PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02779
Zitting 25 april 2025
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[eiseres]
(hierna: [eiseres] )
tegen
[verweerder]
(hierna: [verweerder] )
In deze zaak staat de procesrechtelijke vraag centraal of het hof ’s-Hertogenbosch de hoofdzaak had moeten aanhouden in verband met een aanhangig voorlopig getuigenverhoor.
1. Procesverloop
In cassatie kan, voor zover thans van belang, van het volgende procesverloop bij het hof ’s-Hertogenbosch worden uitgegaan.
Bij appeldagvaarding van 11 oktober 2022 is [eiseres] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2022, waarin de rechtbank de vorderingen van [eiseres] heeft afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
Bij tussenarrest van 4 april 2023 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrenging bepaald, die op 26 juni 2023 heeft plaatsgevonden. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
De memorie van grieven van [eiseres] is op 3 oktober 2023 bij het hof ingediend, waarna de memorie van antwoord van [verweerder] op 14 november 2023 is ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2024. Hierbij heeft de advocaat van [eiseres] spreeknotities overgelegd. Er is kennelijk geen proces-verbaal van deze mondelinge behandeling opgemaakt.
Bij arrest van 30 april 2024 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen:
‘6.9.1. Gelet op het voorgaande falen alle grieven. Nu [eiseres] niet heeft voldaan aan haar stelplicht, komt het hof aan bewijslevering niet toe. Overigens heeft [eiseres] ook niet een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Zij heeft geen concrete feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. De advocaat van [eiseres] heeft niet verzocht om aanhouding van deze zaak, zodat in het (nog aanhangige) voorlopig getuigenverhoor getuigen kunnen worden gehoord. Het hof ziet daar ook ambtshalve geen aanleiding voor.’
[eiseres] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Tegen [verweerder] is verstek verleend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel 1 bevat valt uiteen in zes subonderdelen en is gericht tegen rov. 6.9.1 van het bestreden arrest. Het onderdeel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordelen onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert het onderdeel (onder 1.1 en 1.2) aan dat het bewijs dat via het voorlopig getuigenverhoor wordt verkregen onder meer zou worden gebruikt voor het voldoen aan de stelplicht. Ook is sprake van strijd met de goede procesorde, omdat het hof de zaak had moeten aanhouden vanwege het aanhangige voorlopig getuigenverhoor (onder 1.3). Het hof heeft in strijd gehandeld met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen door het voorlopig getuigenverhoor niet af wachten (onder 1.4) en had de zaak ambtshalve moeten aanhouden (onder 1.6).
Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop dat de hoofdzaak en het voorlopig getuigenverhoor procedureel los van elkaar staan. De rechter in de hoofdzaak is niet verplicht om de behandeling van de hoofdzaak aan te houden totdat het voorlopig getuigenverhoor is afgerond. Het kan wel in de rede liggen dat een rechter de behandeling van de hoofdzaak aanhoudt, omdat de uitvoering van een voorlopig getuigenverhoor nog niet is afgerond. Ook kunnen partijen om die reden verzoeken tot aanhouding. Dat het voorlopig getuigenverhoor door een partij kan worden gebruikt voor het voldoen aan haar stelplicht in de hoofdzaak, betekent niet dat de rechter in de hoofdzaak niet zou kunnen of mogen oordelen dat een partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht zolang het voorlopig getuigenverhoor nog niet heeft plaatsgevonden. De door het onderdeel verdedigde opvatting dat de rechter ambtshalve verplicht zou zijn om de behandeling van de hoofdzaak aan te houden, is ook onjuist. Van strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en met de goede procesorde is geen sprake. De klachten onder 1.1 t/m 1.4 en 1.6 falen daarom.
Het onderdeel (onder 1.5) betoogt dat de advocaat van [eiseres] wél heeft verzocht om aanhouding in afwachting van het voorlopig getuigenverhoor waardoor het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het onderdeel wijst op verschillende passages in de processtukken, die zowel afzonderlijk als in onderling verband niet anders kunnen worden gelezen dan dat om aanhouding is verzocht in afwachting van het voorlopig getuigenverhoor.
Het onderdeel faalt. Ik licht dat toe aan de hand van het procesdossier en de door mij ambtshalve bij de griffie van het hof opgevraagde rol- en archiefkaart, waaruit de volgende gang van zaken blijkt.
Op 26 juni 2023 heeft de mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de advocaat van [eiseres] heeft opgemerkt dat op 14 juli 2023 (dus binnen drie weken na de mondelinge behandeling na aanbrengen) een voorlopig getuigenverhoor gepland staat en dat hij heeft medegedeeld dat het voor [eiseres] belangrijk is om de uitkomst van die zitting af te wachten. Uit hetzelfde proces-verbaal blijkt echter ook dat het hof de zaak na deze mondelinge behandeling heeft verwezen naar de rol van 25 juli 2023 voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden. Door het verwijzen van de zaak naar een datum die is gelegen ná het geplande voorlopig getuigenverhoor voor akte uitlating voortprocederen, heeft het hof de zaak (feitelijk) aangehouden in verband met het geplande voorlopig getuigenverhoor op 14 juli 2023, waarna partijen zich konden uitlaten over (de wijze van) voortprocederen in de hoofdzaak.
Uit het procesdossier blijkt dat het op 14 juli 2023 geplande voorlopig getuigenverhoor geen doorgang heeft gevonden, omdat de getuige niet was verschenen.
Uit de rol- en archiefkaart van het hof blijkt dat de advocaat van [eiseres] zich op de rol van dinsdag 25 juli 2023 niet tijdig heeft uitgelaten, waarna het hof de zaak op de rol van 8 augustus 2023 heeft geplaatst voor ‘Beraad partijen/uitlaten omtrent voortprocederen’.
Op de rol van 8 augustus 2023 heeft de advocaat van [eiseres] een H16-formulier ingediend ‘m.b.t. uitstel memorie van grieven i.v.m. voorlopig getuigenverhoor zaak 200.318.741’ en is de zaak op de rol van 5 september 2023 geplaatst voor memorie van grieven.
Op de rol van 5 september 2023 heeft de advocaat van [eiseres] verzocht om vier weken uitstel voor memorie van grieven, waarna de zaak op de rol van 3 oktober 2023 is geplaatst voor memorie van grieven.
Op de rol van 3 oktober 2023 is de memorie van grieven genomen.
In de memorie van grieven staat, zoals het onderdeel aanvoert, opgenomen dat het horen van de getuige ‘wat [eiseres] betreft altijd de eerste stap is geweest tot het vaststellen van de feiten’, dat het horen van de getuige ten tijde van het opstellen van de memorie van grieven helaas nog niet heeft plaatsgevonden, dat [eiseres] afhankelijk van de uitkomst van het verhoor van de getuige nog een andere getuige wil horen en dat ‘[d]oor het – gedwongen – voortijdig (althans wat [eiseres] betreft!) nemen van de onderhavige memorie beginnen verschillende proceshandelingen door elkaar te lopen’. Uit de memorie van grieven blijkt dat er nog geen nieuwe datum voor het voorlopig getuigenverhoor is vastgesteld. Verder wordt in de memorie van grieven opgemerkt dat [eiseres] niet weet hoe de verzoekschriftprocedure verder zal verlopen.
In de memorie van antwoord van [verweerder] , die op 14 november 2023 is genomen, staat ten aanzien van het voorlopig getuigenverhoor opgenomen dat de raadsheer-commissaris [eiseres] opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld tot het horen van de getuige, maar dat [eiseres] op 4 augustus 2023 geen nieuwe verhinderdata heeft doorgegeven aan het hof ondanks dat zij daartoe conform het proces-verbaal gehouden was en dat derhalve wegens het handelen en/of nalaten van [eiseres] het getuigenverhoor niet heeft plaatsgevonden.
Uit de rol- en archiefkaart blijkt dat [eiseres] vervolgens op de rol van 28 november 2023 om een mondelinge behandeling heeft gevraagd. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2024. In de spreeknotities van de advocaat van [eiseres] wordt ten aanzien van het voorlopig getuigenverhoor het volgende opgemerkt:
‘De voornaamste reden om een mondelinge behandeling te vragen, was de verwachting dat [de getuige] [de getuige, A-G] inmiddels zou zijn gehoord en het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor zou zijn afgesloten. Helaas is dat niet het geval. De verzoekschriftprocedure is vorig jaar blijven “hangen”. Volgens mr. Bardoel [advocaat van [verweerder] , A-G] omdat [eiseres] iets zou hebben nagelaten waardoor haar beurt voorbij zou zijn gegaan. Volgens mij steunt deze uitleg op een onjuiste interpretatie van de stukken maar nadat mr. Bardoel mij heeft gedreigd (ik neem aan met een klacht), heb ik mij niet meer tot het gerechtshof gewend. Bovendien behoort die discussie niet in deze rolprocedure.’
Gelet op het bovenstaande heeft het hof met zijn oordeel – dat de advocaat van [eiseres] niet heeft verzocht om aanhouding van de zaak, zodat in het (nog aanhangige) voorlopig getuigenverhoor getuigen kunnen worden gehoord – niet gedoeld op de periode tot aan het geplande voorlopig getuigenverhoor van 14 juli 2023. Dat geplande voorlopig getuigenverhoor is immers door het hof en partijen afgewacht. Het bestreden oordeel van het hof ziet kennelijk op het ná 14 juli 2023 nog steeds aanhangige voorlopig getuigenverhoor. In cassatie is niet aangevoerd – en dat blijkt ook niet uit de rol- en archiefkaart en het procesdossier – dat de advocaat van [eiseres] ná 14 juli 2023 (de dag waarop het voorlopig getuigenverhoor geen doorgang vond) en vóór het nemen van de memorie van grieven om aanhouding van de zaak heeft verzocht in verband met een nog plaats te vinden voorlopig getuigenverhoor op een andere, nieuwe datum. Uit de rol- en archiefkaart lijkt slechts te volgen dat de advocaat van [eiseres] enkel twee keer om uitstel heeft gevraagd voor het nemen van de memorie van grieven en, na dat uitstel te hebben gekregen, de memorie van grieven bij het hof heeft ingediend. Anders dan het onderdeel betoogt, blijkt ook niet uit de memorie van grieven dat de advocaat van [eiseres] heeft verzocht om aanhouding van de zaak. In het door het onderdeel aangehaalde citaat uit de memorie van grieven, valt zo’n verzoek niet te lezen.
Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van het hof dat de advocaat van [eiseres] niet heeft verzocht om aanhouding van de zaak, zodat in het (nog aanhangige) voorlopig getuigenverhoor getuigen kunnen worden gehoord, niet onbegrijpelijk is. De klacht (onder 1.5) kan daarom niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 2 betreft een voortbouwklacht en deelt het lot van onderdeel 1.
Ik geef Uw Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G