Nummer24/04079
Zitting 18 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 23 oktober 2024 (parketnummer 10-732032-19) door het gerechtshof Den Haag wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uur, subsidiair negentig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partij in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de verwerping van het beroep op noodweer.
De bewezenverklaring
3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 05 mei 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
De bewijsvoering
4. Deze bewezenverklaring berust op zes bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest (p. 14-16), naar de inhoud waarvan ik verwijs.
Het noodweerverweer en de verwerping daarvan
5. Blijkens de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 oktober 2024 het volgende aangevoerd (onderstrepingen van mijn hand):
“ Mocht u toch tot een bewezenverklaring komen dan wordt uit het verhaal van [verdachte] wel duidelijk dat zij uiteindelijk tijdens de ruzie met [slachtoffer] geen kant op kon.
Het verhaal wordt op belangrijke punten door de verklaring van de [getuige] d.d. 8 mei 2024 ondersteund. Zij hoorde buren ruzie maken in het Papiaments. Zij hadden vaker ruzie, maar nu was het heftiger.
Nadat, na aanbellen de deur werd geopend door het meisje ging het schelden door.
Het meisje gaf een klap. Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar over en weer. “Het meisje riep naar mij dat ik 112 moest bellen. De jongen gooide toen de deur dicht.”
Er lijkt dan als sprake te zijn van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, er is in elk geval voor [verdachte] een noodsituatie, zij roept niet voor niets 112 bellen.
[slachtoffer] gooit daarna de deur dicht. De getuige hoort dat het gevecht doorging en belde de politie. Het dichttrekken van de deur door [slachtoffer] voorkomt dat een uitweg voor [verdachte] . Zij vlucht naar de slaapkamer. [slachtoffer] volgt. Zij gaat naar de keuken en [slachtoffer] volgt. Volgens de [getuige] , die net de politie heeft gebeld, hoorde zij eerst dat het niet heftiger werd. “Toen zij had neergelegd werd het opeens heftiger”.
[verdachte] kan feitelijk geen kant op en wordt in haar eigen woning die zij niet kan verlaten aangevallen door de sterkere [slachtoffer] . Zij kon zich niet onttrekken.
Staand tegen het keukenblok gebruikt pakt zij een mes uit dit blok om [slachtoffer] van zich af te houden. Zij had in deze situatie geen andere optie. Feitelijk vastgezet in haar eigen woning was er geen andere optie meer. Zij moest zich wel verdedigen.
Het afdreigen met het mes was in de gegeven situatie ook een proportionele reactie.
Uit niets blijkt dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan een aanvallende actie.
[slachtoffer] probeert het mes af te pakken en in de worsteling wordt hij in de borst geraakt.
En dit alles gebeurde in de heftige en zeer emotionele situatie, direct veroorzaakt door de zeer heftige situatie.
Subsidiair noodweer.”
6. Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen (onderstrepingen van mijn hand):
“Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt, het hof het volgende vast.
Tussen de verdachte en het slachtoffer heeft voorafgaand aan het steekincident een ruzie plaatsgevonden, waarbij over en weer werd geslagen. Uit de afgelegde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat het slachtoffer de voordeur van de woning op slot had gedraaid. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan, waarna het slachtoffer haar achtervolgde. De verdachte bleef roepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten. Hij gaf hieraan geen gehoor. Integendeel, hij bleef haar achtervolgen en de ruzie en het gevecht tussen hen beide werd vervolgd in de keuken. Het slachtoffer heeft toen de keukendeur dicht gedaan en is tussen haar en de deur blijven staan, zodat de verdachte niet naar buiten kon . Het slachtoffer kwam op haar af. Vervolgens heeft de verdachte een mes gepakt en heeft zij – zoals hiervoor vastgesteld – met het mes op aangever ingestoken.
Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij, tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was, maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.
Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.”
Een nadere omschrijving het middel
7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de omstandigheden waaronder “het steken” heeft plaatsgevonden. Het heeft daardoor niet de voor een verwerping van een noodweerverweer vereiste vergelijking gemaakt tussen – enerzijds – de omvang van de wederrechtelijke aanranding, en – anderzijds – het al dan niet disproportionele karakter van het door de verdachte gebruikte verdedigingsmiddel.
8. Het voorgaande klemt temeer, nu i.c. niet (zonder meer) kan worden gezegd dat het door de verdachte met een mes in de borststreek steken van de aangever disproportioneel was. De verdachte had immers geen andere uitweg, en zij kon als zwakkere partij niet met zekerheid weten of zij de aangever wel met haar blote vuisten kon afweren.
Het beoordelingskader
9. In zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, heeft de Hoge Raad het juridisch kader geschetst dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. Dit kader veronderstel ik bekend. Wel merk ik ten aanzien van het proportionaliteitsvereiste (waartegen het middel zich in het bijzonder richt) het volgende op.
Proportionaliteit: verdediging moet geboden zijn
10. Een beroep op noodweer komt niet toe aan de verdachte die met zijn gedraging verder gaat dan door de noodzakelijke verdediging ‘geboden’ is. Dat is het geval indien de gedraging als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij beoordeling van de vraag of aan deze – tot terughoudendheid nopende – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt centraal.
11. Daarbij laat rechtspraak van de Hoge Raad zien dat bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding, betekenis toekomt aan de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in beginsel niet in verhouding staat met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist, maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden de feitenrechter tot een ander oordeel kan nopen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en niet kan wegkomen, de aanranding – naast blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel, of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij.
12. Ik wijs in dit verband ook op de conclusie van a-g Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummers 3.11-3.21, en 3.25), waarin hij een aantal van de (hiervoor reeds in de voetnoten aangehaalde) arresten van de Hoge Raad – waarin een discrepantie bestond tussen het aanrandingsmiddel en het verdedigingsmiddel – heeft geanalyseerd, en naar aanleiding daarvan concludeert: “Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat.”Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn”.
De bespreking van het middel
13. Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen. Het heeft in dat verband – overeenkomstig de lezing van de verdediging – vastgesteld (i) dat in de woning van de verdachte en haar toenmalige vriend (het slachtoffer) een steekincident heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer een steekwond heeft opgelopen, ter hoogte van zijn borst rondom zijn hartstreek, (ii) dat zij voorafgaand aan het steekincident ruzie hadden, waarbij over en weer (met vuisten) werd geslagen, (iii) dat de verdachte meermaals heeft geroepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten, maar dat hij hieraan geen gehoor heeft gegeven, en haar in de woning bleef achtervolgen, (iv) dat de confrontatie zich voortzette in de keuken, dat het slachtoffer daarbij de keukendeur heeft dichtgedaan, en tussen de verdachte en de deur is blijven staan zodat de verdachte niet naar buiten kon, (v) dat het slachtoffer vervolgens op de verdachte is afgekomen, (vi) en dat de verdachte toen een mes heeft gepakt en daarmee op het slachtoffer heeft ingestoken (zie onder randnummer 6).
14. Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van het slachtoffer “ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding” van verdachtes lijf, waartegen zij zich redelijkerwijs mocht verdedigen, maar is de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd disproportioneel, nu het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de (dreigende) aanranding en “de omstandigheden waaronder deze plaatsvond”.
15. Gelet op wat de verdediging ten overstaan van het hof naar voren heeft gebracht (zie onder randnummer 5) en in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad (besproken onder randnummers 10-12), acht ik dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof klaarblijkelijk is uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer haar niet met rust wilde laten, dat hij haar heeft achtervolgd naar de keuken, de keukendeur heeft dichtgedaan waardoor zij niet naar buiten kon, en toen op haar is afgekomen, maar dat het hof deze omstandigheden vervolgens niet kenbaar in zijn beoordeling van het noodweerverweer heeft betrokken.
16. Het middel klaagt daarover terecht.
Slotsom
17. Het middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG