ECLI:NL:PHR:2025:242

ECLI:NL:PHR:2025:242, Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2025, 23/04930

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 18-02-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/04930
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:743
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. In hoedanigheid van lichaamsgericht therapeut ontuchtige handelingen verrichten met slachtoffer in behandelrelatie. Falende klacht over opgelegde ontzetting uit beroep. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 RO).

Uitspraak

Nummer23/04930

Zitting 18 februari 2025

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

hierna: de verdachte

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 6 december 2023 het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 februari 2022 bevestigd, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en wat betreft de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de bijzondere voorwaarde die aan het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf is verbonden. Het hof heeft het vonnis in zoverre vernietigd.

2. De rechtbank had de verdachte bij het genoemde vonnis wegens “werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en aan de voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangever en diens ouders verbonden. Daarnaast had de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een ontzetting van het recht om een beroep als hulpverlener in de maatschappelijke zorg (waaronder therapeut/coach) uit te oefenen voor de duur van vier jaren. Tot slot had de rechtbank een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het vonnis vermeld.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel klaagt over de opgelegde ontzetting van het recht een beroep uit te oefenen.

De strafmotivering

5. De door de rechtbank opgelegde ontzetting uit een beroep, die door het hof is bevestigd, is als volgt geformuleerd:

“een ontzetting van het recht om een beroep als hulpverlener in maatschappelijke zorg (waaronder therapeut/coach) uit te oefenen voor de duur van 4 jaren.”

6. De motivering van deze bijkomende straf, die door het hof is bevestigd, luidt:

“Tevens zal de rechtbank verdachte ontzetten uit zijn recht om het beroep als lichaamsgericht therapeut uit te oefenen voor de duur van 4 jaren.”

Een nadere omschrijving van het middel

7. Het middel komt op tegen de motivering van de opgelegde ontzetting van het recht van de verdachte om een beroep als hulpverlener in de maatschappelijke zorg (waaronder therapeut/coach) uit te oefenen. De steller van het middel betoogt dat de formulering van deze bijkomende straf – voor zover het verbod meer bestrijkt dan het verrichten van werkzaamheden als lichaamsgericht therapeut – niet voldoet aan het vereiste dat de ontzetting betrekking moet hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbare feit is begaan (hetgeen aanleiding geeft tot nietigheid van het arrest).

De bespreking van het middel

8. Op grond van artikel 28 lid 1 sub 5 Sr kan een verdachte worden ontzet van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Die mogelijkheid bestaat in de bij de wet bepaalde gevallen en als het strafbare feit is begaan in de uitoefening van dat beroep. De ontzetting moet betrekking hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan.

9. Het hof heeft de verdachte (door het vonnis van de rechtbank in zoverre te bevestigen) veroordeeld wegens “werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd”. Blijkens het dictum van het bevestigde vonnis is aan de verdachte “een ontzetting van het recht om een beroep als hulpverlener in maatschappelijke zorg (waaronder therapeut/coach) uit te oefenen voor de duur van 4 jaren”, opgelegd. Deze bijkomende straf is gemotiveerd met de overweging dat de verdachte zal worden ontzet uit zijn recht “om een beroep als lichaamsgericht therapeut uit te oefenen”. Voorts is in de strafmotivering overwogen dat de “verdachte (…) in zijn hoedanigheid van lichaamsgericht therapeut, ontuchtige handelingen [heeft] verricht met het slachtoffer, dat zich voor hulp tot hem had gewend en zich gedurende hun behandelrelatie in een kwetsbare en afhankelijke positie bevond. De verdachte heeft langdurig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van het slachtoffer (…) juist vanuit verdachtes rol als therapeut mocht van de verdachte professionaliteit en extra behoedzaamheid worden gevergd (…) Daar komt nog bij dat het slachtoffer zich tot de verdachte heeft gewend voor hulp bij het verwerken van, nota bene, eerder seksueel misbruik”.

10. Het voorgaande wijst uit dat het hof met de bijkomende straf een beroepsverbod voor ogen heeft gehad waarbij de verdachte voor een periode van vier jaar wordt ontzet van zijn recht een beroep als hulpverlener in de maatschappelijke zorg – waaronder ((lichaamsgericht) therapeut/coach) – uit te oefenen. De klacht dat het door het hof beoogde beroepsverbod slechts het werk als lichaamsgericht therapeut omvat, faalt.

11. Ook de klacht dat het beroepsverbod “te ruim is geformuleerd”, nu daaronder (ook) werkzaamheden vallen die “op geen enkele manier verband houden met het strafbare feit”, heeft geen kans van slagen. Immers, anders dan de steller van het middel betoogt, acht ik ’s hofs oordeel dat het beroepsverbod in voldoende verband staat met de gedragingen die de verdachte worden verweten niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte in zijn hoedanigheid als therapeut is veroordeeld voor het plegen van ontucht met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd, en dat met het beroepsverbod juist wordt beoogd te voorkomen dat de verdachte zich de komende jaren als hulpverlener zal inzetten in de maatschappelijke zorg.

Slotsom

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?