ECLI:NL:PHR:2025:1332

ECLI:NL:PHR:2025:1332, Parket bij de Hoge Raad, 28-11-2025, 25/02832

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 28-11-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer 25/02832
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

WSNP. Verzoek tussentijdse beëindiging. Goede trouw-toets schuldenaar. Innemen tegenstrijdige stellingen door schuldenaar. Mogelijk onjuiste informatie toelatingsverzoek. Tweede cassatieronde tussen partijen in deze WSNP-procedure.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02832

Zitting 28 november 2025

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

Swanenberg Beheer B.V.

tegen

[verweerster]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als Swanenberg respectievelijk [verweerster]

1. Inleiding en samenvatting

[verweerster] is in rechte (in de ‘bodemprocedure’) veroordeeld tot betaling van een bedrag aan Swanenberg van € 740.909,-, te vermeerderen met rente en kosten. Hierna heeft [verweerster] een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Swanenberg heeft vervolgens verzocht om de schuldsaneringsregeling van [verweerster] tussentijds te beëindigen op de grond dat [verweerster] feiten en omstandigheden aan haar toelatingsverzoek ten grondslag heeft gelegd die onjuist zijn, althans onverenigbaar zijn met verweren die zij in de bodemprocedure heeft gevoerd. Volgens Swanenberg is daarmee niet voldaan aan de eis dat een schuldenaar bij het aangaan en onbetaald laten van schulden te goeder trouw moet zijn geweest. Zowel de rechtbank als het hof Arnhem-Leeuwarden hebben dit verzoek afgewezen.

Swanenberg heeft daartegen met succes cassatieberoep aangetekend. Bij arrest van 16 mei 2025 vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, omdat het hof geen kenbare aandacht had besteed aan stellingen van Swanenberg die erop neerkomen dat [verweerster] tegenstrijdig heeft verklaard in de bodemprocedure en haar WSNP-toelatingsverzoek. Bovendien had het hof miskend dat goede trouw in de zin van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) ook kan ontbreken zonder dat de schuldenaar zich heeft schuldig gemaakt aan misbruik van recht of het innemen van leugenachtige stellingen. De Hoge Raad verwees de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn arrest van 21 augustus 2025 geoordeeld dat er geen grond is voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling en heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland bekrachtigd. Swanenberg heeft opnieuw cassatieberoep ingesteld.

M.i. treffen een aantal klachten van Swanenberg doel en kan het arrest niet in stand blijven.

2. Feiten

Uitgegaan kan worden van de feiten genoemd bij randnummers 2.1 tot en met 2.16 van mijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2025 in de eerdere cassatieprocedure.

3. Procesverloop

Swanenberg heeft verzocht de schuldsaneringsregeling van [verweerster] op de voet van art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw tussentijds te beëindigen. Aan dit verzoek heeft Swanenberg ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat niet is voldaan aan de eis dat aannemelijk moet zijn dat [verweerster] bij het aangaan en onbetaald laten van de schulden te goeder trouw was.

De rechtbank Noord-Nederland heeft het verzoek van Swanenberg afgewezen bij vonnis van 25 oktober 2024.

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis bekrachtigd bij arrest van 12 december 2024. Het hof heeft overwogen dat de meeste van de achttien door Swanenberg aan haar verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan buiten de in art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw bedoelde termijn van drie jaar. De overige feiten en omstandigheden die aan het beëindigingsverzoek ten grondslag zijn gelegd betreffen het niet voldoen van de schuld van Swanenberg en het voeren van bepaalde verweren in de bodemprocedure, waarvan het arrest als bijlage bij het toelatingsverzoek was gevoegd. Deze feiten en omstandigheden waren ten tijde van de beoordeling van het toelatingsverzoek bekend. Ten overvloede heeft het hof overwogen dat, ook als er feiten en omstandigheden ten tijde van de toelating van de schuldsanering niet bekend waren, dat er niet aan afdoet dat voldoende aannemelijk is dat [verweerster] de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest.

Swanenberg heeft cassatieberoep ingesteld. Zij heeft er onder meer over geklaagd dat het hof niet is ingegaan op haar stelling dat [verweerster] in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 19 december 2023 van het hof ’s-Hertogenbosch heeft gesteld dat aan haar bij de wijziging van het huwelijksgoederenregime in 2011 geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toebedeeld, terwijl zij in het toelatingsverzoek heeft vermeld dat haar [echtgenoot] in verband met overbedeling een vordering op haar heeft van € 438.061,10.

De Hoge Raad heeft deze klacht gegrond bevonden. In het arrest van 16 mei 2025, is het volgende overwogen:

“3.1.1 (…)

De toepassing van de schuldsaneringsregeling kan tussentijds worden beëindigd, onder meer op verzoek van een schuldeiser, op de in art. 350 lid 3 Fw genoemde gronden. Een van die gronden is dat feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen op de grond dat niet voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend (art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw, in verbinding met art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw). Feiten en omstandigheden die aan de rechter bekend waren ten tijde van zijn uitspraak tot toelating tot de schuldsaneringsregeling worden geacht bij die uitspraak in aanmerking te zijn genomen en een herbeoordeling van de toen verrichte beoordeling is in strijd met de uitsluiting van rechtsmiddelen tegen die uitspraak (art. 292 lid 2 Fw).

Goede trouw in de zin van art. 288 lid 1, onder b, Fw is een gedragsmaatstaf. Bij de beoordeling of aan die maatstaf is voldaan, kan de rechter alle omstandigheden betrekken, waaronder de mate waarin de schuldenaar er een verwijt van gemaakt kan worden dat de schulden geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, bijvoorbeeld als gevolg van (pogingen tot) het frustreren van verhaalsacties van de schuldseisers.

Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling kan, als goede trouw van de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet voldoende aannemelijk is, toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (art. 288 lid 3 Fw).

Er bestaat volgens de stellingen van Swanenberg een tegenstrijdigheid tussen het verweer van [verweerster] in de bodemprocedure dat aan haar bij de wijziging van het huwelijksgoederenregime in 2011 geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toebedeeld en haar stelling in het toelatingsverzoek dat haar echtgenoot op haar een vordering wegens overbedeling heeft van € 438.061,10. Die tegenstrijdigheid is van belang bij de beoordeling of [verweerster] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schuld aan Swanenberg, als [verweerster] , zoals Swanenberg in hoger beroep heeft gesteld, het genoemde verweer heeft gehandhaafd in de periode van drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek.

Het hof heeft geen kenbare aandacht besteed aan deze stellingen van Swanenberg. De hiervoor in 3.1.1 genoemde klachten slagen dus.

De onderdelen 6 en 8 zijn ook gericht tegen het oordeel van het hof dat voldoende aannemelijk is dat [verweerster] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest.

De onderdelen klagen dat het hof daartoe in rov. 4.6 ten onrechte heeft overwogen dat Swanenberg niet voldoende duidelijk heeft gesteld dat [verweerster] in de drie jaren voor de indiening van het toelatingsverzoek nog verweren heeft gevoerd of gehandhaafd die niet alleen onjuist zijn, maar die ook opzettelijk onwaar en/of leugenachtig zijn. Het hof heeft daarmee een te strenge maatstaf aangelegd, omdat goede trouw in de zin van art. 288 Fw niet slechts ontbreekt bij opzettelijke onwaarheden of leugenachtigheid en het ontbreken van goede trouw niet samenvalt met misbruik van recht, aldus de onderdelen 6 en 8. Voorts is de overweging onbegrijpelijk omdat Swanenberg nu juist wel heeft gesteld dat [verweerster] opzettelijk onware verweren heeft gevoerd, aldus onderdeel 6.

De rechtsklachten van de onderdelen 6 en 8 slagen omdat het hof heeft miskend dat goede trouw in de zin van art. 288 lid 1, onder b, Fw ook kan ontbreken zonder dat de schuldenaar zich heeft schuldig gemaakt aan misbruik van recht of het innemen van leugenachtige stellingen. In zoverre berust het bestreden oordeel op een onjuiste rechtsopvatting.

Ook de motiveringsklacht van onderdeel 6 slaagt. Swanenberg heeft aan haar verzoek tot tussentijdse beëindiging mede ten grondslag gelegd dat [verweerster] in haar toelatingsverzoek stellingen heeft ingenomen die onverenigbaar zijn met verweren die zij heeft gevoerd in de procedure tegen Swanenberg. Volgens Swanenberg volgt daaruit dat [verweerster] hetzij in haar toelatingsverzoek hetzij in de bodemprocedure opzettelijk onware stellingen heeft ingenomen. Daarom is zonder toelichting onbegrijpelijk de overweging van het hof dat Swanenberg niet voldoende duidelijk heeft gesteld dat [verweerster] in de drie jaren voor de indiening van het toelatingsverzoek nog verweren heeft gevoerd of gehandhaafd die leugenachtig zijn.

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.”

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch.

Swanenberg heeft een memorie na cassatie en verwijzing ingediend bij het hof ’s-Hertogenbosch. [verweerster] heeft daarop gereageerd met een verweerschrift na cassatie en verwijzing. Op 16 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Dit proces-verbaal, de spreekaantekeningen van de advocaten van Swanenberg en [verweerster] , alsmede de spreekaantekeningen van de aangestelde bewindvoerder die ten gunste van [verweerster] heeft verklaard, maken deel uit van het cassatieprocesdossier.

Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn arrest van 21 augustus 2025 (hierna: ‘het bestreden arrest’) geoordeeld dat er geen grond is voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling en heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland bekrachtigd.

Swanenberg heeft bij procesinleiding van 29 augustus 2025, derhalve tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Zowel [verweerster] als haar bewindvoerder zijn in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel van Swanenberg bestaat uit elf onderdelen. Een aantal van die onderdelen kent subonderdelen.

Onderdeel 1 – Verschillende rechtsklachten

Dit onderdeel bestaat uit vier subonderdelen waarmee in de kern wordt aangevoerd dat het hof de goede trouw-toets ex art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw en de (betekenis in dit verband van de) waarheidsplicht ex art. 21 Rv heeft miskend.

Subonderdeel 1a houdt de klacht in dat het hof in rov. 3.6.4 van het bestreden arrest van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan ten aanzien van de goede trouw-toets ex art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw. Volgens het subonderdeel heeft het hof niet, althans niet voldoende kenbaar tot maatstaf genomen dat bij de beoordeling van de goede trouw de art. 285-verklaring een belangrijke rol speelt, in die zin dat als deze onjuistheden bevat, onvolledig is of andere gebreken vertoont, dit kan leiden tot het oordeel dat de goede trouw ontbreekt.

Subonderdeel 1b voert aan dat de in het kader van subonderdeel 1a genoemde omissie tevens tot uiting komt in rov. 3.7.10-3.7.13 van het bestreden arrest.

Subonderdeel 1c klaagt dat het hof heeft miskend dat voor de beoordeling van de goede trouw ex art. 288 lid 1, aanhef en onder b, FW van belang is of een partij voldoet aan de waarheidsplicht ex art. 21 Rv. Volgens het subonderdeel had het hof aan de maatstaf van art. 21 Rv moeten toetsen, zo nodig onder aanvulling van rechtsgronden.

Subonderdeel 1d voert aan dat voor zover in de overwegingen van het hof besloten ligt dat het hof wel is uitgegaan van de maatstaf ex art. 21 Rv, het oordeel onvoldoende inzichtelijk is, omdat het nalaat expliciet in te gaan op de verwijten van de kant van Swanenberg in het kader van de schending van de waarheidsplicht.

De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Het hof is op basis van een waardering van door hem aangenomen feiten en op basis van een afweging van de stellingen van beide partijen tot het oordeel gekomen dat van onverenigbare standpunten geen sprake is geweest (zie rov. 3.8). Het hof kon tot dat feitelijke oordeel komen zonder daarbij de (precieze, juridische) betekenis van de art. 285-verklaring en de waarheidsplicht van art. 21 Rv te betrekken. Overigens leid ik uit rov. 3.6.4 van het bestreden arrest af dat het hof de betekenis van de art. 285-verklaring heeft onderkend. De klachten falen.

Onderdeel 2 – Klacht over rov. 3.7.6 bestreden arrest

Dit onderdeel bestaat uit subonderdelen 2a tot en met 2h. Het onderdeel is hoofdzakelijk gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.7.6 van het bestreden arrest. In rov. 3.7.6 heeft het hof het volgende overwogen met betrekking tot de stelling van Swanenberg onder g:

“3.7.6. “g. Zij [ [verweerster] , toev. hof] deed het ten onrechte voorkomen alsof haar [echtgenoot] een vordering op haar heeft uit overbedeling bij voormelde wijziging van haar huwelijksregime in koude uitsluiting ad € 438.061,-, terwijl haar – zo voerde zij aan ter afwering van de vordering in de procedure – geen vermogensbestanddelen van enige waarde zouden zijn toebedeeld (in welk geval zij dus in ieder geval niet kan zijn overbedeeld). Indien haar, zoals zij stelt, inderdaad niets van enige waarde zou zijn toebedeeld, zou zij overigens een vordering hebben op [echtgenoot] vanwege overbedeling, en niet andersom”.

Op zichzelf is juist, zoals Swanenberg heeft aangevoerd, dat [verweerster] , toen partijen op 28 juni 2011 staande het huwelijk huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen en de tot de gemeenschap behorende goederen hebben verdeeld, op dat moment op basis van de toen aanwezige gegevens is overbedeeld, zoals notarieel vastgelegd. Het hof verwerpt evenwel de stelling van Swanenberg dat deze overbedeling tegenstrijdig is met de stelling van [verweerster] in de bodemprocedure dat aan haar geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toegekend. [verweerster] heeft in punt 2.5 van haar antwoordmemorie na cassatie in de bodemprocedure immers aangevoerd (daarmee haar door Swanenberg in het beroepschrift weergegeven citaten aanvullend voor een completer beeld):

(...) dit was enkel een vermogen “op papier”. Na het faillissement van [echtgenoot] (uitgesproken op 30 januari 2013) heeft de curator van [echtgenoot] onderzocht, of het zinvol was om deze wijziging van de huwelijksvoorwaarden aan te tasten. De curator heeft hiervan afgezien, omdat de aan [verweerster] toegedeelde vermogensbestanddelen geen reële waarde hadden. Hetzelfde gold overigens voor de aan [echtgenoot] toegedeelde baten (met een nettowaarde van € 2.993.298,50). De onroerende zaken waren (over)verhypothekeerd terwijl (het aandeel van 40% in) de aandelen Nacoqudoca B.V. die voor een bedrag van € 2.833.755,20 waren gewaardeerd, in werkelijkheid een waarde nul hadden”. In een noot (‘noot 6’) bij dit verweer staat vervolgens:

Nacoqudoca was een “eigen” vennootschap van [echtgenoot] die per datum faillissement (en trouwens ook daarna) geen positieve maar een negatieve waarde vertegenwoordigde. Overigens zijn de aandelen in deze vennootschap nimmer door [echtgenoot] aan [verweerster] geleverd. Zij vielen dus in het faillissementsvermogen van [echtgenoot]”.

En in punt 3.1.7 van genoemde antwoordmemorie heeft [verweerster] aangevoerd:

Zoals de A-G (terecht) overweegt, heeft de curator inderdaad onderzocht of en zo ja welke vermogensbestanddelen [verweerster] had verkregen als gevolg van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden, waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat deze slechts een negatieve waarde vertegenwoordigden”.

Uit deze citaten blijkt naar het oordeel van het hof dat de overbedeling ‘op papier’ in 2011 en het standpunt van [verweerster] met betrekking tot de werkelijke waarde van de vermogensbestanddelen in 2013, mede gelet op het tijdsverloop tussen die momenten en de aard van de vermogensbestanddelen als aangegeven, niet tegenstrijdig waren, zoals Swanenberg heeft aangevoerd. De overbedelingsvordering uit 2011 bleef vervolgens – ondanks het verdampen van de waardes als op papier verstrekt – wel onverkort bestaan.”

Subonderdeel 2a klaagt dat het hof ten onrechte althans ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het beroep van Swanenberg op het gezag van gewijsde ex art. 236 Rv van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023. In dat arrest verwierp het hof nadrukkelijk het verweer van [verweerster] dat zij bij de wijziging van de gemeenschap van goederen naar koude uitsluiting enkel op papier vermogensbestanddelen toebedeeld heeft gekregen.

Deze klacht faalt. In de memorie na cassatie en verwijzing van Swanenberg is nergens een beroep op het gezag van gewijsde ex art. 236 Rv van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023 te bespeuren. In de spreekaantekeningen van de advocaat van Swanenberg is evenmin een beroep op het gezag van gewijsde te vinden, terwijl [verweerster] in paragrafen 1 en 2 van haar verweerschrift na cassatie en verwijzing uitdrukkelijk de omvang van de rechtsstrijd na cassatie aan de orde heeft gesteld. Voorts kan worden geconstateerd dat Swanenberg in haar eerdere cassatieberoep in deze WSNP-procedure niet heeft geklaagd over miskenning door het hof Arnhem-Leeuwarden van haar beroep op het gezag van gewijsde. Bij deze stand van zaken hoefde het hof niet duidelijk te zijn dat Swanenberg na cassatie en verwijzing nog een beroep deed op het gezag van gewijsde. Zowel het hof als [verweerster] kon ervan uitgaan dat dit onderwerp geen deel uitmaakte van de rechtsstrijd na cassatie.

Subonderdeel 2b klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan omdat het heeft miskend dat voor de waardering van de vermogensbestanddelen die aan [verweerster] zijn toebedeeld, uitgegaan moet worden van peildatum 28 juni 2011.

Ook deze klacht faalt. Het hof is uitgegaan van peildatum 28 juni 2011 (zie de tweede alinea van rov. 3.7.6). Het hof is immers uitgegaan van de notariële vastlegging van de overbedeling in 2011 en heeft overwogen dat de overbedelingsvordering uit 2011 onverkort is blijven bestaan.

Subonderdeel 2c voert aan dat het hof in rov. 3.7.6 niet heeft geoordeeld over de tegenstelling waarop Swanenberg een beroep heeft gedaan, te weten de tegenstelling dat [verweerster] in de per 19 december 2023 geëindigde bodemprocedure heeft gesteld dat bij de omzetting naar koude uitsluiting enkel op papier vermogen is toegekend terwijl zij ter onderbouwing van haar WSNP-toelatingsverzoek heeft gesteld dat [echtgenoot] uit hoofde van overbedeling een vordering ter grootte van € 438.061,-- op haar heeft. Volgens het subonderdeel heeft het hof een andere tegenstelling beoordeeld, te weten een contrast tussen de notariële vastlegging van de huwelijkse voorwaarden in 2011 en de stellingname van [verweerster] in de bodemprocedure.

De klacht faalt. Aan het subonderdeel kan worden toegegeven dat het er bij eerste lezing van rov. 3.7.6 op lijkt dat het hof niet de door Swanenberg aangedragen tegenstelling heeft beoordeeld, maar een andere: een tegenstelling tussen de notarieel vastgelegde overbedeling (resulterend in een vordering uit hoofde van overbedeling toekomend aan [echtgenoot] ) in 2011, en de stelling van [verweerster] in de bodemprocedure dat aan haar geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toegekend. Hierop duidt de volgende zin in rov. 3.7.6: “Het hof verwerpt evenwel de stelling van Swanenberg dat deze overbedeling tegenstrijdig is met de stelling van [verweerster] in de bodemprocedure dat aan haar geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toegekend.”, alsmede de volgende: “Uit deze citaten blijkt naar het oordeel van het hof dat de overbedeling ‘op papier’ in 2011 en het standpunt van [verweerster] met betrekking tot de werkelijke waarde van de vermogensbestanddelen in 2013 (…) niet tegenstrijdig waren.” In deze overwegingen van het hof ligt echter besloten dat hof uiteindelijk wél de door Swanenberg benoemde tegenstelling heeft beoordeeld. Het hof heeft het immers over de overbedeling in 2011 (waarvan volgens het hof sprake is geweest) en dat is nu precies wat [verweerster] (mede) ten grondslag heeft gelegd aan haar WSNP-toelatingsverzoek, en waar Swanenberg een punt van maakt omdat volgens haar deze gestelde overbedeling niet valt te rijmen met het verweer van [verweerster] in de bodemprocedure dat aan haar geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toegekend. In dit verband wijs ik op rov. 3.8, waarin het hof heeft overwogen: “In het bijzonder het argument van de “onverenigbare” standpunten in de bodemprocedure enerzijds en het toelatingsverzoek anderzijds – als centraal staand in de verwijzingsuitspraak van de Hoge Raad naast de te hanteren gedragsmaatstaf en de te hanteren criteria -, is door het hof nader onderzocht en ondeugdelijk gebleken.” Ook uit deze overweging kan worden afgeleid dat het hof de juiste, door Swanenberg gepresenteerde tegenstelling voor ogen stond.

Subonderdeel 2d voert aan dat rov. 3.7.6 onbegrijpelijk is omdat het hof een onvoldoende inzichtelijk oordeel heeft gegeven ten aanzien van een bepaalde tegenstrijdigheid in de stelling van [verweerster] . Het subonderdeel wijst erop dat [verweerster] eerst (jarenlang) in de hoofdprocedure heeft ontkend dat de aan haar toebedeelde vermogensbestanddelen een waarde van € 3 miljoen hebben, met het argument dat die vermogensbestanddelen geen reële waarde hadden, om vervolgens ter onderbouwing van haar WSNP-verzoek een overbedeling op te voeren. Het één verdraagt zich niet met het ander en deze tegenstrijdigheid heeft het hof onvoldoende onderzocht. Dat er sprake is van een overbedeling voor een bedrag van € 438.061,--, zoals [verweerster] heeft gesteld, impliceert dat er destijds niet slechts een verwaarloosbaar bedrag is overgemaakt of dat ‘enkel’ sprake was van een papieren werkelijkheid, zoals het hof suggereert. Overbedeling met een bedrag van € 438.061,-- valt simpelweg niet te rijmen met het niet-ontvangen van vermogensbestanddelen van enige waarde. Een overbedeling ‘op papier’ voor dit bedrag is niet mogelijk zonder daartegenover een positief saldo van vermogensbestanddelen te hebben ontvangen, althans [verweerster] had nader inzicht moeten geven. Het hof heeft in dit verband onvoldoende gerespondeerd op de stellingen van Swanenberg en zijn oordeel is tegen deze achtergrond niet voldoende begrijpelijk.

M.i. slaagt dit subonderdeel. Het oordeel van het hof in rov. 3.7.6 is inderdaad onvoldoende inzichtelijk ten aanzien van de door Swanenberg genoemde tegenstelling. Het hof heeft aangenomen dat [verweerster] niet tegenstrijdig heeft verklaard, omdat haar in 2011 bij notariële akte vermogensbestanddelen van waarde zijn toebedeeld (daarom kon volgens het hof [verweerster] bij haar WSNP-toelatingsverzoek een schuld opvoeren aan haar [echtgenoot] ), en die waarde in 2013 bleek te zijn ‘verdampt’ (daarom kon volgens het hof [verweerster] in de bodemprocedure verklaren dat haar geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toebedeeld). Het hof heeft het in dit verband in de laatste alinea van rov. 3.7.6 over “ondanks het verdampen van de waardes” en over “mede gelet op het tijdsverloop tussen die momenten en de aard van de vermogensbestanddelen” en is dus uitgegaan van een waardevermindering tot nul in de periode 2011-2013 (die dan voor rekening van [verweerster] komt in haar relatie tot [echtgenoot] ). Daar loopt het spaak, omdat de stellingen van [verweerster] , aangehaald door het hof, niet (noodzakelijkerwijs) duiden op ‘verdamping’ van de waardes tussen 2011 en 2013. Die stellingen houden slechts in dat de in het faillissement van [echtgenoot] aangestelde curator in 2013 onderzoek heeft verricht en tot de conclusie kwam dat er, kort gezegd, toen geen waarde was. Die stellingen houden niet in dat er (volgens [verweerster] of de curator) in 2011 wél (echt) waarde was en dat die waarde vervolgens is ‘verdampt’. De stelling van [verweerster] , “De curator heeft hiervan afgezien, omdat de aan [verweerster] toegedeelde vermogensbestanddelen geen reële waarde hadden.”, lijkt juist in te houden dat er reeds in 2011 geen vermogensbestanddelen met een reële waarde aan [verweerster] zijn toebedeeld. Daar duidt immers het woord ‘reëel’ op.

Subonderdeel 2e en subonderdeel 2f herhalen in essentie het thema van subonderdeel 2d. Het eerste subonderdeel is specifiek gericht op het oordeel van het hof dat de overbedelingsvordering (wel) onverkort is blijven bestaan. Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat (i) [verweerster] in de bodemprocedure tot aan 19 december 2023 heeft gesteld dat geen van beide echtelieden vermogensbestanddelen van enige waarde kreeg toebedeeld, (ii) de curator er dan ook van heeft afgezien om de wijziging van de huwelijksvoorwaarden aan te tasten, en (iii) als, zoals [verweerster] gesteld heeft, de aandelen in Nacoqudoca B.V. niet aan haar zijn geleverd door [echtgenoot] , [verweerster] juist is onderbedeeld. Met betrekking tot het punt onder (iii) wijst het subonderdeel erop dat [verweerster] de schulden van deze vennootschap moest dragen. Subonderdeel 2f klaagt dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de stelling van Swanenberg dat als de aandelen in Nacoqudoca B.V. inderdaad, zoals [verweerster] gesteld heeft, niets waard zouden zijn, [verweerster] dan een vordering zou hebben op [echtgenoot] . Volgens het subonderdeel had het hof op deze stelling moeten ingaan, aangezien dat van belang is voor de beoordeling van de goede trouw zijdens [verweerster] .

De klachten van subonderdeel 2e, onder (i) en (ii), slagen in het spoor van (het slagen van de klacht van) subonderdeel 2d. Dit behoeft geen verdere bespreking. De klachten van subonderdeel 2e, onder (iii), en subonderdeel 2f slagen eveneens. Het hof heeft in rov. 3.7.6 betekenis gehecht aan de volgende stelling van [verweerster] in de bodemprocedure: “Nacoqudoca was een “eigen” vennootschap van [echtgenoot] die per datum faillissement (en trouwens ook daarna) geen positieve maar een negatieve waarde vertegenwoordigde. Overigens zijn de aandelen in deze vennootschap nimmer door [echtgenoot] aan [verweerster] geleverd. Zij vielen dus in het faillissementsvermogen van [echtgenoot] ”. Als echter de aandelen in Nacoqudoca B.V. nooit door [echtgenoot] aan [verweerster] zijn geleverd of niets waard waren, kan in zoverre niet gesproken worden van overbedeling van [verweerster] .

Subonderdeel 2g is gericht tegen rov. 3.7.7, waarmee het hof is ingegaan op de stellingen van Swanenberg onder h. en i.:

“3.7.7. “h. Zij [ [verweerster] , toevoeging hof] beriep zich in de procedure ten onrechte op waardeloosheid van de aandelen Nacodoqudoca, terwijl die volgens het (door het hof tot uitgangspunt genomen) publicatierapport over 2010 een waarde hadden van € 7.077.142,-”

en

“i. [verweerster] had ondertussen wél vermogensbestanddelen met waarde toebedeeld gekregen, zoals ook al volgt uit haar stelling: “er is niets over van het bedrag dat mij destijds is toebedeeld’’, opgetekend in het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 13 december 2019; inmiddels was hiervan dus niets meer over”.

Het hof verwijst in dit verband naar de vorige rechtsoverweging. De stelling van Swanenberg dat moet worden uitgegaan van de waardes opgenomen in het overzicht van verdeling per 28 juni 2011 en dat waardeveranderingen van latere datum buiten beschouwing moeten blijven, verwerpt het hof voor zover het gaat om de weging in deze procedure van het gevoerde verweer door [verweerster] in de bodemprocedure.

[verweerster] heeft in de bodemprocedure aangevoerd dat de onroerende zaken, die onder water stonden, na de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap executoriaal zijn verkocht en dat de aandelen Nacoqudoca nooit zijn geleverd en bovendien waardeloos waren geworden. Swanenberg heeft deze stellingen niet, althans niet onderbouwd, weersproken.

Niet kan worden geconcludeerd dat [verweerster] tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen in de relevante periode en dat zij daarom ten tijde van de indiening van het toelatingsverzoek, althans in de relevante periode, niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het aangaan van de schuld aan, of onbetaald laten van de vordering van Swanenberg.”

Het subonderdeel is meer specifiek gericht tegen de door mij onderstreepte zinnen en houdt de klacht in dat deze onbegrijpelijk zijn, omdat als de aan [verweerster] toebedeelde woningen onder water stonden, er dan te minder reden is om aan te nemen dat zij is overbedeeld.

Ook deze klacht slaagt. Met haar stelling onder i. heeft Swanenberg naar voren gebracht dat in een eigen stelling van [verweerster] (““er is niets over van het bedrag dat mij destijds is toebedeeld’’) besloten ligt dat zij in 2011, bij de verdeling, wél vermogensbestanddelen van waarde toebedeeld heeft gekregen. Het hof heeft dienaangaande overwogen dat, anders dan Swanenberg heeft aangevoerd, waardeveranderingen van latere datum niet buiten beschouwing moeten blijven (“voor zover het gaat om de weging in deze procedure van het gevoerde verweer door [verweerster] in de bodemprocedure”, aldus het hof) en dat [verweerster] in de bodemprocedure heeft gesteld dat de onroerende zaken onder water stonden en na de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap executoriaal zijn verkocht. Ik acht dit oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk, omdat deze stelling van [verweerster] niet noodzakelijkerwijs inhoudt dat de woningen pas na de verdeling onder water zijn komen te staan. Stonden de woningen reeds ten tijde van de verdeling onder water, dan kan in zoverre geen sprake zijn geweest van overbedeling.

Subonderdeel 2h houdt geen (duidelijke) klacht in.

Onderdeel 3 – Klacht over rov. 3.7.1 bestreden arrest

Onderdeel 3 klaagt over de volgende, door mij onderstreepte tekst in rov. 3.7.1, waarmee het hof is ingegaan op de stelling van Swanenberg onder a:

“3.7.1. “a. Ter afwering van de vordering betwistte [verweerster] tegen beter weten in de echtheid van de leningsdocumentatie, ontkende zij haar eerder genoemde instemming ex art. 1:88 BW, weersprak zij de overeengekomen hoofdelijkheid en verzette zij zich ten onrechte tegen gelijkstelling van haar en [echtgenoot] tegenover Swanenberg. Van deze onjuiste en onwaarachtige stellingen maakt [verweerster] in haar verzoekschrift geen melding”.

Het hof overweegt omtrent dit punt dat Swanenberg tegenover de betwisting door [verweerster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerster] in de bodemprocedure daadwerkelijk het bestaan van de lening en van haar instemming met de borgstelling door [echtgenoot] heeft betwist. Dat blijkt in ieder geval niet uit het arrest van dit hof in de bodemprocedure. Swanenberg heeft ook niet uiteengezet uit welke processtukken de betwisting van de lening en van de instemming op de voet van artikel 1:88 BW van [verweerster] zou blijken. Ook voor het overige wordt het standpunt van Swanenberg dat de desbetreffende verweren van [verweerster] (apert) onjuist en onwaarachtig waren, verworpen. Die verweren hebben standgehouden bij rechtbank en hof vóór verwijzing in de bodemprocedure. Pas door – deels – de beslissing in het verwijzingsarrest in de bodemprocedure en vervolgens na verwijzing zijn in de bodemprocedure de verweren verworpen. Daarom kan niet worden gezegd dat die verweren kansloos waren en dat [verweerster] die verweren tegen beter weten in heeft gevoerd.”

Volgens het onderdeel is deze overweging onbegrijpelijk, om twee redenen. Ten eerste heeft Swanenberg niet gesteld dat [verweerster] het bestaan van de lening en haar instemming ex art. 1:88 BW heeft betwist. Swanenberg heeft aangevoerd dat [verweerster] haar tot de extensieve bodemprocedure heeft genoopt, door de overeenkomst van geldlening en haar instemming met de hoofdelijkheid van [echtgenoot] te ontkennen, en door haar beroep op de vernietiging van de overeenkomst van geldlening omdat zij daarmee niet zou hebben ingestemd. Swanenberg moest hierdoor een procedure starten, waaraan kosten waren verbonden. Ten tweede heeft Swanenberg niet gesteld dat sprake is geweest van ‘borgstelling door [echtgenoot] ’. Het is juist [verweerster] geweest die (ten onrechte) een beroep heeft gedaan op borgstelling. Zij deed dit omdat, als vast zou komen te staan dat sprake is geweest van borgstelling door [echtgenoot] , zij niet zou kunnen worden aangesproken. Anders dan het hof in rov. 3.7.1 heeft overwogen, hield dit verweer van [verweerster] geen stand bij het hof voor verwijzing in de bodemprocedure.

Deze motiveringsklacht faalt. Het onderdeel bestrijdt niet de overweging van het hof in eveneens rov. 3.7.1, dat Swanenberg niet uiteen heeft gezet uit welke processtukken de betwisting (door [verweerster] ) van de lening en van de instemming op de voet van art. 1:88 BW van [verweerster] zou blijken. Deze overweging kan de verwerping door het hof van de stelling van Swanenberg onder a. zelfstandig dragen. Daarnaast is rov. 3.7.1 niet onbegrijpelijk. De vorderingen van Swanenberg op [verweerster] zijn in twee instanties afgewezen: door de rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van 14 februari 2018 (zaaknummer/rolnummer C/18/174776 / HA ZA 17-66) en door het hof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 25 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1561. Bij deze stand van zaken kan inderdaad niet, zoals het hof heeft overwogen in rov. 3.7.1, aangenomen worden dat de verweren van [verweerster] (apert) onjuist, onwaarachtig en kansloos waren en tegen beter weten in zijn aangevoerd. Overigens voldoet het onderdeel niet aan de eisen die daaraan in cassatie worden gesteld. Het onderdeel voert immers aan dat Swanenberg bepaalde stellingen heeft ingenomen, maar verwijst daarbij niet naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties.

Onderdeel 4 – Klacht over rov. 3.7.3 bestreden arrest

Onderdeel 4, dat uit twee subonderdelen bestaat, is gericht tegen rov. 3.7.3, die als volgt luidt:

“3.7.3. “c. [verweerster] werd, anders dan zij in haar toelatingsverzoek vermeldt, reeds in 2012 aangesproken tot betaling van de schuld, dus vijf jaar na ontstaan, en liet die vervolgens onbetaald” en

“d. [verweerster] is in 2012, anders dan zij in haar toelatingsverzoek vermeldt, zelfs in kort geding als hoofdelijk schuldenaar veroordeeld om die te betalen aan Havic. De lening is, anders dan zij vermeldt, niet pas in 2016 opgeëist”.

[verweerster] heeft op 29 januari 2024 verzocht te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling (productie 1 bij het verzoekschrift van Swanenberg). Daarbij heeft [verweerster] melding gemaakt van de schuld aan Swanenberg en dat die schuld op 19 december 2023 is ontstaan, de datum waarop het arrest van dit hof in de bodemprocedure is uitgesproken. Gelet op het feit dat [verweerster] de schuld niet zelf is aangegaan en dat zij pas bij dat arrest is veroordeeld tot betaling van de schuld, is die melding als zodanig niet onjuist. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk dat de toelatingsrechter een andere beslissing zou hebben genomen indien hij (uitdrukkelijk) op de hoogte was gesteld van de hier door Swanenberg aangehaalde omstandigheden, in het bijzonder een hoofdelijke veroordeling in 2012 – twaalf jaar vóór behandeling van het Wsnp-verzoek – in kort geding naast haar [echtgenoot] , die vervolgens in 2013 is gefailleerd.”

Subonderdeel 4a klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat de schuld van [verweerster] niet pas is ontstaan op 19 december 2023, de datum van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch in de bodemprocedure.

Subonderdeel 4b voert aan dat het hof heeft miskend dat de veroordeling van [verweerster] (in kort geding) tot betaling van de leensom in 2012 wel degelijk relevant is, omdat, kort gezegd, [verweerster] nog in 2016 allerlei verweren voerde tegen de vordering van Swanenberg, en deze opstelling Swanenberg tot het starten van de bodemprocedure noopte, waarmee de schade van Swanenberg alleen maar toenam.

Beide klachten falen. Het oordeel van het hof in rov. 3.7.3 komt erop neer dat het op zichzelf navolgbaar is dat [verweerster] in haar WSNP-toelatingsverzoek heeft vermeld dat zij sinds 19 december 2023 een schuld heeft. Dat is volgens het hof navolgbaar omdat [verweerster] de schuld aan Swanenberg zelf niet is aangegaan – haar [echtgenoot] is de schuld aangegaan – en zij pas bij het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023 is veroordeeld tot betaling van die schuld. Deze overwegingen zijn niet onbegrijpelijk. De subonderdelen bepleiten, zo leid ik af uit de toelichting op p. 13-14 van de procesinleiding, dat [verweerster] in haar WSNP-toelatingsverzoek het (veel eerdere) juridische ontstaansmoment van haar schuld had moeten vermelden, maar gaat er aldus aan voorbij dat vanuit het perspectief van [verweerster] zij pas na het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023 daadwerkelijk verplicht werd om te betalen. Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof met dat perspectief rekening heeft gehouden in het kader van de vraag of [verweerster] onjuist heeft verklaard bij het WSNP-toelatingsverzoek.

Onderdeel 5 – Klacht over rov. 3.7.4 bestreden arrest

Onderdeel 5 bestaat uit twee subonderdelen. Het onderdeel is gericht tegen rov. 3.7.4, waarin het hof het volgende heeft overwogen met betrekking tot de stelling van Swanenberg onder e.:

“3.7.4. “e. [verweerster] wist toen zij ex art. 1:88 BW met de hoofdelijkheid instemde de aanzienlijke schuld, als [echtgenoot] en zij daarop zouden worden aangesproken, nooit te zullen kunnen voldoen”.

Zoals gezegd is [verweerster] de schuld niet zelf aangegaan, haar echtgenoot ( [echtgenoot] ) heeft de desbetreffende zakelijke lening afgesloten ter financiering van een vastgoedportefeuille. [verweerster] heeft er in 2009 alleen mee ingestemd dat haar echtgenoot, met wie zij toen in gemeenschap van goederen was gehuwd, mede hoofdelijk aansprakelijk werd voor de voldoening van die schuld. Naar het oordeel van het hof blijkt uit niets dat [verweerster] , die zich naar – onweersproken – eigen zeggen niet met de onderneming van haar echtgenoot bemoeide, toen wist of moet hebben geweten dat het project waarvoor [echtgenoot] de lening was aangegaan een zodanige afloop zou hebben dat de schuld niet kon worden afgelost. Swanenberg heeft dit in het geheel niet onderbouwd.”

Subonderdeel 5a houdt een motiveringsklacht in. Volgens het subonderdeel heeft het hof een niet goed begrijpelijk antwoord gegeven op de cursief gedrukte stelling van Swanenberg, omdat het feit dat [verweerster] de schuld niet zelf is aangegaan, niets zegt over haar bekendheid met de (on)mogelijkheid de lening uit eigen middelen te kunnen voldoen wanneer het daarop zou aankomen. Evenmin is hiervoor van belang of [verweerster] , zoals het hof overweegt, toen wist of moet hebben geweten dat het project waarvoor [echtgenoot] de lening was aangegaan een zodanige afloop zou hebben dat de schuld niet kon worden afgelost. Het subonderdeel wijst er in dit verband op dat het in het kader van de goede trouw-toets relevant is of de schuldenaar, toen hij de lening aanging, wist of behoorde te weten die lening (vermoedelijk) nooit te zullen kunnen aflossen.

Deze klacht faalt. De door het hof in rov. 3.7.4 genoemde omstandigheden – [verweerster] ging de schuld niet zelf aan, zij heeft slechts, in het kader van art. 1:88 BW, toegestemd met hoofdelijke aansprakelijkheid van haar [echtgenoot] , zij bemoeide zich niet met zijn onderneming, uit niets blijkt dat zij wist of moet hebben geweten dat het project van [echtgenoot] zou falen – vormen een voldoende ondersteuning voor het oordeel van het hof dat en waarom [verweerster] niet verweten kan worden, in het kader van de goede trouw-toets, dat zij ex art. 1:88 BW heeft toegestemd met de hoofdelijkheid van [echtgenoot] . Daarin ligt bovendien een voldoende begrijpelijke verwerping besloten van de stelling onder g.

Subonderdeel 5b klaagt dat het hof bovendien de betekenis heeft miskend van de door [verweerster] expliciet op de voet van art. 1:88 BW gegeven toestemming, die onder meer strekt ter bescherming van het gezin. Het subonderdeel voert onder meer aan dat [verweerster] er ook van had kunnen afzien toestemming te geven. Voorts wijst het subonderdeel op stellingen ingenomen door Swanenberg ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 4 december 2024, waaronder de stelling dat [verweerster] niet blindelings zal hebben getekend gelet op de hoogte van het te lenen bedrag.

Deze klacht faalt. Uit geen enkele overweging van het hof in het bestreden arrest blijkt dat het hof de beschermende functie van art. 1:88 BW of de precieze betekenis van de toestemming van [verweerster] in het voorliggende geval heeft miskend.

Onderdeel 6 – Klacht over rov. 3.7.8 van het bestreden arrest

Onderdeel 6 klaagt over de overwegingen van het hof rov. 3.7.8, waarmee het hof de stellingen van Swanenberg onder j. tot en met k. heeft verworpen:

“3.7.8. De volgende vier argumenten hebben betrekking op andere verweren die [verweerster] in de bodemprocedure heeft gevoerd:

“j. [verweerster] heeft de schuld uit hoofde van de geldlening met 8% rentevergoeding laten oplopen door die (met grotendeels gezochte argumenten) onbetaald te laten en heeft de schade en de vordering voor Swanenberg met haar vele – onhoudbaar geoordeelde – verweren alleen maar aanmerkelijk vergroot; de met de procedures tegen [verweerster] gemoeide kosten overtreffen verre haar – pas na het arrest in de procedure na cassatie en verwijzing – gepresenteerde schikkingsvoorstel van € 56.000”;

“k. Verder wierp [verweerster] geheel ten onrechte Swanenberg het gehomologeerde faillissementsakkoord tegen waaraan zij niet gebonden is en zich ook niets gelegen hoeft te laten liggen, vgl. ook het oordeel van het hof en van het verwijzingshof dienaangaande (in rov.3.8.5)”;

‘l. Daarenboven beriep zij zich, in weerwil van de nadrukkelijk aanvaarding door [echtgenoot] van hoofdelijkheid, als ook vastgelegd in de overeenkomst van geldlening, op borgtocht. Dit wordt niet anders nu de rechtbank haar daarin is gevolgd. In de overige instanties is dit verweer verworpen”; en

“m. Daarbij zou – zo droeg [verweerster] in deze procedure consequent uit – de leensom Heusden Veste ten goede zijn gekomen. Ook dit verweer voerde zij tegen beter weten op. Swanenberg beroept zich op het oordeel van het hof in het verwijzingsarrest waarmee deze stelling wordt gelogenstraft”.

Het hof overweegt ten aanzien van deze punten “j” tot en met “m” dat het [verweerster] in beginsel vrij stond om juridisch verweer te voeren tegen de vordering van Swanenberg in de bodemprocedure.

Aan dat beginsel zou als zodanig alleen kunnen worden afgedaan indien [verweerster] die verweren tegen beter weten in had gevoerd en zodoende misbruik van procesrecht had gemaakt. Daarvan is naar het oordeel van het hof echter geen sprake geweest.

Uit het feit dat de verweren van [verweerster] in eerste aanleg door de rechtbank zijn gehonoreerd en aanvankelijk deels ook in hoger beroep, blijkt daarnaast reeds dat die verweren niet zo kansloos waren als Swanenberg wil doen geloven en dat [verweerster] niet ‘niet te goeder trouw als bedoeld in het kader van de schuldsaneringsregeling’ heeft geprocedeerd; het andersluidende standpunt van Swanenberg (zie onder I) verwerpt het hof.

Bovendien heeft dit hof in de bodemprocedure nog moeten beslissen over een substantieel deel van de vordering van Swanenberg ter grootte van € 311.363,- aan hoofdsom (zie de uitvoerige r.o. 3.7.6. van het arrest in de bodemprocedure), dat tot dan toe dus nog niet vaststond. Jegens haar andere crediteuren was [verweerster] juist gehouden de vordering van Swanenberg op het juiste bedrag te laten vaststellen.

Met betrekking tot het argument onder “k”, aangevoerd vóór verwijzing in de bodemprocedure, overweegt het hof voorts dat niet valt in te zien dat en waarom dit van belang zou zijn voor de vraag of en in hoeverre [verweerster] bij de aanvraag van de wettelijke schuldsaneringsregeling althans in de relevante periode voorafgaand aan toelating al dan niet te goeder trouw was.”

Het onderdeel is niet erg duidelijk. Het onderdeel begint met een samenvatting van wat het hof heeft overwogen in rov. 3.7.8, maar schakelt dan over op het citeren van de laatste zin van rov. 3.7.6 en het bestrijden van die overweging. De bedoeling van het onderdeel lijkt te zijn te klagen over de overweging van het hof in rov. 3.7.8 dat het [verweerster] in beginsel vrij stond om juridisch verweer te voeren tegen de vordering van Swanenberg in de bodemprocedure. Volgens het onderdeel ligt dit anders wanneer art. 21 Rv geweld wordt aangedaan. Het verdraagt zich bovendien niet goed met de goede trouw om onverdedigbare verweren te voeren waarop de schuldeiser zal moeten reageren. Dit wordt niet anders wanneer de rechter hierin (ten onrechte) meegaat. Als een partij zelf weet of moet weten van de onhoudbaarheid van een verweer, maar dit toch – tegen beter weten in – opvoert dan wordt deze praktijk niet ineens gesauveerd doordat de rechter dit verweer honoreert. Als een rechter een verweer honoreert, zegt dit nog niet zonder meer iets over de goede trouw van de schuldenaar.

Deze klacht faalt. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof uit het feit dat de rechtbank en het hof in de bodemprocedure (vóór cassatie) bepaalde verweren van [verweerster] hebben gehonoreerd, heeft afgeleid dat [verweerster] die verweren niet tegen beter weten in heeft aangevoerd. Aangenomen mag immers worden dat als [verweerster] die verweren destijds tegen beter weten in aanvoerde, de rechtbank en het hof haar daarin niet zouden hebben gevolgd. Hieraan doet niet af dat uiteindelijk die verweren van [verweerster] toch verworpen zijn, door een ander hof. Dit laatste kan immers heel goed verklaard worden door de ingewikkeldheid van bepaalde juridische twistpunten tussen partijen.

Onderdeel 7 – Klacht over rov. 3.7.9 en rov. 3.7.10 bestreden arrest

Onderdeel 7 houdt verschillende klachten in, gericht tegen rov. 3.7.9 en 3.7.10. Deze rechtsoverwegingen luiden als volgt:

“3.7.9. “n. Ook ontkende [verweerster] ten onrechte en tegen beter weten in betrokkenheid van [echtgenoot] bij de geldleningen probeerde zij ten onrechte zijn betrokkenheid bij 2SQR af te zwakken”. Naar het oordeel van het hof is niet dan wel onvoldoende gebleken dat [verweerster] zelf daadwerkelijk betrokken is geweest bij de activiteiten van [echtgenoot] en [betrokkene 1] en feitelijk ook op de hoogte was van de in 2009 aan 2SQR verstrekte lening en alle omstandigheden daarom heen. De betrokkenheid van [echtgenoot] kan niet zonder meer één op één worden toegerekend aan [verweerster] of zonder meer als bij haar bekend worden aangemerkt, nu [verweerster] onweersproken heeft gesteld dat zij huisvrouw was en zich niet bemoeide met de onderneming van haar echtgenoot.

“o. Swanenberg hield [verweerster] , anders dan zij ter onderbouwing van haar toelatingsverzoek opvoerde, niet onverkort aan betaling van hetgeen waartoe zij in rechte was veroordeeld, maar was bereid tot een schikking en gaf haar zelfs drie maanden de tijd om er onderling uit te komen om aan het einde van deze periode te worden verrast door een buiten haar om aangevraagde toepassing van de WSNP. Er was onderhandelingsruimte, maar het aanbod van € 56.000,- was in de gegeven omstandigheden niet reëel. Ook het flankerende voorstel van [echtgenoot] niet op basis waarvan Swanenberg eerst nog een bedrag zou moeten investeren in een van diens projecten”.

Naar het oordeel van het hof kan [verweerster] niet worden verweten dat zij een – volgens [verweerster] goed en onderbouwd – schikkingsvoorstel heeft gedaan. Dat Swanenberg dat voorstel niet reëel vond maakt dat niet anders; kennelijk heeft Swanenberg geen tegenvoorstel willen doen. Hoe [verweerster] vervolgens had moeten weten dat er nog ‘onderhandelingsruimte was’, los van de vraag of [verweerster] überhaupt – gezien het taxatierapport van de toen beperkte overwaarde van haar woning – meer had kunnen bieden, heeft Swanenberg niet onderbouwd. Swanenberg heeft in ieder geval geen eigen taxatierapport toegespitst op de woning van [verweerster] laten opstellen maar gemeend te kunnen volstaan met verwijzing naar algemene trends in de woningmarkt op basis van de CBS-index.

Ook het ‘voorstel’ van [echtgenoot] was, wat daar verder van zij, voor Swanenberg onvoldoende. In die omstandigheden kan het [verweerster] niet worden verweten dat zij vervolgens gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die de wet haar biedt om te verzoeken te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De mededelingen ter zake het minnelijk traject en in het bijzonder aangaande het aanbod aan Swanenberg, als door [verweerster] tijdens de toelatingszitting gedaan, zijn aldus correct. Voor zover Swanenberg nog een beoordeling wenst van de deugdelijkheid van het minnelijk traject als zodanig merkt het hof op dat dat strandt op het rechtsmiddelenverbod. Een dergelijk onderzoek valt buiten het werkingsgebied van artikel 350 lid 1 juncto lid 3 aanhef en sub f Fw.”

Met betrekking tot rov. 3.7.9 voert het onderdeel aan dat het voorgaande ook geldt ten aanzien van die rechtsoverweging. Met betrekking tot rov. 3.7.10 voert het onderdeel aan dat het hof een niet door Swanenberg aan haar beëindigingsverzoek ten grondslag gelegde stelling heeft getoetst. Volgens het onderdeel is dit gelet op art. 24 Rv onjuist en onbegrijpelijk. Ik neem aan dat hiermee bedoeld is dat het hof heeft verzuimd in te gaan op de stelling van Swanenberg dat [verweerster] de WSNP-rechter onjuist voorlichtte waar zij stelde dat er geen ruimte was voor een schikking, omdat die ruimte wel door Swanenberg is geboden. Het onderdeel klaagt voorts dat de door het hof getrokken conclusie (“De mededelingen zijn (…) aldus correct”) niet volgt uit hetgeen het hof daaraan voorafgaand heeft overwogen.

De klacht gericht tegen rov. 3.7.9 faalt. De klacht is onduidelijk. Het onderdeel verwijst naar ‘het voorgaande’, maar brengt niet naar voren wat daarmee is bedoeld en waarom dan ‘het voorgaande’ ook geldt ten aanzien van rov. 3.7.9. Om volledig te zijn: rov. 3.7.9 lijkt mij niet onduidelijk of onbegrijpelijk. Het hof heeft een goed navolgbare overweging gewijd aan de stelling van Swanenberg onder n.

De klachten gericht tegen rov. 3.7.10 falen eveneens. Het hof heeft immers in de tweede alinea van rov. 3.7.10 overwogen dat [verweerster] een schikkingsvoorstel heeft gedaan dat niet door Swanenberg werd aanvaard, dat kennelijk Swanenberg geen tegenvoorstel heeft willen doen, en dat Swanenberg niet heeft onderbouwd hoe [verweerster] vervolgens had moeten weten dat er nog onderhandelingsruimte was. Hiermee heeft het hof op een begrijpelijke wijze gerespondeerd op de stelling van Swanenberg onder o., die erop neerkomt dat [verweerster] bij haar WSNP-toelatingsverzoek ten onrechte zou hebben verklaard dat Swanenberg niet bereid was om te schikken.

Onderdeel 8 – Klacht over rov. 3.7.12 bestreden arrest

Onderdeel 8 is gericht tegen rov. 3.7.12. Die overweging luidt als volgt:

“3.7.12. “q. Daarbij had Heusden Veste, anders dan [verweerster] , ter toelichting op haar toelatingsverzoek zou betogen, geen ondeugdelijke vordering. Haar (hoogst toewijsbare) vordering stuitte enkel af op voormelde omzetting van de algehele gemeenschap van goederen in koude uitsluiting, nu op basis van de uitspraak in de zaak ASR/Achmea (waarnaar de Hoge Raad ook in zijn arrest verwees), haar regresvordering op [verweerster] pas daarna ontstond, met haar aflossingen op de (door [echtgenoot] en [betrokkene 1] met instemming van [verweerster] voor Heusden Veste met Sondag gesloten) overeenkomst van geldlening”.

In de bodemprocedure hebben zowel de rechtbank als het hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat de vordering van Heusden Veste tegen [verweerster] niet toewijsbaar is. De Hoge Raad heeft het tegen dit oordeel ingestelde cassatieberoep verworpen. Het hof verwerpt daarom het standpunt van Swanenberg dat Heusden Veste een deugdelijke vordering (tegen [verweerster] ) had, dan wel een ‘hoogst toewijsbare’ vordering (wat dat ook moge zijn). [verweerster] heeft de toelatingsrechter op dit punt correct geïnformeerd.”

Het onderdeel voert hiertegen aan:

“In rov. 3.7.12 gaat het hof uit van correcte voorlichting, waar [verweerster] de vordering als ondeugdelijk bestempelde.

Door de vordering van Heusden Veste aan te duiden als ondeugdelijk doet [verweerster] het voorkomen alsof zij geen vorderingsrecht had. Dit is niet juist. Heusden Veste had evenals Swanenberg als derde de schuld van [verweerster] (en [echtgenoot] ) jegens Havic (voordien Sondag) voldaan. Zij nam daarvoor regres op [verweerster] . Haar vordering stuitte af op de omzetting van het huwelijksvermogensregime, nu het regresrecht ontstond met de omzetting van gemeenschap van goederen naar koude uitsluiting. Heusden Veste had ondertussen wel de schuld van [verweerster] aan Havic voldaan.

Deze kwalificatie is van belang, omdat Heusden Veste de schulden afloste, waarvoor [echtgenoot] aansprakelijk was. In rov. 3.8 gaat het hof uit van argumenten “gebaseerd op wetenschap achteraf”, van de onhoudbaarheid van de stellingen van [verweerster] . Dit is onbegrijpelijk, aangezien Swanenberg die van aanvang bestreed, en het uit de aard der zaak even duurt voordat hierover in rechte is beslist.”

Ik lees hierin niet een voldoende duidelijke klacht over de op zich begrijpelijke overweging van het hof dat, nu rechtbank, hof en Hoge Raad in de bodemprocedure hebben geoordeeld dat de vordering van Heusden Veste tegen [verweerster] niet toewijsbaar is, [verweerster] op dit punt de toelatingsrechter correct heeft geïnformeerd door te spreken van een ondeugdelijke vordering.

Onderdeel 9 – Het inkomen van [echtgenoot]

Onderdeel 9 houdt de klacht in dat het onbegrijpelijk is dat het hof in géén van zijn overwegingen (kenbare) aandacht heeft besteed aan (de stelling van Swanenberg met betrekking tot) de onjuiste mededeling van [verweerster] over het inkomen van [echtgenoot] . Het onderdeel verwijst in dit verband naar randnummers 7.12 en 7.20 van de memorie na cassatie en verwijzing.

Het onderdeel slaagt. Het hof is ten onrechte niet ingegaan op de stelling van Swanenberg dat, kort gezegd, [echtgenoot] wel degelijk een inkomen heeft en [verweerster] daarover onjuist heeft verklaard. Ten onrechte, omdat (I) Swanenberg deze stelling zowel vóór als ná het arrest van Uw Raad van 16 mei 2025 heeft ingenomen en (II) dit onderwerp deel uitmaakte van de rechtsstrijd na cassatie. Met betrekking tot het punt onder (II) wijs ik op de tekst bij randnummers 5.26 en 5.27 van mijn conclusie in de eerdere cassatieronde in deze WSNP-procedure. Daar schreef ik het volgende:

“5.26 Klacht 7 richt zich ten slotte tegen rov. 4.11, waar het hof het volgende overweegt:

“Er is, anders dan Swanenberg betoogt, geen sprake van omstandigheden die maken dat een ‘terugkijktermijn’ van meer dan drie jaar gehanteerd zou moeten worden, of dat, voor zover het de toepassing van de schuldsaneringsregeling betreft, uitgegaan zou moeten worden van een ander ontstaansmoment van de vordering van Swanenberg. Voor een dergelijke afwijking van de wettelijke regeling bestaat naar het oordeel van het hof geen grond en geen aanleiding. Dit geldt ook als daarbij acht wordt geslagen op de positie van [de echtgenoot] en op de samenleving van [verweerster] met [de echtgenoot], die inkomen geniet uit arbeid.”

Terecht wordt geklaagd (in mijn woorden samengevat) dat dit een onbegrijpelijke respons is op de stelling van Swanenberg dat de vermelding door [verweerster] op haar toelatingsverzoek dat haar echtgenoot een inkomen van ‘0’ heeft, onwaar is, althans niet te verenigen is met de mededeling van de echtgenoot zelf dat hij een baan heeft, noch met diens eerdere aanbod aan Swanenberg om bij wijze van schikking te participeren in een project van hem, waaruit nog wel een paar miljoen euro winst zou voortvloeien. De strekking van deze stelling van Swanenberg is immers dat [verweerster] ook op dit punt niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplicht, althans onjuiste inlichtingen heeft verschaft in de art. 285-verklaring, en dat dit duidt op het ontbreken van de voor toelating tot de schuldsaneringsregeling vereiste goede trouw.”

De Hoge Raad heeft klacht 7 vervolgens onbesproken gelaten. Ik houd het voor mogelijk dat het hof, dat blijkens rov. 3.2 van het bestreden arrest wel heeft opgemerkt dat in het verwijzingsarrest is geoordeeld dat de ‘overige’ klachten geen behandeling behoeven, ervan is uitgegaan dat Uw Raad klacht 7 heeft verworpen. Dat is echter niet het geval: heeft de Hoge Raad een bepaalde klacht onbesproken gelaten, dan betekent dit niet dat de Hoge Raad deze klacht heeft verworpen.

Onderdeel 10 – Klacht over onbehandeld laten bewijsaanbod

Onderdeel 10 klaagt dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van Swanenberg onbehandeld heeft gelaten, althans dat bewijsaanbod heeft gepasseerd. Dit bewijsaanbod van Swanenberg is vermeld in de memorie na cassatie en verwijzing en is specifiek toegespitst op het na verwijzing te leveren bewijs van de stellingen van Swanenberg. Het bewijsaanbod ziet op de stelling van Swanenberg dat sprake is van bewust onjuiste voorlichting door [verweerster] . Volgens het onderdeel kon het hof, gelet op het fundamentele karakter van de mogelijkheid van een procespartij om bewijs van zijn of haar stellingen te leveren, niet zonder (behoorlijke) motivering, die thans ontbreekt, aan het bewijsaanbod voorbijgaan.

Het onderdeel faalt. Het hof kon aan dit bewijsaanbod voorbijgaan, omdat Swanenberg in de procedure vóór verwijzing geen bewijsaanbod heeft gedaan. Het gaat om een geheel nieuw bewijsaanbod – het onderdeel noemt geen vindplaats van een eerder gedaan bewijsaanbod –, terwijl na verwijzing door de Hoge Raad de procedure moest worden voortgezet in de stand waarin die zich meteen voor het wijzen van het door de Hoge Raad vernietigde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden bevond. Bij dit laatste past niet een geheel nieuw bewijsaanbod.

Onderdeel 11 – Voortbouwklacht

Onderdeel 11 betreft een zogeheten voortbouwklacht. Deze slaagt. Nu de klachten van subonderdelen 2d, 2e, 2f en 2g en van onderdeel 9 terecht zijn aangevoerd, kan het dictum van het bestreden arrest niet in stand blijven.

Hoe nu verder?

Komt het tot vernietiging van het bestreden arrest, dan zal het hof dat de zaak moet behandelen opnieuw moeten oordelen over de door Swanenberg gestelde tegenstrijdige verklaringen van [verweerster] en de betekenis daarvan in het kader van de goede trouw-toets van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw in verbinding met art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw. Dat hof zal ook moeten oordelen over de stelling van Swanenberg met betrekking tot de vermeende onjuiste verklaring van [verweerster] over het inkomen van [echtgenoot] .

5. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 21 augustus 2025 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?