt ik me op criteria die direct deel uitmaken van de herzieningsprocedure en daarna ga ik in op de maatstaf voor de beslissing van de rechter tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op grond van schending van de beginselen van artikel 6 EVRM.
De herzieningsprocedure
14. In artikel 457 lid 1 aanhef en onder c Sv wordt de meest voorkomende grond voor herziening omschreven: het zogenoemde ‘novum’. In deze wettelijke omschrijving liggen drie voorwaarden voor het aannemen van een novum besloten. Een novum is (1) een ‘gegeven’ (2) dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter die de veroordeling uitsprak niet bekend was en (3) dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bij de rechter bekend zou zijn geweest, het onderzoek in de strafzaak zou hebben geleid tot vrijspraak, ontslag van alle rechtsvervolging, de toepassing van een minder zware strafbepaling, of – zoals hier van belang – de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.
15. Op grond van artikel 460 Sv moet de herzieningsaanvraag de gronden vermelden waarop deze rust, met bijvoeging van de stukken waaruit die gronden kunnen blijken. Het is de aanvrager die tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een van de in artikel 457 lid 1 aanhef en onder c Sv genoemde beslissingen zou zijn gekomen indien hij ten tijde van de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van de in het herzieningsverzoek naar voren gebrachte gegevens. De beoordeling van het verzoek door de Hoge Raad beperkt zich tot de gronden die in de aanvraag worden aangevoerd. De voormalige verdachte kan na een afwijzing immers een nieuw herzieningsverzoek indienen dat op andere gronden steunt.
16. Het oordeel van een andere rechter, dat afwijkt van het oordeel van de hiervoor bedoelde rechter die de veroordeling uitsprak, is op zichzelf niet als een novum aan te merken. De Hoge Raad is in de procedure tot herziening immers niet gebonden aan de vaststellingen en oordelen van andere rechters en heeft zich op basis van de aan hem overgelegde gegevens een zelfstandig oordeel te vormen. De feitelijke gronden (gegevens) waarop het afwijkende oordeel van die andere rechter steunt, kunnen daarentegen wel geschikt zijn om als novum te dienen.
Het criterium voor niet-ontvankelijkheid in verband met een (dreigende) schending van artikel 6 EVRM
17. Het vormverzuim waarvan de verdediging thans gewag maakt, kenmerkt zich door het verwijt dat justitie – hoewel daartoe op grond van artikel 226g Sv gehouden – de rechter niet volledig en juist heeft ingelicht over de omstandigheden waaronder een (mogelijk) cruciaal bewijsmiddel, de getuigenverklaring van [betrokkene 1] , tot stand is gekomen. Als gevolg daarvan kon de zittingsrechter de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van die verklaring niet adequaat inschatten en is de waarheidsvinding in het gedrang gekomen. Dit tast de beginselen van een eerlijk proces aan, want in dat geval kan ook de verdediging de inhoud van een (mogelijk) cruciaal bewijsmiddel onvoldoende toetsen en zo nodig aanvechten. Vooruitlopend op het geding na herziening betoogt de verdediging in essentie dat aan dit verzuim na verwijzing alsnog het rechtsgevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie moet worden verbonden. Hierover het volgende.
18. Centraal staat dat de rechter die over de feiten gaat met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel als mogelijk een inhoudelijk oordeel geeft over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zodoende rechtspreekt in de aan hem voorgelegde zaak. Vanwege het ingrijpende karakter daarvan, kan de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van een verdachte alleen in (zeer) uitzonderlijke gevallen in beeld komen als reactie op (i) onherstelbare vormverzuimen die bij het voorbereidend onderzoek zijn begaan, in de zin van artikel 359a Sv, en (ii) buiten het bereik van artikel 359a Sv vallende inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte. Bij de beoordeling of aan het vormverzuim of aan deze inbreuk de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Miniserie dan wel enige andere sanctie moet worden verbonden, zal de rechter mede acht moeten slaan op (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het verzuim, respectievelijk van deze inbreuk.
19. De aard van het verzuim in kwestie, waarbij het belang dat het geschonden voorschrift dient van betekenis is, is hiervoor reeds onder randnummer 17 omschreven. Wat betreft de ernst van het verzuim, vergt de toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid sedert HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, géén opzet of grove schuld van de zijde van met opsporing of vervolging belaste ambtenaren, en wordt met name niet (meer) geëist dat door het verzuim “doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
De gevolgen van het verzuim zijn in dit verband doorslaggevend. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat voor de niet-ontvankelijkverklaring (alleen) plaats is wanneer een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat een ‘eerlijk proces’ in de zin van artikel 6 EVRM niet meer kan worden verwezenlijkt.
20. Bij het ontwerp van deze toets heeft de Hoge Raad zich voor een belangrijk deel laten inspireren door rechtspraak van het EHRM. Voor de vraag of ontoelaatbare beperkingen zijn aangebracht op de verdedigingsrechten van de verdachte, slaat het EHRM acht op het verloop van de procedure als geheel, waarbij het EHRM betrekt of die inbreuken voldoende zijn hersteld en/of gecompenseerd. In de kern gaat het erom of de verdachte zich per saldo behoorlijk en effectief heeft kunnen (laten) verdedigen.
21. In deze toets is (dus) een belangrijke rol weggelegd voor de noties van (a) reparatie en (b) compensatie. Die twee noties mogen niet worden vereenzelvigd. ‘Reparatie’ is het herstel in de rechtmatige toestand, d.w.z. het ongedaan maken van de nadelige gevolgen en het terugbrengen naar de situatie die zou bestaan als het verzuim niet was begaan. ‘Compensatie’ vindt plaats wanneer de rechter de verdachte tegemoetkomt door tegenover het nadeel een ongelijksoortig voordeel te stellen. De eerste notie neemt in artikel 359a Sv de gedaante van een drempelvoorwaarde aan. Voor de toepassing van die bepaling (de sanctionering van vormverzuimen) is alleen plaats als het verzuim onherstelbaar is gebleken. Waar het verzuim bestaat in het niet, onvolledig of onjuist inlichten van de rechter omtrent omstandigheden rond de totstandkoming van een (cruciaal) bewijsmiddel, kunnen de onwenselijke gevolgen in principe ongedaan gemaakt worden (en leent het verzuim zich dus voor herstel) door de rechter alsnog volledig en juist te informeren.
22. De rol die reparatie en compensatie kunnen spelen bij het realiseren van een eerlijk proces, is goed te zien in de rechtspraak over gevallen waarin de politie en het Openbaar Ministerie de rechter en de verdediging onjuist of onvolledig hadden ingelicht. Die omstandigheid is normaal gesproken geen reden voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (ook niet wanneer sprake is van doelbewust handelen). De rechter of het Openbaar Ministerie kan deze verzuimen herstellen door de juiste of missende informatie alsnog in het proces te (laten) brengen, zo volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad. ‘Herstel’ moet in deze rechtspraak worden begrepen als het voorkomen van het (verdere) nadeel dat de verdachte door het vormverzuim in de uitoefening van zijn verdedigingsrechten zou ondervinden. Waar de verdachte voorafgaand aan het herstel al moeilijkheden heeft ervaren bij het voeren van de verdediging, kan de rechter compensatie bieden door toepassing van strafvermindering. Een definitieve schending van artikel 6 EVRM doet zich slechts voor wanneer het Openbaar Ministerie of de politie de waarheidsvinding onomkeerbaar onmogelijk heeft gemaakt.
23. Ook wanneer er geen mogelijkheden voor herstel of compensatie bestaan, wordt de rechter niet geacht direct over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De rechter moet onderzoeken of minder vergaande reacties mogelijk zijn. Zo kan de rechter – als dat noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen – het kwestieuze bewijsmateriaal (als sanctie) uitsluiten van het bewijs en eventueel tot vrijspraak beslissen.
24. Ten slotte merk ik op dat als tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en/of de waardering van het bewijsmateriaal, de rechter daarmee ook rekening zal (moeten) houden bij de beoordeling van de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal in kwestie en bij de beslissing over de bewijsvraag als bedoeld in artikel 350 Sv. Als de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met de fairness of the proceedings as a whole, kan de rechter tot een vrijspraak komen.
De beoordeling van het herzieningsverzoek
25. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het ernstige vermoeden bestaat dat de rechter bij bekendheid met de ingebrachte nieuwe gegevens tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie had beslist wegens een (dreigende) schending van artikel 6 EVRM. De verdediging beroept zich daartoe op vormverzuimen die het gevolg zijn van (a) een gebrek aan transparantie bij het Openbaar Ministerie en de politie en (b) tijdsverloop. Ik houd dat onderscheid aan bij de beoordeling van het verzoek. Nadat ik die twee onderwerpen heb besproken, kom ik tot een conclusie over het herzieningsverzoek.
(a) Het gebrek aan transparantie van het Openbaar Ministerie en de politie
26. De verdediging leidt uit de stukken uit het hoger beroep in Maggiora af (i) dat de politie niet heeft voldaan aan de verbaliseringsplicht voor wat betreft het gesprek van 14 oktober 2015 tussen de zaaksofficier, de onderzoeksleider van de politie en [betrokkene 1] , (ii) dat het Openbaar Ministerie de kroongetuigenregeling heeft omzeild door de verklaringen van [betrokkene 1] in het onderzoek Maggiora in het dossier te voegen terwijl deze onderdeel uitmaakten van een overeenkomst in de zin van de kroongetuigenregeling en (iii) dat het Openbaar Ministerie aan [betrokkene 1] de voorwaarde heeft opgelegd dat hij niet mocht verklaren over zijn contacten met het Openbaar Ministerie. Verder stelt de verdediging dat deze verzuimen niet voldoende zijn hersteld.
27. Hieronder bespreek ik deze vormverzuimen per geval. Ik betrek daarbij zo nodig allereerst de feitelijke vraag of er een ernstig vermoeden bestaat dat de rechter met kennis van de nieuwe gegevens zou hebben geoordeeld dat de gestelde vormverzuimen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dus feitelijke grondslag hebben. De Hoge Raad is in de procedure tot herziening immers niet gebonden aan de vaststellingen van het hof en heeft zich hierover op basis van het overgelegde feitenmateriaal een zelfstandig oordeel te vormen. Ongeacht het antwoord op die vraag bespreek ik in de tweede plaats telkens of er een ernstig vermoeden bestaat dat de rechter zou hebben geoordeeld dat de gestelde vormverzuimen (aangenomen dat zij hebben plaatsgevonden) onvoldoende zijn hersteld.
(i) De schending van de verbaliseringsplicht
28. Uit de stukken blijkt dat geen definitief proces-verbaal van het gesprek op 14 oktober 2015 is opgemaakt. Wat mij betreft is voldoende aannemelijk geworden dat sprake was van ‘gunstbetoon’ door de officier van justitie (artikel 226g lid 4 Sv), terwijl het gesprek overigens ook de opsporing van strafbare feiten betrof (artikel 152 Sv). De uitwerking van de AVR van dat gesprek geeft daarop zicht. Met het beschikbaar komen van die uitwerking is wat mij betreft echter ook direct het herstel van het vormverzuim gegeven.
(ii) Het omzeilen van de kroongetuigenregeling
29. De verdediging voert verder aan dat het Openbaar Ministerie onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven door ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 1] in de strafzaak Maggiora niet het traject van de kroongetuigenregeling te doorlopen. Die stelling is gebaseerd op de feitelijke conclusie dat het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] heeft voorgespiegeld dat een deal zou kunnen plaatsvinden, waarbij het Openbaar Ministerie een lagere straf zou eisen in zijn strafzaak in Maggiora en positief zou adviseren op een verzoek om gratie ter zake van de in die zaak opgelegde straf. In ruil daarvoor zou het Openbaar Ministerie van [betrokkene 1] hebben verlangd dat hij zou meewerken aan het onderzoek in de strafzaak in Maggiora en dat hij zou meewerken aan het TBG-traject. Deze uitleg van de feiten baseert het hof in de kern op de mutatie van 9 maart 2016 in het journaal van het TBG. Bij die uitleg betrekt de verdediging de aan dat overleg voorafgaande e-mail van mr. [Officier van Justitie 2] aan de advocaat van [betrokkene 1] , de verklaring(en) van [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris en de inhoud van de (niet aan [betrokkene 1] verstrekte) conceptovereenkomst die zich bevond bij de door het Landelijk parket verstrekte stukken.
30. Ik meen echter dat een andere uitleg van de feiten goed verdedigbaar is. Het gaat hier om de duiding van een opmerking in het verslag van het overleg van 3 maart 2016. Die opmerking houdt in: “Dealen in Maggiora ziet [betrokkene 3] [DA: officier van justitie mr. [Officier van Justitie 2] ] niet (nauwelijks) zitten. De opties: coöperatieve houding in Maggiora en daardoor een lagere straf eisen om daarna in te gaan op een executieverzoek (GRATIE) positief te adviseren vond ook de advocaat ogenschijnlijk de beste optie.” In haar e-mail aan de advocaat van [betrokkene 1] voorafgaand aan het overleg omschrijft mr. [Officier van Justitie 2] de beoogde overeenkomst als een ‘executiedeal’. Die term duidt er op zichzelf op dat een eventuele deal uitsluitend zou zien op een positief advies op een gratieverzoek in de executiefase, en dat een lagere strafeis in de Maggiora -strafzaak daarvan (dus) geen onderdeel zou zijn. Die uitleg sluit aan bij de genoemde conceptovereenkomst, waarin het Openbaar Ministerie een positief advies op een gratieverzoek aanbiedt in ruil voor de door [betrokkene 1] afgelegde kluisverklaringen. Een lagere strafeis maakt geen onderdeel uit van de overeenkomst.
31. Dat een deal in Maggiora , dus voor de verklaringen die [betrokkene 1] heeft afgelegd of zal afleggen over de feiten in Maggiora , door het Openbaar Ministerie vanaf het begin is uitgesloten blijkt uit mutaties in het journaal van het arrondissementsparket (AP) Noord-Nederland en het journaal van het TBG. Tegen die achtergrond kan ook uit het gesprek van 14 oktober 2015 worden afgeleid dat de zaaksofficier daar aan [betrokkene 1] meedeelde dat een deal in Maggiora een afgesloten traject is. Dat is in overeenstemming met de opmerkingen in het verslag van het overleg van 3 maart 2016, die inhouden: “Dealen in Maggiora ziet [betrokkene 3] niet (nauwelijks) zitten” en “aangegeven dat een deal in Maggiora niet tot de opties behoort”. Wel heeft de zaaksofficier in het gesprek op 14 oktober 2015 [betrokkene 1] erop gewezen dat hij in zijn eis rekening kan houden met een meewerkende proceshouding en dat de rechter daarover vervolgens beslist, zodat meewerken in zijn voordeel kan zijn. De zinsnede: “coöperatieve houding in Maggiora en daardoor een lagere straf eisen” laat zich goed op dezelfde manier uitleggen. Dit wil zeggen dat daaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] tijdens dat gesprek (nogmaals) is voorgehouden dat een meewerkende houding eventueel tot een lagere straf zou kunnen leiden in zijn strafzaak, zonder dat voor wat betreft die verklaringen sprake zou zijn van (de verdergaande waarborg van) een overeenkomst als bedoeld in artikel 226g Sv. Dat past bij de hierboven genoemde aanwijzingen dat een lagere strafeis in Maggiora geen onderdeel uitmaakte van de besproken ‘executiedeal’. In die lezing heeft het Openbaar Ministerie de verdachte niet voorgehouden dat het afleggen van (verdere) bekennende verklaringen in Maggiora een voorwaarde zou zijn voor het sluiten van een deal voor zijn kluisverklaringen.
32. Gelet op het voorgaande is in het herzieningsverzoek naar mijn mening niet voldoende aannemelijk gemaakt dat (het ernstige vermoeden bestaat dat) de rechter, als hij had geweten van de nieuwe informatie, zou hebben vastgesteld dat het Openbaar Ministerie de kroongetuigenregeling heeft omzeild. Als toch wordt uitgegaan van deze gang van zaken, leidt dat overigens nog niet tot de conclusie dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat geen eerlijk proces meer mogelijk is. In mijn ogen heeft de verdediging niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de rechter deze vormverzuimen als onvoldoende hersteld zou hebben beschouwd. Dat licht ik toe.
33. De vraag is of de aanvraagster in haar strafproces bij de rechtbank door de vormverzuimen onherstelbaar zou zijn geraakt in de uitoefening van haar verdedigingsrechten voor zover die betrekking hebben op de verklaringen van [betrokkene 1] . Daarbij is volgens mij bepalend of zij aldaar over voldoende informatie had kunnen beschikken om op de terechtzitting verweer te voeren over de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van die verklaringen. Zoals hiervoor is gebleken is op dit vlak in het hoger beroep van de medeverdachten veel nieuwe informatie boven water gekomen. Deze informatie bevindt zich bij de door de verdediging aangeleverde stukken. Het herzieningsverzoek bevat geen onderbouwing van de stelling dat de vormverzuimen (desondanks) onvoldoende zijn hersteld. Dit terwijl de door de verdediging geciteerde overwegingen van het hof ook inhouden dat (na veel gesleur van de verdediging en het hof) “een meer volledig beeld tot stand [is] gekomen van de aspecten die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de verklaringen van [betrokkene 1] ”. Bij die stand van zaken kan ik hier volstaan met de opmerking dat de beschikbaar gekomen gegevens het naar mijn idee voldoende mogelijk maken de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] te onderzoeken en te bekritiseren.
(iii) Het aan [betrokkene 1] als voorwaarde opleggen dat hij niet mag verklaren over zijn contacten met het Openbaar Ministerie
34. Ten derde gaat het om de vaststelling dat het Openbaar Ministerie tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij niet mocht verklaren over zijn contacten en afspraken met het Openbaar Ministerie, en dat het Openbaar Ministerie daar een toezegging over een bepaalde strafeis tegenover heeft gezet. Dat baseert de verdediging in de kern op de verklaringen van [betrokkene 1] . De verdediging ziet voor de verklaringen concrete bevestiging in (een aan [betrokkene 1] verstuurd bericht van de advocaat van [betrokkene 1] over) een bericht van de zaaksofficier na een van de zittingen bij de rechtbank en het contact tussen de verantwoordelijke officier van justitie van het Landelijk parket en [betrokkene 1] na het vonnis.
35. Ik houd rekening met het volgende. In de mutatie in het journaal van het TBG over het gesprek kort voor de inhoudelijke behandeling van de zaken in Maggiora staat niet vermeld dat de officier van justitie van het Landelijk parket toen tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij diende te zwijgen over zijn contacten met het Openbaar Ministerie in het kader van het TBG-traject en dus ook niet dat in ruil daarvoor een bepaalde strafeis in zijn strafzaak zou volgen. Dit blijkt ook niet uit de verklaring die deze officier van justitie als getuige op de terechtzitting van het hof heeft afgelegd. Die verklaring houdt verder in dat hij [betrokkene 1] geen beloftes heeft gedaan over een strafeis in zijn strafzaak. De zaaksofficier ontkende als getuige bij het hof dat sprake zou zijn van een voorwaarde voor een bepaalde strafeis. Hij verklaarde dat hij slechts bij de advocaat heeft aangegeven dat het niet in het belang van [betrokkene 1] is als hij verklaart over het TBG-traject, zo begrijp ik. Ik zie daarom geen directe bevestiging voor de verklaring van [betrokkene 1] in het bericht van de zaaksofficier aan de raadsman na de zitting dat kennelijk inhield “dat het goed was gegaan”. Over de contacten tussen de officier van justitie van het Landelijk parket en [betrokkene 1] na het vonnis gaf de officier van justitie bij zijn verhoor als getuige bij het hof in mijn ogen een begrijpelijke verklaring, namelijk dat hij het zuur vond voor [betrokkene 1] dat de deal buiten diens schuld om niet van de grond was gekomen. Die contacten zijn daarmee niet per se zo uit te leggen dat [betrokkene 1] nog iets van het Openbaar Ministerie tegoed had op de grond dat hij volgens afspraak had gezwegen over zijn contacten met het Openbaar Ministerie en dat moest blijven doen.
36. Ik merk op dat de zaaksofficier en de officier van justitie van het Landelijk parket het bestaan van de voorwaarde voor een bepaalde strafeis tegenspreken. Gezien het voorgaande ben ik daarnaast niet van mening dat voor de verklaringen van [betrokkene 1] concrete bevestiging is te vinden in de aangeleverde stukken. De verdediging heeft daarom m.i. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de rechter bij bekendheid met de nieuwe gegevens (ook) tot de conclusie zou zijn gekomen dat het Openbaar Ministerie in ruil voor een lagere strafeis aan [betrokkene 1] de voorwaarde heeft gesteld dat hij moest zwijgen over zijn contacten met het Openbaar Ministerie. Als wel wordt uitgegaan van dit vormverzuim, dan moet worden aangenomen dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat dit (voldoende) is hersteld. Ik wijs op mijn opmerkingen onder 32; die gelden ook voor dit vormverzuim.
(b) Het tijdsverloop
37. Waar de verdediging de aandacht vestigt op het tijdsverloop in relatie tot verschillende inbreuken op de verdedigingsrechten van de aanvraagster, kan ik kort zijn. Dit kan geen grond bieden voor niet-ontvankelijkheid. Eventuele complicaties moet de rechter oplossen in het kader van de beslissing over de bewijsvraag.
Conclusie
38. Ik kom op basis van het bovenstaande tot de conclusie dat de aangeleverde gegevens niet het ernstige vermoeden wekken dat de eerder oordelende rechter, als hij daarvan op de hoogte was geweest, zou hebben geoordeeld dat een eerlijk proces niet meer tot de mogelijkheden behoort en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Andere gronden voor de vernietiging van de bestreden veroordeling, zijn niet aangevoerd.
Slotsom
39. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG