ECLI:NL:PHR:2025:133

ECLI:NL:PHR:2025:133, Parket bij de Hoge Raad, 31-01-2025, 24/03150

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 31-01-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/03150
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:481
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Draagkracht.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03150

Zitting 31 januari 2025

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

[de vrouw] ,

verzoekster tot cassatie,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,

tegen

[de man] ,

verweerder in cassatie,

hierna: de man,

advocaat: mr. J.C. Zevenberg.

1. Inleiding en samenvatting

In deze zaak heeft het hof geoordeeld dat de man niet meer dan € 25,- per maand kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter van partijen. Het hof heeft de door de man te betalen kinderbijdrage op dat bedrag bepaald. De vrouw komt in de eerste plaats in cassatie met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof over de draagkracht van de man. De vrouw acht het oordeel van het hof verder onjuist en onbegrijpelijk, omdat de uitkomst van het geding is dat zij vrijwel alle kosten van het levensonderhoud van de dochter dient te dragen, terwijl het hof niet in zijn beoordeling heeft betrokken of en in hoeverre de vrouw over voldoende draagkracht beschikt om die kosten te dragen.

2. Feiten en procesverloop

De man en de vrouw zijn de ouders van [de dochter] (hierna: de dochter), geboren op [geboortedatum] 2019 in [plaats] . De man heeft de dochter erkend. De vrouw is alleen belast met het gezag over de dochter.

De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en woont met de dochter in Nederland. De man heeft de Venezolaanse nationaliteit en woont op Bonaire.

Bij verzoekschrift, ingekomen op 28 maart 2022 bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), heeft de vrouw, voor zover in cassatie van belang, de rechtbank verzocht te beslissen dat de man met ingang van 1 maart 2021 een bedrag van € 250,- per maand aan haar moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De man heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

Bij beschikking van 12 september 2023 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, beslist dat de man met ingang van 1 maart 2021 een bedrag van € 250,- per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter, uitvoerbaar bij voorraad. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de man geen verweer heeft gevoerd en dat het verzoek de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (r.o. 3.3).

De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). De man heeft, samengevat, het hof verzocht de beschikking van de rechtbank van 12 september 2023 te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij gehouden is een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de dochter van € 25,- per maand te voldoen met ingang van 12 september 2023 dan wel met ingang van 24 maart 2022.

De vrouw heeft de grieven bestreden en heeft, samengevat, het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 23 april 2024. Daarbij waren aanwezig de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de advocaat van de man, die een pleitnota heeft overgelegd. Van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Bij beschikking van 30 mei 2024 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 12 september 2023 voor zover het de kinderalimentatie betreft, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, kort weergegeven, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 12 september 2023 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter € 25,- per maand zal betalen, en zijn beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Ter motivering van deze beslissing heeft het hof het volgende overwogen:

“5.4 Het hof kan kort zijn over het verzoek van de vrouw. Het hof constateert dat de man op grond van de overgelegde cijfers van zijn garagebedrijf en rekening houdend met het feit dat hij nog twee andere kinderen uit een eerdere relatie heeft waarvoor hij alimentatieplichtig is, niet méér kan bijdragen dan de door hem aangeboden € 25,- per kind per maand. Een bespreking van de hoogte van de behoefte van [de dochter] kan daarom achterwege blijven.”

De vrouw heeft – bij procesinleiding van 13 augustus 2024 en dus tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking. De man heeft een verweerschrift ingediend.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel bestaat uit vier onderdelen. De eerste drie onderdelen zijn gericht tegen r.o. 5.4 van de bestreden beschikking. Onderdeel vier bevat een voortbouwklacht.

Onderdeel 1 klaagt dat het hof in r.o. 5.4 de maatstaf heeft miskend die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad bij de vaststelling van (kinder)alimentatie in acht moet worden genomen en daarmee heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over artikel 1:397 BW en/of artikel 1:404 BW. Het onderdeel wijst erop dat de vrouw heeft gesteld dat de man over heel 2023 heeft kunnen werken en zijn inkomen op peil had kunnen en moeten houden. In het onderdeel wordt betoogd dat het hof dit had moeten opvatten als een stelling dat de man gelet op zijn verdiencapaciteit een hoger bedrag zou dienen te betalen dan op grond van zijn netto besteedbaar inkomen en draagkracht zou mogen worden verwacht. Het onderdeel komt er verder op neer dat het begrip verdiencapaciteit een rechtsregel betreft en dat het hof daarom, ongeacht of de vrouw hier een beroep op heeft gedaan, bij de bepaling van de draagkracht van de man niet alleen het inkomen dat hij verwerft in overweging had moeten nemen, maar ook het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven.

Onderdeel 2 klaagt dat de in r.o. 5.4 gegeven motivering onjuist en onbegrijpelijk is, althans onvoldoende inzichtelijk is in het licht van het partijdebat. In de toelichting van het onderdeel tekenen zich twee subonderdelen af.

In het eerste subonderdeel van onderdeel 2 wordt betoogd, samengevat weergegeven, dat een overweging van het hof over het door de vrouw gestelde onnodige inkomensverlies van de man in 2023 ontbreekt. Het subonderdeel merkt op dat het hof in zijn overwegingen niets over de verdiencapaciteit van de man vermeldt en dat het hof de juiste maatstaf voor toetsing van de draagkracht niet heeft opgenomen, hetgeen volgens het subonderdeel blijk geeft van een onjuiste, te strikte rechtsopvatting over artikel 1:404 BW. Ook is de motivering onvoldoende inzichtelijk, omdat het hof de relevante stellingen van de vrouw in hoger beroep heeft miskend. Ik lees de klacht zo dat deze hier andermaal doelt op het betoog van de vrouw met betrekking tot de daling van het inkomen van de man in 2023.

In het tweede subonderdeel van onderdeel 2 wordt betoogd, kort weergegeven, dat de motivering van het hof niet voldoende inzichtelijk en onbegrijpelijk is, omdat het hof daarbij niet is ingegaan op vier, als essentieel aan te merken, stellingen van de vrouw over de draagkracht van de man en de berekening daarvan door de man.

De onderdelen 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Daarbij stel ik het volgende voorop.

Ouders zijn op de voet van artikel 1:392 lid 1 BW jegens hun kinderen verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud. Deze verplichting bestaat, onder meer waar het minderjarige kinderen betreft, ongeacht hun behoeftigheid (art. 1:392 lid 2 BW). Artikel 1:397 lid 1 BW bepaalt dat bij de vaststelling van kinderalimentatie rekening wordt gehouden met enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Op grond van artikel 1:404 lid 1 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.

In de praktijk worden behoefte en draagkracht in de regel berekend aan de hand van het Rapport Alimentatienormen. De in dit rapport opgenomen richtlijnen zijn echter volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet aan te merken als recht in de zin van artikel 79 lid 1, onder b, RO.

De draagkracht van een onderhoudsplichtige is ‘zijn vermogen om uit de middelen waarover hij vermag te beschikken iets af te staan ten behoeve van den tot onderhoud gerechtigde’. Bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige is de feitenrechter in hoge mate vrij en hij heeft daarbij een zelfstandige taak. Hij mag rekening houden met alles wat de alimentatieplichtige rechtens en feitelijk ter beschikking staat en ook wat deze zich redelijkerwijs in de naaste toekomst kan verwerven. Daarbij komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven.

In het Rapport Alimentatienormen 2024 is over de winst uit onderneming en het netto besteedbaar inkomen in het kader van de berekening van de draagkracht het volgende opgemerkt:

“Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. (…) Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting maken van de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.”

Volgens het Rapport Alimentatienormen 2024 wordt bij de laagste inkomenscategorie uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25,- voor één kind.

Als de onderhoudsplichtige zelf door zijn gedragingen een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht, zal het antwoord op de vraag of deze vermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven in de eerste plaats ervan afhangen of hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan, is in zijn algemeenheid niet juist dat de inkomensvermindering bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige dan steeds ten volle in aanmerking moet worden genomen. Het hangt van de omstandigheden van het geval af of de inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing behoort te blijven.

De vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan. Verder geldt dat ook een beslissing over alimentatie:

“ten minste zodanig [dient] te worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar

ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de

hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken”

De controleerbaarheid en aanvaardbaarheid van de beslissing met betrekking tot het verschuldigde alimentatiebedrag kunnen zijn gediend bij aanhechting aan de beschikking van berekeningen van behoefte en draagkracht.

Ik keer terug naar de bespreking van de onderdelen 1 en 2.

Ik bespreek eerst de klachten in onderdeel 1 en in onderdeel 2, eerste subonderdeel. Deze klachten slagen niet.

De man heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij beschikt over de minimale draagkracht van € 25,- per maand. De man heeft ter onderbouwing daarvan bij zijn beroepschrift aangiften inkomstenbelasting 2021 en 2022 en kwartaalcijfers over 2023 (kwartalen 1, 2 en 3) overgelegd (producties 3 tot en met 5). De man heeft ook draagkrachtberekeningen overgelegd (producties 8 en 9). Deze draagkrachtberekeningen zijn gebaseerd op de gegevens over het inkomen van de man volgens de aangifte inkomstenbelasting in het jaar 2022. Over zijn draagkracht in 2022 heeft de man in zijn beroepschrift het volgende gesteld:

“8. (…) Blijkens de belastingaangifte 2022 had de man over dat jaar een inkomen uit arbeid van $ 11.240,- en een winst uit onderneming van $ 5.166,-. Het totale inkomen van de man is vastgesteld op $ 16.406,-. Hierover heeft de man $ 1.279,- aan belasting moeten betalen. (…) De man neemt om die reden als uitgangspunt dat zijn netto inkomen over 2022 $ 15.127,- is. (…) Omgerekend is het inkomen van de man € 14.650,- ($ 15.127,- x 0,968523).

9. (…) op basis van een netto inkomen van € 14.560,- op jaarbasis, heeft de man een netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van € 1.221,- per maand. De man beschikt daarmee slechts over de minimale draagkracht van € 25,-. De draagkrachtberekening wordt als productie 8 overgelegd.”

Met betrekking tot zijn inkomsten in het jaar 2023 heeft de man in zijn beroepschrift (dat dateert van 11 december 2023) het volgende naar voren gebracht:

“7. (…)

De man heeft een eigen garagebedrijf op Bonaire. Deze heeft hij in 2021 geopend. Sinds kort kan de man alleen geen werkzaamheden meer verrichten, wegens een complicatie aan zijn hand. De man is geopereerd en is nu herstellende. Het is geenszins mogelijk om dus nu ook inkomsten te genereren. De medische toestand van de man verklaart ook de teruglopende cijfers over 2023. (…)”

De vrouw heeft hierop in haar verweerschrift in hoger beroep, voor zover hier van belang, als volgt gereageerd:

“In het beroepschrift wordt gesteld dat de cijfers over 2023 teruglopen vanwege de medische toestand van [de man] , wat zou samenhangen met de hand van [de man] . (…)

Opvallend aan de ingediende aangiften over 2023 is de oplopende omzet over 2023. In het derde kwartaal, vlak voor de datum van de hand (28 november 2023) is de omzet anderhalf keer zo hoog als in de voorgaande twee kwartalen. Alleen dat al wijst erop dat de hand niet de reden kan zijn van de lagere aangiften over 2023. De stukken m.b.t. de hand en de aangiften over 2023 zijn derhalve onvoldoende om als bewijs te kunnen dienen voor een lager inkomen van [ [de man] ] over 2023.

[de vrouw] is van mening dat [de man] over heel 2023 heeft kunnen werken en zijn inkomen op peil had kunnen en moeten houden, en als dat inkomen lager is, dat geheel aan [de man] zelf is te wijten. (…)”

De vrouw verwijst naar dit betoog in onderdeel 1 en het eerste subonderdeel van onderdeel 2. Het hof heeft dit betoog van de vrouw kennelijk niet begrepen als een beroep op meer verdiencapaciteit van de man die ertoe zou leiden dat hij een hoger bedrag aan kinderalimentatie zou moeten betalen. Dat is niet onbegrijpelijk. Weliswaar refereert de vrouw aan een oplopende omzet over 2023, maar ik begrijp het betoog, mede in het licht van het hiervoor onder 3.18 aangehaalde betoog van de man, zo dat het draait om de door de man gestelde vermindering van zijn inkomen in 2023, en dat de vrouw heeft betoogd dat die vermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit betoog zou relevant kunnen zijn als de draagkracht van de man vóór dat jaar een positiever beeld liet zien. Dan zou het buiten beschouwing laten van de inkomensdaling in 2023 de vrouw immers iets kunnen opleveren. Van een positiever beeld vóór 2023 is echter geen sprake. De vrouw lijkt er met dit betoog aan voorbij te hebben gezien dat de gestelde draagkracht van de man in 2022 ook al niet het minimumbedrag van € 25,- oversteeg. De door de man overgelegde draagkrachtberekeningen zijn immers op de cijfers van dat jaar gebaseerd (zie hiervoor onder 3.17). Het buiten beschouwing laten van een lager inkomen in 2023 zou dan ook niet – zonder meer – kunnen leiden tot een hoger bedrag aan draagkracht. Anders gezegd: als de man in 2023 zijn inkomen ‘op peil’ had gehouden, zoals hij volgens de vrouw had moeten doen, zou dat niet in een hogere draagkracht (dan € 25,- per maand) hebben geresulteerd.

Verder behoefde het hof, ook nu het in deze zaak om kinderalimentatie gaat, mijns inziens niet ambtshalve bij de bepaling van de draagkracht van de man uit te gaan van een hoger bedrag dan het door de man gehanteerde netto besteedbaar inkomen. Het ontbreekt in de stukken van het geding immers aan feitelijke aanknopingspunten dat de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich méér inkomen te verwerven dan hij feitelijk verwerft.

Dan kom ik nu toe aan de bespreking van de klachten in onderdeel 2, tweede subonderdeel. Ook deze klachten falen.

In dit tweede subonderdeel van onderdeel 2 wordt geklaagd dat het hof de volgende, volgens de vrouw als essentieel aan te merken, stellingen bij zijn motivering had moeten betrekken:(i) de door de man overgelegde draagkrachtberekening gaat uit van het inkomen over 2022, terwijl bij ondernemers de gemiddelde winst over de laatste drie jaar moet worden betrokken;(ii) er zijn geen jaarstukken over de laatste drie jaren overgelegd;(iii) er zijn onjuiste cijfers in de jaarstukken opgenomen;(iv) de inkomsten van de man zijn niet op de juiste wijze in de draagkrachtberekening opgenomen.

Ik behandel eerst de klachten ten aanzien van de stellingen (i) en (ii) in hun onderlinge samenhang.

De man heeft, als gezegd, zijn draagkrachtberekeningen bij het beroepschrift gebaseerd op de cijfers over zijn inkomen in 2022, blijkend uit de aangifte inkomstenbelasting uit dat jaar. De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep in dit verband onder meer het volgende naar voren gebracht:

“(…)Daarnaast is in de draagkrachtberekening ten onrechte uitgegaan van alleen het (niet bewezen) inkomen over 2022, terwijl voor ondernemers de gemiddelde winst over de laatste drie jaar moet worden genomen. Maar de winst over die jaren is niet bekend, want er zijn geen jaarstukken ingediend. Bij gebrek aan juiste en volledige gegevens kan derhalve geen berekening gemaakt worden, en kan de juistheid van de ingediende draagkrachtberekening niet worden aangenomen.[de vrouw] is van mening dat [de man] voldoende draagkracht heeft dan wel kan hebben, om de bijdrage van € 250,-- per maand te betalen en te blijven betalen.”

De man heeft, kennelijk mede naar aanleiding van dit betoog van de vrouw en in aanvulling op de hiervoor onder 3.17 genoemde documenten, voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep alsnog een jaarrapport over 2021 en 2022 overgelegd (productie 10), en verder de kwartaalcijfers van die jaren (producties 11 en 12) en ook van het vierde kwartaal van 2023 en van het eerste kwartaal van 2024 (producties 13 en 14).

De advocaat van de man heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep verder onder meer het volgende naar voren gebracht:

“(…) Voor de onderneming van de man is het helaas niet te doen om nu een berekening te maken op basis van de laatste drie jaren, omdat de jaarstukken van de man (nog) niet gereed zijn, en uitsluitend met deze stukken gewerkt kan worden. De man heeft alle stukken overgelegd die hij in zijn bezit heeft. Volgens hem blijkt hier al afdoende uit dat de man niet over een hogere draagkracht dan € 25,- per maand beschikt.”

De draagkrachtberekeningen bij het beroepschrift waren zoals bleek, gebaseerd op de cijfers over inkomen van de man in 2022. De man heeft daarbij betoogd dat in het jaar 2023 sprake is van teruglopende cijfers (zie hiervoor onder 3.18). Voorts was het inkomen van de man in 2021, volgens de door de man bij zijn beroepschrift gevoegde aangiften inkomstenbelasting 2021 en 2022, eveneens lager dan in 2022.Aldus heeft de man zich in zijn draagkrachtberekeningen gebaseerd op gegevens uit het jaar waarin hij het hoogste inkomen heeft genoten, zijnde 2022.

De man heeft nadien nadere documenten overgelegd die dit beeld ten aanzien van het beloop over de jaren 2021 tot en met 2023 bevestigen en toegelicht dat het niet mogelijk is om een berekening te maken op basis van de laatste drie jaren, omdat de jaarstukken nog niet gereed zijn (zie hiervoor onder 3.26 en 3.27).

In het licht van dit een en ander kon het hof voorbijgaan aan voornoemde stellingen van de vrouw (i) en (ii), aangezien de man alsnog aanvullende documenten heeft overgelegd en nader heeft onderbouwd dat 2022 het jaar was met de beste (omzet)cijfers, terwijl de draagkracht van de man ook in dat jaar niet boven het minimumbedrag van € 25,- per maand uitkwam. Bij deze stand van zaken zou het in aanmerking nemen van de gemiddelde winst over de laatste drie jaar niet tot een hogere draagkracht van de man hebben kunnen leiden.

De door de vrouw in onderdeel 2, subonderdeel 2 als (iii) aangeduide stelling luidt heel algemeen dat onjuiste cijfers in de draagkrachtberekening zijn opgenomen, onder verwijzing naar het verweerschrift in hoger beroep, p. 7, eerste alinea. Ik begrijp echter dat bedoeld is te verwijzen naar de volgende passage in het verweerschrift in hoger beroep, p. 7, tweede tekstblok:

“Tevens staan in de draagkrachtberekening bij het beroepschrift (…) apert onjuiste cijfers. Bijvoorbeeld de opgenomen verblijfskosten in verband met omgang. [de dochter] heeft echter nog helemaal geen omgang met [de man] , en verblijft ook niet bij hem. Zoals [de man] stelt woont hij op Bonaire en woont [de dochter] in Nederland. Voor verblijf bij haar vader zal eerst een Ouderschapsplan met een zorgregeling opgesteld moeten worden. Daar is momenteel echter geen sprake van. (…)”

De door de man overgelegde draagkrachtberekeningen vermelden als besteedbaar inkomen per maand € 1.221,- en als zijn draagkrachtloos inkomen € 1.475,-, respectievelijk € 1.491,-, waardoor de draagkracht in beide berekeningen het minimumbedrag van € 25,- per maand niet te boven gaat. Het hof heeft de alimentatie ook vastgesteld op dit minimumbedrag van € 25,- per maand. De man heeft weliswaar in zijn eerste draagkrachtberekening een bedrag van € 7,- opgenomen bij de post ‘verblijfskosten kinderen (zorgkorting)’, maar dat heeft blijkens zijn tweede draagkrachtberekening geen invloed op de hoogte van de kinderalimentatie.

De door de vrouw genoemde stelling (iv) luidt dat de inkomsten van de man niet op de juiste wijze in de draagkrachtberekening zijn opgenomen. Ook voor deze stelling verwijst de vrouw naar het verweerschrift in hoger beroep, p. 7, eerste alinea. Ik begrijp echter dat deze stelling verwijst naar de volgende passage van het verweerschrift in hoger beroep, p. 7, derde tekstblok:

“Daarnaast zijn de inkomsten van [de man] niet op de juiste wijze opgenomen. Zoals in het beroepschrift staat vermeld, is in de draagkrachtberekening het netto inkomen ad € 14.560,- [klaarblijkelijk is bedoeld: € 14.650,-; AG] opgenomen. Ten eerste is dit bedrag herberekend omdat het in dollars staat op de aangiften. Maar die herberekening is een momentopname, terwijl de draagkracht berekend moet worden over de laatste drie jaar, en dat is juist geen momentopname. Ten tweede is het onjuist om dit herberekende netto inkomen als inkomen op te nemen in de draagkrachtberekening, terwijl vlak voor die herberekening in het beroepschrift het bruto inkomen wordt genoemd. Waarom [de man] voor de draagkrachtberekening eerst het inkomen van bruto naar netto [berekent; AG] en daarna nog eens een herberekening daar overheen maakt is onbegrijpelijk.”

Uit deze passage leid ik twee concrete bezwaren af, namelijk (a) dat de draagkracht is gebaseerd op een van dollars naar euro’s omgerekende momentopname en niet op de situatie in de laatste drie jaren en (b) dat ten onrechte het netto inkomen is opgenomen in de draagkrachtberekening. Geklaagd wordt dat het hof ook deze stellingen niet in haar motivering heeft betrokken.

Over het onder (a) genoemde bezwaar kan ik kort zijn. De vrouw stelt in zoverre opnieuw ter discussie dat de man bij zijn draagkrachtberekening uitsluitend de cijfers over 2022 tot uitgangspunt heeft genomen. Het hof hoefde daar niet op in te gaan. Ik verwijs naar wat ik hiervoor onder 3.30 heb opgemerkt.

Ook het onder (b) genoemde bezwaar van de vrouw had het hof niet in zijn motivering hoeven betrekken, omdat het hof zich kon baseren op de draagkrachtberekeningen van de man waarin het zogeheten netto model was toegepast. Dit netto model voor het berekenen van de draagkracht kan volgens het Rapport Alimentatienormen 2024 gebruikt worden als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland. De man woont op Bonaire. Bovendien is berekening aan de hand van het netto model verdedigbaar, gelet op de door de man gestelde hoogte van zijn bruto inkomen, dat het bedrag van € 1.680,- bruto per maand niet te boven gaat, hoewel de man zelfstandig ondernemer is.

Onderdeel 3 klaagt dat het oordeel van het hof in r.o. 5.4 onjuist is en onbegrijpelijk, omdat de uitkomst van het geding is dat de vrouw vrijwel alle kosten van het levensonderhoud van de dochter dient te dragen. Dit is volgens het onderdeel in strijd met het wettelijk uitgangspunt van gelijke verdeling van de kosten van een kind, mede in het licht van het feit dat het hof niets overweegt over de vraag of, en in hoeverre de vrouw voldoende draagkracht bezit om die kosten te dragen. Volgens het onderdeel heeft het hof tevens miskend dat de behoefte van de minderjarige leidend is bij het bepalen van de te betalen onderhoudsbijdrage en dat de draagkracht van de alimentatieplichtige ouder geen absolute ondergrens is bij het vaststellen van een alimentatieverplichting.

Ook de klachten van onderdeel 3 falen.

Daarbij stel ik voorop dat bij de bepaling van de hoogte van het bedrag van kinderalimentatie, naast het eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen (de behoefte), de draagkracht van de beide onderhoudsplichtige ouders centraal staat (zie hiervoor onder 3.7). Niet alleen van de ouder van wie de kinderalimentatie wordt verzocht, moet dus de draagkracht worden bepaald, maar ook van de ouder die kinderalimentatie verzoekt, doorgaans de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft (hierna ook: de verzorgende ouder).In het geval de ouders samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen te voorzien, wordt immers aan de hand van een draagkrachtvergelijking de verhouding bepaald waarin de beide ouders in het eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen moeten bijdragen.

In het geval de gezamenlijke draagkracht van de ouders minder is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen, wordt de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder beperkt tot zijn draagkracht. Dit is niet alleen zo wanneer de verzorgende ouder slechts over een beperkte draagkracht beschikt, maar ook wanneer deze in het geheel niet over draagkracht beschikt. Daarmee komen, in het scenario dat de onderhoudsplichtige ouder niet meer dan de minimale draagkracht heeft, de kosten van het levensonderhoud van het kind of de kinderen voor het overgrote deel voor rekening van de – dus evenmin draagkrachtige – verzorgende ouder. Daar staat echter tegenover dat de verzorgende ouder aanspraak kan maken op overheidsregelingen om ouders tegemoet te komen in de financiële lasten verbonden aan de verzorging en opvoeding van kinderen.

Het hof heeft zich in r.o. 5.4 van de bestreden beschikking beperkt tot een oordeel over de draagkracht van de man. Het hof is er dus kennelijk van uitgegaan dat de gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw niet toereikend is om in het eigen aandeel van ouders in de kosten van de dochter te voorzien. Gelet op de stelling van de vrouw dat zij een bijstandsuitkering krijgt en daarmee geen, of slechts de minimale draagkracht van € 25,- per maand heeft (welke stelling door de man niet is betwist), in verbinding met wat het hof heeft overwogen over de draagkracht van de man, is dat niet onbegrijpelijk. Het kennelijke oordeel van het hof dat de draagkracht van de man dus de beperkende factor is, is, gelet op het hiervoor onder 3.40 opgemerkte, ook niet onjuist. Onderdeel 3 faalt dan ook.

De voortbouwklacht van onderdeel 4 faalt in het voetspoor van de eraan voorafgaande klachten.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?