Nummer 23/02071 P
Zitting 9 december 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 16 mei 2023 (parketnr. 22-001678-21) het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden bevestigd, en daarmee het door de betrokkene wederrechtelijk vergregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 36.025,90 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 720 dagen.
2. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene 23/02070. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. H. Akbaba, advocaat in Breda, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
De strafzaak
4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag de betrokkene bij arrest van 16 mei 2023 veroordeeld ter zake van, samengevat, het opzettelijk telen en het opzettelijk aanwezig hebben van 339 hennepplanten (feit 1) en gekwalificeerde diefstal van elektriciteit (feit 2).
Het eerste ‘middel’
5. Het eerste ‘middel’ strekt tot vernietiging van de uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de strafzaak gegrond worden bevonden.
6. Het is vaste rechtspraak dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht betreft over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. In een ontnemingszaak kan derhalve niet worden aangevoerd dat eventuele gebreken in de strafzaak noodzakelijkerwijs moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv uitkomst bieden. Het namens de betrokkene aangevoerde is dus niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet.
Het tweede middel
7. Met het tweede middel wordt opgekomen tegen de grondslag van de ontnemingsvordering. Aangevoerd wordt dat “de ontnemingsmaatregel enkel [is] gebaseerd op de bewezenverklaring van het strafbare feit”, terwijl de betrokkene “geen enkele bemoeienis [heeft] gehad met de hennepkwekerij”. Volgens de steller van het middel is dus ook geen sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel.
8. De klacht dat de betrokkene geen bemoeienis zou hebben gehad bij de hennepkwekerij, ziet op (een gesteld gebrek in de motivering van) de bewezenverklaring in de strafzaak. Daarover kan in de ontnemingszaak echter niet met vrucht worden geklaagd. Mocht een klacht met een gelijkluidende strekking in de strafzaak succes hebben, dan doet het al genoemde artikel 511i Sv zijn werk.
9. Dan de klacht dat de ontnemingsmaatregel enkel is gebaseerd op de bewezenverklaring. Ook die klacht faalt, want het staat de ontnemingsrechter vrij om de ontnemingsmaatregel uitsluitend daarop te gronden. Hoewel de ontnemingsprocedure volgens de wettelijke regeling een zelfstandige procedure betreft, mag immers niet uit het oog worden verloren dat de ontnemingsprocedure een afsplitsing (een ‘sequeel’) is van de strafzaak waarin de veroordeling is uitgesproken. De rechter die over een ontnemingsvordering moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. Die gebondenheid komt vooral tot uiting bij de bewijsvraag. De gedragingen die in de strafzaak bewezen zijn verklaard, staan in de ontnemingsprocedure vast.
10. Het middel faalt.
Het derde middel
11. Het derde middel bevat de klacht dat door het hof “de volledige investeringskosten en de kosten voor de gestelde 2 kweekperioden onvoldoende zijn meegenomen”.
12. De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep van 2 mei 2023 (blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, p. 5) desgevraagd verklaard: “Ik wil uw hof vragen om de pleitnota ter terechtzitting in eerste aanleg als voorgehouden te beschouwen.” Bovendien merkte de verdediging (blijkens het proces-verbaal van die zitting, p. 6) op: “Ik verwijs naar de toelichting grieven d.d. 28 april 2023, deze fungeert als pleitnota.” Volgens het proces-verbaal van de zitting heeft (de voorzitter van) het hof noch op het een, noch op het andere expliciet gereageerd, dan wel beslist.
13. Hieruit leid ik af dat ter zitting géén (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt is ingenomen over (volledige) investeringskosten die de betrokkene over twee kweekperiodes zou hebben gemaakt. Daarop stuit het middel reeds af.
Slotsom
14. Het eerste ‘middel’ is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet. Het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak niet binnen een termijn van twee jaar na het instellen van cassatieberoep uitspraak zal doen. De rechter naar wie de strafzaak m.i. moet worden verwezen, zal hierop acht dienen te slaan. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG