PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02428
Zitting 11 maart 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 13 juni 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens in de zaak met parketnummer 16-177668-21 onder 1 “zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren”, in de zaak met parketnummer 16-177668-21 onder 2 “zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren” en in de zaak met parketnummer 16-325246-21 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarbij bijzondere voorwaarden gesteld. Daarnaast heeft het hof drie inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven honden verbeurdverklaard.
Namens de verdachte heeft J.C.H. Pronk, advocaat in Apeldoorn, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het eerste middel klaagt dat art. 359 lid 6 Sv is geschonden doordat het hof de oplegging van een gevangenisstraf niet specifiek heeft gemotiveerd.
Art. 359 lid 6 eerste volzin Sv luidt:
“Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.”
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Volgens vaste rechtspraak is art. 359 lid 6 Sv alleen van toepassing bij de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Het hof hoefde de oplegging dus niet op de voet van art. 359 lid 6 Sv nader te motiveren. Daaraan doet niet af dat, zoals in de schriftuur wordt gesteld, er een “objectiveerbaar hoger risico ten opzichte van het gemiddelde” is dat de verdachte een voorwaarde overtreedt en dan de gevangenisstraf moet ondergaan “omdat er sprake lijkt te zijn van iemand bij wie het geestelijk niet zo heel erg goed ging”.
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
Het tweede middel klaagt dat de opgelegde bijzondere voorwaarden in strijd zijn met art. 14c Sr en met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
De beslissing van het hof houdt onder meer in:
“Het hof:
[…]
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie.”
Het hof heeft over de strafoplegging overwogen:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van één van zijn honden (een pup), waardoor het pijn en letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het onthouden van de nodige verzorging aan zijn honden. De verdachte heeft hiermee de op hem, als houder van die dieren, rustende verantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn honden miskend. Het houden van dieren is niet vrijblijvend. Wie dieren houdt, draagt daar ook verantwoordelijkheid voor. Dieren zijn machteloos en zijn afhankelijk van hun verzorger. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de rechthebbende.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 28 april 2023, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder is veroordeeld ter zake van feiten strafbaar gesteld in de Wet dieren. Het hof heeft gezien dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vernieling. Daarbij merkt het hof echter op dat het gaat om een veroordeling uit 2010, waardoor het hof deze veroordeling niet heeft meegewogen bij de oplegging van de straf.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient er tevens toe om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof ziet eveneens aanleiding om te bepalen dat verdachte gedurende de proeftijd geen honden mag houden. Het hof zal de door de rechtbank geformuleerde bijzondere voorwaarde daarom opnieuw aan de voorwaardelijke straf verbinden.”
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Art. 14c lid 2, 3 en 6 Sr:
“2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
[…]
14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
[…]
b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
[…]
6. De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”
- Art. 6:3:14 lid 1 en 3 Sv:
“1. Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van:
a. voorwaarden die zijn gesteld bij:
[…]
4°. een veroordeling waarin de rechter heeft bepaald dat de straf of maatregel of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd […].
3. De onder toezicht gestelde is verplicht medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht. […].”
De Hoge Raad heeft over de bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr en het toezicht daarop overwogen:
“2.3.2 Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr moet het gedrag van de veroordeelde betreffen (hierna ook: gedragsvoorwaarde). Het gaat daarbij om voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Onder ‘voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde’ moeten daarbij worden verstaan voorwaarden die strekken tot het voorkomen van strafbaar gedrag van de veroordeelde. Bij ‘voorwaarden die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht’ gaat het om voorwaarden die een gedraging van de veroordeelde betreffen waartoe hij naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden is, bijvoorbeeld jegens slachtoffers van het bewezenverklaarde feit. De gedragsvoorwaarde moet voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift formuleren. Zij mag echter niet gedrag van de veroordeelde omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen. (Vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807.)
Op grond van artikel 14c lid 3, aanhef en onder b, Sr is aan het stellen van een bijzondere voorwaarde van rechtswege onder meer de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c lid 6 Sr. Daarnaast voorziet artikel 6:3:14 Sv in voorschriften en bevoegdheden in verband met het toezicht op de naleving van aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden. Deze regelingen staan er niet aan in de weg dat – voor zover dat, gelet op de mogelijkheden die de zojuist genoemde wettelijke bepalingen al bieden, aangewezen is – een gedragsvoorwaarde wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. (Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403). Bij het stellen van zo’n gedragsvoorwaarde moet zijn gewaarborgd dat het toezicht niet leidt tot een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde. Daarbij komt betekenis toe aan de vraag met welke frequentie en hoe de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mogen zijn. (Vgl. HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248).”
Het hof heeft twee bijzondere voorwaarden gesteld, te weten dat (i) “de veroordeelde geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders” en (ii) “de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie”.
De steller van het middel voert ten aanzien van de eerste bijzondere voorwaarde aan dat de gedragsaanwijzing onbegrijpelijk ruim is geformuleerd, omdat niet duidelijk is wanneer sprake is van het houden van een hond door een ander, op een andere plaats, ergens anders. Deze voorwaarde zou de vraag oproepen of de verdachte nu niet op bezoek mag bij een hondenbezitter.
De klacht over de eerste bijzondere voorwaarde berust naar mijn oordeel op een verkeerde lezing daarvan en faalt daarmee. De gedragsvoorwaarde houdt in dat de verdachte zelf geen hond(en) mag houden en (kennelijk als eigenaar daarvan) deze hond(en) ook niet door een ander mag laten houden. Het hof lijkt daarmee te willen uitsluiten dat de verdachte gedurende de proeftijd, al dan niet tijdelijk, de beschikking krijgt over zijn honden. Ik lees in de bijzondere voorwaarde niet dat de veroordeelde niet op bezoek zou mogen gaan bij een hondenbezitter.
Ten aanzien van de tweede bijzondere voorwaarde voert de steller van het middel aan dat het toezicht op geen enkele manier is gespecificeerd of beperkt. De steller van het middel geeft als voorbeelden dat de politie daardoor (i) zonder verdenking of andere aanleiding, bijvoorbeeld midden in de nacht, bij de verdachte kan aanbellen en toegang kan eisen, bijvoorbeeld om te zien of er geen honden zijn, (ii) de verdachte kan vragen om, overal waar zij hem tegen komen, mee te gaan naar de woning en die te openen, zodat de politie kan zien dat daar geen honden zijn en (iii) de verdachte kan vragen zich te melden op het politiebureau.
De klacht over de tweede bijzondere voorwaarde, die inhoudt “dat de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie”, is volgens mij gegrond. De gedragsvoorwaarde is immers volstrekt ongeclausuleerd en komt erop neer dat de verdachte zonder enige beperking moet meewerken aan controles door de politie. Uit de voorwaarde blijkt niet hoe vaak en op welke wijze de controles mogen worden uitgevoerd en hoe is gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte daarbij niet verdergaand dan nodig wordt beperkt. In zoverre slaagt het middel.
Ik heb mij vervolgens afgevraagd wat daarvan het gevolg moet zijn. Na vernietiging van de bijzondere voorwaarde die de verdachte tot medewerking aan politiecontroles verplicht, zou geen toezicht meer mogelijk zijn op de naleving van de bijzondere voorwaarde van het verbod tot het houden van honden. Ik zie dan twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is het vernietigen van de strafoplegging, zodat de rechter na terugwijzing opnieuw een houdverbod kan opleggen met daaraan verbonden toezicht. De tweede mogelijkheid is dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet door de twee bijzondere voorwaarden in onderlinge samenhang te bezien en – omdat het houdverbod toezicht vergt – deze allebei te vernietigen vanwege het slagen van de klacht over de bijzondere voorwaarde met betrekking tot het toezicht. In dat geval hoeft geen terugwijzing te volgen.
Wat mij betreft, is in deze zaak dat laatste het meest doelmatig. De uitspraak in deze zaak in eerste aanleg, waarin dezelfde twee bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, is gedaan op 18 maart 2022. In die uitspraak zijn, net als in de uitspraak van het hof van 13 juni 2023, de in beslaggenomen en niet teruggeven honden van de verdachte verbeurdverklaard. In cassatie is niet over die verbeurdverklaring geklaagd, zodat deze met de uitspraak van de Hoge Raad onherroepelijk wordt. De verdachte is zijn honden dan al zo’n drie jaar kwijt en krijgt ze niet meer terug. Hij heeft bovendien – zo is in ieder geval door de verdediging naar voren gebracht – geen honden meer gehad ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg, de terechtzitting in hoger beroep, en de indiening van de cassatieschriftuur. Ik meen daarom dat het doel van de bijzondere voorwaarden al is behaald en dat het niet doelmatig is de hele strafoplegging te vernietigen en de zaak terug te wijzen. De Hoge Raad kan volstaan met het vernietigen van beide bijzondere voorwaarden.
Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
4. Het derde middel
Het derde middel klaagt over de duur van de bijzondere voorwaarde van het verbod tot het houden van honden.
Omdat het tweede middel slaagt en in verband daarmee naar mijn oordeel ook deze bijzondere voorwaarde moet worden vernietigd, behoeft het derde middel geen bespreking.
5. Slotsom
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt en de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Het derde middel behoeft geen bespreking.
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarden dat “de veroordeelde geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders” en “de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG