PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04017
Zitting 21 januari 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 20 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens (1) “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en (2) “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daarnaast heeft het hof een geldbedrag verbeurd verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R. Zilver, advocaat in Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het derde middel
Ik bespreek eerst het derde voorgestelde middel, waarin wordt geklaagd dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, omdat de pleitnota die op de terechtzitting in hoger beroep door de raadsman aan het hof is overgelegd zich niet bij de stukken van het geding bevindt en daardoor niet valt na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in het bestreden arrest genoemde dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. In het proces-verbaal is opgenomen:
“De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman het woord voert overeenkomstig zijn pleitnota, die aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.”
De in het proces-verbaal vermelde pleitnota ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. De raadsman heeft op 24 februari 2023 (en dus tijdig) via het webportaal op grond van art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van een afschrift van deze pleitnota. Op dezelfde datum is namens de griffier van de Hoge Raad aan het hof verzocht om de pleitnota aan de strafadministratie van de Hoge Raad te doen toekomen. Bij brief van 13 maart 2023 is door de griffier bij het hof aan de Hoge Raad bericht dat deze pleitnota kennelijk in het ongerede is geraakt en daarom niet meer kan worden aangeleverd.
Nu de pleitnota ontbreekt, valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan wel of aldaar meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan de in de bestreden uitspraak genoemde. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het blijkens bij het hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.
Het middel slaagt.
3. De overige middelen
Het voorgaande betekent dat het eerste en tweede middel buiten bespreking kunnen blijven.
4. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn
Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 28 oktober 2022 cassatieberoep ingesteld. Dit betekent dat de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak doet en dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Na terugwijzing kan dit tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak bij het hof aan de orde worden gesteld.
5. Conclusie
Het derde middel slaagt. De overige middelen behoeven daarom geen bespreking.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG