PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04170
Zitting 9 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-001698-20) wegens onder 1 en 2 telkens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, onder 3 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en onder 4 “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en twee maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een aantal voorwerpen verbeurd verklaard, een aantal voorwerpen onttrokken aan het verkeer en de teruggave gelast van een aantal voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/03996. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G.V. van der Bom, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
Het hof heeft – kort gezegd – bewezen verklaard dat de verdachte zich vanaf januari 2018 tot en met 6 november 2018 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de productie van en handel in drugs (feit 3). Het hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte zich samen met anderen op professionele wijze heeft schuldig gemaakt aan grootschalige wereldwijde handel in verdovende middelen via het Darkweb. Ook zou de verdachte zich hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van (een deel van) de opbrengst daarvan (feit 4). De onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten betreffen verdovende middelen die in het kader van het onderzoek daarnaar zijn aangetroffen. Voor de bewijsvoering in de zaak van verdachte en in die van medeverdachten komt het volgens het hof in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen chatberichten. Voor het verzenden en ontvangen van de chatberichten werd gebruikgemaakt van telefoons van met name het merk Wileyfox en laptops waarop de applicatie Ironchat was geïnstalleerd. Volgens het hof is het in dat kader gebruikte account ‘ [naam 1] ’ toe te schrijven aan de verdachte.
3. Het middel
In het middel wordt geklaagd over (de begrijpelijkheid van) de motivering waarmee het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak. Voor de inhoud van dat standpunt wordt verwezen naar ‘pleidooi gerechtshof p. 2-5’. Volgens de steller van het middel is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat iemand anders dan de verdachte gebruik maakte van het gebruikersaccount ‘ [naam 1] ’. Daartoe is gewezen op het feit dat de getuige wiens verklaringen de verdachten aan de Ironchat-accounts koppelden een omschrijving van ‘ [naam 1] ’ heeft gegeven waaraan de verdachte niet voldeed en die getuige de verdachte bovendien niet herkende toen de politie hem een foto van de verdachte liet zien. Het is volgens de steller van het middel niet begrijpelijk dat het hof die mogelijkheid niet uitsluit, maar vervolgens overweegt dat uit de bevindingen van het onderzoek volgt dat de verdachte in de periode na 3 oktober 2018 wel de gebruiker was van het account ‘ [naam 1] ’, onder verwijzing naar een proces-verbaal bevindingen dat juist mede is gebaseerd op de verklaringen van de betreffende getuige.
Hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht
In de pleitnota, die is voorgedragen ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2023, staat met betrekking tot de gebruiker van het account ‘ [naam 1] ’ het volgende opgenomen:
“II. Wie is [naam 1] ?
De rechtbank heeft in eerste aanleg geoordeeld dat mijn cliënt deze [naam 1] is en heeft zich blijkens het vonnis gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen van identificatie. Volgens de rechtbank zijn om die reden alle berichten van het account ' [naam 1] ' aan mijn cliënt toe te schrijven.
Dit proces-verbaal bevat zeker aanwijzingen om dit oordeel te onderbouwen en uw Hof heeft een aantal van deze aanwijzingen vorige week dan ook begrijpelijk aan mijn cliënt voorgehouden. Zo heeft uw Hof bijvoorbeeld aan mijn cliënt voorgehouden dat er een chatgesprek is waarin [naam 1] aangeeft een smartshop te hebben (cliënt had destijds een smartshop) en heeft uw Hof mijn cliënt daarnaast ook voorgehouden dat er op 7 oktober 2018 een chat plaatsvindt tussen ene [naam 3] en [naam 1] waarin [naam 1] aangeeft naar [plaats] te komen voor een ontmoeting in verband met bitcoins. Het observatieteam van de politie neemt vervolgens waar dat mijn cliënt deze ontmoeting in [plaats] bijwoont.
Kortom, er zijn zeker aanwijzingen. Maar concreet bewijs is er niet. Er is bijvoorbeeld niemand die cliënt aanwijst als zijnde ‘ [naam 1] ’ en cliënt is tijdens de vele, vele observaties ook nimmer waargenomen door de politie als betrokkene bij vermoedelijke drugshandel. Enkel de aanwijzingen maken nog niet, ook niet in onderling samenhang bezien, dat hiermee direct wettig én overtuigend bewezen kan worden dat mijn cliënt ' [naam 1] ' is. Zo was cliënt, om maar iets te noemen, niet de enige vennoot van de smartshop, en is hij volgens zeggen gestuurd door [naam 1] om op 7 oktober 2018 naar [plaats] te gaan (waarover later meer).
III. Motivering rechtbank t.a.v. ‘ [naam 1] ’
Bij pleidooi is in eerste aanleg dan ook zeer uitgebreid stilgestaan bij het account ' [naam 1] ' en de vraag of deze bijnaam aan cliënt valt toe te schrijven. Vele pagina's lang is de rechtbank gemotiveerd gewezen op de aanwijzingen die het proces-verbaal bevat en die juist op het tegendeel wijzen, namelijk dat [naam 1] zeer wel mogelijk een heel ander persoon dan cliënt is.
De rechtbank is echter zonder enige vorm van motivering aan dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt voorbij gegaan en lijkt het zichzelf makkelijk te hebben willen maken met de enkele overweging dat 'het dossier geen aanwijzingen bevat dat dit account (ook) door een ander dan [verdachte] werd gebruikt' (p. 5 vonnis).
Zonder deugdelijke motivering is dit oordeel van de rechtbank niet zondermeer begrijpelijk en kan het vonnis reeds hierom niet in stand blijven. Dat er namelijk géén aanwijzingen zouden zijn dat [naam 1] wel eens iemand anders zou kunnen zijn dan cliënt, dat is volkomen onjuist.
IV. Aanwijzing: [getuige 1]
U, oudste raadsheer, u heeft mijn cliënt vorige week geconfronteerd met de stelling dat er niemand in deze zaak is die heeft verklaard: 'die [naam 1] , dat is [verdachte] niet.' Los van het feit dat er daarentegen ook niemand is die heeft verklaard dat [naam 1] wèl [verdachte] zou zijn, is uw stelling volgens de verdediging bovendien niet helemaal correct. Want het is getuige [getuige 1] namelijk geweest die heel duidelijk omschreven heeft wie ' [naam 1] ' is. En dat is niet [verdachte] .
Tijdens de behandeling van deze strafzaak in eerste aanleg heeft de officier van justitie benadrukt hoe ontzettend belangrijk [getuige 1] in dit verhaal is. Letterlijk zei de officier van justitie dat de verklaringen van [getuige 1] de onderzoeksresultaten ondersteunen en verifiëren én dat [getuige 1] alle verdachten in dit onderzoek aan een account heeft gekoppeld.
Nu heb ik de advocaat-generaal vorige week de naam [getuige 1] niet zo vaak horen noemen, maar feit is wel dat deze getuige vele, vele malen door de politie is gehoord, ik meen wel 12 keer, en dat deze getuige zeer gedetailleerdheid heeft verklaard over niet alleen zijn eigen aandeel in de feiten, maar ook over het aandeel van vele medeverdachten.
V.
[getuige 1] heeft bij de politie uitgebreid verteld over zijn betrokkenheid bij diverse strafbare gedragingen. Eén van de dingen waarover hij verklaart zijn de geldbedragen die hij door het hele land rondreed in opdracht van [betrokkene 3] . Dit had te maken met het cashen van bitcoins (Algemeen Dossier, p. 389).
Hij verklaart sinds januari 2016 te zijn gaan rijden en hij denkt in totaal tussen de 30 en 50 keer te hebben gereden (Algemeen Dossier, p. 418). Over het algemeen beschrijft [getuige 1] uiterst nauwkeurig hoe zijn werkzaamheden eraan toe gingen en wat zijn rol was. Hij vertelt uitgebreid over waar hij heen reed, over wat hij daar ging doen en over de mensen waar hij contact mee had. Sterker nog, hij geeft zeer accurate omschrijvingen en signalementen van alle mensen waarmee hij contact had, hij weet alle (bij)namen te noemen die deze mensen op de crypto-telefoons hadden én, zeer relevant, hij herkent deze mensen ook allemaal wanneer de politie hem foto's van deze mensen toont.
Zo vertelt [getuige 1] bijvoorbeeld bij wie hij het geld dan bracht. Hij noemt daarbij een lijst met namen op, maar met name één passage is hier van belang (Algemeen Dossier, p.466): "[plaats] / [plaats] ; man; Nederlands met een Zuid-Europees uiterlijk. Zonnebank bruin, baardje, tatoeages op de armen. Leeftijd 25 a 35 jaar. (...) Deze man noemde ik ' [naam 1] '”
Wat [getuige 1] hier met andere woorden zegt over [naam 1] , is dat het gaat om
1) een Nederlandse man
2) met een Zuid-Europees uiterlijk,
2) hij is zonnebank bruin,
3) heeft een baardje en
4) tatoeages op de armen.
Mijn cliënt komt inderdaad uit de door [getuige 1] genoemde regio, maar daar houdt het qua overeenkomsten ook gelijk op. [getuige 1] geeft een hele lijst van uiterlijke kenmerken van deze [naam 1] , waarvan er niet één overeenkomt met het uiterlijk van mijn cliënt. De conclusie kan dan ook niet anders zijn, mede gezien het feit dat vrijwel alles wat [getuige 1] verklaard heeft achter bleek te kloppen, dan dat deze verklaring een zeer cruciale aanwijzing bevat dat mijn cliënt [naam 1] niet is. Hier kan niet, zoals door de rechtbank is gedaan, eenvoudig en zonder nadere overweging overheen gestapt worden. Het is in ieder geval de stelling van de verdediging dat deze verklaring van [getuige 1] de eventuele overtuiging dat mijn cliënt [naam 1] is, flink aantast.
Heel subtiel heeft de politie in het proces-verbaal van identificatie (pv-nummer 1180) opgenomen dat de naam [naam 1] volgens [getuige 1] dus toebehoort aan iemand uit de regio [plaats] / [plaats] . Nu [verdachte] woonachtig en werkzaam is in die regio, móet cliënt wel [naam 1] zijn, want 1+1 is immers 2. Maar de politie laat héél bewust dus wel het signalement dat [getuige 1] van [naam 1] heeft gegeven weg uit dit proces-verbaal.
VI. Aanwijzing: foto
En daar blijft het niet bij. Een maand nadat [getuige 1] zijn omschrijving van [naam 1] heeft gegeven, verklaart hij: "Ik weet niet of jullie [naam 1] al hebben? Dat was die jongen met die tattoe's." Nogmaals: cliënt heeft geen tatoeages!
En wéér enkele weken later wordt er nog maar weer eens een keer gesproken met [getuige 1] en wordt hem ditmaal zelfs een foto van mijn cliënt getoond, waarschijnlijk in de vurige hoop dat [getuige 1] nu wèl zal bevestigen dat mijn cliënt [naam 1] is.
Alhoewel [getuige 1] cliënt zeker herkend, verklaart [getuige 1] alleen wel, helaas voor de agenten, dat dit ‘ [betrokkene 2] ’ op de foto is (Algemeen Dossier, p. 512 en 516). Later, bij de rechter-commissaris, is [getuige 1] nogmaals naar [naam 1] gevraagd en zegt hij (verklaring RC p. 7) dat er nimmer een foto van deze [naam 1] aan hem is getoond door de politie. Hij herhaalt opnieuw dat [naam 1] een man met tatoeages op zijn armen is en een baardje heeft.
Hoeveel verklaringen van [getuige 1] moeten er nog komen? Keer op keer herhaalt [getuige 1] het signalement van de man uit de regio [plaats] / [plaats] die binnen zijn wereldje bekend staat onder de naam ' [naam 1] ' en waar hij af en toe geld naartoe bracht: Nederlands met een Zuid-Europees uiterlijk, baardje, zonnebank bruin en tatoeages op de armen. Cliënt is bruingetint, maar niet van de zonnebank, had destijds geen baardje (gezien de observatie op 7 oktober 2018), ziet er niet Nederlands of Zuid-Europees uit en heeft geen enkele tatoeage.
Nogmaals, de politie móet zich natuurlijk ook gerealiseerd hebben dat deze aanwijzingen totaal niet stroken met hun eigen idee over wie [naam 1] is. In plaats van daar nader onderzoek naar te doen, gaan de oogkleppen op en worden de ontlastende aanwijzingen genegeerd en uit het proces-verbaal van identificatie weggelaten. Eigenlijk schandelijk wanneer men er over nadenkt.
VII. Aanwijzing: observatie
En ook daar blijft het niet bij. Zoals al eerder aangekaart, heeft uw Hof begrijpelijk de observatie van 7 oktober 2018 te [plaats] in combinatie met de chatgesprekken van die dag aan cliënt voorgehouden. Dit vormt zeker een aanwijzing dat mijn cliënt [naam 1] zou kunnen zijn. Maar als uw Hof deze observatie zou gebruiken om mijn cliënt als [naam 1] te identificeren, hoe gaat uw Hof dan om met een observatie waaruit juist blijkt dat cliënt [naam 1] niet is?
Ik vraag in dat kader aandacht voor de observatie zoals beschreven in zaaksdossier 04. Een zaak die niet op de tenlastelegging van cliënt valt terug te vinden en daardoor wellicht niet direct opvalt in combinatie met cliënt.
Op 29 oktober 2018 vindt er een chatgesprek plaats tussen [naam 3] en [naam 1] (UTC-tijd, Nederlandse tijd +1). [naam 3] schrijft om 10:52 uur aan [naam 1] dat ze elkaar moeten treffen op het adres [b-straat 1] te [plaats] .
Tussen 11:36 en 11:38 uur schrijft [naam 1] vervolgens aan [naam 3] de volgende berichten:
"Ik ben er al"
"Ik ben bij les is. Praxis geparkeerd"
"Dan zie je me meteen staan aan je linker hand"
Wat [naam 1] hier dus zegt, is dat hij er al is en dat hij bij de Praxis geparkeerd staat (Zaaksdossier 4, p. 85).
Ook deze ontmoeting bij de Praxis is geobserveerd door de politie. Zij zien om 11:40 uur een VW Polo de [b-straat] in [plaats] oprijden, precies zoals afgesproken. De Polo wordt geparkeerd en de bestuurder, die herkend wordt als [betrokkene 1] , loopt naar de Praxis. Daar stapt [betrokkene 1] in een geparkeerde Renault.
Enige tijd later verlaat [betrokkene 1] de Renault en loopt weer naar zijn VW Polo. De Renault rijdt vervolgers weg en de politie achtervolgt de Renault naar [plaats] . Eenmaal in [plaats] wordt gezien dat de bestuurder van de Renault contact heeft met nog een aantal mannen (Zaaksdossier 4, p. 100-101).
De reden waarom ik uw Hof dit voorhoud lijkt mij duidelijk. Over de chat spreken [naam 1] en [naam 3] af op een parkeerplaats bij de Praxis in [plaats] . [naam 1] stuurt aan [naam 3] het bericht dat hij er al is en bij de Praxis geparkeerd staat. Vlak daarna komt [betrokkene 1] op de afgesproken plek aan en de twee heren hebben contact met elkaar. De observerende agenten herkennen [betrokkene 1] direct, maar de meneer die via de chat met het account [naam 1] afspreekt en die bij de Praxis staat te wachten, die meneer wordt niet herkend door de politie. Daar kan maar één reden voor zijn, namelijk dat het niet mijn cliënt was die in die auto zat. En nu cliënt niet in die auto zat, is dit opnieuw een aanwijzing dat cliënt [naam 1] niet is.
Ook deze voor cliënt ontlastende observatie is de politie vergeten te betrekken bij hun proces-verbaal van identificatie.
VIII.
Kortom, er zijn zeker aanwijzingen die erop wijzen dat mijn cliënt [naam 1] kan zijn, maar daar staan ook aanwijzingen tegenover die erop wijzen dat mijn cliënt [naam 1] niet kan zijn. De overweging van de rechtbank dat er in het geheel geen aanwijzingen zouden zijn, is onbegrijpelijk.
Nu gezien het voorgaande met name de overtuiging ontbreekt dat het cliënt, en niemand anders dan cliënt, was die handelde onder de naam [naam 1] , kan in het verlengde hiervan niet overtuigend bewezen worden verklaard dat het mijn cliënt is geweest die de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Vrijspraak voor alle feiten moet volgen.”
De bewijsvoering van het hof
Het hof heeft in zijn Promis-arrest met betrekking tot het Ironchat-gebruikersaccount ‘ [naam 1] ’ het volgende overwogen:
“Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte niet de persoon was die het account [naam 1] gebruikte. Hierom kan niet overtuigend bewezen worden dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.
(…).
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de hierna volgende bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij - na een algemene inleiding over de achtergrond van het onderzoek Metaal - met betrekking tot de identificatie van de gebruikers van de Ironchat-accounts en ten aanzien van de tenlastegelegde feiten als volgt.
(…).
Identificatie van de gebruikers van de Ironchat-accounts
Voor de bewijsvoering in de zaak van verdachte en in die van medeverdachten komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen chatberichten. Er werd gebruikgemaakt van telefoons van met name het merk Wileyfox en laptops waarop de applicatie Ironchat was geïnstalleerd. Met die telefoons en laptops werden chatberichten verzonden met of aan onder meer de volgende accounts, alle eindigend op @ [...] .com:
- [naam 11] ;
- [naam 12] ;
- [naam 13] ;
- [naam 14] ;
- [naam 3] ;
- [naam 1] ;
- [naam 15] .
Op grond van de feiten en omstandigheden, die door de politie in de processen-verbaal van bevindingen van identificatie en in de ter aanvulling daarop opgemaakte processen-verbaal zijn opgenomen, stelt het hof vast dat de accounts als volgt, aan de verschillende verdachten in het onderzoek Metaal toe te schrijven zijn:
- [naam 11] en [naam 12] → [betrokkene 4]
- [naam 13] en [naam 14] → [betrokkene 5]
- [naam 3] → [betrokkene 1]
- [naam 15] → [betrokkene 3]
- [naam 1] → verdachte
In reactie op het verweer dat verdachte niet de persoon is geweest die gebruikmaakte van het account [naam 1] overweegt het hof als volgt.
De raadsman heeft betoogd dat getuige [getuige 1] tijdens verhoren door de politie in juni en september 2018 een beschrijving van een persoon met de bijnaam " [naam 1] " heeft gegeven die niet overeenkomt met het uiterlijk van verdachte. Het hof merkt echter op dat getuige [getuige 1] in juni en september 2018 is verhoord over de vóór juni 2018 gelegen periode. Hoewel niet valt uit te sluiten dat de door getuige [getuige 1] beschreven persoon, met de door hem beschreven kenmerken, inderdaad niet verdachte betrof en dat in de periode waarover [getuige 1] is verhoord een andere persoon de gebruiker van het account [naam 1] was, doet de verklaring van [getuige 1] - mede om deze reden - niet af aan de bevindingen van de politie zoals beschreven in het proces-verbaal van identificatie. Immers, deze bevindingen omtrent (de gebruiker van) het account [naam 1] en de daaruit getrokken conclusie dat verdachte daarvan de gebruiker is, hebben betrekking op de periode na 3 oktober 2018, de eerste dag waarop de politie ‘meeleest’ met de via Ironchat verstuurde chatberichten.
De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat een observatieteam op 29 oktober 2018 een persoon die gebruikmakend van de accountnaam [naam 1] via de chat heeft afgesproken met [betrokkene 1] niet heeft herkend als verdachte, terwijl verdachte op 7 oktober 2018 wel door een observatieteam is herkend. De raadsman is van mening dat het observatieteam verdachte daarom ook op 29 oktober 2018 had moeten herkennen als verdachte inderdaad met [betrokkene 1] had afgesproken. Naar het oordeel van het hof volgt uit het feit dat het observatieteam verdachte op 29 oktober 2018 niet herkend heeft niet dat verdachte toen niet ter plaatse aanwezig kan zijn geweest, in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de observanten die op 29 oktober 2018 de relevante, verdachte betreffende, observaties deden andere observanten waren dan de observanten die de observaties op 7 oktober 2018 hebben gedaan.
Het voorgaande mede in overweging genomen, heeft het hof geen redenen om aan de vaststellingen zoals gedaan in het proces-verbaal van identificatie te twijfelen. Het hof zal er daarom in het hiernavolgende van uitgaan dat verdachte in ieder geval vanaf 3 oktober 2018 de gebruiker van het account [naam 1] was.
(…).
Periode van betrokkenheid van verdachte bij feit 3
Het hof komt op grond van de onder de kop 'Productie van en handel in drugs (Feit 3)' vastgestelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat het bitcoinadres waarover verdachte en zijn medeverdachten konden beschikken in de gehele tenlastegelegde periode gebruikt is voor transacties van [naam 16] op [website] . Verdachte en medeverdachten refereren daarnaast in diverse chats aan een periode dat ze in de drugshandel actief zijn.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de chats van verdachte dat hij al langere tijd deel uitmaakte van een organisatie die handelde in verdovende middelen. Verdachte geeft er in de chats blijk van dat hij zaken voor de organisatie heeft geregeld en nog zal kunnen regelen en dat hij op dat moment zeer goed op de hoogte was en is van de gang van zaken. De deelname van verdachte speelde al vóór het moment dat [betrokkene 3] vast kwam te zitten, zo leidt het hof af uit het feit dat getuige [getuige 1] geld ging langsbrengen bij een smartshopwinkel in [plaats] , waarvan de eigenaar in [plaats] woonde, en waarbij [betrokkene 3] het contact regelde. Het hof neemt aan dat het geld door [getuige 1] bij verdachte werd langsgebracht, gelet op het feit dat verdachte vanaf 1 oktober 2016 eigenaar van een smartshop in [plaats] was en in [plaats] woonde. Dat de getuige naar aanleiding van een aan hem getoonde foto van verdachte heeft verklaard dat hij de persoon op de foto als [betrokkene 2] kende doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af.
Het hof constateert dat op basis van de in het dossier aanwezige berichten niet vastgesteld kan worden dat verdachte al vanaf april 2017 (zoals ten laste gelegd) werkte voor de organisatie en zich bezighield met de onder 3 tenlastegelegde feiten. Wel is het hof van oordeel dat verdachte voor het opbouwen van zijn positie en het verwerven van een netwerk om zaken voor elkaar te krijgen zeker enkele maanden nodig heeft gehad. Het hof zal zich daarom voor de aanvang van de pleegperiode baseren op dit oordeel en op het hiervoor overwogene. Om die reden zal het hof vier maanden terugrekenen vanaf mei 2018, de maand waarin [betrokkene 3] gedetineerd raakte, en vaststellen dat verdachte in de periode van januari 2018 tot en met 6 november 2018 drugs heeft geproduceerd en in drugs heeft gehandeld.”
De bespreking van het middel
Het hof heeft het verweer van de verdediging over de identificatie van de verdachte als de gebruiker van het account ‘ [naam 1] ’ als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangemerkt. De reactie van het hof op dat standpunt houdt in de kern (en voor zover in cassatie van belang) in dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] waarop de verdediging doelt zien op de periode van vóór juni 2018. De bevindingen uit het proces-verbaal identificatie [verdachte] bevatten gegevens van na die tijd, namelijk van na 3 oktober 2018. Ook al zou de verdachte vóór juni 2018 niet de gebruiker van het account ‘ [naam 1] ’ zijn geweest, dan kan uit het bedoelde proces-verbaal alsnog worden afgeleid dat de verdachte dat vanaf 3 oktober 2018 wél was, aldus het hof.
Het proces-verbaal identificatie [verdachte] (van 19 november 2018) waarnaar in het pleidooi is verwezen en waarop het hof zich heeft gebaseerd, bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken en houdt onder meer in:
- het adres [naam 1] komt voor in het adresboek van een aantal andere chatadressen. De volgende namen worden gekoppeld aan dit adres: [naam 4] , [naam 2] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 1] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 1] , [naam 10] . Deze namen worden door andere gebruikers gegeven aan het account [naam 1] ;
- getuige [getuige 1] heeft op 20 juni 2018 verklaard dat hij de naam achter het account [naam 1] niet kende, maar wel wist dat ‘ [naam 1] ’ uit [plaats] kwam;
- het IP-adres achter het account van ‘ [naam 1] ’ is terug te leiden naar het adres [a-straat 1] in [plaats] . Dat adres is volgens gegevens van de Kamer van Koophandel het bezoekadres van een onderneming waarin de verdachte vennoot is;
- op 7 oktober 2018 vindt een chatgesprek plaats tussen ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 3] ’ (geïdentificeerd als [betrokkene 1] ) waarin [naam 1] zegt: ‘na rechtsslaan. [c-straat] . Ik ben daar ook. Zie je me lopen’. Het observatieteam ziet op die dag een man die zij herkennen als de verdachte op de [c-straat] in [plaats] contact maken met [betrokkene 1] ;
- op 14 oktober 2018 stuurt ‘ [naam 1] ’ aan ‘ [naam 3] ’ dat hij naar zijn winkel kan komen in de ‘ [a-straat 1] ’;
- op [...] 2018 een stuurt ‘ [naam 1] ’ een bericht naar het account van medeverdachte [betrokkene 4] waarin hij aangeeft die dag jarig te zijn en 32 te zijn geworden. Uit de GBA blijkt dat de verdachte is geboren op [geboortedatum] 1986.
Voor zover het middel in zijn algemeenheid klaagt dat het hof (zonder toereikende motivering) is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat een ander dan de verdachte gebruikmaakte van het account ‘ [naam 1] ’, faalt het in ieder geval deels wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof overweegt immers expliciet dat niet valt uit te sluiten dat de door getuige [getuige 1] beschreven persoon, met de door hem beschreven kenmerken, inderdaad niet verdachte betrof en dat in de periode waarover [getuige 1] is verhoord een andere persoon de gebruiker van het account ‘ [naam 1] ’ was. In zoverre wijkt het hof dus niet af.
Wél wijkt het hof af van het ingenomen standpunt voor zover het gaat om de periode vanaf 3 oktober 2018. Het hof stelt vast dat de verdachte in ieder geval vanaf die datum, de eerste dag waarop de politie ‘meeleest’ met de via Ironchat verstuurde chatberichten, kan worden aangemerkt als gebruiker van het account ‘ [naam 1] ’. Dat is – anders dan de steller van het middel betoogt – niet toevallig. Het hof overweegt immers dat de bevindingen zoals beschreven in het proces-verbaal identificatie betrekking hebben op de periode ná 3 oktober 2018. Die bevindingen – zo begrijp ik het hof – wijzen in de richting van de verdachte als gebruiker van het account ‘ [naam 1] ’ en het enkele feit dat, zoals in hoger beroep werd bepleit, de verdachte tijdens een observatie van 7 oktober 2018 wel en tijdens een observatie van 29 oktober 2018 niet is herkend, is voor het hof geen reden om daaraan te twijfelen. Daarmee heeft het hof mijns inziens toereikend gemotiveerd waarom het de verdachte in ieder geval vanaf 3 oktober 2018 aan het gebruikersaccount ‘ [naam 1] ’ koppelt en waarom het in zoverre van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging afwijkt. Het oordeel van het hof op dit punt acht ik bovendien niet onbegrijpelijk.
4. Slotsom
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 25 oktober 2025 is overschreden. Dat dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. Voor het overige heb ik geen ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G