ECLI:NL:PHR:2025:477

ECLI:NL:PHR:2025:477, Parket bij de Hoge Raad, 22-04-2025, 22/04525

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/04525
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1005
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Conclusie AG. Kwalificatie van bewezenverklaarde als misdrijf betreft kennelijke misslag. Het bestreden arrest dient te worden aangemerkt als een uitspraak betreffende een overtreding i.d.z.v. art. 427 lid 2 Sv. Nu geldboete van € 250,- is opgelegd, staat op grond van art. 427 lid 2 sub b Sv geen beroep in cassatie open. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/04525

Zitting 22 april 2025

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte

1. Het cassatieberoep

De verdachte is bij arrest van 18 november 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (21-005059-20), voor het vervoer/aanwezig hebben van 7,3 gram hasjiesj veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.

Het cassatieberoep is op 2 december 2022 ingesteld namens de verdachte. A.E.M.C. Koudijs, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 11 november 2020 te [plaats] heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 7,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“op 11 november 2020 te [plaats] heeft vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 7,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”

Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:

“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.”

Het bestreden arrest houdt als nadere overweging ten aanzien van het gebezigde bewijs onder meer het volgende in:

“(…) Nu bij binnenkomst in de PI diverse borden en folders te zien zijn waarop staat aangegeven dat er geen drugs meegenomen mogen worden de PI in, is het hof van oordeel dat verdachte tenminste in voorwaardelijke zin opzet had op het binnenbrengen van de hasj.”

Zoals hiervoor al aangegeven, is door het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,- opgelegd.

Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van een discrepantie tussen de tenlastelegging en bewezenverklaring enerzijds en de bewijsoverweging en de kwalificatie anderzijds. Aan de verdachte is – en dat is ook hetgeen bewezen is verklaard – de overtredingsvariant van (onder meer) art. 3 onder B Opiumwet ten laste gelegd. In de tenlastelegging ontbreekt immers het bestanddeel “opzettelijk”. Het hof heeft het bewezenverklaarde echter gekwalificeerd als de misdrijfvariant van voornoemd artikel, zoals strafbaar gesteld in art. 11 lid 2 Opiumwet. Die kwalificatie moet, gelet op de inhoud van de tenlastelegging en de bewezenverklaring, worden beschouwd als een kennelijke misslag (hetgeen in feite ook geldt voor de onder 2.4 weergegeven passage uit de bewijsoverweging). Het bestreden arrest dient dan ook te worden aangemerkt als een uitspraak betreffende een overtreding in de zin van art. 427 lid 2 Sv.

Aangezien het hof geen hogere straf heeft opgelegd dan een (geheel voorwaardelijke) geldboete van € 250,- staat op grond van art. 427 lid 2 sub b Sv tegen het bestreden arrest geen beroep in cassatie open. De verdachte kan dan ook niet worden ontvangen in het namens hem ingestelde beroep. Dat het bestreden arrest ook een uitspraak op een vordering tot tenuitvoerlegging bevat maakt dit niet anders, omdat een dergelijke beslissing buiten beschouwing blijft bij de beantwoording van de vraag of beroep in cassatie openstaat.

3. Slotsom

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?