ECLI:NL:PHR:2025:505

ECLI:NL:PHR:2025:505, Parket bij de Hoge Raad, 11-03-2025, 23/03709

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 11-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/03709
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:750
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (art. 326 Sr), eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1 Sr), schuldwitwassen, meermalen gepleegd (art. 420quater Sr) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). 1. Bewijsklacht oplichting. 2. Bewijsklacht schuldwitwassen. 3. Maximaal toegestane aantal dagen gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de ten behoeve van [slachtoffer 1] opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot bepaling dat ten behoeve van deze schadevergoedingsmaatregel gijzeling van 360 dagen kan worden toegepast, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 23/03803.

Uitspraak

Weblogs

Ik heb de weblogs van de telefoon bekeken. Ik zag dat er ingelogd kon worden, via Safari en KnowledgeC.

Omdat dit heel wat loggegevens zijn, noem ik alleen de bijzonderheden.

Ik heb het volgende bevonden en gezien waarop er gezocht en ingelogd was:

- Er is gezocht naar diverse Rolexen en op 23 september 2019 is gezocht op "Rolex oyster perpetual".

- De site van Schaap en Citroen is bezocht.

- Bijzonder is, dat ik in het gesprek van [verdachte] en [aangever 1] , de volgende tekst zie: "Heb liever dit horloge en dan inleveren en dan cash”.

(afbeeldingen)

Bijzonder is dat [verdachte] bij het inloggen van één van haar accounts, onbekend welke, een telefoonnummer moest invoeren. Dit is voor de beveiliging. Zij voert dan het nummer in, welke zij ook bij [aangever 1] gebruikt had, namelijk [telefoonnummer] .

Actief 50

Uit de telefoon van [verdachte] blijkt, dat ze nog steeds inlogt en gebruik maakt van de [internetsite] .

Foto's van de dating accounts

- Ik zag dat de foto van het account van [alias 1 verdachte] , in de telefoon van [verdachte] stond.

- Ik zag dat de foto van het account van [alias 2 verdachte ] , in de telefoon van [verdachte] stond.

11. Een bijlage bij het onder 10 genoemde proces-verbaal van bevindingen, (…):

(afbeelding)

12. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal (met bijlagen) houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op vrijdag 11 oktober 2019 was ik in het politiebureau aan de Duinwetering 101 te Noordwijk .

Na het opnemen van de aangifte, mocht ik het Whatssapp gesprek van de aangever met [alias 1 verdachte] lezen.

Ik heb hierbij het volgende bevonden:

Foto 14 tot 41

- Dit zijn foto's waarbij je kan zien, dat er over geld gesproken wordt. In het bijzonder zie je dat [medeverdachte 1] hier weer bij betrokken is als "budgetcoach". Je ziet in de gesprekken dat ze geld wilt en anders door de politie kan worden vastgehouden. Dat er elke keer weer verhogingen zijn. Dat ze aangeeft, dat als ze haar uitkering weer zelf mag ontvangen ze eindelijk wat samen kunnen doen. Dat regelingen niet werken en worden afgekaatst. Dat het voor de belastingdienst is.

- Je ziet dat de verdachte uitlegt hoe je geld moet opnemen bij een casino

- Je ziet dat de verdachte foto's stuurt van horloge’s, die ze mooi vind. Later zie je een bericht dat de verdachte verteld te hebben gebeld met de winkel en dat de Rolex klaar ligt. Dit was op 1 oktober 2019. Dat ze deze horloge ook weer ingeleverd heeft en er minder geld voor gekregen heeft als dat er betaald is. Dat zij hem bij een pandjeshuis heeft ingeleverd op dezelfde dag, als dat het horloge gekocht is. Dat de aankoop van de horloge een raar idee was, waar hij in mee is gegaan.

- In 1 app berichtje staat "Wil je mij nog helpen met de koffie, schat".

Omdat ik deze tekst bijzonder vond, in tegenstelling tot de rest wat er tussen de verdachte en aangever geappt werd, heb ik dit aan de aangever gevraagd. Ik hoorde dat de aangever mij vertelde, dat het woord "koffie" een codenaam is voor het geld. Dat [alias 1 verdachte] dit verzonnen had. Dat zij niet vertelde waarom ze geld een codenaam ging geven.

In een appje zie je dat de aangever zegt "Ik heb het geld doorgesluisd". Ik heb hem gevraagd wat hij hiermee bedoelde. Ik hoorde dat hij zei, dat hij hiermee bedoelde, dat hij het geld van de Rabobank rekening naar de ABN rekening had overgemaakt. Dat dat was omdat de Rabobank de bestellingen van het geld afwees. Hij kon daar geen geld meer halen.

(foto’s)

13. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 maart 2021 verklaard -zakelijk weergegeven-:

U houdt mij enkele berichten voor die zijn verstuurd tussen [alias 1 verdachte] en [aangever 1] (...).

Ik ben [alias 1 verdachte] .

14. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als de op 12 november 2019 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Kan het kloppen dat u het [rekeningnummer] gebruikt heeft in de maanden januari tot september?

A: Ja.

V: Wie maakten er gebruik van deze rekening?

A: Niemand, hij was van mij.

V: Wie stortte er allemaal geld op uw rekening?

A: de ene persoon. [aangever 1] (het hof begrijpt: [aangever 1] ), heeft mij benaderd. Hij kwam naar mij toe en wilde geld storten op mijn rekening.

V: Waar kent [aangever 1] die vrouw waar hij samen mee gearresteerd is dan?

A: Hij heeft haar in [plaats] leren kennen.

V: Wat is deze vrouw van u?

A: Dat is mijn schoondochter.

V: [aangever 1] heeft uw schoondochter leren kennen in [plaats] , waarom zou hij dan geld op uw rekening willen storten?

A: [aangever 1] heeft geld op mijn rekening gestort en ik moest het dan gaan pinnen.

V: Op 30 april 2019 is hiervan, door u en een jongeman, 9.990,00 euro opgehaald. Waar had u dat voor nodig?

A: Dat is allemaal van die ene [aangever 1] , ik bedoel dan het geld.

V: Met wie heeft [aangever 1] nog meer contact gehad uit uw familie?

A: Ik heb die [aangever 1] ontmoet toen hij mijn schoondochter kwam op halen. Ik heb hem nooit gesproken.

V: uw schoondochter is getrouwd met uw zoon, waarom zou zij omgaan met [aangever 1] . Wat was daar de reden van?

A: Zo is mijn schoondochter nu eenmaal als zij ruzie krijgt met haar man, dan gaat mijn schoondochter vreemd.

(…)

Overige bewijsmiddelen

30. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal (met bijlagen) houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op woensdag 6 november 2019 was ik in het politiebureau aan de Duinwetering 101 te Noordwijk .

Aldaar zag ik, dat ik de snapshots van de bank gekregen had. Ik heb hierbij het volgende bevonden:

Op 25-04-2019 tussen 10:12 uur en 10:14 uur, wordt er 5.000,- euro opgenomen.

Op de beelden is een vrouw te zien.

Ik heb deze foto bekeken. Ik herken de vrouw, die het geld pint, als de dochter van [medeverdachte 2] .

Naam: [betrokkene 1]

Geboren op: [geboortedatum] 1985 [geboorteplaats]

Op 26-04-2019 om 8:57 uur, 9:14 uur en 9:40 uur, worden er drie opnames gedaan.

Op 30-04-2019 om 10.08 uur, wordt er 1 keer geld opgenomen.

Op de beelden is een man te zien.

Ik heb deze foto’s bekeken. Ik herken deze man, die het geld pint, als de zoon van [medeverdachte 2] .

Naam: [betrokkene 2]

Geboren op: [geboortedatum] 1983 [geboorteplaats]

Op 18-05-2019 tussen 18:04 uur en 18:08 uur, wordt er 4.980,- euro opgenomen.

Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [medeverdachte 2] . Ik zie dat er gepind wordt door een vrouw. Ik heb de foto gezien. Ik herken deze vrouw, die het geld pint, als de vriendin van [betrokkene 2] .

Naam: [verdachte]

Geboren op: [geboortedatum] 1988

Op 19-05-2019 om 14:19 uur, wordt er 4.000,- euro opgenomen.

Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [medeverdachte 2] . Ik zie dat dit opgenomen wordt door een man. Ik herken deze man als [betrokkene 2] .

Op 19-05-2019 om 19:22 uur, wordt er 1.000,- euro opgenomen.

Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [medeverdachte 2] . Ik zie dat dit door een man gedaan wordt. Ik heb de foto gezien. Ik herken deze man, die het geld pint, als de zoon van [medeverdachte 2] .

Naam: [betrokkene 3]

Geboren op: [geboortedatum] 1989

Op 20-05-2019 tussen 9:25 uur en 9:27 uur, wordt er 5.000,- euro opgenomen.

Op 21-05-2019 om 9:36 uur, wordt er 3.500,- euro opgenomen. Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [medeverdachte 2] .

Ik herken deze man als [betrokkene 2] .

Op 23-05-2019 om 10:54 uur, wordt er 1.000,- euro opgenomen.

Op 23-05-2019 om 20:37 uur, wordt er 4.000,- euro opgenomen.

Deze pin opnames, komt overeen met de bankrekening gegevens van [medeverdachte 2] .

Ik herken de vrouw, van de eerste pin opname, als [verdachte] .

Ik herken de man, van de tweede pin opname, als [betrokkene 2] .

Op 24-05-2019 tussen 9:07 uur en 9:09 uur, wordt er 5.000,- euro opgenomen.

Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [medeverdachte 2] .

Ik zie dat er geld op genomen wordt, door een man en een vrouw.

Ik herken deze man en vrouw, die het geld opnemen, als [betrokkene 2] en zijn vriendin [verdachte] .

Op 25-05-2019 om 11:02 uur, wordt er 400,- euro opgenomen.

Op 25-05-2019 tussen 11:06 uur en 11:08 uur, wordt er 4.600,- euro opgenomen.

Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [medeverdachte 2] . Ik herken deze man als [betrokkene 2] .

Op 30-04-2019 wordt er geld besteld.

Op de beelden is een man en een oudere vrouw te zien. Ik heb deze beelden gezien en herken daar [medeverdachte 2] op en de zoon van [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] .

31. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op dinsdag 5 november 2019, omstreeks 15.00 uur, was ik in het politiebureau aan de Duinwetering 101 te Noordwijk .

Aldaar zag ik, dat ik het fraudedossier, van de aangever bij de Rabobank, terug had.

Ik heb zag hierbij de volgende bestanden:

Gesprek verslag met [medeverdachte 2] . Ik heb hierbij het volgende bevonden:

- Dat zij op 30-04-2019 een geldbestelling van 9.990,00 euro heeft opgehaald. Dat zij toen samen was met een jongeman. Dat dit vermoedelijk haar zoon was.

32. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als de op 12 november 2019 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] , wonende [c-straat 1] [plaats] .

V: In uw woning zijn papieren aangetroffen, dat u een bankrekening had bij de Rabobank. Wat kan u daar over zeggen?

A: Ja, ik heb een rekening gehad bij de Rabobank.

V: Kan het kloppen dat u het [rekeningnummer] gebruikt heeft in de maanden januari tot september?

A: Ja. ik weet niet waarom de rekening nu niet meer in gebruik is.

V: Wie maakten er gebruik van deze rekening?

A: Niemand, hij was van mij.

33. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 10 november 2019 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Wat voor uitkering heeft u?

A: Bijstand.

V: Wat is uw inkomen?

A: Ik weet niet hoeveel. Ik ben in de schuldsanering. Ik zit daar vier jaar in.

Ik heb een bewindvoerder.

V: Kunt u goed rond komen in de maand?

A: Ja, ik ben alleen, ik krijg per week 70 euro.

34. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Uit financieel onderzoek door de politie blijkt dat [verdachte] en haar partner in 2015 en 2017 inkomen ontvingen (uitkering UWV) en dat haar bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en ING Bank in die jaren een saldo hadden tussen € -67,00 en € 660,00.

35. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Uit financieel onderzoek door de politie blijkt dat [medeverdachte 2] in de jaren 2014-2018 een bijstandsuitkering ontving van circa € 10.000,- per jaar en dat haar bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en ING Bank in die jaren een saldo hadden tussen € -125,00 en € 62,-.

36. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 januari 2020 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 28 januari 2020 afgelegde verklaring van [verdachte] :

Ik krijg ook bijna geen aandacht meer van mijn man en dat is de reden dat ik op internet naar contacten ben gaan zoeken. Ik wilde gewoon aandacht en vriendschap. Zo heb ik [aangever 1] (het hof begrijpt: aangever [aangever 1] ) leren kennen.

Ik heb [aangever 1] verteld over mijn problemen met het feit dat ik schulden heb.

[aangever 1] heeft mij geholpen met mijn schulden. [aangever 1] ging dan naar mijn schoonmoeder toe en die heeft aan haar gevraagd of hij dan het geld op de rekening van mij schoonmoeder mocht storten.

Ik ben vaak met [aangever 1] weggeweest. We gingen naar het pannenkoekhuis en Mac Donalds .

Dat buidel tasje heeft hij zelf gekocht, die heb ik van [aangever 1] als cadeau gehad.

V: Allereerst hebben wij het gehad over de [internetsite] . Nu vraag ik of jij de datingsites [internetsite] , [internetsite] , [internetsite] en [internetsite] kent?

A: Van [internetsite] daar heb ik ook op gezeten en ook op [internetsite] . En op die andere twee heb ik volgens mij niet op gezeten. Misschien wel op [internetsite] .

V: In jou eerste verhoor is gevraagd of de naam [alias 1 verdachte] jou wat zei. Zeggen de namen: [alias 2 verdachte ] , [alias 3 verdachte] en [naam] jou wat?

A: [naam] herken ik niet. Ik was wel [alias 2 verdachte ] en [alias 1 verdachte] . [alias 3 verdachte] is mijn mailnaam.

Volgens mij heb ik die niet gebruikt op de verschillende sites. Ik heb alleen [alias 1 verdachte] en [alias 2 verdachte ] gebruikt.

V: Dit zijn de namen en de dating sites, waarvan gebruik is gemaakt. Hiermee is contact gemaakt met de oudere mannen. Wat kan je hier over verklaren?

A: Ja met de namen [alias 2 verdachte ] en [alias 1 verdachte] . Ik heb contact gehad via de chat en telefonisch.

V: Deze mannen geven ook op, dat er contact is gezocht met het telefoonnummer: [telefoonnummer] .

Uit onderzoek blijkt dit jouw telefoonnummer te zijn. Wat kan je hierop verklaren?

A: Dat is een heel oud nummer van mij en die kan ik via de Whatsapp doen. Ik heb een andere telefoonnummer om te bellen.

V: Zegt de naam [aangever 2] u wat?

A: Nee, voornaam misschien. Is dat zijn voornaam?

V: Deze meneer verklaard, dat hij ook bij de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] is geweest. De woning van uw schoonmoeder, wat kan u daar over verklaren?

A: Ja, dat kan. Er zijn meerdere mannen in de woning van mijn schoonmoeder geweest. Ik heb met meerdere mannen contact gehad.

V: Wederom gebruik jij het adres van jouw schoonmoeder. Waarom doe je dat daar?

A: Omdat zij alleen was in huis. Dan had zij ook afleiding om met andere mensen te praten. Haar man is net een jaar geleden overleden.

V: Waarom spreek je daar af terwijl je man ook niets mochten weten wat je met die mannen deed.

V: Hij heeft u en [medeverdachte 2] herkend van de foto.

Hij vertelde dat hij voor 95 proces, [verdachte] herkende als [alias 3 verdachte] en [medeverdachte 2] herkende als de Griekse vrouw. Deze meneer heeft ook geld naar de rekening van [medeverdachte 2] overgemaakt. Wat kan u daar over zeggen?

A: dat kan. Ik kan daar niets zeggen, heel vaak kwamen er daar mannen en ik heb hun mijn levensverhaal wat ook echt waar is. Die mannen wilde mij helpen en zij hebben mij geld gegeven.

V: [medeverdachte 2] heeft 1500 euro ontvangen van meneer [aangever 2] : Wat heeft u daarmee gedaan?

A: Het is op denk ik, aan gewoon levens dingen, eten, spullen. Gewoon aan dat soort dingen.

V: Waar had je dat geld voor nodig

A: ik had het gewoon voor onszelf nodig. De schulden aflossen dat liep al ik had spullen nodig voor onszelf.

V: Dat geld is bij [medeverdachte 2] op haar rekening gestort. Hoe ben jij daarna in het bezit gekomen van dat geld?

A: De kinderen van mijn schoonmoeder hebben het geld voor mijn schoonmoeder haar rekening gepind.

V: Hoe heten haar kinderen?

A: Mijn man heeft gepind, mijn schoonzus [alias 3 verdachte] en mijn zwager heeft geld gepind van de rekening van mijn schoonmoeder.

V: Hoe ging dat precies in zijn werking, pinnen en het geld ontvangen?

A: Die andere mensen die geld voor mijn schoonmoeder weten niet waar het geld vandaan komt. Aan hun wordt alleen gevraagd door mijn schoonmoeder om geld van haar rekening te halen. Het geld komt dan uiteindelijk bij mij terecht.

V: Zegt de naam [aangever 3] u wat?

A: Ja, dat is ook een man waar ik contact mee heb gehad.

V: Deze meneer verklaard, dat hij ook bij de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] is geweest. De woning van uw schoonmoeder, wat kan u daar over verklaren?

A: ja dat klopt.

V: [alias 1 medeverdachte 2] gebruikte het telefoonnummer: [telefoonnummer] .

Wij hebben onderzoek gedaan aan de telefoon van jou. Daarin zagen wij een gesprek met dit nummer. Bij dit gesprek stond een foto. Dit was een foto van [medeverdachte 2] . Was [medeverdachte 2] toen de gebruiker van dit nummer en dus [alias 1 medeverdachte 2] ? Wat kan u hier op zeggen?

A: Dat zou kunnen, ik kan die nummers niet allemaal onthouden.

V: [medeverdachte 2] heeft 21.000 euro ontvangen van meneer [aangever 3] . Wat heeft is daarmee gedaan?

A: Ik weet het niet. Normale dingen denk ik.

V: Waar is dat geld nu?

A: Ik weet het niet, is dat van een man? Ik weet het niet. Ik weet echt niet wat de man allemaal heeft gestort. Als het op de rekening is gestort, dan heb ik dat geld wel gekregen.

V: Dat geld is bij [medeverdachte 2] op haar rekening gestort. Hoe ben jij daarna in het bezit gekomen van dat geld?

A: [medeverdachte 2] liet iemand voor haar het geld pinnen en dan kreeg ik het vervolgens in mijn bezit.

V: Wat heb jij met dat geld gedaan?

A: Steeds aan gewone normale dingen in het leven. Ook spullen voor mijn kinderen.

V: [aangever 3] is een foto van u getoond. Hij herkent u als zijnde [alias 3 verdachte] . Wat kan u daar over verklaren?

A: Oke, dat kan.

V: Zegt de naam [aangever 4] u wat?

A: Ja.

V: Deze meneer verklaard, dat hij ook bij de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] is geweest. De woning van uw schoonmoeder, wat kan u daar over verklaren?

A: Ja dat klopt.

V: Meneer zou een date hebben met [naam] . Wat kan u daar over zeggen?

A: Als hij dat zegt, dan klopt dat.

V: Deze meneer heeft ook geld naar de rekening van [medeverdachte 2] overgemaakt. Wat kan u daar over zeggen? Hoeveel heeft deze man overgemaakt?

A: Nee dat weet ik niet hoeveel dat precies is geweest.

V: [medeverdachte 2] heeft 1.000 euro ontvangen van [aangever 4] . Wat kan nu daar over verklaren?

A: Dat kan.

V: Op 29 december 2018 heeft u [aangever 4] ontmoet in [plaats] . [naam] is met hem naar de Rabobank gegaan om daar geld te pinnen. Wat kan u daar over vertellen?

A: Ik heb contant geld van hem gehad. Ik dacht dat het om 2000 euro ging.

V: Op 2 januari 2019 is [naam] wederom en nu samen met [medeverdachte 2] en [aangever 4] , naar de pinautomaat gereden om te pinnen. Wat kan u daar over verklaren?

A: Oke, de tweede keer weet ik niet wel van de eerste keer.

V: Ook zie ik dat er gezocht is op Schaap en Citroen . Wat kan u daar over zeggen?

A: Ja, voor [aangever 1] heb ik daar op gezocht. Dat heeft hij het via de telefoon gevraagd en of ik een aantal foto's wilde sturen en dat heb ik toen gedaan. De foto's die ik heb gestuurd naar [aangever 1] zijn foto's van horloge die te koop zijn bij Schaap en Citroen .

37. Een proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 10 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op zaterdag 9 november 2019 omstreeks 17:50 uur, trad ik binnen in de woning [e-straat 1] te [plaats] , bewoond door [verdachte] .

In de woning werd inbeslaggenomen :

- 37 briefjes van 200 euro, totaal 7400,- euro

- Horloge, Cartier type Santos 100, [nummer] , band is handgemaakt van Krokodillenleer zwart van kleur.

Het klokje is ingezet met steentjes onbekend de echtheid van de steentjes;

- Horloge Rolex Geneva Swiss made, rose goud van kleur, 750 X8T.

38. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 10 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…), inhoudende -zakelijk weergegeven –:

Inbeslagneming

Plaats : [e-straat 1] [plaats]

Datum en tijd : 9 november 2019 te 19:13 uur

Reden : artikel 326/1.Wetboek van Strafrecht,

artikel 47/1/1 Wetboek van Strafrecht,

(Oplichting in vereniging)

Grondslag : 94 lid 1 Sv - De waarheid aan de dag. brengen

Omstandigheden : Ruimte 7

In de afgesloten meterkast werd een zwart heuptasje aangetroffen. Hierin zat onder andere het horloge met daarbij behorend echtheidscertificaat.

Beslagene

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1988

Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland

Geslacht : Vrouw

Nationaliteit : Nederlandse

Adres : [e-straat 1]

Postcode plaats : [plaats]

Volgnummer 1

Goednummer: [nummer]

Categorie omschrijving: Horloges/klokken

Object: Horloge

Merk/type: Rolex 116505

Kleur: Goudkleurig

Land: Nederland

Registratienummer: [nummer]

Serienummer: [nummer]

Bijzonderheden: Met echtheidscertificaat

39. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal (met bijlagen) houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op woensdag 23 januari 2020, omstreeks 20.00 uur, was ik in het politiebureau aan de Duinwetering 101 te Noordwijk .

Aldaar heb ik onderzoek gedaan naar de Cartier horloge, welke in de woning aan de [d-straat ] is gevonden.

Deze is aangetroffen in de woning van [verdachte] .

- Op internet zag ik, dat het horloge rond de 7.500 euro, tweedehands zou kunnen kosten. Ik heb gekeken op de site [internetsite] .

Ik heb ook onderzoek gedaan naar de Rolex die in de woning op de [d-straat ] is gevonden.

Deze is ook aangetroffen in de woning van [verdachte] .

- Op internet zag ik, dat het horloge rond de 30.000 euro, tweedehands zou kunnen kosten. Ik heb gekeken op de site [internetsite] .’

7. Het hof heeft inzake de bewezenverklaring van deze beide feiten het volgende overwogen:

‘Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep -op gronden als vermeld in de pleitnota- op het standpunt gesteld dat de verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van de haar tenlastegelegde feiten.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

- Ter zake van dagvaarding I, feit 1 (oplichting van [aangever 1] ):

Het hof is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat sprake is geweest van een samenweefsel van verdichtsels waardoor bij [aangever 1] de indruk is gewekt dat de [verdachte] in een penibele situatie verkeerde wegens haar schulden.

Het hof acht ook bewezen dat [aangever 1] door het oplichtingsmiddel "het aannemen van een valse hoedanigheid" is bewogen tot de afgifte van de goederen, te weten: een geldbedrag van ruim € 323.500,- en een Rolex horloge, dat is gekocht voor € 49.500,-.

Ter ondersteuning van het onware verhaal dat [verdachte] in een penibele situatie verkeerde vanwege haar schulden, is een zekere [medeverdachte 1] ingeschakeld die meerdere malen naar [aangever 1] heeft gebeld om te praten over "de schulden" van [verdachte] . Die [medeverdachte 1] heeft daarbij een valse hoedanigheid aangenomen nu hij zich valselijk heeft voorgedaan als de budgetcoach van [verdachte] .

De verdediging heeft betoogd dat de aangevers zelf niet de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid hebben betracht en dat zij de onjuiste voorstelling van zaken door de verdachte hadden moeten doorzien. Dat geldt naar de mening van de verdediging in hogere mate voor [aangever 1] nu hij ondanks een waarschuwing van zijn bank is doorgegaan met het geven van geld aan de verdachte.

Het hof is van oordeel dat aangevers de van hen in het maatschappelijk verkeer te verwachten omzichtigheid in voldoende mate hebben betracht. De aangevers werden benaderd via een datingsite. Daardoor speelden de verdachten in op de wens van aangevers nieuwe contacten te leggen. In die context is het feit dat aangevers het verhaal van de verdachten serieus namen, begrijpelijk en is hun oplettendheid naar het oordeel van het hof niet beneden het niveau gezakt dat in het maatschappelijk. verkeer minimaal mag worden verwacht.

Dat geldt ook voor [aangever 1] voor de periode nadat zijn bank hem had gewaarschuwd. Het gedrag van de verdachten is na deze waarschuwing voortgegaan, voortbouwend op het eerder opgezette stelsel van verzinsels. Het heeft hem er toe gebracht geld te blijven betalen.

(…)

- Ter zake van dagvaarding I, feit 2 (schuldwitwassen)

Ten aanzien van het in de woning van de verdachte aangetroffen Cartier horloge en het Rolex horloge merkt het hof op dat deze zijn aangetroffen in een heuptasje van de [verdachte] , tezamen met enige sieraden. Dat deze horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn, kan bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat deze horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn.

In dit kader acht het hof van belang dat de verdachte een laag besteedbaar inkomen heeft en nauwelijks vermogen. De aanzienlijke waarde van de twee horloges in verhouding tot de geringe inkomsten van de verdachte rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden dat deze horloges, direct of indirect, uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Gelet hierop, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van deze voorwerpen.

De raadsman wijst in dit kader op de omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard dat zij een auto-ongeluk heeft gehad en daarom een schadevergoeding van € 25.000,- heeft ontvangen en dat zij gedurende een aantal jaren geld heeft gespaard, namelijk € 2.000,- per kwartaal, van de kinderbijslag.

Gelet op haar beperkte inkomsten, acht het hof het echter hoogst onaannemelijk dat zij gedurende een periode van twee jaren € 2.000,- per kwartaal heeft kunnen sparen van haar legale inkomsten.

Dat de verdachte een schadevergoeding van € 25.000,- heeft ontvangen, blijkt uit de vaststellingsovereenkomst van een auto-ongeluk waarbij zij betrokken is geweest.

De vraag is of de verdachte de horloges zou kunnen hebben aangeschaft met de door haar ontvangen schadevergoeding. Het hof concludeert dat dit niet mogelijk is, omdat de tweedehandswaarde van deze horloges, te weten in totaal € 37,500,- het schadevergoedingsbedrag van € 25.000,- ruim te boven gaat.

Dat de verdachte beide horloges heeft aangeschaft met dit schadevergoedingsbedrag acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden.

De verdachte heeft aldus geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de legale herkomst van deze horloges. Gelet hierop in combinatie met de aanzienlijke waarde van deze voorwerpen in verhouding tot de geringe inkomsten van de verdachte, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat deze horloges geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Gelet op de hoge waarde van deze horloges had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze horloges een illegale herkomst hadden toen zij deze voorhanden kreeg.

Gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van een Cartier horloge en een Rolex horloge.’

8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):

‘Oplichtingen [aangever 1] (feit 1, parketnummer 09-270415-19) en [aangever 4] , [aangever 2] en [aangever 3] (parketnummer 09-102319-20)

"Wie op zoek gaat naar liefde moet zelf drommels goed oppassen" hoorde ik een collega van mij laatst in een andere zaak zeggen. Een zinsnede die ook in deze zaak zeker van toepassing is.

In het vonnis is terecht overwogen dat om tot een bewezenverklaring van oplichting te kunnen komen sprake moet zijn van (een van) de oplichtingsmiddelen als genoemd in art. 326 lid 1 Sr en dat er voorts sprake moet zijn van het middels die oplichtingsmiddelen "iemand bewegen tot" (er moet sprake zijn van een oorzakelijk verband).

Hierbij moet echter niet uit het oog worden verloren dat met de strafbaarstelling van oplichting niet ieder vermeend slachtoffer ontslagen wordt van de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid die bij het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven om een eventuele onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen:

(…)

Wat dan opvalt aan de aangifte van [aangever 1] (en ook aan de verklaringen van de overige aangevers [aangever 4] , [aangever 2] en [aangever 3] ) is dat het gelijk – bij de eerste ontmoeting al – over geld gaat (…):

"Bij het eerste contact dat hij met haar had, werd er al gesproken over geld. Zij zei gelijk dat ze schulden had en vroeg aan hem: "Kan je mij helpen"".

Dus niet eerst inpalmen en vertrouwen winnen, geen slinks en gewiekst gedrag, maar gelijk duidelijkheid: Ik heb geld nodig, kan je mij helpen?

Overigens had cliënte wel degelijk schulden, zij stond onder Bewindvoering en had dus ook een bewindvoerder/budgetcoach (…). Dit was niet gelogen.

[aangever 1] wil helpen en verstrekt geld aan cliënte, volgens zijn aangifte doet hij dit lange tijd en veelvuldig. Zelfs nadat de bank ingrijpt – betalingen zijn geblokkeerd en teruggestort, zijn bankrekening wordt nota bene geblokkeerd en er vindt zelfs een gesprek met de bank plaats – gaat [aangever 1] door met het verstrekken van geld aan cliënte. Dan moeten toch alle alarmbellen afgaan? [aangever 1] is duidelijk gewaarschuwd voor een vermeend verdachte gang van zaken, maar gaat toch telkens door met het verstrekken van geld aan cliënte. Volgens [aangever 1] voortaan doelbewust door dit contant op te nemen of te verzilveren middels de aanschaf van waardevolle goederen.

Ter vergelijking: [aangever 2] ruikt onraad en belt het CJIB na de eerste transactie (…), [aangever 1] gaat maar door zelfs nadat hij (meermalen) gewaarschuwd is door de bank.

Tav [aangever 1] kan daarom niet worden vastgesteld dat cliënte hem "heeft bewogen tot" afgifte van de in de tenlastelegging genoemde goederen.

(…)

Conclusie: Betreft de ten laste gelegde oplichtingen van [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] wordt verzocht cliënte vrij te spreken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Witwassen (feit 2, parketnummer 09-270415-19):

Gelet op pleidooi tot vrijspraak tav de ten laste gelegde oplichtingen kan niet bewezen worden dat er sprake is van enige witwashandeling mbt aldaar genoemde goederen. Evenmin dat enig goed afkomstig is uit enig misdrijf.

Voor het overige sluit de verdediging aan bij de (deel)vrijspraken die de rechtbank in het vonnis heeft gedaan (…) doch meent de verdediging tav het aangetroffen Cartier horloge (10) en Rolex horloge (11) dat de verklaring die cliënte hiervoor geeft voldoende aannemelijk, concreet en verifieerbaar is: Een schade-uitkering van € 25.000,- (waarvan een vaststellingsovereenkomst is overgelegd) en het sparen van € 16.000,- aan kinderbijslag (totaal dus € 41.000,-) verklaart heel wel de berekende tweedehandswaarde van beide horloges (€ 37.500,-).

Immers blijkt uit een gespreksverslag van het UWV d.d. 18 augustus 2016 dat aan het dossier is toegevoegd dat cliënte hiernaast ook nog andere inkomsten had (ontvangst andere gelden en PGB-uitkeringen), waardoor cliënte kon sparen.

Wat daar verder ook van zei: Een concrete kasopstelling tav cliënte (waarin ook de in het gespreksverslag van het UWV genoemde bedragen zijn meegenomen) ontbreekt, zodat hier (op voorhand) geen andere conclusie aan verbonden kan worden zoals de rechtbank heeft gedaan. Het is aan het OM om te onderzoeken en te bewijzen of de door cliënte afgelegde verklaring al dan niet mogelijk is en dat heeft het OM niet, althans onvoldoende, gedaan.

Conclusie: Vrijspraak tav (gewoonte)witwassen (feit 2 dagvaarding I).

Bespreking van het eerste middel

9. Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat [aangever 1] door een valse hoedanigheid van verdachte dan wel een door verdachte gesponnen samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de bewezenverklaarde afgiften onbegrijpelijk is, omdat uit de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangever volgt dat hij het 'raar' vond dat er elke keer schulden betaald moesten worden; dat hij aan verdachte regelmatig heeft gevraagd waar die schulden waren maar telkens een 'ontwijkend antwoord' kreeg; dat hij het ook 'raar' vond dat verdachte zoveel schulden had opgebouwd; dat hij haar geloofde totdat zijn rekening in juni werd geblokkeerd, en dat hij gevraagd heeft om bewijzen maar dat hij deze nooit heeft gezien.

10. Uw Raad heeft in één van de overzichtsarresten inzake oplichting van 20 december 2016 onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

‘2.4. In de voorgaande overwegingen staan de verschillende oplichtingsmiddelen centraal. Opmerking – en in voorkomende gevallen aparte aandacht – verdient nog dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.’

11. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de persoonlijkheid van het slachtoffer mede bepaalt of (van ‘bewegen’ en daarmee) van oplichting sprake is. Ik heb eerder aarzelingen bij die benadering naar voren gebracht. Bemelmans en Hofstee hebben een uitleg van deze in het ‘bewegen’ ingelezen eis voorgesteld waarin deze geen betrekking heeft ‘op de gedragingen van het slachtoffer maar op die van de dader. Het gaat hier om de kwaliteit en overtuigingskracht waarmee de oplichter te werk is gegaan’.

12. In een arrest van 3 september 2024, waar ook door de steller van het middel op wordt gewezen, leidde een ontoereikende bewijsvoering van het ‘bewegen’ tot cassatie. In het bestreden arrest waren (onder meer) drie gevallen van oplichting bewezenverklaard. De verdachte had de aangeefsters telkens bewogen tot afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van een schuld, te weten één of meer telefoonabonnementen. A-G Hofstee leidde in de conclusie die aan het arrest voorafging uit de vaststellingen van het hof af dat het samenweefsel van verdichtsels steeds inhield dat de betrokken aangeefster (veel) geld zou kunnen verdienen met het afsluiten van telefoonabonnementen door de verkoop van de verkregen telefoons en dat de verdachte iemand kende die de abonnementen uit het systeem kon verwijderen zodat de aangeefster er geen factuur van zou krijgen (randnummer 18). Dat laatste element was telkens (in andere bewoordingen) bewezenverklaard. A-G Hofstee leidde uit de bewijsoverwegingen af dat alle drie aangeefsters wel door hadden dat er iets niet klopte; uit de bewijsvoering volgt volgens hem niet dat de persoonlijkheid van de vrouwen een rol van betekenis heeft gespeeld (randnummer 21). Hofstee meende dat het oordeel van het hof over het ‘bewegen tot’ onvoldoende was gemotiveerd. Uw Raad was van oordeel dat het middel slaagde en verwees naar de conclusie.

13. Een belangrijk element in deze strafzaak is dat de slachtoffers was voorgespiegeld dat zij (veel) geld zouden kunnen verdienen. Ook in een arrest van 30 juni 2020 waarin Uw Raad tot cassatie kwam, was dat element aanwezig. In die zaak had de aangeefster gereageerd op een advertentie van de verdachte waarin stond dat zij ‘vandaag nog’ duizend euro kon verdienen en was haar door de verdachte voorgehouden dat zijn zwager abonnementen uit het systeem kon halen zodat er niets op haar naam zou blijven staan, waarop de aangeefster vijf telefoonabonnementen had afgesloten, vijf bijbehorende ‘gratis’ telefoons had ontvangen en een Macbook op afbetaling had gekocht.

14. Het element van zelfverrijking ontbrak in een zaak waarin Uw Raad op 3 december 2024 arrest heeft gewezen. Het hof had in die zaak overwogen dat de aangeefster niet tot de afgifte van geldbedragen was bewogen ‘door een algemene belofte dat zij zou worden terugbetaald, maar door concrete en herhaalde leugens die door de verdachte op een zeer indringende manier aan haar werden verteld’. En dat de verdachte er ‘alles aan deed om de bij [slachtoffer] opkomende twijfels weg te nemen.’ Het hof achtte voorts van belang dat de verdachte de aangeefster ‘doelbewust heeft afgesneden van hulp door familie of vrienden, door telkens aan te dringen op geheimhouding van de ‘leningen’.’ Het hof nam wat de persoonlijkheid van de aangeefster betreft in aanmerking dat zij een alleenstaande weduwe op leeftijd was, die de (financiële) zaken tijdens haar huwelijk altijd had overgelaten aan haar echtgenoot. En dat zij ‘is omschreven als een enigszins naïeve vrouw, die graag mensen wilde helpen’. Hiertegen werd in cassatie onder meer aangevoerd dat de aangeefster had aangegeven het op enig moment zelf ook niet meer helemaal te vertrouwen en dat de aangeefster waarschuwingen uit haar omgeving en van de politie had ontvangen. De conclusie hield daaromtrent in dat de omstandigheid dat bij een slachtoffer twijfels hebben bestaan, en dat deze zijn gevoed door contacten met derden, nog niet betekent dat de ‘in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid’ het slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen, zodat haar de bescherming die de strafbaarstelling van oplichting biedt dient te worden ontzegd. Uw Raad deed het middel af met art. 81, eerste lid, RO.

15. Ook in deze zaak ontbreekt het element van zelfverrijking. Verdachte heeft [aangever 1] doen geloven dat zij geld nodig had ter betaling van schulden. De bedragen die [aangever 1] betaalde en de Rolex die hij voor haar kocht, hielden daarmee verband.

16. De bewezenverklaring houdt in dat sprake is van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels. Die valse hoedanigheid is, zo begrijp ik, gelegen in het zich door de verdachte voordoen als iemand die een relatie met [aangever 1] wilde. Het samenweefsel van verdichtsels bestaat, zo volgt uit de bewezenverklaring, (in het bijzonder) uit het contact leggen via een datingsite, het [aangever 1] doen geloven dat de verdachte geld nodig had ter betaling van schulden, waaronder schulden (bij het CJIB) die dreigden te worden verhoogd en waarvoor gijzeling dreigde, het [aangever 1] doen geloven dat de verdachte onder bewind stond en daarom geen eigen rekening had alsmede het [aangever 1] meermalen laten bellen door iemand die zich voordeed als budgetcoach van de verdachte, en het [aangever 1] doen geloven dat zij samen konden zijn op enig moment, althans nadat haar schulden waren afbetaald. Mede in het licht van dit bewezenverklaarde samenweefsel van verdichtsels heeft het hof – meen ik – kunnen oordelen dat [aangever 1] de van hem ‘in het maatschappelijk verkeer te verwachten omzichtigheid in voldoende mate’ heeft betracht. Ik wijs daarbij in het bijzonder op het element van het geen eigen rekening hebben in samenhang met het meermalen bellen door iemand die zich voordeed als budgetcoach. En op de dreiging van gijzeling, die aan voortzetting van het contact (en een relatie) in de weg zou staan.

17. Dat wordt niet anders in het licht van de omstandigheid dat uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van aangever volgt dat hij het ‘raar’ vond dat ‘steeds weer meer geld nodig was’ en ‘dat ze zoveel schulden had opgebouwd’, dat [aangever 1] regelmatig heeft gevraagd ‘waar die schulden waren’ maar dan een ‘ontwijkend antwoord’ kreeg, en dat hij haar gevraagd heeft om ‘bewijzen’ maar ‘nooit bewijs (heeft) gezien dat ze zo in de schulden zat’ (bewijsmiddel 1). De omstandigheid dat bij het slachtoffer twijfels hebben bestaan, betekent nog niet dat de ‘in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid’ het slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen.

18. Een en ander wordt ook niet anders door de omstandigheid dat de rekening van [aangever 1] in juni werd geblokkeerd en hij haar verhaal niet meer ‘oprecht’ geloofde. Het hof heeft, meen ik, kunnen oordelen dat het gedrag van de verdachten ‘na deze waarschuwing (is) voortgegaan, voortbouwend op het eerder opgezette stelsel van verzinsels’ en dat dit (en niet een andere beweegreden) hem ertoe heeft ‘gebracht geld te blijven betalen’. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de verklaring van [aangever 1] kan worden opgemaakt dat deze blokkade kennelijk alleen het gevolg was van het in korte tijd afschrijven van grote bedragen, dat de blokkade na een week werd opgeheven, en dat uit die verklaring niet blijkt dat hem bij die gelegenheid informatie is medegedeeld op grond waarvan hij de onjuistheid van de voorstelling van zaken die de verdachte gaf, had moeten onderkennen.

19. Inzake de persoon van het slachtoffer komt uit de bewezenverklaring en bewijsvoering naar voren dat aangever is benaderd via een datingsite, en dat hij heeft verklaard dat hij ‘graag weer iemand (wilde) leren kennen’ omdat hij alleen was en ‘op zoek (was) naar een partner’; dat hij ‘bang was haar kwijt te raken’ en het ‘zielig voor haar’ vond. De behoefte aan menselijk contact en mededogen zijn geen beweegredenen die eraan in de weg staan de betalingen aan de gebezigde oplichtingsmiddelen toe te rekenen.

20. Al met al meen ik dat ’s hofs oordeel dat [aangever 1] door een valse hoedanigheid en het bewezenverklaarde samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de bewezenverklaarde afgiften niet onbegrijpelijk is in het licht van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de aangever.

21. Het middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

22. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 cumulatief (het schuldwitwassen van een Cartier en Rolex horloge) en de verwerping van het verweer inhoudende dat de verdachte geen aannemelijke verklaring voor de legale herkomst van de horloges heeft kunnen geven onjuist althans onvoldoende met redenen omkleed is. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat het aan het openbaar ministerie was om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte voor de herkomst van de horloges. Voorts zou het hof hebben miskend dat het schadevergoedingsbedrag van € 25.000,- wel degelijk voldoende was om de tweedehandswaarde van ofwel het Cartier horloge (€ 7.500,-) ofwel het Rolex horloge (€ 30.000,-) te verklaren. Dit zou temeer klemmen nu de verdediging heeft aangevoerd dat uit het dossier naar voren komt dat de verdachte wel degelijk over andere inkomsten beschikte, er geen kasopstelling is opgemaakt en het openbaar ministerie heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte.

23. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.

24. Uit de bewijsmiddelen volgt dat beide horloges in beslag zijn genomen in de woning op de [e-straat 1] te [plaats] die door de verdachte werd bewoond (bewijsmiddel 37), dat het Cartier horloge tweedehands rond de € 7.500,- zou kosten en dat het Rolex horloge tweedehands rond de € 30.000,- zou kosten (bewijsmiddel 39). Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte en haar partner in 2015 en 2017 een UWV uitkering ontvingen en ‘dat haar bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en ING Bank in die jaren een saldo hadden tussen € -67,- en € 660,-‘ (bewijsmiddel 34). De bewijsmiddelen bevatten geen andere vaststellingen met betrekking tot de financiële situatie van de verdachte.

25. Het hof heeft kennelijk gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen overwogen dat de verdachte een laag besteedbaar inkomen heeft en nauwelijks vermogen en dat de aanzienlijke waarde van de twee horloges in verhouding tot de geringe inkomsten van de verdachte het vermoeden rechtvaardigt ‘dat deze horloges, direct of indirect, uit enig misdrijf afkomstig zijn’, zodat van de verdachte mag ‘worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van deze voorwerpen’.

26. Het hof overweegt dat de raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat zij een auto-ongeluk heeft gehad en daarom een schadevergoeding van € 25.000,- heeft ontvangen en dat zij gedurende een aantal jaren geld heeft gespaard, namelijk € 2.000,- per kwartaal, van de kinderbijslag. Het hof acht het echter ‘hoogst onaannemelijk’ dat de verdachte, gelet op haar beperkte inkomsten, gedurende een periode van twee jaren € 2.000,- per kwartaal heeft kunnen sparen van haar legale inkomsten. Het hof stelt voorts vast dat het niet mogelijk is dat de verdachte de horloges heeft aangeschaft met de door haar ontvangen schadevergoeding, ‘omdat de tweedehandswaarde van deze horloges, te weten in totaal € 37.500,- het schadevergoedingsbedrag van € 25.000,- ruim te boven gaat’. Het hof acht ‘dan ook niet aannemelijk geworden’ dat de verdachte beide horloges heeft aangeschaft met het schadevergoedingsbedrag en concludeert dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor de legale herkomst van de horloges.

27. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte een in haar woning aangetroffen Cartier horloge met een tweedehands waarde van ongeveer € 7.500,- en een Rolex horloge met een tweedehands waarde van ongeveer € 30.000,- heeft voorhanden gehad ‘terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf’. Deze bewezenverklaring sluit de mogelijkheid in dat de horloges (gedeeltelijk) niet afkomstig waren uit enig misdrijf. Tegen die achtergrond heeft het hof zich – meen ik – kunnen richten op de vraag of een ‘concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ voor beide horloges gezamenlijk is gegeven.

28. Het hof heeft geoordeeld dat het hoogst onaannemelijk is dat de verdachte, gelet op haar beperkte inkomsten, gedurende een periode van twee jaren € 2.000,- per kwartaal heeft kunnen sparen van haar legale inkomsten. Dat oordeel is in het licht van de bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk. Daaruit komt alleen naar voren dat de verdachte en haar partner in 2015 en 2017 een UWV uitkering hadden en dat haar bankrekeningen in die jaren een saldo hadden tussen – € 67,- en € 660,-. Voor zover is aangevoerd dat verdachte nog andere inkomsten had, geldt dat de raadsman enkel heeft gewezen op een gespreksverslag van het UWV, en deze inkomsten en de hoogte daarvan niet nader heeft onderbouwd. In dat licht doet dit onderdeel van het pleidooi niet af aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat de verdachte ‘beperkte inkomsten’ had en is ’s hofs kennelijke oordeel dat in zoverre niet sprake is van een (concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke) verklaring waar het openbaar ministerie nader onderzoek naar diende te doen niet onbegrijpelijk. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet ook niet af dat geen kasopstelling is gemaakt. Ik merk daarbij op dat de raadsman slechts heeft geconstateerd dat een kasopstelling ontbreekt en niet heeft onderbouwd waarom een kasopstelling tot andere uitkomsten zou leiden. Ook voor zover de stellers van het middel hebben willen betogen dat het verschil tussen € 25.000,- en een geschatte waarde van € 37.500,- te gering is om het verschil als afkomstig uit misdrijf te kunnen aanmerken, meen ik dat het middel in het licht van de absolute hoogte van het bedrag en de verhouding tussen beide bedragen faalt.

29. Al met al is de bewezenverklaring van dit onderdeel van de bewezenverklaring van feit 2 toereikend met redenen omkleed. Het hof heeft het oordeel dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor de legale herkomst van beide horloges toereikend onderbouwd.

30. Het middel faalt.

Bespreking van het derde middel

31. Het middel bevat de klacht dat het door het hof bij de schadevergoedingsmaatregelen bepaalde aantal dagen gijzeling (365 dagen) het maximale toegestane aantal dagen (360 dagen) overschrijdt.

32. De duur van de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel die ten behoeve van de [aangever 1] is opgelegd, bedraagt 365 dagen. Bij de andere schadevergoedingsmaatregelen is de duur van de gijzeling op 0 dagen bepaald.

33. Op grond van art. 36f, vijfde lid, Sr, ingevoerd door de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, beloopt de duur van de gijzeling ten hoogste één jaar. Bij de inwerkingtreding van deze wet (op 1 januari 2020) is ook art. 88 Sr gewijzigd. Tot 1 januari 2020 luidde de bepaling als volgt:

‘Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.’

34. Vanaf 1 januari 2020 luidde art. 88 Sr:

‘Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.’

35. Door deze toevoeging van de omschrijving van de duur van een jaar werd één jaar in het Wetboek van Strafrecht omschreven als 360 dagen (12 keer dertig dagen).

36. Op 25 juli 2020 trad de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking. Daardoor is art. 88 Sr komen te luiden zoals het vóór 1 januari 2020 luidde en is de definitie van ‘jaar’ komen te vervallen.

37. In deze zaak doet zich de situatie voor dat een regel van sanctierecht na het begaan van de bewezen verklaarde feiten ten gunste van de verdachte is gewijzigd, maar die wijziging in de loop van de procedure weer is teruggedraaid. Deze situatie deed zich ook voor in een zaak waarin Uw Raad op 20 december 2022 arrest wees. Uit (onder meer) dat arrest kan worden afgeleid dat in zo’n geval art. 88 Sr zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 van kracht is geweest meebrengt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan.

38. Dat betekent dat het middel slaagt. Uw Raad kan zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum.

Bespreking van het vierde middel

39. Het vierde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn, in het bijzonder de inzendtermijn, in de cassatiefase is geschonden.

40. Namens de verdachte is op 22 september 2023 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 2 september 2024 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim drie maanden is overschreden.

41. Het middel slaagt.

Afronding

42. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het derde en vierde middel slagen. Ik heb geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

43. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan ten behoeve van [aangever 1] opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot bepaling dat ten behoeve van deze schadevergoedingsmaatregel gijzeling van 360 dagen kan worden toegepast, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?