PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00334 B
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [plaats],
hierna: de klaagster.
1. Inleiding
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (raadkamernr. 23/028299) heeft bij beschikking van 30 mei 2024 het beklag strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag ongegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaken 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00328, 25/00330, 25/00331, 25/00332, 25/00333 en 25/00335. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins, allen advocaat in Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.
2. De procedure
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
De onderhavige beklagprocedure speelt tegen de achtergrond van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. Dat onderzoek richt zich (onder meer) tegen de verdachten [medeklager 1] (25/00330), [medeklaagster 2] (25/00335) en [medeklager 3]. (25/00322), die verdacht worden van het – kort gezegd – illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, het witwassen van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Met het oog op de ontneming van het in dat kader wederrechtelijk verkregen voordeel is (met name) in juni 2021conservatoir beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende zaken, te weten: een woning, een vakantiehuis, een perceel bouwgrond, een tweetal voertuigen, zestien effectenportefeuilles, vijftien bankrekeningen en een vordering op een vennootschap. Op deze voorwerpen is mede beslag gelegd onder de rechtspersonen [klaagster] (de klaagster), [medeklager 4] (25/00328), [medeklager 5] (25/00333) en [medeklager 6] (25/00336). Deze voorwerpen bevinden zich in Luxemburg, Zwitserland en België, alwaar [medeklager 1] en [medeklaagster 2] sinds 2013 woonachtig zijn.
Ten aanzien van de klagers [medeklager 1], [medeklaagster 2] en [medeklager 3] is op 24 november 2020 door de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant een machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv. Voor de klagers [medeklager 4], [medeklager 5], [medeklager 6] en [klaagster] is geen machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek.
Namens de klaagster is, na zich eerder herhaaldelijk en tevergeefs (schriftelijk) tot het openbaar ministerie te hebben gewend, op 10 november 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Dat ‘overbeslag’ komt volgens de klager neer op meer dan 46 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft op 7 april 2024 schriftelijk op dat klaagschrift gereageerd. Op 19 april 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld, waarna de rechtbank dit bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.
3. Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank ter beoordeling van het klaagschrift van de klager een onjuiste toets heeft aangelegd.
Dit middel slaagt om de redenen vermeld in mijn conclusie in de zaak van de medeklaagster [medeklager 4] (25/00328).
4. Afronding
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG