PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04341 C
Zitting 27 mei 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof) heeft – na terugwijzing door de Hoge Raad – bij vonnis van 26 oktober 2023 het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht) van 15 augustus 2019 bevestigd, waarbij de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, onder A van de Opiumwet 1960 BES” (feit 1 primair) en “medeplegen van een overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet, meermalen gepleegd” (feit 2 primair) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Tevens heeft het Gerecht beslist over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
Namens de verdachte heeft J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Alvorens kan worden toegekomen aan een bespreking van de cassatiemiddelen, zal moeten worden vastgesteld of de verdachte ontvankelijk is in het cassatieberoep.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 oktober 2023 is de verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen en is tegen hem verstek verleend.
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- art. 10 lid 2 van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Rijkswet):
“De verdachte kan geen beroep in cassatie instellen tegen bij verstek gewezen vonnissen.”
- art. 306 Wetboek van Strafvordering BES (hierna: SvBES):
“In zaken betreffende strafbare feiten waarop geen gevangenisstraf is gesteld, kan de verdachte zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, bepaaldelijk daartoe door hem gemachtigd of, indien hem uitsluitend als overtreding strafbaar gestelde feiten zijn ten laste gelegd, ook door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, tenzij het Hof vertegenwoordiging niet mocht toelaten; in het laatste geval schorst het Hof het onderzoek voor een bepaalde tijd.”
- art. 307 SvBES:
“Tegen de verdachte die niet op de aan hem gedane dagvaarding op de terechtzitting verschijnt of zich, in de gevallen bij wettelijke regeling voorzien, niet door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt verstek verleend.”
De memorie van toelichting bij art. 10 lid 2 Rijkswet houdt – voor zover hier van belang – in:
“In het algemene gedeelte van de toelichting werd er reeds de aandacht op gevestigd, dat het, gezien de grote afstand tussen de zetel van de Hoge Raad en de Nederlandse Antillen, geen aanbeveling verdient het beroep in cassatie in Antilliaanse zaken in alle gevallen open te stellen, waarin dit voor Nederlandse zaken openstaat.
[…]
Ook behoeft naar zijn oordeel geen recht tot beroep in cassatie te worden verleend aan de verdachte tegen wie bij verstek vonnis is gewezen. In het algemeen zal de verdachte het aan zichzelf te wijten hebben, dat er in zijn zaak bij verstek uitspraak is gedaan. Onder die omstandigheden bestaat er geen aanleiding meer zijn belang zwaarder te laten wegen dan de inconveniënten die juist in overzeese zaken aan de cassatie zijn verbonden.”
Op de BES-eilanden, waartoe Bonaire behoort, bestaat, buiten gevallen als bedoeld in art. 306 en 307 SvBES, niet in de mogelijkheid om een procedure op tegenspraak te laten plaatsvinden bij afwezigheid van de verdachte. Tegen een verdachte die rechtsgeldig is gedagvaard, maar niet verschijnt, wordt dan verstek verleend. De verschijning van een (gemachtigd) raadsman maakt dat – anders dan in art. 279 in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering – niet zonder meer anders. Het is in het Caribische deel van het Koninkrijk echter wel bestendige praktijk dat de raadsman in hoger beroep desgewenst de gelegenheid wordt geboden om de verdachte te verdedigen, ook indien hij niet verklaart daartoe uitdrukkelijk gemachtigd te zijn. Daarbij speelt een rol dat tegen bij verstek gegeven strafvonnissen van het Hof voor de verdachte geen gewoon rechtsmiddel openstaat en het Hof “op zichzelf [is] aangewezen om te bewaken dat het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht op rechtsbijstand van de afwezige verdachte tot gelding wordt gebracht”.
Naar aanleiding van een klacht in cassatie dat het bepaalde in art. 10 lid 2 Rijkswet strijdig is met 14 EVRM en 26 IVBPR overwoog de Hoge Raad dat in de wetsgeschiedenis ligt besloten dat en waarom er naar het oordeel van de Rijkswetgever een te rechtvaardigen verschil is met het Nederlandse rechtsstelsel. Verder overwoog de Hoge Raad dat het zijn rechtsvormende taak te buiten zou zijn als hij het bepaalde in art. 10 lid 2 van de Rijkswet terzijde zou stellen.
Tegen de verdachte in de voorliggende zaak is op 5 oktober 2023 verstek verleend, waarna tegen hem op 26 oktober 2023 een verstekvonnis is gewezen. Door de verdachte is op 3 november 2023 cassatie ingesteld. Op grond van artikel 10 lid 2 Rijkswet staat voor de verdachte die in hoger beroep bij verstek is veroordeeld, echter geen cassatieberoep open. De omstandigheid dat de raadsman van de op de terechtzitting in hoger beroep niet-verschenen verdachte aldaar het woord ter verdediging heeft gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Het voorgaande brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen. De middelen behoeven daarom geen bespreking.
3. Slotsom
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG