Nummer23/04655 P
Zitting 2 december 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de betrokkene.
Inleiding
1. Aan de betrokkene is bij arrest van 23 november 2023 (parketnummer 20-001928-21 OWV) door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 245.844,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 23/04662 ( [medebetrokkene 1] ), 23/04656 ( [medebetrokkene 2] ) en 23/04788 ( [medebetrokkene 3] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. K.R. Verkaart, advocaat in Breda , heeft één middel van cassatie voorgesteld.
De zaak kort geschetst
4. Zoals opgemerkt zijn er in cassatie vier samenhangende zaken aanhangig, te weten tegen de betrokkene, [medebetrokkene 1] , [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 3] . Zij zijn strafrechtelijk veroordeeld voor hun aandeel in een cocaïneversnijdingslaboratorium dat in februari 2020 werd aangetroffen in een woning te [geboorteplaats] . Bij vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juli 2021 zijn de betrokkene, [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 3] veroordeeld wegens – kort gezegd – medeplegen van het bewerken en verwerken van cocaïne in de periode van 18 november 2019 tot en met 8 februari 2020, en is [medebetrokkene 2] veroordeeld voor de medeplichtigheid daaraan.
5. De rechtbank heeft vastgesteld dat het laboratorium was ingericht in de woning van [medebetrokkene 1] en zijn partner [medebetrokkene 2] , waarin ook hun zoon, de betrokkene, een rol vervulde. Uit camerabeelden en ander bewijsmateriaal is gebleken dat [medebetrokkene 1] en de betrokkene meermalen cocaïne de woning in en uit hebben gebracht, werkers hebben opgehaald en weggebracht, en aanwezig waren tijdens overdrachten. Daarnaast heeft de betrokkene zich beziggehouden met de verpakking van cocaïne. Betrokkene bezocht de woning vrijwel dagelijks om cocaïne te brengen of op te halen, terwijl [naam] bijdroeg aan de verwerking, onder meer door het maken van blokken cocaïne. [medebetrokkene 2] woonde samen met [medebetrokkene 1] in de woning en was daar gedurende de onderzoeksperiode veelvuldig aanwezig, ook op momenten dat overdrachten plaatsvonden of werkzaamheden in de versnijdingsruimte werden verricht.
Het middel
6. Het middel bevat een klacht over de toerekening aan de betrokkene van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 245.844. Het middel richt zich in de kern tegen de door het hof gehanteerde verdeelsleutel en tegen de verwerping van een daarover ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, te weten dat het toerekenen van voordeel op basis van percentages slechts “gokwerk” betreft.
7. In de zaak van de [medebetrokkene 1] (23/04662) is eenzelfde middel met bijbehorende toelichting voorgesteld. Om die redenen volsta ik hier met een verwijzing naar mijn conclusie in die zaak, waarin ik reeds heb uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
8. Namens de betrokkene is op 30 november 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 maart 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim zeven maanden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 245.844,00.
9. Daarnaast merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 30 november 2023, als gevolg waarvan de redelijke termijn in cassatie ook is overschreden.
Slotsom
10. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
11. Anders dan hetgeen ik onder 8 en 9 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG