Weblogs
Ik heb de weblogs van de telefoon bekeken. Ik zag dat er ingelogd kon worden, via Safari en KnowledgeC.
Omdat dit heel wat loggegevens zijn, noem ik alleen de bijzonderheden.
Ik heb het volgende bevonden en gezien waarop er gezocht en ingelogd was:
- Er is gezocht naar diverse Rolexen en op 23 september 2019 is gezocht op "Rolex oyster perpetual".
- De site van Schaap en Citroen is bezocht.
- Bijzonder is, dat ik in het gesprek van [medeverdachte 1] en [aangever 1] , de volgende tekst zie: "Heb liever dit horloge en dan inleveren en dan cash”.
(afbeeldingen)
Bijzonder is dat [medeverdachte 1] bij het inloggen van één van haar accounts, onbekend welke, een telefoonnummer moest invoeren. Dit is voor de beveiliging. Zij voert dan het nummer in, welke zij ook bij [aangever 1] gebruikt had, namelijk [telefoonnummer] .
Actief 50
Uit de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt, dat ze nog steeds inlogt en gebruik maakt van de [internetsite] .
Foto's van de dating accounts
- Ik zag dat de foto van het account van [internetsite] , in de telefoon van [medeverdachte 1] stond.
- Ik zag dat de foto van het account van [alias 3 medeverdachte 1] , in de telefoon van [medeverdachte 1] stond.
11. Een bijlage bij het onder 10 genoemde proces-verbaal van bevindingen, (…):
(afbeelding)
12. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal (met bijlagen) houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op vrijdag 11 oktober 2019 was ik in het politiebureau aan de Duinwetering 101 te Noordwijk .
Na het opnemen van de aangifte, mocht ik het Whatssapp gesprek van de aangever met [alias 1 medeverdachte 1] lezen.
Ik heb hierbij het volgende bevonden:
Foto 14 tot 41
- Dit zijn foto's waarbij je kan zien, dat er over geld gesproken wordt. In het bijzonder zie je dat [medeverdachte 5] hier weer bij betrokken is als "budgetcoach". Je ziet in de gesprekken dat ze geld wilt en anders door de politie kan worden vastgehouden. Dat er elke keer weer verhogingen zijn. Dat ze aangeeft, dat als ze haar uitkering weer zelf mag ontvangen ze eindelijk wat samen kunnen doen. Dat regelingen niet werken en worden afgekaatst. Dat het voor de belastingdienst is.
- Je ziet dat de verdachte uitlegt hoe je geld moet opnemen bij een casino
- Je ziet dat de verdachte foto's stuurt van horloge’s, die ze mooi vind. Later zie je een bericht dat de verdachte verteld te hebben gebeld met de winkel en dat de Rolex klaar ligt. Dit was op 1 oktober 2019. Dat ze deze horloge ook weer ingeleverd heeft en er minder geld voor gekregen heeft als dat er betaald is. Dat zij hem bij een pandjeshuis heeft ingeleverd op dezelfde dag, als dat het horloge gekocht is. Dat de aankoop van de horloge een raar idee was, waar hij in mee is gegaan.
- In 1 app berichtje staat "Wil je mij nog helpen met de koffie, schat".
Omdat ik deze tekst bijzonder vond, in tegenstelling tot de rest wat er tussen de verdachte en aangever geappt werd, heb ik dit aan de aangever gevraagd. Ik hoorde dat de aangever mij vertelde, dat het woord "koffie" een codenaam is voor het geld. Dat [alias 1 medeverdachte 1] dit verzonnen had. Dat zij niet vertelde waarom ze geld een codenaam ging geven.
In een appje zie je dat de aangever zegt "Ik heb het geld doorgesluisd". Ik heb hem gevraagd wat hij hiermee bedoelde. Ik hoorde dat hij zei, dat hij hiermee bedoelde, dat hij het geld van de Rabobank rekening naar de ABN rekening had overgemaakt. Dat dat was omdat de Rabobank de bestellingen van het geld afwees. Hij kon daar geen geld meer halen.
(foto’s)
13. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 maart 2021 verklaard -zakelijk weergegeven-:
U houdt mij enkele berichten voor die zijn verstuurd tussen [alias 1 medeverdachte 1] en [aangever 1] (...).
Ik ben [alias 1 medeverdachte 1] .
14. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 12 november 2019 afgelegde verklaring van [verdachte] :
V: Kan het kloppen dat u het [rekeningnummer] gebruikt heeft in de maanden januari tot september?
A: Ja.
V: Wie maakten er gebruik van deze rekening?
A: Niemand, hij was van mij.
V: Wie stortte er allemaal geld op uw rekening?
A: de ene persoon. [aangever 1] (het hof begrijpt: [aangever 1] ), heeft mij benaderd. Hij kwam naar mij toe en wilde geld storten op mijn rekening.
V: Waar kent [aangever 1] die vrouw waar hij samen mee gearresteerd is van?
A: Hij heeft haar in [plaats] leren kennen.
V: Wat is deze vrouw van u?
A: Dat is mijn schoondochter.
V: [aangever 1] heeft uw schoondochter leren kennen in [plaats] , waarom zou hij dan geld op uw rekening willen storten?
A: [aangever 1] heeft geld op mijn rekening gestort en ik moest het dan gaan pinnen.
V: Op 30 april 2019 is hiervan, door u en een jongeman, 9.990,00 euro opgehaald. Waar had u dat voor nodig?
A: Dat is allemaal van die ene [aangever 1] , ik bedoel dan het geld.
V: Met wie heeft [aangever 1] nog meer contact gehad uit uw familie?
A: Ik heb die [aangever 1] ontmoet toen hij mijn schoondochter kwam op halen. Ik heb hem nooit gesproken.
V: uw schoondochter is getrouwd met uw zoon, waarom zou zij omgaan met [aangever 1] . Wat was daar de reden van?
A: Zo is mijn schoondochter nu eenmaal als zij ruzie krijgt met haar man, dan gaat mijn schoondochter vreemd.
(…)
Overige bewijsmiddelen
30. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal (met bijlagen) houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op woensdag 6 november 2019 was ik in het politiebureau aan de Duinwetering 101 te Noordwijk .
Aldaar zag ik, dat ik de snapshots van de bank gekregen had. Ik heb hierbij het volgende bevonden:
Op 25-04-2019 tussen 10:12 uur en 10:14 uur, wordt er 5.000,- euro opgenomen.
Op de beelden is een vrouw te zien.
Ik heb deze foto bekeken. Ik herken de vrouw, die het geld pint, als de dochter van [verdachte] .
Naam: [medeverdachte 2]
Geboren op: [geboortedatum] 1985 [plaats]
Op 26-04-2019 om 8:57 uur, 9:14 uur en 9:40 uur, worden er drie opnames gedaan.
Op 30-04-2019 om 10.08 uur, wordt er 1 keer geld opgenomen.
Op de beelden is een man te zien.
Ik heb deze foto’s bekeken. Ik herken deze man, die het geld pint, als de zoon van [verdachte] .
Naam: [medeverdachte 3]
Geboren op: [geboortedatum] 1983 [plaats]
Op 18-05-2019 tussen 18:04 uur en 18:08 uur, wordt er 4.980,- euro opgenomen.
Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [verdachte] . Ik zie dat er gepind wordt door een vrouw. Ik heb de foto gezien. Ik herken deze vrouw, die het geld pint, als de vriendin van [medeverdachte 3] .
Naam: [medeverdachte 1]
Geboren op: [geboortedatum] 1988
Op 19-05-2019 om 14:19 uur, wordt er 4.000,- euro opgenomen.
Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [verdachte] . Ik zie dat dit opgenomen wordt door een man. Ik herken deze man als [medeverdachte 3] .
Op 19-05-2019 om 19:22 uur, wordt er 1.000,- euro opgenomen.
Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [verdachte] . Ik zie dat dit door een man gedaan wordt. Ik heb de foto gezien. Ik herken deze man, die het geld pint, als de zoon van [verdachte] .
Naam: [medeverdachte 4]
Geboren op: [geboortedatum] 1989
Op 20-05-2019 tussen 9:25 uur en 9:27 uur, wordt er 5.000,- euro opgenomen.
Op 21-05-2019 om 9:36 uur, wordt er 3.500,- euro opgenomen. Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [verdachte] .
Ik herken deze man als [medeverdachte 3] .
Op 23-05-2019 om 10:54 uur, wordt er 1.000,- euro opgenomen.
Op 23-05-2019 om 20:37 uur, wordt er 4.000,- euro opgenomen.
Deze pin opnames, komt overeen met de bankrekening gegevens van [verdachte] .
Ik herken de vrouw, van de eerste pin opname, als [medeverdachte 1] .
Ik herken de man, van de tweede pin opname, als [medeverdachte 3] .
Op 24-05-2019 tussen 9:07 uur en 9:09 uur, wordt er 5.000,- euro opgenomen.
Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [verdachte] .
Ik zie dat er geld op genomen wordt, door een man en een vrouw.
Ik herken deze man en vrouw, die het geld opnemen, als [medeverdachte 3] en zijn vriendin [medeverdachte 1] .
Op 25-05-2019 om 11:02 uur, wordt er 400,- euro opgenomen.
Op 25-05-2019 tussen 11:06 uur en 11:08 uur, wordt er 4.600,- euro opgenomen.
Deze pin opname, komt overeen met de bankrekening gegevens van [verdachte] . Ik herken deze man als [medeverdachte 3] .
Op 30-04-2019 wordt er geld besteld.
Op de beelden is een man en een oudere vrouw te zien. Ik heb deze beelden gezien en herken daar [verdachte] op en de zoon van [verdachte] , [medeverdachte 3] .
31. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op dinsdag 5 november 2019, omstreeks 15.00 uur, was ik in het politiebureau aan de Duinwetering 101 te Noordwijk .
Aldaar zag ik, dat ik het fraudedossier, van de aangever bij de Rabobank, terug had.
Ik heb zag hierbij de volgende bestanden:
Gesprek verslag met [verdachte] . Ik heb hierbij het volgende bevonden:
- Dat zij op 30-04-2019 een geldbestelling van 9.990,00 euro heeft opgehaald. Dat zij toen samen was met een jongeman. Dat dit vermoedelijk haar zoon was.
32. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als de op 12 november 2019 afgelegde verklaring van [verdachte] , wonende [b-straat 1] [plaats] .
V: In uw woning zijn papieren aangetroffen, dat u een bankrekening had bij de Rabobank. Wat kan u daar over zeggen?
A: Ja, ik heb een rekening gehad bij de Rabobank.
V: Kan het kloppen dat u het [rekeningnummer] gebruikt heeft in de maanden januari tot september?
A: Ja. ik weet niet waarom de rekening nu niet meer in gebruik is.
V: Wie maakten er gebruik van deze rekening?
A: Niemand, hij was van mij.
33. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…) Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als de op 10 november 2019 afgelegde verklaring van [verdachte] :
V: Wat voor uitkering heeft u?
A: Bijstand.
V: Wat is uw inkomen?
A: Ik weet niet hoeveel. Ik ben in de schuldsanering. Ik zit daar vier jaar in.
Ik heb een bewindvoerder.
V: Kunt u goed rond komen in de maand?
A: Ja, ik ben alleen, ik krijg per week 70 euro.
34. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit financieel onderzoek door de politie blijkt dat [medeverdachte 1] en haar partner in 2015 en 2017 inkomen ontvingen (uitkering UWV) en dat haar bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en ING Bank in die jaren een saldo hadden tussen € -67,00 en € 660,00.
35. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit financieel onderzoek door de politie blijkt dat [verdachte] in de jaren 2014-2018 een bijstandsuitkering ontving van circa € 10.000,- per jaar en dat haar bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en ING Bank in die jaren een saldo hadden tussen € -125,00 en € 62,-.
36. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 januari 2020 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als de op 28 januari 2020 afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] :
Ik krijg ook bijna geen aandacht meer van mijn man en dat is de reden dat ik op internet naar contacten ben gaan zoeken. Ik wilde gewoon aandacht en vriendschap. Zo heb ik [aangever 1] (het hof begrijpt: [aangever 1] ) leren kennen.
Ik heb [aangever 1] verteld over mijn problemen met het feit dat ik schulden heb.
[aangever 1] heeft mij geholpen met mijn schulden. [aangever 1] ging dan naar mijn schoonmoeder toe en die heeft aan haar gevraagd of hij dan het geld op de rekening van mij schoonmoeder mocht storten.
Ik ben vaak met [aangever 1] weggeweest. We gingen naar het pannenkoekhuis en Mac Donalds.
Dat buidel tasje heeft hij zelf gekocht, die heb ik van [aangever 1] als cadeau gehad.
V: Allereerst hebben wij het gehad over de datingsite [internetsite] . Nu vraag ik of jij de datingsites [internetsite] , [internetsite] , [internetsite] en [internetsite] kent?
A: Van [internetsite] daar heb ik ook op gezeten en ook op [internetsite] . En op die andere twee heb ik volgens mij niet op gezeten. Misschien wel op [internetsite] .
V: In jou eerste verhoor is gevraagd of de naam [alias 2 medeverdachte 1] jou wat zei. Zeggen de namen: [alias 3 medeverdachte 1] , [alias 4 medeverdachte 1] en [naam ] jou wat?
A: [naam ] herken ik niet. Ik was wel [alias 3 medeverdachte 1] en [alias 1 medeverdachte 1] . [alias 4 medeverdachte 1] is mijn mailnaam.
Volgens mij heb ik die niet gebruikt op de verschillende sites. Ik heb alleen [alias 1 medeverdachte 1] en [alias 3 medeverdachte 1] gebruikt.
V: Dit zijn de namen en de dating sites, waarvan gebruik is gemaakt. Hiermee is contact gemaakt met de oudere mannen. Wat kan je hier over verklaren?
A: Ja met de namen [alias 3 medeverdachte 1] en [alias 1 medeverdachte 1] . Ik heb contact gehad via de chat en telefonisch.
V: Deze mannen geven ook op, dat er contact is gezocht met het telefoonnummer: [telefoonnummer] .
Uit onderzoek blijkt dit jouw telefoonnummer te zijn. Wat kan je hierop verklaren?
A: Dat is een heel oud nummer van mij en die kan ik via de Whatsapp doen. Ik heb een andere telefoonnummer om te bellen.
V: Zegt de naam [aangever 2] u wat?
A: Nee, voornaam misschien. Is dat zijn voornaam?
V: Deze meneer verklaard, dat hij ook bij de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] is geweest. De woning van uw schoonmoeder, wat kan u daar over verklaren?
A: Ja, dat kan. Er zijn meerdere mannen in de woning van mijn schoonmoeder geweest. Ik heb met meerdere mannen contact gehad.
V: Wederom gebruik jij het adres van jouw schoonmoeder. Waarom doe je dat daar?
A: Omdat zij alleen was in huis. Dan had zij ook afleiding om met andere mensen te praten. Haar man is net een jaar geleden overleden.
V: Waarom spreek je daar af terwijl je man ook niets mochten weten wat je met die mannen deed.
V: Hij heeft u en [verdachte] herkend van de foto.
Hij vertelde dat hij voor 95 proces, [medeverdachte 1] herkende als [alias 4 medeverdachte 1] en [verdachte] herkende als de Griekse vrouw. Deze meneer heeft ook geld naar de rekening van [verdachte] overgemaakt. Wat kan u daar over zeggen?
A: dat kan. Ik kan daar niets zeggen, heel vaak kwamen er daar mannen en ik heb hun mijn levensverhaal wat ook echt waar is. Die mannen wilde mij helpen en zij hebben mij geld gegeven.
V: [verdachte] heeft 1500 euro ontvangen van [aangever 2] : Wat heeft u daarmee gedaan?
A: Het is op denk ik, aan gewoon levens dingen, eten, spullen. Gewoon aan dat soort dingen.
V: Waar had je dat geld voor nodig
A: ik had het gewoon voor onszelf nodig. De schulden aflossen dat liep al ik had spullen nodig voor onszelf.
V: Dat geld is bij [verdachte] op haar rekening gestort. Hoe ben jij daarna in het bezit gekomen van dat geld?
A: De kinderen van mijn schoonmoeder hebben het geld voor mijn schoonmoeder haar rekening gepind.
V: Hoe heten haar kinderen?
A: Mijn man heeft gepind, mijn schoonzus [medeverdachte 2] en mijn zwager heeft geld gepind van de rekening van mijn schoonmoeder.
V: Hoe ging dat precies in zijn werking, pinnen en het geld ontvangen?
A: Die andere mensen die geld voor mijn schoonmoeder weten niet waar het geld vandaan komt. Aan hun wordt alleen gevraagd door mijn schoonmoeder om geld van haar rekening te halen. Het geld komt dan uiteindelijk bij mij terecht.
V: Zegt de naam [aangever 3] u wat?
A: Ja, dat is ook een man waar ik contact mee heb gehad.
V: Deze meneer verklaard, dat hij ook bij de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] is geweest. De woning van uw schoonmoeder, wat kan u daar over verklaren?
A: ja dat klopt.
V: [alias 1 verdachte] gebruikte het telefoonnummer: [telefoonnummer] .
Wij hebben onderzoek gedaan aan de telefoon van jou. Daarin zagen wij een gesprek met dit nummer. Bij dit gesprek stond een foto. Dit was een foto van [verdachte] . Was [verdachte] toen de gebruiker van dit nummer en dus [alias 1 verdachte] ? Wat kan u hier op zeggen?
A: Dat zou kunnen, ik kan die nummers niet allemaal onthouden.
V: [verdachte] heeft 21.000 euro ontvangen van [aangever 3] . Wat heeft is daarmee gedaan?
A: Ik weet het niet. Normale dingen denk ik.
V: Waar is dat geld nu?
A: Ik weet het niet, is dat van een man? Ik weet het niet. Ik weet echt niet wat de man allemaal heeft gestort. Als het op de rekening is gestort, dan heb ik dat geld wel gekregen.
V: Dat geld is bij [verdachte] op haar rekening gestort. Hoe ben jij daarna in het bezit gekomen van dat geld?
A: [verdachte] liet iemand voor haar het geld pinnen en dan kreeg ik het vervolgens in mijn bezit.
V: Wat heb jij met dat geld gedaan?
A: Steeds aan gewone normale dingen in het leven. Ook spullen voor mijn kinderen.
V: [aangever 3] is een foto van u getoond. Hij herkent u als zijnde [alias 4 medeverdachte 1] . Wat kan u daar over verklaren?
A: Oke, dat kan.
V: Zegt de naam [aangever 4] u wat?
A: Ja.
V: Deze meneer verklaard, dat hij ook bij de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] is geweest. De woning van uw schoonmoeder, wat kan u daar over verklaren?
A: Ja dat klopt.
V: Meneer zou een date hebben met [naam ] . Wat kan u daar over zeggen?
A: Als hij dat zegt, dan klopt dat.
V: Deze meneer heeft ook geld naar de rekening van [verdachte] overgemaakt. Wat kan u daar over zeggen? Hoeveel heeft deze man overgemaakt?
A: Nee dat weet ik niet hoeveel dat precies is geweest.
V: [verdachte] heeft 1.000 euro ontvangen van [aangever 4] . Wat kan nu daar over verklaren?
A: Dat kan.
V: Op 29 december 2018 heeft u [aangever 4] ontmoet in [plaats] . [naam ] is met hem naar de Rabobank gegaan om daar geld te pinnen. Wat kan u daar over vertellen?
A: Ik heb contant geld van hem gehad. Ik dacht dat het om 2000 euro ging.
V: Op 2 januari 2019 is [naam ] wederom en nu samen met [verdachte] en [aangever 4] , naar de pinautomaat gereden om te pinnen. Wat kan u daar over verklaren?
A: Oke, de tweede keer weet ik niet wel van de eerste keer.
V: Ook zie ik dat er gezocht is op Schaap en Citroen. Wat kan u daar over zeggen?
A: Ja, voor [aangever 1] heb ik daar op gezocht. Dat heeft hij het via de telefoon gevraagd en of ik een aantal foto's wilde sturen en dat heb ik toen gedaan. De foto's die ik heb gestuurd naar [aangever 1] zijn foto's van horloge die te koop zijn bij Schaap en Citroen.
37. Een proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 10 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op zaterdag 9 november 2019 omstreeks 17:50 uur, trad ik binnen in de woning [c-straat 1] te [plaats] , bewoond door [medeverdachte 1] .
In de woning werd inbeslaggenomen:
- 37 briefjes van 200 euro, totaal 7400,- euro.
38. Een proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 10 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op zaterdag 9 november 2019 omstreeks 16:55 uur, trad ik binnen in de woning [b-straat 1] [plaats] , bewoond door [verdachte] .
In de woning werd inbeslaggenomen:
- Rolex horloge.
39. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 10 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…), inhoudende -zakelijk weergegeven -:
Inbeslagneming
Plaats : [b-straat 1] [plaats]
Datum en tijd : 9 november 2019 te 17:35 uur
Reden : artikel 47/1/1 Wetboek van Strafrecht,
artikel 326/1 Wetboek van Strafrecht,
(Oplichting meermalen gepleegd in vereniging)
Grondslag : 94 lid 1 Sv - De waarheid aan de dag brengen
Omstandigheden : aangetroffen op lokatie I, in kamer B.
In kinderledikant onder diverse goederen
Beslagene
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedatum] 1960
Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Joegoslavie
Geslacht : Vrouw
Nationaliteit : Nederlandse
Adres : [b-straat 1]
Postcode plaats : [plaats]
Volgnummer 1
Goednummer: [nummer]
Categorie: Horloges/klokken
Object: Horloge
Merk/type: Rolex 126333
Kleur: Zilverkleurig
Land: Nederland
Registratienummer: [nummer]
Serienummer: [nummer]
Inhoud: 1 horloge in originele rolex box
Bijzonderheden: Betreft een dames model’
7. Het hof heeft inzake de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
‘Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep -op gronden als vermeld in de pleitnota- op het standpunt gesteld dat de verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van de haar tenlastegelegde feiten omdat, indien door het hof kan worden vastgesteld dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de oplichting, zij hierbij hoogstens een rol als medeplichtige heeft gehad.
Ten aanzien van [aangever 1] heeft de raadsman gesteld dat er geen sprake was van oplichting nadat deze door zijn bank was gewaarschuwd.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
De oplichting van [aangever 1] na de waarschuwing door diens bank
Het hof is van oordeel dat aangevers de van hen in het maatschappelijk verkeer te verwachten omzichtigheid in voldoende mate hebben betracht. De aangevers werden benaderd via een datingsite. Daardoor speelden de verdachten in op de wens van aangevers nieuwe contacten te leggen. In die context is het feit dat aangevers het verhaal van de verdachten serieus namen, begrijpelijk en is hun oplettendheid naar het oordeel van het hof niet beneden het niveau gezakt dat in het maatschappelijk verkeer minimaal mag worden verwacht.
Dat geldt ook voor [aangever 1] voor de periode nadat zijn bank hem had gewaarschuwd. Het gedrag van de verdachten is na deze waarschuwing voortgegaan, voortbouwend op het eerder opgezette stelsel van verzinsels. Het heeft hem er toe gebracht geld te blijven betalen.
Ter zake van dagvaarding I, feit 1 (oplichting van [aangever 1] ) en dagvaarding II (oplichting van [aangever 4] , [aangever 2] en [aangever 3] ): de rol van [verdachte]
Van medeplegen is sprake als twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Medeplegen vereist nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers opzettelijk – willens en wetens – samenwerken tot het verrichten van de delictueuze gedraging. Niet nodig is dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, maar de samenwerking moet wel intensief zijn, dit om medeplegen van medeplichtigheid te onderscheiden.
Door het gedrag van de medeverdachte [medeverdachte 1] verkeerden aangevers ten onrechte in de veronderstelling dat [medeverdachte 1] in een financieel zeer penibele situatie verkeerde wegens haar schulden. Tegenover [aangever 1] en [aangever 4] heeft [medeverdachte 1] ook gezegd dat zij wilde heenwerken naar een relatie.
[verdachte] was van de leugens van [medeverdachte 1] op de hoogte nu zij enkele gesprekken van [medeverdachte 1] met aangevers over de schulden bijwoonde.
[verdachte] heeft een belangrijke bijdrage geleverd bij de instandhouding van deze onjuiste voorstelling van zaken. Zij heeft haar woning ter beschikking gesteld voor ontmoetingen en heeft haar bankrekening ter beschikking gesteld.
Door haar woning ter beschikking te stellen, heeft [verdachte] bijgedragen aan de instandhouding van de leugen dat [medeverdachte 1] schulden had. Immers [medeverdachte 1] had aan aangevers verteld dat zij bij [verdachte] inwoonde omdat ze schulden had en, tegenover [aangever 1] , dat [medeverdachte 1] gescheiden was.
[verdachte] heeft daarnaast haar bankrekening ter beschikking gesteld aan [medeverdachte 1] terwijl zij wist dat [medeverdachte 1] dit rekeningnummer door zou geven aan aangevers zodat die vervolgens geld hiernaar konden overmaken. Daarmee heeft [verdachte] tevens bijgedragen aan de leugen dat [medeverdachte 1] zelf geen bankrekening had.
Tevens heeft [verdachte] het geld, dat aangevers hadden overgemaakt naar haar bankrekening, door [medeverdachte 1] en anderen van haar rekening te laten pinnen. Zij heeft daartoe haar bankpas ter beschikking gesteld, meestal kort nadat de bedragen waren gestort.
Op 30 april 2019, kort nadat [aangever 3] daarop grote bedragen stortte, heeft [verdachte] zelf een bedrag van € 9.990,- opgehaald van de rekening.
Ook heeft [verdachte] [aangever 3] een aantal keren gebeld en [aangever 3] meegedeeld dat zij overleg had gehad met [medeverdachte 5] , de zogenaamde budgetcoach van [medeverdachte 1] , en dat [aangever 3] het geld moest overmaken op de bankrekening van [alias 1 verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ).
Bij zowel [aangever 4] als bij [aangever 1] zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] samen op pad gegaan om contant geld van aangevers in ontvangst te nemen.
Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] een rol speelde in de oplichting van aangevers die gekwalificeerd dient te worden als medepleger, en dat haar opzet ook op die oplichting was gericht.
Gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de oplichting van alle vier de aangevers en dat beide verdachten daarbij een rol van betekenis hebben gehad.’
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘Dagvaarding I (09/270395-19)
Feit 1
Onder feit 1 is aan cliënte tenlastegelegd het medeplegen van oplichting van de [aangever 1] waardoor die laatste een geldbedrag van € 323.500 en een Rolex horloge ter waarde van € 49.500,- zou hebben afgegeven. De rechtbank heeft dit feit integraal bewezen verklaard.
In de visie van de verdediging kan dit oordeel niet in stand blijven. De door de rechtbank gebezigde bewijsmotiveringen dwingen niet tot het oordeel dat cliënte ten aanzien van het geld en het horloge als medepleger kan worden beschouwd.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen die betrekking hebben op dit feit (…) bestaan uit de aangifte, de door verklaring zoals door de aangever afgelegd bij de RC, enkele pv’s van bevindingen alsmede een fragment uit een politieverhoor van cliënte.
Om te kunnen beoordelen of de rechtbank cliënte terecht als medepleger van de oplichting heeft bestempeld is het goed om onder de loep te nemen wat de bewijsoverwegingen ten aanzien van cliënte nu precies inhouden. Ik heb het voor de duidelijkheid onder elkaar gezet:
Uit de aangifte:
(...) Zij ( [alias 1 medeverdachte 1] ) zei dat zij zelf geen rekeningnummer had omdat ze bij een ander inwoonde en helemaal niets bezat en heeft het rekeningnummer van haar vriendin gegeven. Haar naam is [alias 2 verdachte] . Hij maakte het geld over naar [alias 2 verdachte] . Hij heeft ongeveer 5 keer geld overgemaakt naar [alias 2 verdachte] (...).
(...) In het begin was [alias 2 verdachte] erbij als zij naar de Mac Donald's gingen. Hij haalde [alias 1 medeverdachte 1] op bij haar woning gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] (...).
RC-verklaring:
(...) De eerste afspraak die hij had met [alias 1 medeverdachte 1] was bij [alias 2 verdachte] thuis. [alias 1 medeverdachte 1] woonde bij [alias 2 verdachte] . Tijdens de eerste afspraak stelde [alias 1 medeverdachte 1] zich voor als [alias 1 medeverdachte 1] en haar vriendin stelde zich voor als [alias 2 verdachte] .
[alias 2 verdachte] bleek anders te heten. Hij heeft het geld overgemaakt naar de rekening van [alias 2 verdachte] . Daardoor wist hij wat haar achternaam was, namelijk [verdachte] . Tijdens de eerste afspraak kwam er heel vlot uit dat [alias 1 medeverdachte 1] uit de schulden wilde komen en werd aan hem gevraagd of hij haar wilde helpen. Toen heeft hij bedragen overgemaakt naar de rekening van [alias 2 verdachte] . Hij heeft het geld dus overgemaakt naar [verdachte] (...).
(...) Hij sprak elke zaterdag met haar af. Dan gingen zij naar Mac Donalds. Hij haalde [alias 1 medeverdachte 1] altijd op bij eerdergenoemde woning als zij naar Mac Donald's gingen. [alias 2 verdachte] is twee keer met hem en [alias 1 medeverdachte 1] mee geweest naar de Mac Donald's (..).
(...) Nadat de rechter-commissaris aan [aangever 1] heeft gevraagd in hoeverre [alias 2 verdachte] bijdroeg aan de geloofwaardigheid van [alias 1 medeverdachte 1] , heeft [aangever 1] verklaard dat [alias 1 medeverdachte 1] bij [alias 2 verdachte] woonde omdat ze geen geld had en schulden. Achteraf hoorde hij dat [alias 1 medeverdachte 1] daar niet woonde (...).
Bevindingen:
(...) Nadat aan [aangever 1] een foto is getoond van [verdachte] , heeft hij verklaard dat dit [alias 2 verdachte] is (...).
(...) Uit onderzoek naar de Rabobank-rekening met het nummer [rekeningnummer] ten name [aangever 1] is het volgende gebleken.
Vanaf voornoemde rekening (...) zijn de volgende (totaal)bedragen overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] :
• € 5.000 (op 18 mei 2019);
• € 11.500 (op 19 mei 2019);
• € 20.100 (op 23 mei 2019).
(..) [verdachte] heeft verklaard dat zij de rekening [rekeningnummer] in de maanden januari tot september (2019) heeft gebruikt, dat [aangever 1] (de rechtbank begrijpt: aangever [aangever 1] ) geld op haar rekening heeft gestort en dat zij [aangever 1] heeft ontmoet toen hij haar schoondochter [medeverdachte 1] op kwam halen.
Nadat de politie [verdachte] heeft voorgehouden dat [aangever 1] op verzoek van [alias 1 medeverdachte 1] geld op haar rekening heeft gestort, heeft zij verklaard dat zij tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat het goed was en dat het klopt dat [medeverdachte 1] dit tegen haar verteld had (...).
Tussenconclusie
Het bewijsmiddelenoverzicht zoals opgenomen in het vonnis houdt niet meer in dan dat [aangever 1] een aantal keren (hij zegt zelf ongeveer 5 keer, uit het hiervoor genoemde pv bevindingen blijkt 3 keer) geld heeft overgemaakt naar [alias 2 verdachte] , zijnde de vriendin van [alias 1 medeverdachte 1] .
[alias 1 medeverdachte 1] zou daarbij hebben gezegd dat zij zelf geen rekeningnummer had omdat ze bij een ander inwoonde en helemaal niets bezat. Cliënte zou zich hebben voorgesteld als [alias 2 verdachte] . Doordat [aangever 1] geld naar haar rekening overmaakte wist hij dat haar achternaam [verdachte] was.
Verder verklaart [aangever 1] dat hij [alias 1 medeverdachte 1] steeds bij de woning op de [b-straat ] ophaalde. Ook zou [alias 2 verdachte] er 'in het begin' een paar keer bij zijn geweest als ze (ik begrijp de aangever en [alias 1 medeverdachte 1] ) naar Mac Donalds gingen.
Op de enigszins suggestieve vraag van de RC aan de aangever 'in hoeverre [alias 2 verdachte] bijdroeg aan de geloofwaardigheid van [alias 1 medeverdachte 1]', heeft [aangever 1] verklaard dat ' [alias 1 medeverdachte 1] bij [alias 2 verdachte] woonde omdat ze geen geld had en schulden'. De vraag is echter of dit antwoord niet meer ziet op iets dat [alias 1 medeverdachte 1] over [alias 2 verdachte] heeft verklaard (en dus niet zozeer ziet op een gedraging van cliënte; dat was nl de vraag, in hoeverre [alias 2 verdachte] bijdroeg; dat veronderstelt een actieve handeling).
Op de rekening van cliënte is in totaal door [aangever 1] € 36.600,- gestort.
De gedragingen van cliënte hebben er (volgens de aangever) derhalve enkel uit bestaan dat [alias 1 medeverdachte 1] steeds bij haar woning werd opgehaald en dat zij in het begin een paar keer mee ging naar de Mac Donalds. De aangever ging ervan uit dat cliënt i.p.v. [verdachte] [alias 2 verdachte] heette. Drie keer werd geld naar haar rekening overgemaakt nadat, zo begrijp ik cliënte (zie verklaring politie) dit door [medeverdachte 1] aan haar zou zijn gevraagd.
Wat blijkt niet uit het bewijsmiddelenoverzicht?
Niet blijkt dat er op enig moment direct contact was tussen -enkel- cliënte en [aangever 1] . Cliënte heeft geen datingprofiel aangemaakt en heeft evenmin met [aangever 1] geappt. Dat kan ze ook niet want ze is analfabeet.
Door [aangever 1] is niet verklaard dat cliënte hem een bepaalde voorstelling van zaken gaf met betrekking tot de situatie van ' [alias 1 medeverdachte 1] '. Door de aangever wordt niet gesteld dat cliënte hem voorzag van ‘zielige informatie' over [alias 1 medeverdachte 1] . Het was, volgens hem, [alias 1 medeverdachte 1] zelf die vertelde over haar financiële situatie en de (overige) reden(en) waarom ze geld nodig had.
Uit het bewijsmiddelenoverzicht van de rechtbank kan juist blijken dat het contact, althans volgens de aangever, vooral tussen [alias 1 medeverdachte 1] en [aangever 1] plaatsvond. [alias 1 medeverdachte 1] vertelde hem over haar schulden, [alias 1 medeverdachte 1] gaf hem het rekeningnummer van cliënte, [alias 1 medeverdachte 1] vertelde over de budgetcoach, [alias 1 medeverdachte 1] kwam met het idee om een Rolex te kopen, ze zijn deze samen gaan halen, [alias 1 medeverdachte 1] zou hebben gesproken over 'samenwonen en een mooi leven hebben' etc etc.
Cliënte figureert slechts. Van de € 323.500,- die [aangever 1] zou hebben overgedragen is maar een heel beperkt deel, te weten € 36.600, - via de bankrekening van cliënte gegaan.
Nadere bewijsoverweging rechtbank:
Ten aanzien van feit 1 werd door de rechtbank een nadere bewijsoverweging opgenomen (p 17 e.v.).
Zeer typerend is het gegeven dat de rechtbank onder de -uitgebreide- beantwoording van de door de rechtbank geformuleerde vraag of [aangever 1] "door eerdergenoemde handelingen is bewogen tot afgifte van goederen" geen enkele gedraging van cliënte benoemt. Het sluit aan bij wat ik hiervoor al opmerkte.
Het vermeende handelen van cliënte wordt eerst geduid bij het bespreken van de vraag in hoeverre er sprake is van medeplegen.
Medeplegen
De rechtbank oordeelde dat er sprake is geweest van medeplegen en motiveerde dat door te wijzen op de volgende omstandigheden.
[verdachte] zou belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de instandhouding van de door [medeverdachte 1] in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken. Zo zou zij diverse malen aanwezig zijn geweest bij ontmoetingen tussen [aangever 1] en [medeverdachte 1] , zou zij haar woning ter beschikking hebben gesteld en eveneens haar bankrekening.
Ter beschikking stellen bankrekening:
Om maar direct op dat laatste in te haken. Slechts een fractie van het beweerdelijk door [aangever 1] overgemaakte geld is gestort op de rekening van [verdachte] . Enkel ten aanzien van die drie overboekingen kan het ter beschikking stellen van de bankrekening worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of van medeplegen sprake is geweest. Het overgrote deel van het geld en het horloge zouden immers door [aangever 1] rechtstreeks aan [medeverdachte 1] zijn overgedragen en is dus juist niet via de bankrekening van cliënte gegaan.
Aanwezigheid bij ontmoetingen
Zoals hiervoor uiteengezet zou cliënte volgens de aangever in het begin een paar keer (2 keer) aanwezig zijn geweest tijdens een ontmoeting bij de Mac Donald's. Hij ging echter naar eigen zeggen zeker ook alleen met [alias 1 medeverdachte 1] op pad, bv. naar een pannenkoekenboerderij en een snackbar in [plaats] en, zoals hij bij de RC verklaarde, spraken zij ook wel af bij het [d-straat ] . Ook toen in [plaats] de Rolex zou zijn gehaald was cliënte daar niet bij aanwezig. Let wel (zoals ook in eerste aanleg betoogd), de aangever wilde helemaal niet dat [alias 2 verdachte] bij de afspraken aanwezig was. "Omdat ik het wilde bleef [alias 2 verdachte] thuis".
Daarbij komt dat er wel wat verwarring is over het aantal keren dat de aangever cliënte heeft gezien. Bij de politie verklaarde hij dat hij nooit in de woning van cliënte is geweest. Nooit (p. 187), "omdat ik dat niet wilde". Bij de RC verklaarde hij wel 2 keer in haar woning te zijn geweest. Daarbij verklaarde hij bij de RC eveneens cliënte alleen de eerste afspraak in de woning te hebben gezien.
Ook ten aanzien hiervan geldt: enkel ten aanzien van die keren waarvan daadwerkelijk vastgesteld kan worden dat cliënte fysiek bij ontmoetingen tussen [alias 1 medeverdachte 1] en [aangever 1] aanwezig is geweest kan die aanwezigheid worden betrokken bij de vraag of er van medeplegen sprake is geweest. Voor de goede orde: het feit dat [alias 1 medeverdachte 1] -steeds- bij de woning van cliënte zou zijn opgehaald is niet gelijk te stellen met daadwerkelijke aanwezigheid.
En nogmaals: voor zover cliënte al aanwezig is geweest bij ontmoetingen heeft te gelden dat de aangever niets verklaart over de inhoudelijke bijdrage van cliënte aan die ontmoetingen in relatie tot het afgeven van geld en/of het horloge. Daarbij is ook nog relevant te vermelden dat de aangever verklaarde dat hij [alias 2 verdachte] niet zo goed kon verstaan.
Ter beschikking stellen woning
Ten aanzien van het ter beschikking stellen van de woning merk ik op dat het de vraag is hoe vaak die woning daadwerkelijk ter beschikking zou zijn gesteld. Ging de aangever daar iedere keer naar binnen als hij [alias 1 medeverdachte 1] ophaalde? We weten dat de aangever wisselend verklaarde; van niet een keer in de woning tot wel 2 keer (waarvan slechts 1 keer cliënte aanwezig).
Bovendien; de medeverdachte is familie van cliënte. Niet vast te stellen is of het voor cliënte steeds kenbaar moet zijn geweest dat de medeverdachte in dergelijke situaties in of bij de woning was omdat zij een ‘dekmantel’ nodig had.
Medeplegen?
De aan cliënte verweten gedragingen hebben nauwelijks meer om het lijf dan dat zij een paar keer bij een ontmoeting tussen de aangever en [alias 1 medeverdachte 1] zou zijn geweest en dat de aangever mogelijk twee keer (waarvan eenmaal terwijl cliënte niet thuis was) in de woning van cliënte is geweest. Op geen enkele wijze blijkt van interactie tussen cliënte en de aangever van ook maar enige importantie.
Ja, op verzoek van de medeverdachte zou er drie maal geld op haar rekening zijn gestort. Er zijn echter geen bewijsmiddelen die dwingen tot de conclusie dat cliënte moet hebben geweten dat dat om geld ging dat van oplichting afkomstig zou zijn. En dat geldt evenzo voor de sporadische ontmoetingen waar zij bij was of de enkele keer dat de aangever in of bij haar woning zou zijn geweest. Niet vastgesteld kan worden dat cliënte hierbij enig opzet op medeplegen van oplichting heeft gehad.
Inhoudelijke bijdrage derhalve nihil, er kan niet van een nauwe en bewuste samenwerking worden gesproken, en dus niet van medeplegen. Voor zover al van enig opzet sprake zou zijn geweest bij cliënte als het gaat om het ter beschikking stellen van woning of bankrekening dan moet nog worden gezegd dat dat nu juist gedragingen zijn die veeleer met medeplichtigheid in verband gebracht zouden kunnen worden.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat a) van medeplegen van oplichting sprake was maar heeft dat b) ten onrechte ook toegepast op al hetgeen door de aangever aan de medeverdachte zou zijn overgedragen.
Maar als de gedragingen van cliënte al strafbaar zouden worden geacht dan kan het natuurlijk niet zo zijn dat die paar handelingen een soort oneindig en doorlopend ongeclausuleerd opzet op medeplegen met zich meebrengt.
Ten aanzien van de geldbedragen die contant zijn opgenomen van de Rabo-rekening en de ABN-rekening van de aangever is volstrekt niet vast te stellen dat cliënte enige weet heeft gehad van het feit dat die bedragen door de aangever aan [alias 1 medeverdachte 1] werden overgedragen en evenmin dat zij op enigerlei wijze bij betrokken zou zijn geweest bij het ‘losweken’ van dat geld.
Met name in augustus en september 2019 zijn er tientallen duizenden euro’s (resp. 35, 60, 64, 66, 56-duizend) door de aangever opgenomen. Dit deed hij in Lisse . Vervolgens ontmoet hij dan (zo lees ik de aangifte) steeds de medeverdachte, brengt wat tijd met haar door, en draagt dan aan het einde van de afspraak geld over.
Hij verklaarde cliënte enkel in het begin van zijn contact met [alias 1 medeverdachte 1] een paar keer te hebben gezien. Op geen enkele wijze is vast te stellen dat cliënte ook maar enigszins een rol van betekenis heeft gehad in enige oplichtingshandeling.
Dat geldt natuurlijk ook voor het horloge. Waar is het bewijsmiddel dat cliënte hiermee ook maar enigszins in verband kan brengen. Ze heeft er niet met aangever over gesproken of geappt, ze is niet mee geweest naar Den Bosch .
Oplichting?
Voor de volledigheid merk ik verder nog op dat het feit dat cliënte zich zou hebben voorgedaan als ‘ [alias 2 verdachte] ’ op geen enkele wijze van invloed is geweest op het overhandigen van geldbedragen. Het verschil tussen [alias 2 verdachte] en [verdachte] kan toch moeilijk als zelfstandig oplichtingsmiddel worden gezien, temeer ook nu nota bene het rekeningnummer van cliënte een paar keer is gebruikt. Het opgeven van een andere naam (als al) dient doorgaans ter voorkoming van verhaal; via haar eigen rekeningnummer was haar identiteit gewoon bekend.
Daarbij komt nog dat het maar de vraag is of cliënte zich als zodanig heeft voorgedaan of dat de aangever die naam verkeerd heeft verstaan en zich deze als zodanig is blijven herinneren.
Ook het feit dat cliënten andere geld van haar rekening zou hebben laten pinnen (zoals door de rechtbank overwogen) kan moeilijk als redengevend worden gezien. Integendeel; het duidt er veel meer op dat anderen dan zijzelf de beschikking hadden over haar pas (en geld).
Ook is wel degelijk van belang dat de aangever verklaarde dat hij [alias 1 medeverdachte 1] niet meer geloofde toen in juni 2019 zijn bankrekening werd geblokkeerd. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van oplichting dient naar alle omstandigheden van het geval te worden gekeken, zie ook uw hof in 2016:2775:
(…)
Op het moment dat de bankrekening van de aangever wordt geblokkeerd en hij zegt [alias 1 medeverdachte 1] vanaf dat moment niet meer te hebben geloofd (in hetgeen hem eerder kennelijk op het verkeerde been zette en hem bewoog geld over te dragen) ontstaat toch de situatie dat niet meer van oplichting gesproken kan worden. Hoe cru dat ook voor de aangever mag klinken of voelen. De motivering van de rechtbank dat ook daarna sprake is geweest van oplichting is dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie:
Alles overziend dient cliënte (…) voor dit feit alsnog vrijgesproken te worden.’
Bespreking van het middel
9. Het middel bevat twee deelklachten inzake de bewijsvoering van het onder parketnummer 09-270395-19 sub 1 bewezenverklaarde. De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring van medeplegen ondeugdelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Aangevoerd wordt dat de overweging van het hof dat de verdachte ‘met de medeverdachte op pad is gegaan om contant geld van [aangever 1] in ontvangst te nemen’ niet wordt ondersteund door de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. De steller van het middel voert voorts aan dat de door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachte veeleer met medeplichtigheid in verband dienen te worden gebracht. Geklaagd wordt tenslotte dat het hof heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom het tot het oordeel is gekomen dat het medeplegen van de verdachte zich uitstrekt tot het geheel van de afgegeven gelden en het horloge, nu de overdracht van het grootste deel van de contante gelden plaatsvond buiten aanwezigheid en medeweten van de verdachte.
10. Uw Raad heeft, onder verwijzing naar het overzichtsarrest inzake medeplegen van 2 december 2014, de rechtsregels inzake medeplegen in een arrest van 26 maart 2024 als volgt samengevat:
‘2.3 Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen.’
11. Het hof heeft aan het medeplegen door de verdachte een bewijsoverweging gewijd. Deze betreft zowel de rol van de verdachte bij de oplichting van [aangever 1] (waar het middel op ziet) als de rol van de verdachte bij de oplichting van [aangever 4] , [aangever 2] en [aangever 3] . Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat bij elk van deze feiten van een vergelijkbare samenwerking en een vergelijkbaar plan sprake was.
12. Het hof heeft vooropgesteld dat de aangevers door het gedrag van [medeverdachte 1] ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat [medeverdachte 1] ‘in een financieel zeer penibele situatie verkeerde vanwege haar schulden’ en dat de verdachte van de leugens van [medeverdachte 1] op de hoogte was. Tegen deze vaststellingen van het hof zijn in cassatie geen klachten naar voren gebracht.
13. Het hof overweegt vervolgens dat de verdachte ‘een belangrijke bijdrage’ heeft geleverd ‘bij de instandhouding van deze onjuiste voorstelling van zaken’ doordat zij haar woning ter beschikking heeft gesteld voor ontmoetingen en haar bankrekening ter beschikking heeft gesteld. Door haar woning ter beschikking te stellen heeft de verdachte ‘bijgedragen aan de instandhouding van de leugen dat [medeverdachte 1] schulden had’. [medeverdachte 1] had aan de aangevers verteld dat zij bij de verdachte inwoonde ‘omdat ze schulden had’ en aan [aangever 1] dat zij gescheiden was. En de verdachte heeft haar bankrekening ter beschikking gesteld aan [medeverdachte 1] ‘terwijl zij wist dat [medeverdachte 1] dit rekeningnummer door zou geven aan de aangevers zodat die vervolgens geld hiernaar konden overmaken’ en aldus tevens ‘bijgedragen aan de leugen dat [medeverdachte 1] zelf geen bankrekening had’. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte het geld dat de aangevers hadden overgemaakt naar haar bankrekening ‘door [medeverdachte 1] en anderen van haar rekening’ heeft laten pinnen en dat zij daartoe haar bankpas ter beschikking heeft gesteld.
14. In deze vaststellingen van het hof ligt reeds besloten dat zich niet een situatie voordoet waarin de door het hof vastgestelde gedragingen met medeplichtigheid in verband dienen te worden gebracht. De verdachte heeft niet enkel gelegenheid verschaft tot het plegen van oplichting door de bankrekening ter beschikking te stellen waarop de aangevers geld hebben gestort; door haar woning en haar bankrekening ter beschikking te stellen heeft zij een wezenlijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het samenweefsel van verdichtsels voor zover dat erin bestond dat medeverdachte ‘geld nodig had ter betaling van schulden’.
15. In aanvulling op voornoemde vaststellingen heeft het hof overwogen dat verdachte kort nadat [aangever 3] daarop grote bedragen had gestort, zelf een bedrag van € 9.990,- heeft opgehaald van de rekening, dat verdachte [aangever 3] een aantal keren heeft gebeld en hem heeft ‘meegedeeld dat zij overleg had gehad met [medeverdachte 5] , de zogenoemde budgetcoach van [medeverdachte 1] ’ en dat hij geld op haar bankrekening moest overmaken. Bij zowel [aangever 4] als bij [aangever 1] zijn de verdachte en [medeverdachte 1] , aldus het hof, ‘samen op pad gegaan om contant geld van aangevers in ontvangst te nemen’.
16. Naar ik begrijp berust de vermelding van [aangever 1] in deze laatste overweging op een kennelijke misslag en gaat het om de aangevers [aangever 4] en [aangever 3] . Een tot het bewijs gebezigde verklaring van [aangever 3] houdt in: ‘De derde ontmoeting vond plaats, ik denk ergens in april 2019. [alias 1 verdachte] en [alias 4 medeverdachte 1] kwamen bij mij thuis. Ze kwamen het geld wat ik voor hen had opgenomen ophalen’ (bewijsmiddel 20). Een tot het bewijs gebezigde verklaring van [aangever 4] houdt in: ‘Toen ik bij [naam ] was vroeg ze mij weer om geld. Dit keer vroeg ze mij om 3000 euro. Ik reeds toen samen met [naam ] en [verdachte] in de auto naar de geldautomaat van de Rabobank. Nadat ik het geld had gepind gaf ik het weer aan [naam ] ’ (bewijsmiddel 24). De bewijsoverwegingen van het hof kunnen met verbetering van deze kennelijke misslag gelezen worden.
17. Ik merk nog op dat deze verbetering er niet aan afdoet dat het hof in de omstandigheid dat de verdachte samen met de medeverdachte op pad is gegaan om contant geld van andere aangevers in ontvangst te nemen ook bij de bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting van [aangever 1] een redengevend feit heeft kunnen zien. Ook in andere zaken is de bewijsvoering van medeplegen van samenhangende feiten wel in die samenhang beoordeeld.
18. In de bewijsvoering van het hof ligt ten slotte besloten waarom de omstandigheid dat de overdracht van het grootste deel van de contante gelden plaatsvond buiten aanwezigheid van de verdachte er niet aan in de weg heeft gestaan dat de bewezenverklaring zich uitstrekt tot het geheel van de afgegeven geldbedragen en het horloge. De bijdrage van de verdachte aan de oplichting is niet enkel gelegen in het ter beschikking stellen van een bankrekening voor het door de aangevers storten van gelden. Dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te spreken heeft het hof (in het bijzonder) gebaseerd en kunnen baseren op de wezenlijke functie die het ter beschikking stellen van haar woning en bankrekening had in het (bij de aangevers ingang doen vinden van het) samenweefsel van verdichtsels. Dat samenweefsel van verdichtsels heeft er vervolgens toe geleid dat [aangever 1] ook contante geldbedragen heeft afgegeven en het Rolex horloge.
19. Daarmee faalt de eerste deelklacht.
20. De tweede deelklacht houdt in dat de verwerping van het verweer dat [aangever 1] de vereiste omzichtigheid in het maatschappelijk verkeer niet dan wel onvoldoende aan de dag heeft gelegd (waardoor niet van oplichting gesproken kan worden) ondeugdelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Uit de bewijsmiddelen zou niet anders kunnen worden afgeleid dan dat de aangever op meerdere momenten ernstig heeft getwijfeld dan wel heeft moeten twijfelen aan de voorstelling van zaken, met name toen de rekening(en) van de aangever werd(en) geblokkeerd in combinatie met een gesprek bij de bank.
21. Uw Raad heeft in één van de overzichtsarresten inzake oplichting van 20 december 2016 onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
‘2.4. In de voorgaande overwegingen staan de verschillende oplichtingsmiddelen centraal. Opmerking – en in voorkomende gevallen aparte aandacht – verdient nog dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.’
22. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de persoonlijkheid van het slachtoffer mede bepaalt of (van ‘bewegen’ en daarmee) van oplichting sprake is. Ik heb eerder aarzelingen bij die benadering naar voren gebracht. Bemelmans en Hofstee hebben een uitleg van deze in het ‘bewegen’ ingelezen eis voorgesteld waarin deze geen betrekking heeft ‘op de gedragingen van het slachtoffer maar op die van de dader. Het gaat hier om de kwaliteit en overtuigingskracht waarmee de oplichter te werk is gegaan’.
23. In een arrest van 3 september 2024, waar ook door de steller van het middel op wordt gewezen, leidde een ontoereikende bewijsvoering van het ‘bewegen’ tot cassatie. In het bestreden arrest waren (onder meer) drie gevallen van oplichting bewezenverklaard. De verdachte had de aangeefsters telkens bewogen tot afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van een schuld, te weten één of meer telefoonabonnementen. A-G Hofstee leidde in de conclusie die aan het arrest voorafging uit de vaststellingen van het hof af dat het samenweefsel van verdichtsels steeds inhield dat de betrokken aangeefster (veel) geld zou kunnen verdienen met het afsluiten van telefoonabonnementen door de verkoop van de verkregen telefoons en dat de verdachte iemand kende die de abonnementen uit het systeem kon verwijderen zodat de aangeefster er geen factuur van zou krijgen (randnummer 18). Dat laatste element was telkens (in andere bewoordingen) bewezenverklaard. A-G Hofstee leidde uit de bewijsoverwegingen af dat alle drie aangeefsters wel door hadden dat er iets niet klopte; uit de bewijsvoering volgt volgens hem niet dat de persoonlijkheid van de vrouwen een rol van betekenis heeft gespeeld (randnummer 21). Hofstee meende dat het oordeel van het hof over het ‘bewegen tot’ onvoldoende was gemotiveerd. Uw Raad was van oordeel dat het middel slaagde en verwees naar de conclusie.
24. Een belangrijk element in deze strafzaak is dat de slachtoffers was voorgespiegeld dat zij (veel) geld zouden kunnen verdienen. Ook in een arrest van 30 juni 2020 waarin Uw Raad tot cassatie kwam, was dat element aanwezig. In die zaak had de aangeefster gereageerd op een advertentie van de verdachte waarin stond dat zij ‘vandaag nog’ duizend euro kon verdienen en was haar door de verdachte voorgehouden dat zijn zwager abonnementen uit het systeem kon halen zodat er niets op haar naam zou blijven staan, waarop de aangeefster vijf telefoonabonnementen had afgesloten, vijf bijbehorende ‘gratis’ telefoons had ontvangen en een Macbook op afbetaling had gekocht.
25. Het element van zelfverrijking ontbrak in een zaak waarin Uw Raad op 3 december 2024 arrest heeft gewezen. Het hof had in die zaak overwogen dat de aangeefster niet tot de afgifte van geldbedragen was bewogen ‘door een algemene belofte dat zij zou worden terugbetaald, maar door concrete en herhaalde leugens die door de verdachte op een zeer indringende manier aan haar werden verteld’. En dat de verdachte er ‘alles aan deed om de bij [slachtoffer] opkomende twijfels weg te nemen.’ Het hof achtte voorts van belang dat de verdachte de aangeefster ‘doelbewust heeft afgesneden van hulp door familie of vrienden, door telkens aan te dringen op geheimhouding van de ‘leningen’.’ Het hof nam wat de persoonlijkheid van de aangeefster betreft in aanmerking dat zij een alleenstaande weduwe op leeftijd was, die de (financiële) zaken tijdens haar huwelijk altijd had overgelaten aan haar echtgenoot. En dat zij ‘is omschreven als een enigszins naïeve vrouw, die graag mensen wilde helpen’. Hiertegen werd in cassatie onder meer aangevoerd dat de aangeefster had aangegeven het op enig moment zelf ook niet meer helemaal te vertrouwen en dat de aangeefster waarschuwingen uit haar omgeving en van de politie had ontvangen. De conclusie hield daaromtrent in dat de omstandigheid dat bij een slachtoffer twijfels hebben bestaan, en dat deze zijn gevoed door contacten met derden, nog niet betekent dat de ‘in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid’ het slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen, zodat haar de bescherming die de strafbaarstelling van oplichting biedt dient te worden ontzegd. Uw Raad deed het middel af met art. 81, eerste lid, RO.
26. Ook in de onderhavige zaak ontbreekt het element van zelfverrijking. De medeverdachte heeft [aangever 1] doen geloven dat zij geld nodig had ter betaling van schulden. De bedragen die [aangever 1] betaalde en de Rolex die hij voor haar kocht, hielden daarmee verband.
27. De bewezenverklaring houdt in dat sprake is van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels. Die valse hoedanigheid is, zo begrijp ik, gelegen in het zich door de medeverdachte voordoen als iemand die een relatie met [aangever 1] wilde. Het samenweefsel van verdichtsels bestaat, zo volgt uit de bewezenverklaring, (in het bijzonder) uit het contact leggen via een datingsite, het [aangever 1] doen geloven dat de medeverdachte geld nodig had ter betaling van schulden, waaronder schulden (bij het CJIB) die dreigden te worden verhoogd en waarvoor gijzeling dreigde, het [aangever 1] doen geloven dat de medeverdachte onder bewind stond en daarom geen eigen rekening had alsmede het [aangever 1] meermalen laten bellen door iemand die zich voordeed als budgetcoach van de medeverdachte, en het [aangever 1] doen geloven dat hij en de medeverdachte samen konden zijn op enig moment, althans nadat haar schulden waren afbetaald. Mede in het licht van dit bewezenverklaarde samenweefsel van verdichtsels heeft het hof – meen ik – kunnen oordelen dat [aangever 1] de van hem ‘in het maatschappelijk verkeer te verwachten omzichtigheid in voldoende mate’ heeft betracht. Ik wijs daarbij in het bijzonder op het element van het geen eigen rekening hebben in samenhang met het meermalen bellen door iemand die zich voordeed als budgetcoach. En op de dreiging van gijzeling, die aan voortzetting van het contact (en een relatie) in de weg zou staan.
28. Een en ander wordt niet anders door de omstandigheid dat de rekening van [aangever 1] in juni werd geblokkeerd en hij heeft verklaard dat hij daarna het verhaal van de medeverdachte niet meer ‘oprecht’ geloofde. Het hof heeft, meen ik, kunnen oordelen dat het gedrag van de verdachten ‘na deze waarschuwing (is) voortgegaan, voortbouwend op het eerder opgezette stelsel van verzinsels’ en dat dit (en niet een andere beweegreden) [aangever 1] ertoe heeft ‘gebracht geld te blijven betalen’. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de verklaring van [aangever 1] kan worden opgemaakt dat deze blokkade kennelijk alleen het gevolg was van het in korte tijd afschrijven van grote bedragen, dat de blokkade na een week werd opgeheven, en dat uit die verklaring niet blijkt dat hem bij die gelegenheid informatie is medegedeeld op grond waarvan hij de onjuistheid van de voorstelling van zaken die de medeverdachte gaf, had moeten onderkennen.
29. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet evenmin af dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte in deze fase nog bij de betalingen door aangever betrokken was. Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat de wezenlijke bijdrage die de verdachte aan het (bij [aangever 1] ingang doen vinden van het) samenweefsel van verdichtsels heeft geleverd, ook bij latere betalingen in de bewezenverklaarde periode die onderdeel uitmaakten van dezelfde oplichting effect heeft gesorteerd.
30. Ook de tweede deelklacht faalt. Daarmee faalt het middel.
Afronding
31. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat het hof bij de ten behoeve van [aangever 1] opgelegde schadevergoedingsmaatregel de duur van de gijzeling heeft bepaald op 365 dagen. Op grond van art. 36f, vijfde lid, Sr beloopt de duur van de gijzeling ten hoogste een jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan. Uw Raad kan zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan ten behoeve van [aangever 1] opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot bepaling dat ten behoeve van deze schadevergoedingsmaatregel gijzeling van 360 dagen kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG