PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00459 Bv
Zitting 18 februari 2025
AANVULLENDE CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de klager
1. Op 17 december 2024 heb ik een conclusie genomen in deze beklagzaak. In die conclusie adviseerde ik de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager, een verschoningsgerechtigde advocaat, te verwerpen en de zaak af te doen met een op art. 81 RO gebaseerde overweging.
2. Inmiddels is uit een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt ‘uittreksel uit een overlijdensakte’ van 13 februari 2025 gebleken dat de klager op 24 juni 2024 in die gemeente is overleden.
3. De wet bevat geen voorziening voor de verdere behandeling van een beklag ex art. 552a Sv na het overlijden van de klager. De Hoge Raad heeft echter uitgemaakt dat in een dergelijk geval het beklag moet worden geacht te zijn vervallen en de bestreden beschikking moet worden vernietigd. Het middel behoeft om die reden geen bespreking meer.
4. Op zichzelf ligt het voor de hand deze lijn ook in de onderhavige zaak te volgen. Desalniettemin heb ik mij de vraag gesteld of deze lijn ook is aangewezen in beklagzaken waarin het verschoningsrecht van de advocaat speelt. Het verschoningsrecht is immers een groot goed, waarvoor in de wet en de jurisprudentie bijzondere voorzieningen zijn getroffen ter waarborging van dit recht. Ik zie echter niet in waarom de bijzondere aard van het verschoningsrecht ertoe zou moeten leiden, dat wanneer de klager een verschoningsgerechtigde advocaat is en deze gedurende de beklagprocedure komt te overlijden, het functionele verschoningsrecht zou dwingen tot een andere afdoening dan de vernietiging van de bestreden beschikking en het verval van het beklag. Mij zijn ook geen voorbeelden bekend van zaken waarin de Hoge Raad om bijzondere redenen van deze lijn is afgeweken en anders heeft geoordeeld.
5. Ten overvloede merk ik nog op dat de vernietiging van de bestreden beschikking en het verval van het beklag in de onderhavige zaak geen gevolgen heeft voor de in het klaagschrift verzochte en kennelijk reeds in 2016/2017 gerealiseerde teruggave van schriftelijke geheimhouderstukken en digitale gegevensdragers aan de cliënt van de klager. Voor zover op de server van de opsporingsautoriteiten nog kopieën van die teruggegeven digitale gegevensdragers staan – met daarop onder het verschoningsrecht van de advocaat vallend materiaal –, dan is het aan een eventueel opvolgend advocaat om ook hierop actie te ondernemen. Afhankelijk van de stand van zaken in de strafzaak kan worden gedacht aan een nieuw, specifiek hierop gericht beklag ex art. 552a Sv in verband met art. 98 Sv of aan een civiele procedure.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en zal verstaan dat het beklag is vervallen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden