PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03883
Zitting 9 december 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 29 augustus 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-005463-21) op grond van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 december 2021.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaten E.M. Bakx en R.P. Snorn hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De middelen
Het eerste middel klaagt dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard, terwijl de verdachte niet rechtsgeldig is opgeroepen voor de terechtzitting van 29 augustus 2023 omdat niet blijkt dat die oproeping op de juiste wijze aan de verdachte is betekend. Het tweede middel klaagt dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard, terwijl niet blijkt dat de advocaat van de verdachte een afschrift heeft ontvangen van de oproeping voor de terechtzitting van 29 augustus 2023. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Uit de stukken van het geding blijkt dat de terechtzitting in hoger beroep gepland stond op 25 juli 2023, maar dat de raadsman van de verdachte reeds op 24 mei 2023 per brief heeft verzocht om aanhouding van de zaak. Op de zitting van 25 juli 2023 heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst.
De terechtzitting in hoger beroep heeft vervolgens plaatsgevonden op 29 augustus 2023. De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen en de raadsman van de verdachte heeft – zo blijkt uit een e-mail van de raadsman van 21 augustus 2023 aan het hof – de verdediging neergelegd, zodat er op die terechtzitting ook geen raadsman aanwezig was. Het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding (ik begrijp: de oproeping voor de terechtzitting van 29 augustus 2023) op de juiste wijze is betekend aan de verdachte. Het hof heeft daarna verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en hem op grond van art. 416 lid 2 Sv niet ontvankelijk verklaard.
Beide middelen richten zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep en voeren in dat kader aan dat de verdachte en zijn raadsman niet op de juiste wijze zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 29 augustus 2023.
Op grond van art. 320 lid 1 in verbinding met art. 415 lid 1 Sv diende de verdachte voor de terechtzitting van 29 augustus 2023 te worden opgeroepen. Op grond van art. 48 Sv had de (ten tijde van de oproeping nog gestelde) raadsman van de verdachte een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting van 29 augustus 2023 moeten ontvangen.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een oproeping van de verdachte in hoger beroep van 27 juli 2023, waarin hij wordt opgeroepen om op 29 augustus 2023 bij het hof te verschijnen. Bij de stukken bevindt zich evenwel niet de akte van uitreiking die daarbij hoort. Een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad heeft op 15 maart 2024 bij het hof de betekeningsstukken van de oproep voor de behandeling van de zitting van 29 augustus 2023 opgevraagd. Uit de daarop verkregen reactie kan worden afgeleid dat de betekeningsstukken betreffende de oproeping voor de terechtzitting van 29 augustus 2023 zich niet in het dossier van het hof bevinden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is betekend.
Daarnaast bevindt zich bij de stukken van het geding een kopie van de hiervoor bedoelde oproeping van de verdachte in hoger beroep, waarop de naam en het (kantoor)adres van de raadsman zijn vermeld. Op dit stuk staat echter geen mededeling waaruit blijkt dat een afschrift van de oproeping daadwerkelijk is verzonden naar de raadsman. Zo’n vaststelling kan ook niet op basis van de overige stukken van het dossier worden gedaan. Daarom moet worden aangenomen dat ten aanzien van de oproeping van de verdachte in hoger beroep het voorschrift van art. 48 Sv niet is nageleefd.
3. Slotsom
Beide middelen zijn terecht voorgesteld. De omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld dat de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 29 augustus 2023 op de juiste wijze is betekend, zoals in het eerste middel terecht wordt aangevoerd, moet leiden tot nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting van 29 augustus 2023.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als de zaak conform van deze conclusie wordt teruggewezen, zal de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting op 29 augustus 2023.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG