2
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2017, dossierpagina’s 18-20, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :
Op 18 juni 2017 was ik ter plaatse bij het bedrijf [A] aan de [a-straat 1] te [plaats] in verband met een melding van diefstal van een vrachtauto vanaf het bedrijfsterrein door middel van braak. Van dit feit werd toen aangifte gedaan door [aangever] , eigenaar van het bedrijf [A] .
Op 28 juni 2017 heb ik de door die aangever verstrekte beelden bekeken. Ik zag bij het bekijken van het beeldmateriaal het volgende. Ik zag dat een donkerblauwe personenauto, 5-deurs hatchback model, werd geparkeerd op het terrein van het naast [A] gevestigde bedrijf aan dezelfde weg. Ik zag dat uit dat voertuig twee manspersonen stapten die de inrit van [A] opliepen. De inrit was afgesloten met een metalen schuifpoort welke was afgesloten. Ik zag dat de daders die inrit opliepen richting de poort en daarbij keken in de richting van de op het terrein geparkeerde vrachtauto. Ik zag dat beide daders even rondkeken, staand op die inrit waarna dader 1 naar de schuifpoort liep en daar overheen klom en op het bedrijfsterrein liep naar de bedieningskast van de poort, daar voorbij liep, verder het terrein op naar de voorzijde, naar de aldaar geparkeerde vrachtauto. Ik zag tevens dat dader 2 zich ophield op de inrit van [A] nabij de openbare weg. Ik zag dat dader 1 met zijn hand aan de handgreep van het linkerportier van de vrachtauto voelde en/of trok en dat dit portier gesloten bleef. Ik zag dat dader 1 ter hoogte van de linkerzijde van de cabine van de vrachtauto van [A] handelingen verrichte bij/aan het linkerportier van die vrachtauto. Vrij snel zag ik dat dader 1 dat portier opende en daarna instapte en plaatsnam achter het stuur. Intussen was dader 2 aan de overzijde van de weg zichtbaar, en leek op de uitkijk te staan.
Ik zag vervolgens dat dader 1 weer uitstapte en via het bedrijfsterrein van de vrachtauto naar de bedieningskast van de elektrische schuifpoort liep. Deze stond op de grond op het bedrijfsterrein bij de poort en was omsloten door een metalen kast/plaatwerk. Ik zag dat dader 1 met een onbekend voorwerp handelingen verrichtte aan de kast van de bediening van de schuifpoort en dat hij vervolgens met zijn blote handen de onderkant van het plaatwerk van die kast vastpakte en daaraan trok waardoor dit plaatwerk omhoog boog. Ik zag dat dader 1 verder ging met het omhoog buigen van het plaatwerk van die bedieningskast, wederom door met zijn blote handen aan de onderkant daarvan te trekken en op zijn knieën liggend in de kast keek door de ontstane opening. Nadat dader 1 dit gedaan had, zag ik dat hij weer terug over de poort klom en via de inrit in de richting van dader 2 liep, waarna beiden via de openbare weg terugliepen naar hun geparkeerde auto. Ik zag dat dader 1 eerst het rechterportier opende en daarna de kofferbak en deze ook weer sloot. Vervolgens zag ik dat beiden weer terugliepen naar het bedrijf van [A] . Vervolgens zag ik dat dader 1 weer de oprit van [A] opliep en een onbekend voorwerp neerlegde nabij het hekwerk waarachter de vrachtauto van [A] geparkeerd stond. Ook zag ik dat dader 2 zich ter hoogte van de inrit aan de straatkant ophield en later ook aan de overzijde van de rijbaan in de berm ophield.
Ik zag dat dader 1 wederom over de poort klom en over het bedrijfsterrein naar de vrachtauto van [A] liep en bij het hek aldaar dat neergelegde voorwerp oppakte. Ik zag dat dader 1 met dat voorwerp in de hand weer in de cabine van de vrachtauto ging zitten.
Ik zag toen dat de vrachtauto van [A] met dader 1 achter het stuur achteruit wegreed, op het bedrijfsterrein keerde en vooruit wegreed en weer stopte voor de poort van [A] .
Hierop zag ik dat dader 1 uitstapte en snel naar de bedieningskast van die poort liep en een hand in de opening van die kast stak: de opening welke hij had gemaakt door het plaatwerk omhoog te buigen.
Ik zag dat kort hierop dat de schuifpoort zich opende, dat dader 1 snel in de cabine van de vrachtauto stapte, achter het stuur plaatsnam en het bedrijfsterrein afreed terwijl de poort nog verder openschoof. Vervolgens zag ik dat dader 1 bij het einde van de oprit van [A] linksaf sloeg en wegreed [a-straat] op.
Ondertussen rende dader 2 terug naar de blauwe personenauto waarmee de daders gekomen waren, stapte in achter het stuur en reed met die auto weg over de rijbaan van [b-straat] , langs [A] , in dezelfde richting als de vrachtauto met dader 1. Ik zag dat de poort van [A] lopen bleef staan.
3
Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 21 juni 2017, dossierpagina’s 48-50, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op 21 juni 2017 zag ik een aandachtvestiging waarin een afbeelding werd getoond van personen, waarin herkenning werd verzocht in verband met diefstal van een vrachtauto in [plaats] . De persoon rechts herken ik als [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [plaats] aan [c-straat 1] . Ik ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Toen ik de fotografische beeldopname op de briefing zag, herkende ik de persoon rechts op de foto meteen als [verdachte] . Ik herkende hem aan zijn lichaamsbouw, en dan met name aan zijn stevige postuur. Daarnaast herkende ik hem aan zijn neus en met name aan zijn bolvormige wangen.
Op 14 april 2017 controleerde ik in [geboorteplaats] een Volkwagen met hierin twee inzittenden. De bestuurder van de Volkswagen legitimeerde zich als [verdachte] (rechts op de foto).
Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de afbeelding zag.
4
Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 21 juni 2017, dossierpagina’s 51-53, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Op 21 juni 2017 zag ik een aandachtvestiging waarin een afbeelding werd getoond van personen. De persoon rechts lijkt sterk op [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [plaats] aan [c-straat 1] . Ik ken de persoon ambtshalve. Ik herkende de persoon na nadere bestudering van de afbeelding. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt. Na het bestuderen van de getoonde foto ontstond bij mij een sterk vermoeden dat het ging om de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik herkende [verdachte] aan zijn enigszins ronde gezicht, donkere haren en donkere wenkbrauwen.”
7. Het arrest houdt met betrekking tot dit feit daarnaast het volgende in:
“Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van de parketnummers 01-010811-18, 01-0 74316-18 en 01-181424-18
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting integrale vrijspraak bepleit van hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de bewezenverklaring van de feiten in de kern berust op de vanaf camerabeelden gedane herkenningen van de verdachte door verbalisanten. De verdediging stelt, met verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBAMS:2020:5242), dat voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning verschillende elementen van belang zijn. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de camerabeelden of de stills daarvan van voldoende kwaliteit zijn. Hierbij is van belang wat de mate van kwaliteit van de beelden is en in hoeverre hierop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Het volgende beoordelingselement ziet op hoe goed de herkenner de verdachte kent. Het derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. De verdediging stelt zich op het standpunt dat in onderhavige zaken de herkenningen van de verbalisanten niet voldoen aan voornoemde beoordelingselementen, waardoor de verdachte, bij gebrek aan steunbewijs, integraal dient te worden vrijgesproken. (…)
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen steeds voorop staat dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Herkenning van een persoon op beeld vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en - wanneer het bewegend beeld betreft - de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten dele op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen. Het is niet zo dat een opsporingsambtenaar beter in staat is om personen te herkennen dan een rechter, het is wel zo dat een opsporingsambtenaar die de verdachte goed kent, een completer herinneringsbeeld heeft van de verdachte dan de rechter die de verdachte niet of alleen op de zitting heeft gezien.
Het hof heeft de camerabeelden bekeken en is op basis van haar eigen waarneming van oordeel dat de camerabeelden in de zaken met parketnummers 01-010811-18, 01-074316-18 en 01-181424-18 alsmede de stills in de zaak met parketnummer 01-010811-18 van voldoende kwaliteit en derhalve voldoende duidelijk zijn om als basis voor herkenning te dienen. Het hof stelt dat de gelaatskenmerken van de personen op de camerabeelden voldoende zichtbaar zijn.
Verder stelt het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verbalisanten, door wie de herkenningen zijn gedaan, goed bekend waren met zowel de verdachte alsmede [medeverdachte] .
In dat verband overweegt het hof als volgt.
In de zaak met parketnummer 01-010811-18
[verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van herkenning geverbaliseerd dat hem op 21 juni 2017 een aandachtvestiging werd getoond, waarin herkenning werd verzocht. De persoon rechts wordt door [verbalisant 1] herkend als [verdachte] , zijnde de verdachte. [verbalisant 1] beschrijft dat hij [verdachte] ambtshalve herkent. Aan de herkenning droegen als specifieke kenmerken bij de lichaamsbouw, met name het stevige postuur, de neus en de bolvormige wangen. [verbalisant 1] heeft geverbaliseerd dat hij op 14 april 2017 een auto controleerde met daarin onder andere [verdachte] en dat hij de persoon bij het zien van de afbeelding onmiddellijk herkende.
Ook [verbalisant 2] heeft in zijn proces-verbaal van herkenning geverbaliseerd dat hem een afbeelding werd getoond en dat de persoon rechts op de afbeelding sterkt lijkt op [verdachte] . [verbalisant 2] beschrijft dat hij de persoon ambtshalve kent en dat hij [verdachte] herkende aan zijn enigszins ronde gezicht en donkere wenkbrauwen.
Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de herkenningen betrouwbaar zijn en bezigt deze tot het bewijs. Uit beide processen-verbaal volgt dat de verbalisanten de verdachte ambtshalve kennen. Voorts is in de door hen opgemaakte processen-verbaal inzicht gegeven in de door hen op de foto’s waargenomen persoonskenmerken waaraan zij de verdachte herkennen. Dat op de foto’s de haarkleur van de verdachte niet zichtbaar is, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet daaraan niet af. Geen van de verbalisanten baseert de herkenning immers uitsluitend of in het bijzonder op de haarkleur van de verdachte.
(…)
Samenvattend is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de herkenningen van de verbalisanten in de zaken met parketnummers 01-010811-18, 01-0743 16-18 en 01-181424 18 betrouwbaar zijn en tot het bewijs kunnen worden gebezigd.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.”
8. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat sprake was van twee daders, waarvan één de verdachte was, maar kan – zoals de steller van het middel terecht opmerkt – niet worden afgeleid of het hof de verdachte heeft aangemerkt als dader 1 of als dader 2. Klaarblijkelijk heeft het hof geoordeeld dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij de rollen van beide verdachten min of meer inwisselbaar waren en heeft het zodoende voldoende gevonden dát de verdachte een van de twee daders was.
9. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
10. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan ten aanzien van dader 2 het volgende worden afgeleid:
(i) dader 2 is samen met dader 1 in een auto naar de plaats van de diefstal gereden;
(ii) dader 2 is samen met dader 1 de inrit opgelopen richting de poort, waarna zij beiden in de richting van de op het terrein geparkeerde vrachtauto keken;
(iii) dader 2 lijkt, buiten het bedrijfsterrein, op de uitkijk te hebben gestaan terwijl dader 1 aan de andere kant van de poort handelingen verrichtte bij de vrachtwagen en later bij de bedieningskast van de poort;
(iv) dader 2 is samen met dader 1 tussentijds teruggelopen naar de auto waarin zij waren aangekomen (waar dader 1 een portier en de kofferbak heeft geopend en waarna dader 1 voor de poort een voorwerp heeft neergelegd);
(v) dader 2 is (nadat dader 1 via de geopende poort in de vrachtwagen is weggereden) terug gerend naar de auto waarin zij waren aangekomen en met die auto weggereden in dezelfde richting als dader 1 met de vrachtwagen.
11. De hiervoor vermelde gedragingen van dader 2, in het bijzonder het op de uitkijk staan, worden gewoonlijk in verband gebracht met medeplichtigheid. Dit betekent dat het oordeel van het hof dat niettemin sprake is van medeplegen (een nauwe en bewuste samenwerking), nauwkeurig dient te worden gemotiveerd.De Hoge Raad lijkt in dit kader bereid om deze motivering in enige mate in te lezen, maar dan moeten de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden daarvoor wel houvast bieden. In de regel zal daartoe onvoldoende zijn dat ‘slechts’ is vastgesteld dat de verdachte tezamen met (een) medeverdachte(n) naar de pleegplaats is gereden, aldaar op de uitkijk heeft gestaan en vervolgens met de medeverdachte(n) is vertrokken.
12. Het arrest van het hof bevat met betrekking tot het onderhavige feit geen nadere bewijsoverweging. Gelet op het voorgaande kan zonder nadere motivering niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat dader 2 een zodanige bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de vrachtwagen dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen dader 1 en dader 2 kan worden gesproken. De bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 01-010699-18 is daarom niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.
13. Het is de vraag of het slagen van deze klacht tot cassatie moet leiden. Daarbij merk ik op dat betrokkenheid van de verdachte bij het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en niet ter discussie staat. Het gaat ‘slechts’ om de identificatie van de verdachte als dader 1 dan wel dader 2, waarbij dader 2 dan op basis van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen als medeplichtige zou moeten gelden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte weliswaar betoogd dat de herkenningen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt (waaraan het hof gemotiveerd voorbij is gegaan), maar was het niet de vraag op welke dader die herkenningen betrekking hadden. Daarom heb ik mij gepermitteerd ten aanzien van dat punt een blik over de zogenoemde papieren muur te werpen.
14. Uit het politiedossier maak ik op dat de verdachte daarin wordt aangemerkt als dader 1. Het in het eindproces-verbaal opgenomen relaas houdt onder meer het volgende in:
“Op betreffend beeldmateriaal is zichtbaar dat de verdachten arriveren bij het bedrijfspand aan [a-straat] in een personenauto. De [verdachte] klimt hierop over het afgesloten hekwerk, verschaft zich toegang tot de vrachtwagen welke op het bedrijfsterrein geparkeerd staat en forceert de elektronische bediening teneinde het hek te openen. De [medeverdachte] staat ten tijde van dit alles op de uitkijk aan de overzijde van het bedrijfspand. Door de [verdachte] wordt de betreffende vrachtwagen van het bedrijfsterrein gereden en weggenomen. De [medeverdachte] volgt hierin in de personenauto alwaar zij eerder gearriveerd waren.”
15. Daarnaast bevat het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het uitlezen van de camerabeelden, naast hetgeen als bewijsmiddel 2 is opgenomen, onder meer de volgende passage:
“Ik zag dat 1 manspersoon, verder steeds dader 1 genoemd, een blanke man was, normaal tot stevig postuur, op zijn hoofd een donkerkleurig petje met wit logo van het merk “puma”. Dader 1 was gekleed in een zwarte lange broek, donkere sportschoenen, een wit shirt met daarover een blauw jack. Ik zag dat dit jack een rode bies had op de zijkant van de mouw.
Ik zag dat de andere manspersoon, dader 2 genoemd, een blanke man was met een slank of tenger postuur, op zijn hoofd een petje, en gekleed in een blauwe lange broek, donkerkleurige sportschoenen en een zwart jack met een blauw vlak ter hoogte van de rechterborst. Deze dader rookte een sigaret.”
16. In de door het hof als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal waarin [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij “de persoon rechts” op de foto herkent als de verdachte (bewijsmiddel 3), is opgenomen dat hij hem onder meer herkent aan zijn “lichaamsbouw, en dan met name aan zijn stevige postuur”. Deze beschrijving past bij de beschrijving van “dader 1” in het proces-verbaal met betrekking tot de camerabeelden en niet bij de beschrijving van “dader 2” in dit proces-verbaal. Het politiedossier bevat daarnaast processen-verbaal waarin “de persoon links” op de foto door (andere) verbalisanten wordt herkend als de [medeverdachte] , aan zijn ““slungelige” resp. “slanke” postuur. Deze beschrijving past bij de beschrijving van “dader 2” in voornoemd proces-verbaal.
17. Op grond van het voorgaande kan worden gesteld dat het niet anders kan dan dat het hof de verdachte heeft gezien als de persoon die in het proces-verbaal van bevindingen dat het hof als bewijsmiddel (bewijsmiddel 2) heeft gebezigd wordt aangeduid als “dader 1”. Daarbij teken ik nog aan dat ik hiervoor geen contra-indicaties heb gevonden, niet in het dossier en – zoals gezegd – evenmin in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van het hof.
18. Nu het ervoor gehouden moet worden dat de verdachte in de onderhavige zaak door het hof is aangemerkt als “dader 1”, kan het middel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
19. Het middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
20. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 26 januari 2023, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Ik ga ervan uit dat dit tot vermindering van de door het hof opgelegde taakstraf zal (moeten) leiden.
21. Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige..
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG