ECLI:NL:PHR:2025:1229

ECLI:NL:PHR:2025:1229, Parket bij de Hoge Raad, 11-11-2025, 23/04938

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 11-11-2025
Datum publicatie 13-11-2025
Zaaknummer 23/04938
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:79
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. Schuldwitwassen. Middel klaagt terecht dat tenaamstelling van voertuig niet zonder meer betekent dat degene op wiens naam dit voertuig staat daarover beschikkingsmacht heeft, zodat bewezenverklaarde verwerven/voorhanden hebben van Audi A4 ontoereikend is gemotiveerd. Dit tast de bewezenverklaring evenwel niet aan nu ook verhullen is bewezenverklaard en uit bewijsvoering blijkt dat Audi A4 op naam verdachte is gezet om te verhullen wie rechthebbende op deze auto is. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04938

Zitting 11 november 2025

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 5 december 2023 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens “schuldwitwassen, meermalen gepleegd” en aan hem is met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd.

Er bestaat samenhang met de zaken 23/04826, 23/04870, 23/04893 en 23/04940. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Namens de verdachte heeft M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde witwashandelingen ten aanzien van de Audi A4 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend zijn gemotiveerd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 4 december 2015 tot en met 27 maart 2017 in Nederland

2. een auto (te weten een Audi A4 met [kenteken 1] , ter waarde van € 25.445) en

4. € 21.000 en € 126.627,64, (afkomstig uit de verkoop van een woning in Portugal met het adres [a-straat 1] , [plaats] ) en

6. € 200.000

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van dat voorwerp en die geldbedragen de herkomst en/of de vervreemding en/of de werkelijke aard heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp en die geldbedragen was en/of wie dat voorwerp en die geldbedragen voorhanden had, terwijl hij telkens redelijkerwijs moest vermoeden dat dit voorwerp en deze geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.”

Het hof heeft, voor zover hier van belang, de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen (met weglating van een voetnoot):

“1. Inleiding en relevante feiten en omstandigheden

Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam ‘ [naam onderzoek] ’. In dit onderzoek is door de FIOD onderzocht of de verdachte en zijn zus, [medeverdachte 1] , wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat geldbedragen en goederen die zij in 2015 en 2016 - direct of indirect - van hun vader [medeverdachte 2] hebben ontvangen, van enig misdrijf afkomstig zijn en zich aldus hebben schuldig gemaakt aan (schuld)witwassen. [medeverdachte 2] is op 28 juni 2019 onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen van oplichting van investeerders in [A] en voor het witwassen van de opbrengsten van die oplichting, waarbij hij gebruik maakte van de vennootschap [B] B.V.

Het hof acht bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden, ontleend aan de aan dit arrest als bijlage, gehechte bewijsmiddelen, van belang.

[…]

- Op 2 december 2015 heeft de vader van de verdachte – gebruikmakend van de bankrekening van [C] – twee auto’s gekocht, een Audi A4 ( [kenteken 1] ), voor een bedrag van € 25.445,00 en een Volkswagen Polo ( [kenteken 2] ) voor een bedrag van € 13.095,00. Twee dagen later is de Audi A4 op naam van de verdachte gezet en de Volkswagen Polo op naam van zijn zus. De reden hiervoor was volgens de verdachte en zijn zus het - haar het hof begrijpt: naderende - faillissement van [medeverdachte 2] . De auto’s waren voor [medeverdachte 2] .

[…]

3. Bewijs impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen

Juridisch kader

Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat voor een veroordeling ter zake van schuldwitwassen in de zin van artikel 420quater, eerste lid, Sr is vereist dat de verdachte ‘redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien de verdachte, gelet op de omstandigheden van het geval, niet zonder nader onderzoek met een voorwerp mag handelen, rust op hem een onderzoeksplicht met betrekking tot de herkomst van dit voorwerp. Bij een veroordeling wegens schuldwitwassen dient uit de bewijsvoering te kunnen worden afgeleid dat de verdachte in die mate is tekortgeschoten in de op hem rustende onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, hetgeen maakt dat de verdachte moest vermoeden dat het voorwerp van enig misdrijf afkomstig was.

Het hof overweegt dat voor schuldwitwassen niet hoeft te worden vastgesteld van welk concreet misdrijf de geldbedragen en goederen afkomstig zijn, maar dat uit de bewijsmiddelen wel moet blijken dat die van enig misdrijf afkomstig zijn. Binnen de context van deze strafzaak kan daarbij niet alleen worden gedacht aan oplichting (artikel 326 Sr), voor welk misdrijf vader [medeverdachte 2] , zoals hiervoor overwogen, onherroepelijk is veroordeeld, maar ook aan faillissementsfraude (artikel 341 Sr). Het hof stelt voorop dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat de verdachte en zijn zus betrokken zijn geweest bij of wetenschap hebben gehad van de oplichtingspraktijken van hun vader.

Bewijsoverwegingen schuldwitwassen t.a.v. Audi A4, ontvangen geldbedragen i.v.m verkoop vakantiewoning aan [B] B.V. en overschrijvingen ad € 200.000

Het hof is van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de onder 2. ten laste gelegde Audi A4 die op 4 december 2015 op zijn naam werd gezet en die hij aldus heeft verworven en voorhanden heeft gehad, van enig misdrijf – faillissementsfraude ex artikel 341 Sr – afkomstig was. De vader van de verdachte zat kort voor de aankoop van de twee auto’s nog in een situatie waarin hij de huur voor de nieuwe gezinswoning en onder meer boodschappen door financiële problemen niet kon betalen. De twee auto’s waren voor eigen gebruik van vader en hadden een waarde van ruim € 25.000,00 respectievelijk ruim € 13.000,00. Hij had zijn kinderen destijds verteld dat de auto’s niet op zijn naam konden worden gezet vanwege het faillissement. De verdachte had in die omstandigheden redelijkerwijs moeten begrijpen dat de auto op zijn naam werd gesteld om te voorkomen dat voor de schuldeisers van zijn vader zichtbaar werd dat hij over vermogen beschikte waar beslag op kon worden gelegd. Dat de verdachte zijn vader vertrouwde legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal. De verdachte was destijds 24 jaar oud en hij was bekend met het (naderende) faillissement. Van hem mocht worden verwacht dat hij zich kritisch ten aanzien van de tenaamstelling van de auto zou opstellen en onderzoek zou doen of dit juridisch mocht. Dit heeft hij niet (voldoende) gedaan. Dat de verdachte van zijn vader had begrepen dat hij bezig was met een nieuw bedrijf, biedt geen logische verklaring om de auto’s op naam van de verdachte en zijn zus te zetten. Door de Audi A4 in de gegeven omstandigheden op zijn naam te zetten zonder nader onderzoek is de verdachte zodanig aanmerkelijk onvoorzichtig geweest dat hij zich hierdoor schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen.”

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende in de bijlage bij het arrest weergegeven bewijsmiddelen van belang:

1. Een proces-verbaal van ambtshandeling, beschrijving rol [verdachte] , van 5 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (AMB-002, p. 001004-001019).

[…]

In december 2015 zijn er twee auto’s gekocht en op naam gezet van [verdachte] en [medeverdachte 1] . De twee auto's zijn op 4 december 2015 op naam van de kinderen gezet. Op 28 maart 2017 zijn deze auto’s in beslag genomen. Deze stonden toen nog steeds op naam van de kinderen.

[…]

3. Een proces-verbaal van verhoor van de [verdachte] van 26 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (V-02-01, p. 002001-002010).

[…]

(Wat kun je vertellen over het persoonlijk faillissement van je ouders?)

Toen het huis werd verkocht, begon het echt te spelen. Ik moest soms financieel bijspringen. Ik betaalde boodschappen, huur, gas, water, licht en verzekeringen. Ik geloof dat hij medio 2016 failliet is verklaard. Hij zei mij dat toen.

(Op 4 december 2015 is de witte Audi met [kenteken 1] op je naam gezet. Hoe heb je deze betaald?)

Die heeft mijn vader betaald. Deze mocht niet op zijn naam staan vanwege het faillissement. Daar reed hij zakelijk in.

[…]

4. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] van 23 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (V-03-01, p.002011-002020).

[…]

(Op 4 december 2015 is de witte Audi met [kenteken 1] op naam gezet van je broer. Wat kun je hierover verklaren?)

De Audi is aangeschaft voor de zakelijke afspraken van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft ons dit gevraagd zo te doen.

[…]

5. Een proces-verbaal van verhoor van de [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2023.

[…]

De Audi A4 en VW Polo zijn inderdaad vanwege het faillissement op onze naam gezet. De auto’s waren voor mijn vader en zijn bedrijf.”

Ten aanzien van de vereisten voor het – als pleger – ‘voorhanden hebben’ en ‘verwerven’ in de zin van art. 420quater lid 1 Sr heeft de Hoge Raad in een arrest van 10 juni 2025 het volgende overwogen:

“Voor het – als pleger – ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420quater lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig heeft (vgl. HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, rechtsoverweging 2.4.1). Dit ‘voorhanden hebben’ vereist feitelijke zeggenschap over het voorwerp en strekt zich – zo volgt uit de onder 2.3 weergegeven wetsgeschiedenis – uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Het is daarbij niet nodig dat de verdachte altijd direct over het voorwerp kan beschikken. Uit diezelfde wetsgeschiedenis volgt dat het bij het – als pleger – ‘verwerven’ in de zin van artikel 420quater lid 1 Sr gaat om het verrichten van een handeling die tot gevolg heeft dat de feitelijke zeggenschap over een voorwerp wordt verkregen.”

De steller van het middel meent dat het oordeel van het hof dat het op naam van de verdachte zetten van de auto oplevert dat de verdachte deze auto heeft verworven en voorhanden heeft gehad, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat tenaamstelling enkel een administratieve handeling betreft die niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op feitelijke beschikkingsmacht over het voertuig, terwijl niet is vastgesteld dat de verdachte de betreffende auto ooit heeft gezien.

Het hof is gelet op zijn bewijsoverwegingen in samenhang bezien met bewijsmiddel 4 van oordeel dat de verdachte de Audi A4 heeft verworven en voorhanden heeft gehad doordat hij deze op 4 december 2015 op zijn naam heeft laten zetten. Met de steller van het middel ben ik van mening dat de tenaamstelling van een voertuig inderdaad nog niet meebrengt dat degene op wiens naam dit voertuig staat feitelijke beschikkingsmacht over dit voertuig heeft. Daarmee is het oordeel van het hof dat de verdachte de Audi A4 heeft verworven en voorhanden heeft gehad dus ontoereikend gemotiveerd. Echter, dit tast – anders dan de steller van het middel veronderstelt – de bewezenverklaring ten aanzien van de Audi A4 nog niet aan. Bewezenverklaard is immers ook dat de verdachte heeft verhuld wie de rechthebbende op een of meer van de bewezenverklaarde voorwerpen was, terwijl uit de bewijsvoering in de voorliggende zaak blijkt dat de verdachte op verzoek van zijn vader – in verband met het faillissement van zijn vader – de Audi A4 op zijn naam heeft laten zetten, waarmee is verhuld wie de rechthebbende op dit voertuig was, te weten zijn vader. Daarmee faalt het middel.

3. Slotsom

Het middel faalt. Omdat het middel klaagt over de bewijsvoering en bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand.

Ambtshalve merk ik op dat de mogelijkheid bestaat dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren nadat op 18 december 2023 het cassatieberoep is ingesteld. Daarmee zou de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM worden overschreden. Gezien het feit dat het hof de verdachte heeft veroordeeld zonder aan hem een straf of maatregel op te leggen, kan in dat geval worden volstaan met de constatering daarvan.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?