ECLI:NL:PHR:2025:795

ECLI:NL:PHR:2025:795, Parket bij de Hoge Raad, 15-07-2025, 24/02069

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-07-2025
Datum publicatie 15-07-2025
Zaaknummer 24/02069
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1625
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Uitlokken van medeplegen van ontvoering en medeplegen onttrekken aan het gezag van 2-jarig meisje door haar mee te nemen naar India (art. 47, 279 en 282 Sr). De verdachte is de vader van het meisje. Middelen hebben betrekking op de geldigheid van de kennisgevingen van de inleidende dagvaarding (1 en 2), rechtsmacht van de Nederlandse rechter (3), psychische overmacht (4), de strafmotviering (5, 7 en 9), achterwege laten van een videoconferentie met de verdachte (8) en de immateriële schade die is toegewezen aan het meisje. Alle middelen falen en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO, behalve middel 8). Samenhang met 24/01916, 24/01953, 24/02019 en 24/02184.

Uitspraak

“5. Verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

(…)

Rechtsmacht

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er in deze zaak geen Nederlandse rechtsmacht bestaat en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Het hof overweegt als volgt. In de tenlastelegging zijn - onder meer - pleegplaatsen in Nederland opgenomen.

Art. 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt:”

Op grond van het in artikel 2 Sr neergelegde territorialiteitsbeginsel kan door Nederland rechtsmacht worden uitgeoefend ten aanzien van een ieder die zich in Nederland schuldig maakt aan een strafbaar feit. Wat de plaats van het delict is (de locus delicti), kan worden vastgesteld door te kijken naar de plaats van de delictsgedraging, de plaats van de werking van het instrument en de plaats van het intreden van het gevolg. Er kunnen meerdere plaatsen gelden als locus delicti.

Voorts is van belang dat er, naast in Nederland gelegen plaatsen, ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd. Ook dan is vervolging wegens dat strafbare feit in Nederland mogelijk op grond van artikel 2 Sr, ook ten aanzien van de gedragingen die deel uitmaken van dat strafbare feit en die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

Gelet op artikel 2 Sr bestaat derhalve Nederlandse rechtsmacht en kan de verdachte worden vervolgd door het Openbaar Ministerie. Wat betreft feit 1 wordt in aanvulling overwogen dat de locus delicti van het uitgelokte feit in de beoordeling wordt betrokken en dat dit leidt tot hetzelfde oordeel, te weten dat sprake is van rechtsmacht op basis van artikel 2 Sr.

De raadsman heeft beschouwingen gewijd aan de vraag of Nederlandse rechtsmacht al dan niet kan worden gebaseerd op andere bepalingen van titel 1 van boek 1 Sr (in het bijzonder artikel 5 Sr) dan wel daardoor wordt beperkt (in het bijzonder artikel 8d Sr). Deze beschouwingen hebben onder meer betrekking op de Grondwet, internationale verdragen en de uitleg daarvan, alsmede op gewoonterecht. Gelet op de vaststelling en de overwegingen zoals hiervoor gegeven behoeft dit geen bespreking.

De verweren strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging worden verworpen.”

Het hof heeft in reactie op het in het middel bedoelde verweer van de verdediging tot uitdrukking gebracht dat in de tenlastelegging – onder meer – pleegplaatsen in Nederland zijn opgenomen en dat Nederland mede daarom op grond van art. 2 Sr rechtsmacht kan uitoefenen. Het oordeel van het hof dat de beschouwingen van de raadsman over de beperking van de Nederlandse rechtsmacht om die reden geen bespreking behoeven, acht ik niet onbegrijpelijk. Die beschouwingen hebben immers hoofdzakelijk betrekking op het standpunt dat de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht een schending van de soevereiniteit van India zou opleveren, terwijl aan de verdachte enkel gedragingen in Nederland en Duitsland ten laste zijn gelegd.

Het middel faalt.

Het vierde middel

Het middel klaagt dat het hof het verweer van de verdediging dat de verdachte heeft gehandeld in psychische overmacht heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 9, 11, 16 en 18 april 2024 en 2 mei 2024 heeft de raadsman op 16 april 2024 het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):

Psychische overmacht

54. [betrokkene 5] heeft het gezagsrecht van [verdachte] doelbewust ondermijnd door op 7 december 2014 [het kind] onrechtmatig over te brengen naar Nederland. Bij beschikking d.d. 19 augustus 2015 - die hierna nog wordt weergegeven - sprak het Haagse gerechtshof zich over deze onrechtmatige overbrenging klip en klaar uit. Daarmee heeft ze inbreuk gemaakt op [verdachte] ’s recht op "family-life" als bedoeld in art. 8 EVRM door hiermee de omgang van [verdachte] met zijn dochter [het kind] te ontzeggen en te frustreren. In wezen deed zij precies hetzelfde als datgene wat [verdachte] verweten wordt: een pure onttrekking van Insya aan het gezag van [verdachte] . En dat het haar bittere ernst was om hem de omgang met zijn dochter inderdaad te ontzeggen en te frustreren, moge blijken uit haar e-mail d.d. 25 februari 2015 luidend:

"You can go screw yourself or maybe you can’t do that properly too. I am in Netherlands and you like it or not [het kind] is with me and you can’t do anything to get her back and have few options. Think wisely before you write unless you want go to the launders for the money you have. It’s your daughter I have now.

Poor [verdachte] I feel so sorry you can’t even see your daughter because I won’t let you come near her. I will drag you to a dutch court and you know what, l am dutch and better don’t forget that. Put your foot in my country and I will show you. You are a loner and all you have is your money which will soon be gone, such a lovely daughter we have baby who is lucky to have a rich father like you and yes; you like it or not, it's all about the money, honey.”

Ontmaskering [betrokkene 5] c.q. financiële motieven

55. Zie hier hoe kristalhelder en in klare taal de werkelijke motieven van [betrokkene 5] zijn: "It's all about the money, honey''. Wat hier verder ook van zij, haar financiële mantra plaatst de wederrechtelijkheid van cliënt wel in een ander daglicht in die zin dat het wat minder wederrechtelijk lijkt dan het door geld verblinde [betrokkene 5] gepresenteerd wordt. De context van dit "it's all about the money, honey" brengt subsidiair mee dat in het voetspoor van Bronkhorst sprake is van psychische overmacht als "poort tot concrete gerechtigheid”. De geldzucht van [betrokkene 5] behelst immers een van buiten [verdachte] komende drang waaraan hij als liefhebbende vader redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Ook naijlen van de overmachtsituatie in de beleving van de verdachte is mogelijk. Gelet op de onttrekkingshandeling van [betrokkene 5] met dat rare vaccinatieverhaal - alsof ze in India niet kunnen vaccineren - is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldaan. In gewoon Nederlands heet dat “een koekje van eigen deeg”. In het Hindoeïsme schijnt dit “karma” te worden genoemd (Wat gij zaait zult gij oogsten).

56. De kern van (psychische) overmacht is toch dat de naleving van een wettelijk voorschrift door de betrokken persoon redelijkerwijze niet te vergen is. Het gaat bij overmacht niet om een optimale keuze die de burger bij een dilemma in drukkende omstandigheden heeft gemaakt, maar vooral om een alleszins verantwoorde of begrijpelijke keuze. Anders gezegd: de verdachte heeft in prangende omstandigheden een niet onbegrijpelijke keuze gemaakt.

"I won’t let you come near her": keiharde blokkade van de vader.

57. Daarvan is in casu sprake in een situatie waarin een moeder op voorhand aankondigt contact tussen vader en kind te bruuskeren (I won ‘t let you come near her") en vervolgens zonder blikken of blozen meedeelt dat geldzucht haar drijft. Tegen deze achtergrond moet gezegd worden dat hiermee het bloed onder de nagels van [verdachte] werd gehaald en hij door haar toedoen in een toestand van psychische overmacht kwam te verkeren. Geconfronteerd met de ontvoering van [betrokkene 5] , haar onverbloemde weigering van contact tussen [verdachte] en zijn dochter en haar geldzucht was [verdachte] ten einde raad. Hij meent dan ook dat zijn keuze begrijpelijk was. Zijn psychische overmacht is immers verstrengeld met ook zijn recht op een privéleven met zijn dochter, waarop geen inbreuk mag worden gemaakt door financiële motieven van een vrouw die hem inpepert "It’s your daughter I have now".

58. Het aan [verdachte] in India toegekende gezag en zijn recht op een privéleven ex art. 8 EVRM verlenen hem dus in beginsel een “eigen Indiaas recht” op grond waarvan hij [het kind] mocht doen verwijderen uit de betrokken woning en mee te nemen naar India. Ten tijde van de verwijdering uit de woning was [betrokkene 5] - de andere gezaghebbende ouder - niet thuis. Nu de overige aanwezigen ( [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) geen gezagsrecht hadden, kan niet bewezen worden dat het meenemen van [het kind] op dat specifieke moment wederrechtelijk was. Van een wederrechtelijke vrijheidsberoving is dan ook geen sprake, zodat hij van feit 1 moet worden vrijgesproken subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht.”

Het hof heeft het dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

“10. Strafbaarheid van de verdachte

Psychische overmacht

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldzucht van de moeder van [het kind] en het feit dat zij contact tussen de verdachte en [het kind] frustreerde een van buiten komende drang creëerden waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Het hof overweegt het volgende.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Bij psychische overmacht ligt het accent op de persoon van de dader en de specifieke omstandigheden waaronder hij in een conflictsituatie tot een keuze moest komen. Bij de vaststelling daarvan zijn de aanwezigheid van een op aannemelijkheid te toetsen verklaring van de verdachte over zijn gemoed in het kader van zijn handelen en de drijfveer die heeft geleid tot zijn keuzes vrijwel onontbeerlijk. De verdachte heeft in deze zaak echter geen enkele verklaring afgelegd, zodat het hof in de beoordeling van de aannemelijkheid van de feiten die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, ernstig wordt belemmerd en deze derhalve zal moeten toetsen aan de hand van de zich wel in het dossier bevindende processtukken.

Uit het dossier valt af te leiden dat sprake was van een fors conflict tussen de verdachte en de moeder van [het kind] met meningsverschillen over onder andere het gezag over [het kind] en dat daarbij ferme woorden zijn gevallen. In het licht van de processtukken acht het hof evenwel geen indicatie aanwezig dat de moeder het contact tussen de verdachte en [het kind] daadwerkelijk wilde frustreren. Duidelijk is dat sprake is geweest van zogeheten character shaming, mogelijk ook publiekelijk en van beide zijden. Op zichzelf zijn deze feiten en omstandigheden, ook als daarvan wordt uitgegaan, onvoldoende voor een geslaagd beroep op psychische overmacht.

Ook uit de verklaringen van de medeverdachten, in het bijzonder [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , kan het hof niet afleiden dat aan de strenge eis die uit de hiervoor vermelde maatstaf voortvloeit, is voldaan. De door de verdachte gevolgde werkwijze, die zich laat typeren als een gedurende geruime tijd planmatig, professioneel en op gecontroleerde wijze verrichte uitvoering, wijst evenmin in die richting. Integendeel.

Alles afwegende wordt het beroep op psychische overmacht verworpen. Het is op feitelijke gronden niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Voor zover wordt uitgegaan van de feitelijke situatie die uit de processtukken kan blijken, deels aan de hand van de onderbouwing van het verweer, deels op basis van een ambtshalve beoordeling van hetgeen zich in het dossier ten aanzien van een mogelijke feitelijke grondslag bevindt, is deze onvoldoende om te oordelen dat deze de in de maatstaf bedoelde externe drang oplevert.”

Het juridisch kader

Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Verwerpt de rechter het beroep, dan mag hij niet in het midden laten of hij de door de verdediging aan het beroep ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden acht dan wel dat die feiten en omstandigheden naar zijn oordeel een beroep op psychische overmacht niet rechtvaardigen.

Bij psychische overmacht gaat het om een gedraging die is verricht in een ongewone psychische toestand (zoals bewustzijnsvernauwing of doodsangst), veroorzaakt door een extreme en acute vorm van een stresssituatie. Volgens De Hullu en Van Kempen zijn “zeer prangende omstandigheden” vereist. Naarmate de noodsituatie ten tijde van de delictsgedraging minder acuut is, zo schrijven zij verder, wordt het beroep minder kansrijk.Ter illustratie wijzen zij op een zaak van al enige tijd geleden: HR 26 mei 1992, ECLI:NL:1992:AD1686 (NJ 1992/681). In die zaak ging het om een vrouw die haar partner had doodgeschoten. Aangevoerd werd dat deze partner haar jarenlang stelselmatig had bedreigd, mishandeld en vernederd. Op de avond van de doodslag had hij haar verkracht en gedreigd haar de volgende dag te zullen doden en ook haar dochtertje te zullen verkrachten. Het hof verwierp het beroep op psychische overmacht en achtte het onvoldoende aannemelijk dat de verdachte “op het moment van het begaan van het feit geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat zij niet anders kon of behoorde te handelen dan zij toen heeft gedaan”. Daarbij nam het hof onder meer in aanmerking dat de verdachte “het slachtoffer op doordachte wijze uren na afloop van de ruzie in zijn slaap [heeft] gedood.” De Hoge Raad liet deze verwerping in stand.

Gewezen kan ook worden op het meer recente HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:521. In die zaak was de verdachte onder bedreiging van zijn mededaders naar een woning gegaan, waar hij geconfronteerd werd met het zwaar toegetakelde – toen nog levende – vastgebonden slachtoffer. De verdachte kreeg van zijn mededader(s) de opdracht het slachtoffer te bewaken en werd ook tijdens de uitvoering van die taak door (een van) hen bedreigd. Die mededader(s) verliet(en) op enig moment de woning. De verdachte werd veroordeeld voor het medeplegen van het van zijn vrijheid beroofd houden van het slachtoffer, als gevolg waarvan het slachtoffer was overleden. Het hof verwierp het beroep op psychische overmacht en achtte het aannemelijk dat aanvankelijk een overmachtssituatie bestond, maar dat die situatie was geëindigd toen de verdachte alleen met het slachtoffer in de woning was. Toenmalig AG Vegter overwoog in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest dat het hof daarmee kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uiting had gebracht dat op dat moment geen personen meer in zijn aanwezigheid waren die acute drang bij hem veroorzaakten. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

De bespreking van het middel

Aan het beroep op psychische overmacht heeft de verdediging – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat de door geldzucht gedreven moeder van het slachtoffer het contact tussen de verdachte en zijn dochter wilde frustreren. Die omstandigheid zou een van buiten komende drang hebben opgeleverd waartegen de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.

Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe tot uitdrukking gebracht dat het – kennelijk ondanks het door de verdediging aangehaalde e-mailbericht van 25 februari 2015 – niet aannemelijk geworden acht dat de moeder van het slachtoffer het contact tussen de verdachte en zijn dochter “daadwerkelijk” wilde frustreren. Wel volgt uit de processtukken, zo overweegt het hof, dat sprake was van een “fors conflict (…) over onder andere het gezag over [het kind] ”, waarbij “ferme woorden zijn gevallen” en dat sprake is geweest van “zogeheten character shaming, mogelijk ook publiekelijk en van beide zijden.” Die omstandigheden heeft het hof op zichzelf echter onvoldoende geacht voor een geslaagd beroep op psychische overmacht. Aan het slagen van het beroep stond naar het oordeel van het hof voorts in de weg dat de verdachte gedurende geruime tijd planmatig, professioneel en op gecontroleerde wijze te werk is gegaan. Met die overwegingen tezamen heeft het hof het beroep op psychische overmacht, gelet op hetgeen onder 7.4 – 7.6 uiteen is gezet, toereikend gemotiveerd verworpen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof met voornoemde overwegingen ook tot uitdrukking heeft gebracht dat, anders dan in het onder 7.6 besproken arrest, geen specifiek, (enigszins) acuut moment van (voldoende) psychische druk valt aan te wijzen.

Voor zover in de toelichting op het middel met een beroep op het emailbericht van 25 februari 2015 nog wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het “in het licht van de processtukken evenwel geen indicatie aanwezig [acht] dat de moeder het contact tussen de verdachte en [het kind] daadwerkelijk wilde frustreren”, merk ik op dat dit een beoordeling van factoren van louter feitelijke aard vergt. Voor een dergelijke beoordeling is in cassatie geen ruimte.

Het middel faalt.

Het vijfde, zevende en negende middel

Het vijfde, zevende en negende middel komen op tegen de strafmotivering. Elk middel richt zich daarbij tegen een ander(e) oordeel en/of overweging van het hof. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Het hof heeft de verdachte ter zake van de onder 1.1 genoemde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden. De strafoplegging is door het hof als volgt gemotiveerd:

“11. Oplegging van straf

Inleidend

De advocaat-generaal heeft, uitgaand van een bewezenverklaring van beide feiten, een gevangenisstraf geëist voor de duur van negen jaren. Namens de verdachte is betoogd dat, in het geval van bewezenverklaring, een aanzienlijk lagere straf dient te worden opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

De verdachte was in 2016 in een ernstig en hoogoplopend conflict verwikkeld met zijn toenmalige echtgenote [betrokkene 7] . Terwijl dat conflict zich nog in volle omvang manifesteerde heeft hij hun gezamenlijke dochter, [het kind] , op 29 september 2016 ontvoerd en overgebracht naar India waar zij tot op de dag van vandaag verblijft. [het kind] was ten tijde van de overbrenging ongeveer tweeënhalf jaar oud. De verdachte heeft er in de eerste jaren na de ontvoering slechts een enkele keer aan meegewerkt dat [het kind] via Skype met haar moeder kon spreken. Maar het is al vele jaren geleden dat [het kind] en haar moeder voor het laatst via het beeldscherm contact hebben gehad.

De gevolgen voor [het kind]

is als gevolg van de ontvoering en van de abrupte wijze waarop deze is uitgevoerd geheel onverwachts uit haar vertrouwde omgeving weggerukt. Die omgeving bestond uit personen, aan wie [het kind] , naar mag worden aangenomen, gehecht was en die haar dagelijks verzorgden. Het lijdt geen enkele twijfel dat deze gebeurtenis, als gevolg waarvan elk betekenisvol contact met haar moeder en overige dierbaren in Nederland onmogelijk is gemaakt, zeer ingrijpend is geweest voor [het kind] . Ook kan zonder terughoudendheid worden aangenomen dat deze ontwikkeling haar beleving van veiligheid en geborgenheid in nadelige zin moet hebben beïnvloed. Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft, op basis van een onderzoek in 2018 en wetenschappelijke inzichten over veilige hechting, zijn zorgen geuit over de emotionele ontwikkeling en mentale gezondheid van [het kind] .

De raadsman heeft tijdens zijn pleidooi op enig moment gezegd: “als er iets schadelijk is voor een kind, dan is het toch wel elkaar bestrijdende ouders.’' Een waarheid als een koe. Volgens de raadsman zou dit aanleiding moeten zijn voor terughoudendheid bij de straftoemeting omdat een zware straf in het algemeen mogelijk bijdraagt aan polarisatie. Wat er zij van de juistheid van dit oorzakelijk verband in de onderhavige strafzaak, in elk geval kan worden vastgesteld dat deze opmerking van de raadsman het enige aanknopingspunt biedt voor de veronderstelling dat de verdachte zich realiseert wat een kind nodig heeft. De verdachte heeft, ter illustratie van het welbevinden van [het kind] , zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman mededelingen laten doen en/of documenten laten presenteren met betrekking tot haar schoolprestaties, taalbeheersing en zwemvaardigheden alsmede over de op haar naam opgebouwde spaartegoeden en gedane investeringen. Over inbedding in een sociale omgeving of familie, die [het kind] zou kunnen omhullen en geborgenheid zou kunnen bieden, geeft de verdachte geen enkele informatie.

De houding van de verdachte

Voorafgaand aan en na de ontvoering zijn zowel in Nederland als in India vele gerechtelijke procedures gevoerd tussen de ouders, onder meer over de echtscheiding, over de teruggeleiding van [het kind] in het kader van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) en over omgang en gezag. In het oog springend is het, voor de afdoening van deze strafzaak in het bijzonder van belang zijnde gegeven, dat sinds 2019 sprake is van een onherroepelijk bevel van de Nederlandse rechter om [het kind] terug te brengen naar haar moeder in Nederland en het feit dat de verdachte door de Indiase rechter reeds op 30 oktober 2018 en vervolgens nog enkele malen is bevolen om meermalen per week contact tussen moeder en kind via Skype te faciliteren. Het heeft, als gevolg van weigerachtigheid van de verdachte, niet geleid tot enig tastbaar resultaat. De halsstarrige wijze waarop de verdachte hieraan uiting heeft gegeven op de momenten dat de Raad voor de Kinderbescherming of andere instellingen om een toelichting of uitleg vroegen is ronduit stuitend. Het pleidooi van de raadsman bevat evenmin enige handreiking van de zijde van de verdachte om te zoeken naar manieren voor herstel van het contact. Integendeel, op vragen van het hof, ingegeven door de eenzijdige oriëntatie op juridische aspecten en door de vormgeving van het betoog langs de lijnen van het toernooimodel, kon de raadsman slechts antwoorden dat de ervaring leert dat kinderen in het algemeen later op zoek gaan naar hun wortels. Met andere woorden, de verdachte heeft zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman, op geen enkele wijze ook maar enige opening laten bieden voor hernieuwd contact tussen moeder en kind.

De door de raadsman bij dupliek geponeerde stelling - als reactie op de vraag van het hof hoe de toekomst tussen moeder en kind er volgens de verdachte uitziet - dat een lange, gevangenisstraf niet bevorderlijk zal zijn voor een toekomstig contact tussen het kind en haar moeder, geeft in dat kader de manipulatieve wijze waarop de verdachte niet alleen zijn verantwoordelijkheid richting de moeder van [het kind] , maar ook zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen, meer dan treffend weer. Overigens is ook de mededeling van de raadsman dat de nu tienjarige [het kind] het haar moeder verwijt dat deze de publiciteit zoekt, veelzeggend en symptomatisch. Het is bepaald geen indicatie van een attitude die is gericht op de-escalatie. [het kind] wordt kennelijk niet geholpen om op zelfstandige wijze een weg te vinden in dit voortdurende conflict en niet begeleid of ondersteund om zich op liefdevolle wijze te verhouden tot haar moeder die zij onder de druk van de omstandigheden niet meer ziet.

Gevolgen voor de familie

Voor de personen die na de ontvoering zijn achtergebleven zijn de gevolgen ook zeer ingrijpend. [betrokkene 7] , de moeder van [het kind] , moet al bijna acht jaar verder leven met dit enorme verlies. Zij heeft tijdens haar slachtofferverklaring ter terechtzitting van het hof verteld hoezeer zij ernaar verlangt om haar dochter zelfs maar even te zien op een beeldscherm. Zij strijdt onvermoeibaar voor een hereniging met haar dochter. Daar komt bij dat zij op geen enkele wijze invulling kan geven aan haar rol als (sinds 2019 enig) gezaghebbend ouder. Ook voor de andere familieleden, in het bijzonder de oma en tante van [het kind] , is het gemis groot. Zij waren op dagelijkse basis betrokken bij de verzorging en opvoeding van de peuter. Het is volstrekt invoelbaar dat het verdriet van de familie groot is.

Het hof wil wel aannemen, zoals meermalen benadrukt door de raadsman, dat de verdachte een culturele achtergrond heeft waarin andere waarden leidend zijn voor de relaties tussen partners en tussen ouders en kinderen. In het midden kan in dit verband blijven het antwoord op de vraag wat moreel en juridisch aanvaardbaar is in de Indiase samenleving waar het gaat om de posities van respectievelijk vaders en moeders ten opzichte van hun wettige kinderen. Maar het ongeclausuleerde cultuurrelativisme dat aan het namens de verdachte gevoerde pleidooi ten grondslag ligt heeft tot consequentie dat het handelen van de verdachte, waarvan een volledige verbreking van contact tussen de moeder en haar kind het resultaat is, wordt gerechtvaardigd. Die claim kan binnen de Nederlandse rechtsorde onmogelijk worden aanvaard. Dat geldt eveneens voor het standpunt van de raadsman dat de status quo te rechtvaardigen zou zijn omdat deze het gevolg is van, zo begrijpt het hof, de door de verdachte gemaakte keuzes in een conflict van rechtsplichten. Ook enkele beslissingen en bevelen van Indiase rechters, gegeven naar aanleiding van door de verdachte of [betrokkene 7] aangespannen procedures, bieden geen ondersteuning voor dat standpunt. [het kind] is voor de verdachte, zo moet helaas worden geconcludeerd, een trofee, verkregen in een intensieve strijd met haar moeder, die is gevoerd met niet toegestane middelen.

De uitvoering als project

De verdachte heeft de ontvoering laten uitvoeren door een groep personen. Zelf is hij bij de voorbereiding betrokken geweest en heeft hij samen met enkele mededaders [het kind] naar Duitsland en vervolgens India overgebracht. Eén van de mededaders, [betrokkene 3] , was een contact uit zijn zakelijk netwerk. De verdachte en [medeverdachte 2] hebben nog enkele andere personen in de voorbereiding en uitvoering betrokken. Ze werden samengebracht in een specifiek voor dit doel in het leven geroepen projectorganisatie, opgezet op basis van kennis van en inzichten in projectmanagement. De verdachte heeft de projectopzet en het daarmee samenhangende budget tijdens de hieraan gewijde overleggen telkens onder ogen gekregen en, naar het hof aanneemt, geaccordeerd. Of het nu ging om de onderlinge rolverdeling bij de voorbereiding en uitvoering, de inzet en de aanschaf van hulp- en vervoermiddelen of communicatie en uitwisseling van informatie, aan alles was gedacht. Een aantal deelnemers had zelfs een politiële en/of militaire achtergrond. Van deze kennis en kunde heeft de verdachte gebruik gemaakt, om zijn misdadig plan te laten slagen.

Bij de ontvoering is op de locatie waar [het kind] werd opgehaald misleiding toegepast om de woning te betreden en is gebruik gemaakt van geweld. Dit laatste maakte deel uit van de plannen, in die zin dat enige geweldshandelingen op voorhand mogelijk en toelaatbaar waren geacht. Met het oog daarop was in een laat stadium nog een persoon, [medeverdachte 4] , de "deurstopper", toegevoegd aan de organisatie.

Dit planmatige en projectmatige karakter draagt naast de eerder genoemde feiten en omstandigheden aanzienlijk bij aan de ernst en de strafwaardigheid van de feiten: de ontvoering van een weerloze peuter, steriel opgezet en uitgevoerd als een project met een duidelijke missie, waarin door een internationaal gezelschap van maar liefst acht personen met elk hun specialisme, taak en/of verantwoordelijkheid in meer of mindere mate op professionele wijze werd samengewerkt.

Dit alles maakt de bewezenverklaarde feiten tot een kinderontvoering van de buitencategorie. De reactie van de strafrechter zal met dat karakter overeen dienen te stemmen.

(…)

Slotsom

Het hof stelt vast dat de verdachte in Nederland geen strafblad heeft. Dat betekent dat in zoverre geen sprake is van feiten en omstandigheden die in het nadeel van de verdachte dienen te worden uitgelegd of toegepast.

Al het voorgaande in ogenschouw nemend, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal opnieuw gevorderde gevangenisstraf voor de duur van negen jaren bij wijze van uitgangspunt passend en geboden is.

Redelijke termijn

(…)

Aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden.”

Het vijfde middel

Het vijfde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat “zonder terughoudendheid [kan] worden aangenomen dat deze ontwikkeling haar beleving van veiligheid en geborgenheid in nadelige zin moet hebben beïnvloed” onbegrijpelijk is. Daartoe wordt gewezen op een tweetal studies die – kort gezegd – uitwijzen dat de ontwikkeling van kinderen die opgroeien in eenoudergezinnen respectievelijk “single-father families formed by surrogacy” op bepaalde gebieden (juist) positief kan zijn.

Het middel berust op een verkeerde lezing van het arrest. Anders dan in de toelichting op het middel kennelijk tot uitgangspunt wordt genomen, hebben de door het hof omschreven gevolgen betrekking op de wijze waarop [het kind] door de verdachte uit haar vertrouwde omgeving is “weggerukt” en niet op de op zichzelf beschouwde omstandigheid dat zij thans opgroeit in een eenoudergezin dan wel wordt opgevoed door een alleenstaande vader.

De toelichting op het middel houdt verder nog in dat “ook opmerking [verdient]” dat het gewraakte oordeel een schending van art. 8 EVRM oplevert. Daarbij wordt gewezen op een uitspraak van het EHRM van 6 juli 2010 (Neulingen en Shuruk t. Zwitserland), waaruit zou volgen dat “het kind zeer wel in goede handen [kan] zijn bij de ouder die het kind vanuit het ouderlijk gezag heeft onttrokken”. Voor zover de stellers van het middel hiermee een tweede deelklacht hebben willen formuleren, faalt deze eveneens. De in de toelichting geciteerde overwegingen van het EHRM komen erop neer dat art. 8 EVRM met zich brengt dat de terugkeer van een ontvoerd kind niet “automatically or mechanically” kan worden bevolen, omdat de beste oplossing voor het kind afhangt van een veelheid van factoren die zorgvuldig tegen elkaar afgewogen dienen te worden. Dat het onder 8.2 weergegeven oordeel van het hof over de gevolgen van de abrupte wijze waarop de ontvoering is uitgevoerd daarmee een schending van art. 8 EVRM zou opleveren, kan ik geenszins volgen.

Het middel faalt.

Het zevende middel

Het zevende middel klaagt dat het hof in het kader van de strafoplegging ten onrechte heeft aangenomen dat door de verdediging een “ongeclausuleerd cultuurrelativisme” is bepleit, zodat de door het hof getrokken conclusie dat [het kind] voor de verdachte “een trofee” is, op onbegrijpelijke gronden zou berusten.

Blijkens de toelichting doelen de stellers van het middel op de volgende overweging van het hof:

“Het hof wil wel aannemen, zoals meermalen benadrukt door de raadsman, dat de verdachte een culturele achtergrond heeft waarin andere waarden leidend zijn voor de relaties tussen partners en tussen ouders en kinderen. In het midden kan in dit verband blijven het antwoord op de vraag wat moreel en juridisch aanvaardbaar is in de Indiase samenleving waar het gaat om de posities van respectievelijk vaders en moeders ten opzichte van hun wettige kinderen. Maar het ongeclausuleerde cultuurrelativisme dat aan het namens de verdachte gevoerde pleidooi ten grondslag ligt heeft tot consequentie dat het handelen van de verdachte, waarvan een volledige verbreking van contact tussen de moeder en haar kind het resultaat is, wordt gerechtvaardigd. Die claim kan binnen de Nederlandse rechtsorde onmogelijk worden aanvaard. Dat geldt eveneens voor het standpunt van de raadsman dat de status quo te rechtvaardigen zou zijn omdat deze het gevolg is van, zo begrijpt het hof, de door de verdachte gemaakte keuzes in een conflict van rechtsplichten. Ook enkele beslissingen en bevelen van Indiase rechters, gegeven naar aanleiding van door de verdachte of [betrokkene 7] aangespannen procedures, bieden geen ondersteuning voor dat standpunt. [het kind] is voor de verdachte, zo moet helaas worden geconcludeerd, een trofee, verkregen in een intensieve strijd met haar moeder, die is gevoerd met niet toegestane middelen.”

De ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota houdt onder het kopje “Strafmaat” onder meer het volgende in:

“128. Deze zaak heeft, zoveel is duidelijk, een sterke culturele dimensie. In de literatuur, die helaas niet overvloedig aanwezig is, is aan deze culturele dimensie wel eens aandacht besteed. Verwezen zij naar Nellesteijn, Achtergronden van Turkse ontvoeringszaken, in: Algemeen Politieblad, 130 (1981) p. 51-56. Een auteur uit onverdachte hoek, te weten Yücel Yesilgöz beschrijft in zijn boek “Allah, Satan en het recht” dergelijke ontvoeringen als passend binnen de culturele achtergrond van Turken. Aangezien de rechter in iedere zaak een op maat van het individu toegesneden eindoordeel moet geven, is het zijn taak de culturele nuance te zoeken en te verdisconteren in de door hem te maken vertaalslag van het feitelijke naar het juridische (vgl. H.C. Wiersinga, Nuance in benadering, Culturele factoren in het strafproces XVI). Deze vertaalslag zal ertoe moeten leiden dat het vonnis van de rechtbank, dat vooral uitblinkt door eenzijdigheid, in zoverre vernietigd moet worden.”

Met de onder 8.8 weergegeven overweging heeft het hof – wat er ook zij van de term(en) die het daarbij heeft gebezigd – tot uitdrukking gebracht dat de door de verdediging aangehaalde “culturele dimensie” van de zaak naar zijn oordeel niet een zodanige invloed heeft op de verwijtbaarheid of strafwaardigheid van de hem verweten gedragingen dat daarmee in strafverminderende zin rekening wordt gehouden. Van een omstandigheid waarop het hof bij de strafoplegging in strafverzwarende zin acht heeft geslagen, is in dit verband geen sprake. Deze overweging is verder, gelet op de daarbij door het hof gegeven uitleg, niet onbegrijpelijk. Zij kan daarom, samen met de andere door het hof in aanmerkingen genomen omstandigheden, de door het hof getrokken conclusie dragen.

Het middel faalt.

Het negende middel

Het middel klaagt dat het hof een mededeling van de raadsman ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging heeft betrokken. Het hof zou onder meer naar aanleiding van die mededeling hebben overwogen dat de verdachte zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen.

Blijkens de toelichting doelen de stellers van het middel op de volgende overweging van het hof:

De houding van de verdachte

(…)De door de raadsman bij dupliek geponeerde stelling - als reactie op de vraag van het hof hoe de toekomst tussen moeder en kind er volgens de verdachte uitziet - dat een lange, gevangenisstraf niet bevorderlijk zal zijn voor een toekomstig contact tussen het kind en haar moeder, geeft in dat kader de manipulatieve wijze waarop de verdachte niet alleen zijn verantwoordelijkheid richting de moeder van [het kind] , maar ook zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen, meer dan treffend weer. Overigens is ook de mededeling van de raadsman dat de nu tienjarige [het kind] het haar moeder verwijt dat deze de publiciteit zoekt, veelzeggend en symptomatisch. Het is bepaald geen indicatie van een attitude die is gericht op de-escalatie. [het kind] wordt kennelijk niet geholpen om op zelfstandige wijze een weg te vinden in dit voortdurende conflict en niet begeleid of ondersteund om zich op liefdevolle wijze te verhouden tot haar moeder die zij onder de druk van de omstandigheden niet meer ziet.”

Het hof heeft in zijn strafmotivering onder het kopje “De houding van de verdachte” in de kern tot uitdrukking gebracht dat het de verdachte zeer kwalijk neemt dat hij een situatie heeft gecreëerd en in stand houdt waarin zijn dochter elke vorm van contact met haar moeder wordt onthouden en dat hij zich daarin (zelfs) niet laat tegenhouden door onherroepelijke rechterlijke bevelen en confrontaties door (andere) gezaghebbende instanties. De houding van de verdachte wordt daarin door het hof aangeduid als “weigerachtig”, “halsstarrig” en niet “bepaald (…) gericht op deescalatie”. De verdachte – die zelf “geen enkele [verklaring] heeft afgelegd” – heeft zijn raadsman “op geen enkele wijze ook maar enige opening laten bieden voor hernieuwd contact tussen moeder en kind”, aldus het hof. De gewraakte overweging van het hof moet dan ook zo worden uitgelegd dat het de houding van de verdachte is geweest die het hof tot de conclusie heeft gebracht dat de verdachte zijn verantwoordelijkheden wil ontlopen. De betreffende mededeling van de raadsman wordt door het hof – wat daar ook van zij – slechts gebruikt als middel om die conclusie te illustreren.

Het middel faalt.

Het zesde middel

Het middel klaagt dat de toewijzing van de vordering van [het kind] als benadeelde partij ontoereikend is gemotiveerd, omdat “geen geestelijk letsel adequaat is vastgesteld en/of anderszins is gebleken dat zij (geestelijk) letsel heeft ondervonden tengevolge van de bewezenverklaarde feiten.”

Het hof heeft de toewijzing van de in het middel genoemde vordering als volgt gemotiveerd:

“12.1 Vordering van benadeelde partij [het kind]

heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.000,00 aan immateriële schade. Tevens is verzocht om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag.

Ten aanzien van deze gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat het, nu bij de benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of schade in de eer en goede naam, de vraag is of de benadeelde partij ‘op andere wijze' in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

In de onderhavige zaak is ten aanzien van de verdachte bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de uitlokking van de ontvoering en aan het medeplegen respectievelijk plegen van het onttrekken aan het wettig gezag van zijn destijds tweejarige dochter [het kind] , de benadeelde partij, door haar uit het huis van haar oma weg te halen en naar India te brengen. Gelet op het voorgaande en zoals ook tot uitdrukking gebracht in de strafmotivering is naar het oordeel van het hof sprake van een normschending die naar haar aard en ernst meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor [het kind] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de financiële situatie van de benadeelde partij is voor beoordeling van de vordering niet relevant en kan buiten beschouwing blijven.”

Het middel berust op de opvatting dat het hof heeft geoordeeld dat [het kind] geestelijk letsel heeft opgelopen en dat om die reden sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 BW. Die opvatting is onjuist. Het hof heeft – na daartoe het juiste juridische kader uiteen te hebben gezet – overwogen dat “sprake [is] van een normschending die naar haar aard en ernst meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor [het kind] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.” Het hof heeft de hiervoor genoemde aantasting in de persoon dan ook aangenomen op grond van de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde en niet – zoals de stellers van het middel kennelijk tot uitgangspunt hebben genomen – op de grond dat bij de benadeelde partij sprake zou zijn van (objectief) geestelijk letsel.

Het middel faalt.

Afronding

Alle middelen falen en de middelen 1 tot en met 7 en 9 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?