PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02983 P
Zitting 24 juni 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene 1] ,
geboren in [plaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de betrokkene
1. Inleiding
Het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , heeft bij arrest van 21 juli 2023 (parketnr. 21-002361-19), het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 3.888.391,66 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 3.245.101,26. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02851 P, 23/03023 P en 23/02932 P. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R. Zilver, advocaat in Utrecht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
Deze ontnemingszaak houdt verband met het omvangrijke onderzoek Fiorino naar een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk zou hebben en die zich zou bezig houden met het telen, bewerken, verkopen en verhandelen van grote hoeveelheden hennep. In cassatie wordt allereerst opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 1] op de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2022 in de ontnemingszaak niet heeft willen handhaven. Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat – kort gezegd – kan worden uitgegaan van de verklaringen die [getuige 2] heeft afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris. Het derde middel gaat over het oordeel van het hof dat er aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan een ander strafbaar feit. Het vierde middel bestrijdt het oordeel van het hof dat per lamp 500 gram hennep werd geoogst. Het vijfde middel gaat over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. De strafzaak en de ontnemingszaak
De betrokkene is in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak bij onherroepelijk arrest van het hof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , van 22 juli 2022 (parketnr. 21-006993-18) veroordeeld wegens “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet” (feit 1), “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” (feit 2 en 3), “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” (feit 4 en 5 en het feit onder parketnr. 05-780186-16) en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” (feit 6). Feit 2 betreft het als medepleger betrokken zijn bij een zestal hennepkwekerijen in de periode van 1 maart 2012 tot en met 17 maart 2015. Feit 3 betreft het medeplegen van de handel in hennep vanuit [A] in de periode van 1 januari 2012 tot en met 14 oktober 2014.
Het hof heeft in de strafzaak tegen betrokkene vastgesteld dat deze zaak deel uitmaakt van de vervolging van de verdachten in het voormelde Fiorino-onderzoek. Het centrum van de activiteiten van de criminele organisatie werd gevormd door VOF [A] . Deze growshop werd geëxploiteerd door [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en de betrokkene. Vanuit [A] werden elders kwekerijen opgebouwd, werd het knippen en drogen van de hennep geregeld, en werden hennep en hennepstekken verkocht.
In de ontnemingszaak heeft het hof de beslissing van de rechtbank in de ontnemingszaak vernietigd, het door de betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 3.888.391,66 en de verplichting tot betaling aan de staat door de betrokkene vastgesteld op € 3.245.101,26.
4. Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 1] op de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2022 in de ontnemingszaak niet heeft willen handhaven.
Op de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2020 is de ontnemingszaak van de betrokkene gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de strafzaak van de betrokkene en de zaken tegen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en heeft de raadsvrouw van de betrokkene aangegeven zich aan te sluiten bij de onderzoekswensen die zijn gedaan in de zaken van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , waaronder het horen van [getuige 1] .
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige 1] bij tussenarrest van 21 januari 2021 met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium toegewezen en de zaak daartoe verwezen naar de raadsheer-commissaris.
Bij e-mailbericht van 5 april 2022 heeft het hof de verdediging en het openbaar ministerie op de hoogte gesteld van zijn besluit de ontnemingszaak niet meer gelijktijdig te behandelen met de strafzaak van de betrokkene.
Uit de processen-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 21 maart 2022 en 8 april 2022 blijkt dat [getuige 1] niet is gehoord vanwege een misverstand. De raadsheer-commissaris heeft het onderzoek op 8 april 2022 gesloten en de zaak naar de zitting verwezen.
Op de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2022 heeft het hof het onderzoek in de ontnemingszaak van de betrokkene voor onbepaalde tijd geschorst en bepaald dat er een schriftelijke uitwisseling van standpunten zal plaatsvinden voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak. Op deze terechtzitting heeft de raadsvrouw van de betrokkene desgevraagd medegedeeld “geen opmerkingen te hebben in de ontnemingszaak van de betrokkene”. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt – voor zover van belang – in:
“De voorzitter deelt mee:
De zaak is eerder behandeld op een regiezitting op 8 december 2020. Bij tussenarrest van het hof van 21 januari 2021 is beslist op de onderzoekswensen van de verdediging, waarbij een deel van de getuigenverzoeken is toegewezen. Daarna hebben verhoren plaatsgevonden bij de raadsheer-commissaris. In het tussenarrest heeft het hof ook bepaald dat partijen een schriftelijk standpunt dienen in te nemen naar aanleiding van de ontnemingsvordering en het in eerste aanleg gewezen vonnis en daarvoor termijnen gesteld. Van de verdediging heeft het hof per e-mail van 8 maart 2022 een memorie van grieven ontvangen. Daarna heeft het hof bepaald om de ontnemingszaak niet meer gelijktijdig te behandelen met de hoofdzaak tegen betrokkene, omdat een eventuele bewezenverklaring in de hoofdzaak een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de ontnemingsvordering. Het hof heeft de verdediging en het Openbaar Ministerie hiervan per e-mail van 5 april 2022 op de hoogte gesteld.
Verder heeft de raadsheer-commissaris een proces-verbaal opgesteld van 8 april 2022, waarin is gerelateerd dat het onderzoek bij het kabinet RHC is gesloten en de zaak naar de zitting wordt verwezen. In dit proces-verbaal is ook uitgelegd waarom een aantal getuigen niet gehoord is kunnen worden.
De ontnemingszaak van betrokkene zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd.
Desgevraagd deelt de raadsvrouw mee geen opmerkingen te hebben in de ontnemingszaak van betrokkene.”
Op de terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak van 26 april 2022 heeft de raadsvrouw van de betrokkene opnieuw een verzoek gedaan tot het horen van [getuige 1] . Het hof heeft dit verzoek op deze terechtzitting afgewezen.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2023 in de ontnemingszaak blijkt dat de raadsvrouw van de betrokkene hier het volgende naar voren heeft gebracht:
“Ik heb geen pleitnota, maar ik zal veel herhalen. De verdediging heeft verzocht [getuige 1] als getuige te horen in hoger beroep en dat verzoek is door uw hof toegewezen. Uw hof weet waarom dat in maart 2022 is mis gegaan. De verdediging persisteer bij het horen van die getuige.”
Het hof heeft in zijn arrest in de ontnemingszaak van 21 juli 2023 het volgende overwogen over het verzoek tot het horen van [getuige 1] :
“Verzoek horen [getuige 1]
Het hof overweegt dat de verdediging ter terechtzitting van 8 december 2020 heeft verzocht aan te mogen sluiten bij de onderzoekswensen van de verdediging in de zaken tegen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , waaronder het horen van [getuige 1] . Het hof heeft dit verzoek getoetst aan het noodzaakscriterium, nu de verdediging de getuigenverzoeken pas bij brief van 18 november 2020 van een motivering heeft voorzien. Het hof heeft bij tussenarrest van 21 januari 2021 het verzoek tot het horen van [getuige 1] om proceseconomische redenen toegewezen in zowel de strafzaak als ontnemingszaak en daarbij als voorwaarde gesteld dat het getuigenverhoor alleen doorgang zal vinden als de getuige binnen afzienbare tijd, te weten vóór 1 oktober 2021, gehoord kan worden. In het andere geval zal de raadsheer-commissaris afzien van het horen van de getuige. Het verhoor is desondanks gepland op 21 maart 2022. Door een misverstand tussen het kabinet raadsheer-commissaris en de Turkse autoriteiten over het tijdstip van verhoor vanwege het tijdsverschil is het verhoor door middel van een videoverbinding op die datum niet gelukt. De verdediging heeft in de strafzaak van veroordeelde gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van de getuige. Het hof heeft dat verzoek ter terechtzitting in de strafzaak van 26 april 2022 afgewezen en verwijst hiervoor naar het proces-verbaal ter terechtzitting van die datum.
De verdediging heeft voorts ter terechtzitting van het hof van 26 april 2022 in de ontnemingszaak op de vraag van de voorzitter meegedeeld geen opmerkingen te hebben in de ontnemingszaak. Het hof vat deze mededeling zo op dat de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 1] in de ontnemingszaak op 26 april 2022 niet heeft willen handhaven en dat het verzoek tot het horen van deze getuige in de ontnemingszaak opnieuw is gedaan ter terechtzitting van 9 juni 2023. Aan het verzoek ligt geen nadere onderbouwing ten grondslag. Het hof is van oordeel dat, mede in het licht van de door het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van de getuige van belang is voor de ontnemingsbeslissing. Het hof wijst het verzoek daarom af.”
Het op de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2020 gedane verzoek van de raadsvrouw van de betrokkene om [getuige 1] als getuige te horen kan worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in art. 414 Sv. Het hof heeft de zaak op de voet van art. 316 jo. 415 Sv naar de raadsheer-commissaris verwezen. Het hof heeft uitvoering gegeven aan dit verzoek door de zaak te verwijzen naar de raadsheer-commissaris met de opdracht onder meer [getuige 1] als getuige te horen.
Wanneer de zaak ten behoeve van het horen van een bepaalde getuige wordt verwezen naar de rechter-commissaris maar de getuige niet door de rechter-commissaris kan worden gehoord en de behandeling ter terechtzitting verdergaat, moet de verdachte als hij het wenselijk vindt dat deze getuige alsnog wordt gehoord, opnieuw een verzoek doen tot het horen van die getuige.
Het hof heeft met zijn overweging dat “de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 1] in de ontnemingszaak op 26 april 2022 niet heeft willen handhaven” kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het verzoek tot het horen van [getuige 1] op de terechtzitting van 26 april 2022 in de ontnemingszaak niet opnieuw is gedaan. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Uit de stukken blijkt niet dat een dergelijk verzoek voor of op de terechtzitting van de ontnemingszaak op 26 april 2022 uitdrukkelijk is gedaan of gehandhaafd. De enkele mededeling van de raadsvrouw dat zij geen opmerkingen heeft in de ontnemingszaak kan naar mijn oordeel niet als een dergelijk verzoek worden aangemerkt. Dat de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 1] in de strafzaak op de terechtzitting van 26 april 2022 wel opnieuw heeft gedaan, maakt mijns inziens niet dit verzoek daarmee ook in de ontnemingszaak is gedaan. Daarbij wijs ik erop dat de verdediging er als gevolg van de e-mail van het hof van 5 april 2022 van op de hoogte was dat de ontnemingszaak niet meer gelijktijdig zou worden behandeld met de strafzaak tegen de betrokkene en dat de ontnemingszaak op de terechtzitting van 26 april 2022 niet inhoudelijk is behandeld en voor onbepaalde tijd is aangehouden.
Nu namens de betrokkene op 26 april 2022 in de ontnemingszaak niet opnieuw is verzocht [getuige 1] te horen, was het hof niet gehouden een beslissing in de zin van art. 287 lid 3 Sv dan wel art. 288 lid 1 Sv te nemen.
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat voor zover de verklaring van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris op onderdelen zou afwijken van zijn eerder bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen, dit geen reden vormt om niet uit te gaan van deze eerder afgelegde verklaringen voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2023 heeft de raadsvrouw in relatie tot [getuige 2] het volgende opgemerkt:
“De advocaat-generaal is van mening dat ten aanzien van die kwekerijen voordeel is genoten door veroordeelde en ook nog eens pondspondsgewijs. Ik hoor de advocaat-generaal zeggen dat er geen reden is om daarvan af te wijken, omdat er eigenlijk geen verklaring is die dat niet aannemelijk maakt. Daar zijn de meningen over verdeeld. In die zin heeft mr. Zilver al aangegeven dat uw hof in de strafzaak de verklaring van [getuige 2] toch wel betrouwbaar heeft geacht. De verdediging meent dat die verklaring dan ook op bepaalde punten over de eventuele verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou moeten worden gevolgd. Als we zijn verklaring volgen en de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting, dan kan de enkele bewezenverklaring van de deelneming aan de criminele organisatie niet zonder meer tot de conclusie leiden dat door veroordeelde ook uit die desbetreffende kwekerijen voordeel is genoten. […]
Het laatste punt betreft de handel in hennep. In aanvulling op de conclusie wijst de verdediging op de verklaring van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris. [getuige 2] heeft daarbij verklaard dat hij geen getuige is geweest van strafbare feiten in of buiten [A] waarbij veroordeelde betrokken zou zijn geweest. Dat vind ik een belangrijke aanvulling. De advocaat-generaal heeft onvoldoende handen en voeten gegeven aan het standpunt van het openbaar ministerie op dit punt.”
Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen inzake de verklaringen van [getuige 2] :
“Verklaringen [getuige 2]
Het hof heeft in zijn arrest van 22 juli 2022 gebruik gemaakt van de verklaringen die [getuige 2] bij de politie heeft afgelegd. Bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen vermogen zal het hof net als in de strafzaak ook gebruik maken van die verklaringen. Hoewel aan de verdediging kan worden toegegeven dat [getuige 2] in het verhoor bij de raadsheer-commissaris een concreter onderscheid lijkt te maken tussen kwekerijen die werden geëxploiteerd door [A] en kwekerijen waar [A] alleen spullen aan leverde, heeft [getuige 2] ook verklaard dat hij in de verhoren bij de politie en de rechter-commissaris de waarheid heeft gesproken en volledig is geweest in wat hij kon vertellen. Voor zover de verklaring van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris op onderdelen zou afwijken van zijn eerder bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen, is het hof van oordeel dat dit geen reden vormt om niet uit te gaan van deze eerder afgelegde verklaringen van [getuige 2] voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen vermogen.”
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat deze overweging innerlijk tegenstrijdig en daarmee onbegrijpelijk is, omdat het hof enerzijds overweegt dat [getuige 2] bij de rechter-commissaris concreter heeft verklaard en onderscheid heeft gemaakt tussen kwekerijen die werden geëxploiteerd door [A] en kwekerijen waar [A] alleen spullen aan leverde, maar het hof hier anderzijds geen enkele (bewijs)waarde aan hecht. Voorts wordt – in essentie – aangevoerd dat het hof niet nader heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris op basis van andere bewijsmiddelen niet waar kunnen zijn.
Het is aan de feitenrechter om te bepalen welk bewijsmateriaal hij vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid bruikbaar vindt voor het bewijs en welk bewijsmateriaal hij terzijde schuift. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van feitenmateriaal in beginsel niet te motiveren, tenzij bijvoorbeeld door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver de motiveringsplicht in dat geval gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat in elk geval niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Een en ander is niet anders in ontnemingszaken.
De klachten miskennen de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat het bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel voorbij zal gaan aan bepaalde onderdelen van de verhoren van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris en dat het zal uitgaan van de verklaringen van deze getuige bij de politie en de rechter-commissaris. De selectie- en waarderingsvrijheid brengt mee dat het aan het hof was voorbehouden om deze keuzes te maken. Tot een innerlijk tegenstrijdige motivering en daarmee onterecht oordeel heeft dit niet geleid. Ook wanneer een verklaring concreter is hoeft dat immers nog niet te betekenen dat er ook belang aan kan of moet worden gehecht. Voorts is de klacht dat het hof uitgebreider dan het reeds heeft gedaan had moeten motiveren waarom het niet uitgaat van bepaalde onderdelen van de verklaringen van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris, tevergeefs voorgesteld. In cassatie is immers niet gesteld dat hierover door of namens de betrokkene een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen. Overigens heeft de verdediging hierover in hoger beroep in wezen ook niet meer aangevoerd dan dat de verklaring van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris betrouwbaar is en kennelijk dat deze aanvullende informatie bevat die door het hof zou moeten worden gebruikt.
Het middel faalt.
6. Het derde middel
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat er aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan een ander strafbaar feit, namelijk de handel in hennep voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode van 1 januari 2012 tot en met 14 oktober 2014. In het bijzonder wordt geklaagd dat dit oordeel onterecht is, althans ontoereikend is gemotiveerd, aangezien het oordeel (mede) berust op ofwel een niet-bestaand verhoor, ofwel een niet nader aangeduid verhoor.
Het hof heeft in het bestreden arrest – voor zover van belang – het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde die heeft begaan. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. […]
[…]
Handel in hennep
[…]
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de ontnemingsvordering voor wat betreft dit onderdeel of te wijzen. Hiertoe is ten eerste aangevoerd dat veroordeelden verklaren geen voordeel te hebben verkregen uit de handel in hennep (enkel uit de bemiddeling en uit het verlenen van facilitaire diensten aan klanten van [A] ).
Ten tweede is hiertoe opgemerkt dat het voordeel op ondeugdelijke wijze is berekend. Er is immers op basis van enkele OVC-gesprekken uit de periode van december 2013 tot april 2014 aangenomen dat gedurende tien jaar elke week 65 kilogram hennep met een winstmarge van € 200,00 per kilo is verhandeld. Dit uitgangspunt is naar de mening van de verdediging onvoldoende onderbouwd en onvoldoende aannemelijk geworden.
Daarnaast heeft de verdediging gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van [getuige 1] .
De beoordeling door het hof
Voor wat betreft de handel in hennep zal de rechtbank eerst nader ingaan op de daarbij te hanteren periode. In zijn arrest heeft het hof de handel in hennep in de tenlastegelegde periode van 1 januari 2012 tot en met 14 oktober 2014 bewezen verklaard.
Hiertoe heeft zij onder meer in haar vonnis overwogen:
“(...) De vennoten van VOF [A] (verder: [A] ), [a-straat 1] in [plaats] , Groothandel in tuinders-benodigdheden en ijzer en metaalwaren, zijn [betrokkene 3] (sinds 02-08-2004), [betrokkene 1] (sinds 2-8-2004) en [betrokkene 2] (sinds 01-01 2010). Verdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben - ieder in hun eigen strafzaak - verklaard dat zij gezamenlijk de leiding hadden en gelijkwaardige partners waren.
In een OVC-gesprek van 16 augustus 2013 zegt [betrokkene 2] tegen een NN-man dat hij in 1 heroïne en “wit” (rechtbank: cocaïne) gehandeld heeft en hij daarna samen met een vriend, die nog steeds compagnon is, met wiet is begonnen en dit hier (rechtbank: [A] ) hebben geopend. [betrokkene 2] plaatst de start van de wiethandel 14, 15 jaar geleden, in de tijd dat zijn kind werd geboren. Zijn kind is geboren op [geboortedatum] 1999. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn op 9 december 2003 in de woonkamer van een woning aan de [f-straat 1] in [plaats] in verband met een hennepkwekerij aangetroffen en aangehouden. Uit het bovenstaande en hetgeen hierna ten aanzien van de witwasfeiten nog zal worden overwogen over de duur van de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij [A] , maakt de rechtbank op dat [betrokkene 2] vanaf in ieder geval 2006 dan wel begin 2007 actief in de hennep/wiet heeft gezeten en niet pas vanaf 1 januari 2010.
Tijdens de doorzoeking in het pand van [A] aan de [a-straat 1] in [plaats] op 14 oktober 2014 zijn, naast growshop-artikelen, onder meer aangetroffen: € 50.691 aan contant geld, twee geldtelmachines, 16.160 gram hennep, 82 hennepstekken en twee cannacutters waarvan één met resten van hennep. (...)
Ten aanzien van de in-, verkoop en het afleveren van hennep
Verdachte [betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens wat heeft verdiend met de handel waar klanten mee terugkwamen. Daarbij ging het om enkele kilo’s; de ene keer één kilo en de andere keer drie of vier kilo. Ook [betrokkene 3] heeft bij de politie verklaard dat hij hoorde en zag dat er in [A] ook andere dingen gebeurden, dat wil zeggen de in- en verkoop van weed.
[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij medio 2010 bij [A] is begonnen. Hij heeft gezien dat er veel hennepstekken en weed werden verkocht. In de periode dat hij daar werkte, heeft hij vaak gezien dat [betrokkene 2] geld heeft ontvangen van mensen en dat zij weggingen met strijkzakken gevuld met weed of dat mensen hennep leverden en dat [betrokkene 2] hen betaalde.
[naam 1] heeft op 6 augustus 2015 verklaard dat hij vier, vijf jaar geleden bij [A] is begonnen. Hij heeft gezien dat [betrokkene 2] geld betaalde aan een Vietnamese vrouw voor hennep die zij geleverd heeft. De rol van [betrokkene 2] binnen de organisatie was de in- en verkoop van hennep. Twee dagen voor de inval lag er een partij van 600 kilo hennep in [A] .
In een OVC-gesprek zegt [naam 2] tegen [betrokkene 3] dat een jongen 3 kilo 240 (rechtbank: hennep) pakte en dat hij vrijdag komt betalen. [betrokkene 3] zegt. “Oké”. [betrokkene 3] praat met [naam 2] over een prijs van 4.000 (rechtbank: euro per kilo hennep) en 17 kilo (rechtbank: hennep).
[betrokkene 2] is in gesprek met een NN-man. Hij vertelt dat hij 17 kilo (rechtbank: hennep) kwijt is en hij 114 kilo nat heeft gekocht (rechtbank: natte hennep die nog moet worden gedroogd). [betrokkene 2] heeft overal grote klanten, klanten die echte aantallen pakken: 15, 20, 30, 40 soms 50, 60 (rechtbank: kilo hennep). [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [naam 2] praten over kilo’s (rechtbank: hennep). [betrokkene 2] vraagt voor hoeveel [naam 2] “die” (rechtbank: hennep) heeft verkocht. [naam 3] vraagt aan [naam 2] hoeveel kilo hij heeft gegeven. [naam 2] : Het was 16.600 (rechtbank: gram) en nog wat. [naam 4] heeft twee meegenomen, dat is dan 18, 12 stuks aan dinges gegeven/verkocht, aan [naam 5] 18, dat is dan 30. [naam 3] vraagt of die 30.000 zou brengen (rechtbank: euro) en zegt dat hij 16 kilo heeft gekocht. [betrokkene 2] is in gesprek met [naam 6] . Op de achtergrond is de geldtelmachine te horen en het geluid van het tot stapeltjes maken van papier en het spannen van elastiekjes. [betrokkene 2] zegt dat hij volgende week zeker 150, 200 (rechtbank: kilo hennep) heeft liggen. [betrokkene 2] zegt tegen een NN-man dat hij normaal 60 à 70 kilo (rechtbank: hennep) binnenkrijgt, maar dat hij deze week al 100 heeft en volgende week minimaal 150 kg binnenkrijgt. [betrokkene 2] zegt tegen [naam 7] : “Gisteren had ik nog bijna 90 kilo en nu zijn er nog 34 over”.
Ook in de OVC-gesprekken van 12-08-13 10:10, 13-08-13 17:25, 14-08-13 11:16, 11-09-13 17:21, 12-09-13 17:31, 25-09-13 12:53, 12-11-13 13:24, 26-11-13 09:22, 14-01-14 09:23, 16-08-13 10:44, 30-08-13 10:42, 05-09-13 14:27, 13-09-13 12:53, 27-09-13 13:49, 01-10 13 12:06, 25-10-13 10:37, 31-10-13 14:52, 14-11-13 17:05, 05-12-13 11:03, 18-12-13 12:14 spreken [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of [naam 2] en/of anderen over de inkoop en de verkoop van hennep. Hierbij worden hoeveelheden van 2 kilo tot 57 kilo hennep per transactie/dag genoemd. Er worden prijzen per kilo hennep genoemd die variëren tussen de € 2.190,- en € 4.600,- per kilo.
Gezien aard en inhoud van de bovenstaande bewijsmiddelen – inclusief de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [naam 2] tijdens het door de rechter-commissaris gedelegeerde verhoor bij de politie - is het volstrekt onaannemelijk dat de verdachten in [A] slechts bemiddelden tussen verkopers en kopers van hennep en een daarvoor ingerichte ruimte ter beschikking stelden. Zij teelden hennep en verkochten deze hennep en handelden ook in de hennep die anderen hadden geproduceerd. (...)
Conclusie (…)
Op grond van (...) de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat [A] niet alleen een - destijds nog - legale growshop was, maar dat er door de verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [naam 2] samen met elkaar en/of samen met anderen gehandeld werd in duizenden hennepstekken en honderden kilo’s hennep. (...)
Uit de bewijsmiddelen, de OVC-gesprekken en de getuigenverklaringen van [naam 1] , [betrokkene 4] en [getuige 2] volgt dat de handel in hennepstekken en hennepjaren voor 1 januari 2012 is begonnen. Deze periode valt buiten de onder 3 ten laste gelegde periode maar is van belang voor de onder 1 ten laste gelegde criminele organisatie en het witwassen”.
De rechtbank verwijst hierbij naar wat zij in het vonnis inzake de bemiddeling door de veroordeelden heeft opgenomen.
De rechtbank overweegt verder dat het in de ontnemingsvordering gaat om de handel in hennep vanuit [A] . Nu veroordeelde voor de periode tot 1 maart 2012 van de deelname aan de criminele organisatie [A] is vrijgesproken, zal de rechtbank ook bij de handel in hennep een aanzienlijk kortere periode dan in de Financiële Rapportage - namelijk nog enkel van 1 maart 2012 tot 14 oktober 2014 - tot haar uitgangspunt nemen. De rechtbank zal gelet op dit voorgaande bij de berekening van het voordeel bij veroordeelde uitgaan van een periode van handel voor de duur van 136 weken (tweejaar en tweeëndertigweken).
Nu echter in het voordeel van veroordeelde ook bij hem rekening zal worden gehouden niet de aanloopperiode van de handel in de periode van 2004 tot en met 2014, zal de rechtbank ter volledigheid ook in deze zaak kort op de totale duur van de handel ingaan. De rechtbank heeft hierover in haar vonnis onder meer overwogen:
“(...) De Vennootschap onder Firma [A] is op 2 augustus 2004 opgericht. De vennoten van [A] vanaf 2 augustus 2004 zijn [betrokkene 3] en [betrokkene 1] . (...) [betrokkene 2] is vanaf 1 januari 2010 als vennoot toegetreden.” (...)
De eerdere betrokkenheid van [betrokkene 2] volgt ook uit de verklaringen van [getuige 2] . [getuige 2] heeft verklaard dat hij vanaf begin 2007 ‘hokken’ bij ging houden, van ‘begin tot het eind’. Hij werkte voor [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . [getuige 2] heeft verklaard dat hij dit vier jaar heeft gedaan. (...) Over [betrokkene 1] hierbij verklaart [getuige 2] : “het was wel bij elkaar maar hij deed zeg maar zijn eigen ding”. (...)
[getuige 2] heeft ook over de handel in hennep en hennepstekken in zijn periode (vier jaar vanaf begin 2007) bij [A] verklaard. [getuige 2] verklaart hierover dat er bijvoorbeeld Vietnamezen naar hem toe kwamen met handel, met wiet. Het ging om 4, 10 dan wel 20 kilo, maar soms ook om heel veel, verklaart [getuige 2] . [getuige 2] gaf het door en [A] betaalde de Vietnamezen. Vervolgens werd de handel weer verkocht. “Ze kwamen uit her en der”, aldus [getuige 2] . (...). (…)”.
Verder gaat de rechtbank in haar vonnis in op enkele OVC-gesprekken, waaronder het gesprek van 16 augustus 2013.
“In het gesprek vertelt [betrokkene 2] :
(…) En toen heb ik twee keer straf gekregen en ik heb dus twee keer straf uitgezeten vanwege die shit.. vanwege heroïne. Toen ik eruit kwam heb ik weer wat gedaan op kleine schaal (…) enkel ‘wit’ [opm. tolk: in het Turks wordt in de volksmond met ‘beyaz’ (wit) cocaïne bedoeld] hebben we gedaan. We hebben wat geld opzij gezet samen met de vriend. We zijn nog steeds compagnons trouwens. We zijn toen ook daarmee gestopt en zijn met de wiet begonnen. Vervolgens hebben wij dit hier geopend...godzijdank! Nog voordat wij dit hier hadden geopend is mijn kind geboren... 14 à 15 jaar geleden is dus mijn kind geboren (…)”. De rechtbank overweegt dat zij hieruit - in samenhang met het Uittreksel van de Kamer van Koophandel - afleidt dat [betrokkene 2] onder meer spreekt over zijn medevennoot (en compagnon) [betrokkene 3] met wie hij in de wiet zit. (...).”
Gelet op al het voorgaande en in het bijzonder ook de datum van de oprichting van [A] (2 augustus 2004) en het OVC-gesprek d.d. 16 augustus 2013 (begonnen met de wiet en daarna dit hier geopend), bestaan er naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen dat [A] zich al vanaf 2004 en daarmee in totaal tien jaar bezig heeft gehouden met de handel in hennep. De opbrengsten hiervan zijn te beschouwen als wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit geldt uiteraard ook voor de opbrengsten uit de bewezenverklaarde periode.
[…]
Conclusie met betrekking tot de handel
Zoals genoemd zijn een algehele periode van tien jaar (met een periode voor veroordeelde van 136 weken), een hoeveelheid van 65 kilo per week en een winstmarge van € 200,- per kilo aannemelijk geacht.
Jaarlijks betreft het 52 weken x 65 kilo hennep = 3.380 kilo hennep en daarmee totaal in tien jaar 33.800 kilo hennep. Gelet op de aanloopperiode - waar ook in het voordeel van veroordeelde rekening mee zal worden gehouden - wordt het totaal aantal kilo’s in de Financiële Rapportage gehalveerd naar een omvang van 16.900 kilo hennep. In de berekening wordt vervolgens rekening gehouden met het aantal kilo’s hennep dat uit eigen kwekerijen komt. Dit is volgens het overzicht met alle kwekerijen en het voordeel conform de Financiële Rapportage een hoeveelheid van totaal 8.536 kilogram (van in totaal 16.900 kilogram, p. 61 Financiële Rapportage). De rechtbank heeft echter niet met betrekking tot alle kwekerijen de berekening in deze rapportage gevolgd. Zij zal echter niettemin in het voordeel van veroordeelden schatten dat de hoeveelheid hennep uit eigen kwekerijen de helft van in totaal 16.900 kilo bedraagt. Zij zal 8.450 kilo op het totale aantal in mindering brengen, wat maakt dat een hoeveelheid van 8.450 kilo resteert.
Gelet op al dit voorgaande betekent dit dat naar het oordeel van de rechtbank dat een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.690.000, - (8.450 kilo x € 200, -) voor de duur van tien jaar (520 weken en € 3.250,- per week) aannemelijk is geworden. Voor wat betreft de verdeling overweegt de rechtbank echter dat dit niet zonder meer pondspondsgewijs over de drie bestuurders kan worden verdeeld.
Nu het gaat om de hennephandel vanuit [A] en de veroordeelde [betrokkene 1] voor de periode tot 1 maart 2012 van de deelname aan de criminele organisatie [A] is vrijgesproken, zal zij bij [betrokkene 1] zoals voornoemd een aanzienlijk kortere periode tot uitgangspunt nemen. Dit levert tot 14 oktober 2014 een periode van twee jaar en tweeëndertig weken (136 weken) op. Het gaat daarmee om een totaal voordeel in deze periode van € 442.000,- (136 weken x € 3.250,- per week), zijnde een bedrag van € 147.333,33 per veroordeelde.
Voor wat betreft de overige periode, zijnde 384 weken (520 weken - 136 weken), resteert een voordeel van totaal € 1.248.000,- (384 weken x € 3.250 per week). Dit bedrag dient vervolgens over enkel [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , de overige bestuurders van [A] te worden verdeeld. Het gaat dan om een bedrag van € 624.000,- per veroordeelde. Gelet op al dit voorgaande acht de rechtbank aannemelijk geworden dat het volgende wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel is genoten:
[betrokkene 2] en [betrokkene 3] : elk €771:333,33 (€ 624.000,- + € 147.333,33):
[betrokkene 1] : € 147.333,33.”
Het middel berust op de opvatting dat het hof bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel acht heeft geslagen op ‘een ander strafbaar feit’, namelijk de handel in hennep. Het hof zou in het kader van de ontnemingsprocedure de omvang van de hennephandel (veel) groter hebben geacht dan de bewezenverklaarde periode van 1 januari 2012 tot en met 14 oktober 2014. Het oordeel van het hof dat er aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan een ander strafbaar feit is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk, omdat het hof heeft verwezen naar de verklaringen van [naam 2] tijdens het door de rechter-commissaris gedelegeerde verhoor bij de politie, terwijl deze verklaringen en de feiten en omstandigheden die daaruit zouden volgen niet in het arrest zijn opgenomen.
Uit de uiteenzetting van het hof volgt – kort gezegd – dat er volgens het hof voldoende aanwijzingen bestaan dat vanuit [A] al vanaf 2004 en dus ook voorafgaand aan de periode van 1 januari 2012 tot en met 14 oktober 2014 waarop de in de met de onderhavige ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak bewezenverklaarde handel in hennep betrekking heeft, soortgelijke feiten zijn begaan en dat de opbrengsten hiervan zijn te beschouwen als wederrechtelijk verkregen voordeel. Aanvankelijk overweegt het hof in algemene zin over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat het van oordeel is dat “aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde die heeft begaan.” Omdat de betrokkene voor de periode tot 1 maart 2012 van de deelname aan de criminele organisatie [A] is vrijgesproken, heeft het hof voor betrokkene bij de handel in hennep echter enkel een periode van 1 maart 2012 tot en met 14 oktober 2014 tot uitgangspunt genomen en is het hof bij de berekening van het voordeel bij de betrokkene dus uitgegaan van een periode van handel voor de duur van 136 weken (twee jaar en tweeëndertig weken). Dit betekent dat het hof in zoverre bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene daadwerkelijk is uitgegaan van voordeel uit een bewezenverklaard feit en niet van voordeel uit een soortgelijk feit waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene dit heeft begaan. Het middel mist gelet hierop feitelijke grondslag.
Het middel faalt.
7. Het vierde middel
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat per lamp 500 gram hennep werd geoogst.
Het hof heeft in het bestreden arrest inzake de opbrengst per lamp het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde die heeft begaan. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. […]
[…]
Opbrengsten
[…]
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen, dan wel aanzienlijk te matigen. In ieder geval dient te vordering te worden afgewezen met betrekking tot de kwekerijen waarvan veroordeelde is vrijgesproken. Met betrekking tot de opbrengst van 500 gram hennep per lamp is door de verdediging aangevoerd dat dit uitgangspunt, gebaseerd op de verklaringen van [getuige 2] en [betrokkene 4] (met volledige theoretische berekeningen), onjuist is. De verklaringen vinden op dit punt ook geen steun in de OVC-gesprekken. De verdediging heeft aangevoerd dat niet aannemelijk is geworden dat in de gehele periode - met alle tussentijdse ontwikkelingen op het gebied van hennepteelt en ook periodes waar [getuige 2] en/of [betrokkene 4] niet betrokken zijn geweest - dezelfde opbrengst is gerealiseerd. Naar de mening van de verdediging is ten onrechte afgeweken van de standaardberekeningen en normen, zoals opgenomen in de rapporten van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij kunstlicht” (verder: de BOOM-rapporten). Dit voorgaande geldt naar de mening van de verdediging ook voor de opbrengst per kilo hennep, waarover [betrokkene 4] en [getuige 2] verklaringen hebben afgelegd. Hiervoor dienen de bedragen uit de BOOM-rapporten van 2005 en 2010 tot uitgangspunt te worden genomen.
De beoordeling door het hof
Vooraf
De rechtbank overweegt dat voor de berekening van het voordeel uit de resterende kwekerijen aan de (…) [b-straat 1] in [plaats] , [c-straat 1] in [plaats] , (…) [d-straat 1] in [plaats] , (…) [e-straat 1] in [plaats] , (…) in de Financiële Rapportage aansluiting is gezocht bij de verklaringen van [getuige 2] en/of [betrokkene 4] al dan niet in combinatie met overige bewijsmiddelen.
Zoals ook nog zal volgen, is zowel door [getuige 2] als [betrokkene 4] heel specifiek over het aantal oogsten, de opbrengst per kwekerij en per lamp en de kosten voor bijvoorbeeld de investering in een kwekerij dan wel betalingen aan de eigenaar/verzorger verklaard. De vervolgvraag is of deze uitgangspunten voor wat betreft de hele periode tot uitgangspunt kunnen worden genomen. […]
[…]
Gelet op dit voorgaande in samenhang met de rollen van [getuige 2] en [betrokkene 4] in de criminele organisatie [A] - waarvoor de rechtbank (voor zover het in deze uitspraak niet al aan de orde komt) verwijst naar wat het hof hierover in het arrest van 22 juli 2022 heeft overwogen - en de omstandigheid dat de verklaringen elkaar veelal ondersteunen, overweegt de rechtbank dat uit deze verklaringen concrete uitgangspunten voor de gehele periode kunnen worden afgeleid. Nu zij over dergelijke concrete aanknopingspunten beschikt, is een berekening op grond van de BOOM-rapporten naar het oordeel van de rechtbank niet langer aangewezen.
Opbrengst per lamp en per kilo
Voor wat betreft de opbrengst – in zijn werkzame periode (2006-2012) – heeft [getuige 2] verklaard:
“(…) Je moet uitgaan van de laagste, dat heb ik zelf ook gedaan. De prijzen zijn laag aangehouden. De ene keer pakken ze 3000 de andere keer 3500, ik heb die PP laag gehouden. Hetzelfde met de Haze die vier euro, normaal gaat het voor 45, 48 weg, maar het is ook wel eens voor vier weg gegaan. Of 38, daarmee bedoel ik 3800 per kilo. Dat is dus aan de lage kant van het gemiddelde.
V: Dus je houdt aan: drie duizend euro voor PP?
A: En vier duizend euro voor Haze
V: Per kilogram hennep.
A: Ja. (…)
V: Je zegt dat het gewicht per oogst 25 kilo was, waar baseer je dat op?
A: Het aantal planten en het aantal lampen. (…) Er hingen 50 lampen, 600 Watt. (…)
V: Hoe weet je dat er 10 keer in ieder geval 25 kilo af is gekomen?
A: Omdat dat minimaal is. (…)
A: (…) De wietsoort is PP (…)
A: (…) In [plaats] kwamen ze honderd stekken tekort. (…) Er kwam zo goed van af, toen zijn ze allemaal overgestapt op de Haze. Het is meer waard, er komt aanzienlijk meer van af. (…)
V: Hoe veel planten stonden daar? (rechtbank: [plaats] )
A: 2600-2700. Ook 200 lampen. (…) Ze gingen uit van honderd kilo, daar moet je 50 kilo vanaf pakken. Sowieso met CO2. [plaats] is daar volgens mij een keer een oogst geweest, daar hadden ze 900 gram per lamp. (…)”.
[betrokkene 4] heeft hier vervolgens voor wat betreft zijn periode (2012-2015) over verklaard:
“(...) Ik doe nu een aanname dat je werkt met 11 liter potten. Er gaat één hennepplant in een pot. Er gaan 1611 literpotten in een vierkante meter. Eén lamp kan één vierkante meter belichten. Ik rekende nooit per plant, maar per vierkante meter. Theoretisch haal je 1 gram gedroogde hennep van 1 Watt aan verlichting er af dus een 600 Watt lamp geeft theoretisch 600 gram gedroogde hennep. In de praktijk kan de gemiddelde kwekerij twee derde krijgen, dus in dit voorbeeld 400 gram gedroogde hennep per vierkante meter. (...)
Ongeveer 42 a 4300 € per kilo haze brengt het altijd wel op. Dat is een beetje de prijs door het hele land. Dit is een gemiddelde prijs. Ik heb ook wel eens gezien en gehoord dat er 5600 € per kilo hennep, haze, is betaald. (...) In dit voorbeeld van 84 lampen, grootte van de pot maakt niet uit, pak je per twee vierkante meter een kilo gedroogde hennep. Ik pak dan een gemiddelde opbrengst van 500, dus tussen de 400 en 600 gram per vierkante meter. (...)
V: Waarom pak je nu 500 gram en niet de 400 gram per vierkante meter?
A: De kwekers op [A] hadden zoveel ervaring dat ze hoger zaten dan de 400 gram per vierkante meter dus daarom 500 gram per vierkante meter. Als je dus 1 kilo gedroogde hennep per vierkante meter hebt en dus 84 lampen kom je uit op 42 kilo gedroogde hennep.
V: Hoe weet jij dit allemaal?
A: Van [betrokkene 3] [ [betrokkene 3] ] geleerd. (…)”.
Uit het volgende OVC-gesprek volgt tot slot dat dit niet alleen maar theoretische berekeningen betreffen, maar dat ook binnen [A] van een minimumopbrengst van 461 gram per lamp (60 kilo van 130 lampen) dan wel 500 gram per lamp – daar kan [betrokkene 2] immers mensen voor inzetten – wordt uitgegaan.
OVC-gesprek d.d. 1 september 2014:
“ [betrokkene 2] . Op 130 lampen verwacht ik minimaal 60 kilo, en als dan 60 kilo hebt, maal straks als de prijzen ook goed zijn, ga er maar van uit, van 4600 minimaal, is 275000. (...)”.
OVC-gesprek d.d. 25 maart 2014:
“(...) [betrokkene 2] (...) Dan heb ik mensen daarvoor...dat ik dan... die ik dan kan inzetten, die dan minimaal 500 gram per lamp halen. (...)
[betrokkene 2] : Dat zijn allemaal mogelijkheden (...)”.
Door [naam 1] is verklaard dat de hoofdsoort Haze was. Hij begon (d.d. 6 augustus 2015) vier/vijf jaargeleden bij [A] . Hij zag dat er – in zijn periode – bijvoorbeeld 3400 euro per kilo Haze werd betaald, maar ook dat dit bij goede kwaliteit 4800 euro was.
Op grond van al dit voorgaande en in het bijzonder de uitgangspunten in de verklaringen van [getuige 2] en [betrokkene 4] – die ondanks de verschillende periodes wel overeenkomen –, bezien in samenhang met de OVC-gesprekken, acht de rechtbank een gemiddelde opbrengst van (ten minste) 500 gram hennep per lamp en verkoopprijzen van (ten minste) € 3000,- (PP) en € 4.000,- (Haze) in de gehele periode aannemelijk. Zoals voornoemd, blijkt uit de OVC-gesprekken dat de door [betrokkene 4] gehanteerde rekenmethode (met een opbrengst per lamp en 500 gram per lamp) niet alleen theoretisch is, maar ook door bijvoorbeeld [betrokkene 2] in de praktijk wordt gebruikt. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek op basis van deze verklaringen worden vastgesteld welk voordeel de veroordeelden in het concrete geval daadwerkelijk hebben behaald.
Nu voor wat betreft de 1000 Watt-lampen concrete aanknopingspunten voor de opbrengst ontbreken, overweegt de rechtbank nog dat zij in het voordeel van veroordeelde ook bij deze lampen een opbrengst van 500 gram per lamp tot uitgangspunt zal nemen.”
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de bewijsvoering van het hof slechts kan worden afgeleid dat sprake is van een opbrengst van 461,5 gram hennep per lamp. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het hof volgt dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op 130 lampen “minimaal 60 kilo” verwacht. [betrokkene 2] heeft weliswaar later gesteld dat hij minimaal 500 gram per lamp kan halen als hij bepaalde mensen zou inzetten, maar hij zou dit op 25 maart 2014 in toekomstige zin hebben gezegd. Ook zou niet uit de bewijsvoering kunnen volgen dat hij dit daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Daarnaast wordt aangevoerd dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is, nu het hof het enerzijds aannemelijk acht dat over de gehele periode 500 gram per lamp is gehaald, terwijl anderzijds uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de opbrengst per lamp (tenminste grotendeels) veel lager is geweest.
Het hof heeft – door overneming van de overwegingen van de rechtbank – vastgesteld dat het een gemiddelde opbrengst van (ten minste) 500 gram hennep per lamp aannemelijk acht. In dat verband heeft het hof allereerst vastgesteld dat [getuige 2] en [betrokkene 4] heel specifiek over onder meer de opbrengst per lamp hebben verklaard en dat uit deze verklaringen concrete uitgangspunten voor de gehele periode kunnen worden afgeleid. Het hof heeft vastgesteld dat [getuige 2] over de opbrengst in zijn werkzame periode (2006-2012) – kort gezegd – heeft verklaard dat het gewicht per oogst “minimaal” 25 kilo was, gebaseerd op een aantal van 50 lampen van 600 Watt. Dit komt neer op 500 gram hennep per lamp. [getuige 2] heeft verklaard dat “er aanzienlijk meer” van de hennepsoort Haze afkomt, terwijl het hof voorts heeft vastgesteld dat [naam 1] , die in 2010 of 2011 bij [A] begon, heeft verklaard dat Haze de hoofdsoort was.
Voorts heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 4] over zijn werkzame periode (2012-2015) heeft verklaard dat een 600 Watt lamp theoretisch 600 gram gedroogde hennep geeft, maar dat de gemiddelde kwekerij in de praktijk 400 gram gedroogde hennep per vierkante meter kan krijgen. Een gemiddelde opbrengst is 500 gram, dus tussen de 400 en 600 gram per vierkante meter. De kwekers op [A] hadden volgens [betrokkene 4] “zoveel ervaring dat ze hoger zaten dan de 400 gram per vierkante meter dus daarom 500 gram per vierkante meter”.
Tot slot heeft het hof gewezen op een OVC-gesprek van 1 september 2014 waaruit volgt dat [betrokkene 2] een opbrengst van minimaal 60 kilo verwacht op basis van 130 lampen en een OVC-gesprek van 25 maart 2014 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat hij mensen kan inzetten die minimaal 500 gram per lamp halen. Het hof heeft overwogen dat het uit deze OVC-gesprekken heeft afgeleid dat de berekening van [betrokkene 4] niet alleen theoretisch is, maar dat hiervan ook in de praktijk binnen [A] werd uitgegaan.
Erop gelet dat de OVC-gesprekken de berekening van [betrokkene 4] met een opbrengst tussen de 400 en 600 gram bevestigen, is het arrest naar mijn oordeel niet innerlijk tegenstrijdig. Daarbij verdient opmerking dat uit de woorden van [betrokkene 2] “Dan heb ik mensen daarvoor...dat ik dan... die ik dan kan inzetten, die dan minimaal 500 gram per lamp halen” geenszins volgt dat hij tot aan dat moment niet in de positie zou hebben verkeerd om minimaal 500 gram per lamp te halen. In zoverre faalt het middel. Nu [betrokkene 4] heeft verklaard dat de kwekers op [A] zoveel ervaring hadden “dat ze hoger zaten dan de 400 gram per vierkante meter” en hij bij zijn berekening “daarom” 500 gram per vierkante meter (en dus per lamp) pakt, en ook [getuige 2] heeft verklaard dat een opbrengst van 25 kilo op basis van 50 lampen “minimaal” is, terwijl “er aanzienlijk meer” van Haze afkomt en de hoofdsoort bij [A] Haze was, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof is uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van (ten minste) 500 gram hennep per plant. Het hof heeft daarbij de bewijsmiddelen vermeld waaraan diens schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevat. Ook voor zover wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering slechts kan worden afgeleid dat sprake is van minimaal 461,5 gram hennep per lamp, is het middel tevergeefs voorgesteld.
Het middel faalt.
8. Het vijfde middel
Het middel gaat over de redelijke termijn en valt uiteen in twee deelklachten. De eerste daarvan houdt in dat de vaststelling van de duur van de overschrijding van de redelijke termijn onbegrijpelijk is. De tweede deelklacht luidt dat de hoogte van vermindering van de betalingsverplichting onbegrijpelijk is.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2023 houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Mr. [betrokkene 6] voert het woord tot verdediging in de zaak van veroordeelde [betrokkene 1] en deelt mee:
[…] Dan nog een formele vraag om de conclusiewisseling als voorgedragen en ingelast te beschouwen.
De voorzitter bevestigt de vraag van de verdediging.
[…]
Daarnaast persisteer ik bij de opmerkingen van de verdediging in de conclusie over de redelijke termijn.”
Deze conclusie van dupliek houdt – voor zover van belang – in:
“Redelijke termijn
Tot slot meent de verdediging, gelijk aan de advocaat-generaal, dat de redelijke termijn waarbinnen deze zaak zou moeten zijn beoordeeld is geschonden. Dat er geen reden zou zijn voor een vermindering van meer dan € 5.000,00 op de betalingsverplichting, ziet de verdediging anders.
De duur van deze procedure zal inmiddels al 4 jaar beslaan voordat deze zaak bij uw hof behandeld zal worden. Door het Gerechtshof te Amsterdam is recentelijk nog een korting van 10% toegepast (Gerechtshof Amsterdam, 31 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:180). Ook het Gerechtshof Den Haag kende een dergelijke korting als mindering toe in verband met de overschrijding (Gerechtshof Den Haag, 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2517 en Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2064).
De verdediging meent dat ook in deze zaak een vermindering van 10% van de eventuele betalingsverplichting zou moeten worden toegepast voor de overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM.”
Het hof heeft in het arrest het volgende overwogen over de overschrijding van de redelijke termijn:
“Redelijke termijn
[…]
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de schending van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van de betalingsverplichting met tien procent.
De beoordeling door het hof
Het hof heeft bij arrest van 22 juli 2022 in de strafzaak van veroordeelde geoordeeld dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. Om die reden heeft het hof in de strafzaak van veroordeelde een forse korting toegepast op de opgelegde gevangenisstraf.
Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak van veroordeelde op 26 april 2022 heeft het hof meegedeeld de ontnemingszaak niet meer gelijktijdig te behandelen met de strafzaak, omdat een eventuele bewezenverklaring in de strafzaak een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de ontnemingsvordering. Het hof heeft toen bepaald dat er een conclusiewisseling zal plaatsvinden voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, waarbij het openbaar ministerie een termijn van zes weken is gegund na de uitspraak in de strafzaak voor het indienen van een nader schriftelijk standpunt en de verdediging eveneens een termijn van zes weken daarna is gegund voor het indienen van een nader schriftelijk standpunt. Het hof heeft de ontnemingszaak van veroordeelde vervolgens ter terechtzitting van 9 juni 2023 behandeld en het hof doet einduitspraak op 21 juli 2023. Gelet op het vorenstaande stelt het hof de overschrijding van de redelijke termijn na het aanhouden van de behandeling van de ontnemingsvordering op 26 april 2022 vast op een termijn van 12 maanden. Het hof zal hiermee rekening houden door in de ontnemingszaak van veroordeelde en medeveroordeelden [betrokkene 3] er [betrokkene 1] de hierna op te leggen betalingsverplichting te verminderen met een bedrag van € 5.000,-.
Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast:
[betrokkene 1] : € 3.250.101,26 - € 5.000,00 = €.3.245.101,26”
In de strafzaak heeft het hof in zijn arrest van 22 juli 2022 het volgende overwogen over de redelijke termijn:
“Het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen redelijke termijn is geschonden. De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van verdachte op 6 januari 2015. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die verband houden met een bovengemiddelde ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De strafzaak van verdachte maakt onderdeel uit van het omvangrijke onderzoek ‘Fiorino’. Dit is een zeer omvangrijk onderzoek, waarin in eerste aanleg na ontvangst van het omvangrijke dossier door de verdediging van diverse verdachten onderzoekswensen zijn gedaan die voor een groot deel zijn gehonoreerd. De verzochte getuigen zijn bij de rechter-commissaris gehoord in de periode van januari 2018 tot en met oktober 2018. Vanwege deze omstandigheden is de redelijke termijn in eerste aanleg op drie jaar te stellen en daarmee de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg op circa elf maanden.
Ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden. Verdachte heeft op 18 december 2018 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 22 juli 2022, na drie jaar en zeven maanden, einduitspraak. Ook in hoger beroep heeft de verdediging van verdachte en medeverdachten onderzoekswensen geformuleerd die voor een deel zijn toegewezen. Het hof stelt de redelijke termijn in hoger beroep op tweeëneenhalf jaar en daarmee de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep op dertien maanden.
Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep van in totaal twee jaar zal het hof de hierna te melden strafvermindering toepassen. Het hof is van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren in beginsel passend is. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof een strafkorting toepassen van zes maanden. Het hof acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.”
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende voorop worden gesteld. In cassatie kan het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn slechts in beperkte mate worden onderzocht. De Hoge Raad kan alleen beoordelen of dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Onbegrijpelijkheid is niet snel aan de orde, nu het oordeel van het hof nauw samenhangt met waarderingen van feitelijke aard die buiten het domein van de cassatierechter vallen. Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan in cassatie ook slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Verder kan in cassatie niet worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn door de feitenrechter, wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in aanwezigheid van de betrokkene en/of zijn raadsman en tijdens die terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.
Namens de betrokkene is in de ontnemingszaak in hoger beroep – kort gezegd – aangevoerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat dit dient te leiden tot vermindering van de betalingsverplichting. Dit betekent dat in deze zaak in cassatie kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de ontnemingszaak. Het gaat in deze zaak enkel om de overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingszaak in hoger beroep.
Wat betreft de eerste deelklacht houdt de toelichting op het middel in dat het oordeel van het hof dat de redelijke termijn met twaalf maanden is overschreden onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel is de redelijke termijn geschonden met bijna zevenentwintig maanden.
De redelijke termijn in hoger beroep vangt aan op het moment waarop hoger beroep is ingesteld en eindigt op de datum van de einduitspraak. Dit geldt ook in ontnemingszaken. Het uitgangspunt is dat de duur van de redelijke termijn in hoger beroep twee jaar is, behalve in bijzondere gevallen. De redelijkheid van de duur van een zaak hangt af van verschillende omstandigheden, waaronder de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de betrokkene en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Specifiek voor ontnemingsprocedures komt daar nog bij dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e lid 1 Sr afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en voorts dat de ontnemingszaak binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt. Deze laatste twee omstandigheden kunnen meebrengen dat tussen de datum waarop de zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen en de datum waarop in hoger beroep uitspraak wordt gedaan, aanzienlijk meer dan twee jaren zijn verlopen, zonder dat in hoger beroep van een overschrijding van de redelijke termijn kan worden gesproken.
De stukken van het geding houden in dat de betrokkene op 29 april 2019 in de ontnemingszaak hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 17 april 2019. De einduitspraak van het hof in de ontnemingszaak is gedaan op 21 juli 2023. Dit betekent dat tussen het instellen van het hoger beroep in de ontnemingszaak en de uitspraak in de ontnemingszaak in hoger beroep een periode van ruim vier jaren en drie maanden is gelegen.
Het hof heeft overwogen dat het de overschrijding van de redelijke termijn “na het aanhouden van de behandeling van de ontnemingsvordering op 26 april 2022” vaststelt op een termijn van twaalf maanden. Daarbij heeft het hof de volgende aspecten meegewogen:
(i) het hof heeft in de strafzaak van de betrokkene een forse korting toegepast op de opgelegde gevangenisstraf wegens een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep;
(ii) vanaf 26 april 2022 is de ontnemingszaak van de veroordeelde niet meer gelijktijdig behandeld met de strafzaak, omdat een eventuele bewezenverklaring in de strafzaak een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de ontnemingsvordering;
(iii) er heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak een conclusiewisseling plaatsgevonden, waarbij het openbaar ministerie een termijn van zes weken na de uitspraak in de strafzaak is gegund voor het indienen van een nader schriftelijk standpunt en de verdediging eveneens een termijn van zes weken daarna is gegund voor het indienen van een ander schriftelijk standpunt.
Het hof heeft niet uitdrukkelijk overwogen dat het de instelling van het hoger beroep op 29 april 2019 als aanvangsmoment heeft genomen, maar enkel vastgesteld dat de redelijke termijn “na het aanhouden van de behandeling van de ontnemingsvordering op 26 april 2022” met twaalf maanden is overschreden. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat de periode van bijna drie jaar tussen 29 april 2019 en 26 april 2022 geen schending van de redelijke termijn met zich brengt die nog beoordeling vergt. Voorts heeft het hof kennelijk geoordeeld dat van de periode van bijna een jaar en drie maanden van 26 april 2022 tot aan de einduitspraak op 21 juli 2023 uiteindelijk twaalf maanden als een overschrijding van de redelijke termijn hebben te gelden. Deze oordelen acht ik vanwege het volgende niet onbegrijpelijk.
Zoals opgemerkt onder 8.9 hoeft de omstandigheid dat aanzienlijk meer dan twee jaren zijn verlopen sinds het aanvangsmoment van de redelijke termijn in ontnemingszaken niet te betekenen dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, onder meer omdat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e lid 1 Sr afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid. Op die afhankelijkheid is door het hof gewezen door te overwegen dat de ontnemingszaak vanaf 26 april 2022 niet meer gelijktijdig wordt behandeld met de strafzaak “omdat een eventuele bewezenverklaring in de strafzaak een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de ontnemingsvordering”. Door de medebepalende rol van de strafzaak en de schending van de redelijke termijn daarin heeft ook de ontnemingszaak vertraging opgelopen, maar het hof heeft in de strafzaak van de betrokkene een forse strafkorting toegepast vanwege die termijnoverschrijding. Met de vaststelling en compensatie van de termijnschending in de strafzaak, is de door de afhankelijkheid daarvan veroorzaakte vertraging in de ontnemingszaak in zoverre in wezen al verwerkt. Mede in lijn met de daarnet genoemde afhankelijkheidsmaatstaf – die de positie van de ontnemingsprocedure als afzonderlijke procedure aanzienlijk nuanceert – is er voor die periode geen reden de vertraging in de ontnemingszaak ook nog eens zelfstandig als een schending van de redelijke termijn te laten gelden. Wanneer in een strafprocedure de redelijke termijn is geschonden, wordt daarbij ook niet afzonderlijk een termijnschending aangenomen en gecompenseerd in verband met elk van de daarin opgelegde straffen en maatregelen, maar wordt bezien welke compensatie voor het tijdsverloop is aangewezen. Het is gelet op de sterke verbondenheid met de strafzaak mijns inziens niet noodzakelijk van deze benadering af te wijken op de enkele grond dat de ontnemingsmaatregel formeel in een andere procedure plaatsvindt. Gezien het voorgaande en erop gelet dat het hof de schending van de redelijke termijn tot aan 26 april 2022 en de daarvoor in de strafzaak toegepaste compensatie in deze ontnemingszaak onder ogen heeft gezien, hoefde het hof niet nog eens nadrukkelijk een schending van de redelijke termijn vast te stellen (en te compenseren) in verband met de periode van bijna drie jaar tot aan die datum.
Voor wat betreft de periode van 26 april 2022 tot en met 21 juli 2023 heeft het hof erop gewezen dat daarin een conclusiewisseling heeft plaatsgevonden met twee termijnen van zes weken. Omdat deze periode van in totaal drie maanden als normaal procesverloop kan gelden en dus niet bijdraagt aan het overschrijden van de redelijke duur van de zaak, heeft het hof alleen nog de resterende twaalf maanden niet onbegrijpelijk als een overschrijding van de redelijke termijn aangemerkt.
De eerste deelklacht faalt.
Ten tweede wordt geklaagd dat de korting van € 5.000,- op de betalingsverplichting zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
Voor wat betreft de rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de Hoge Raad bepaald dat de mate van vermindering van – in dit geval – het ontnemingsbedrag afhangt van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Er bestaan geen algemene regels over de manier waarop het ontnemingsbedrag moet worden verminderd. De rechter kan, na alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden te hebben afgewogen, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, ook volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.
In tegenstelling tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, bestaan voor de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase richtlijnen. Bij een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan zes maanden tot en met twaalf maanden geldt bijvoorbeeld een vermindering van de betalingsverplichting met 10%. Ook is bepaald dat de vermindering van het ontnemingsbedrag maximaal € 5.000,- is en dat de Hoge Raad bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden “naar bevind van zaken handelt”. De feitenrechter is niet aan deze richtlijnen gebonden.
Gezien de slotsom bij de eerste deelklacht, gaat het voor de tweede deelklacht alleen nog om de periode vanaf 26 april 2022. Het hof heeft overwogen dat de overschrijding van de redelijke termijn vanaf die datum twaalf maanden bedraagt. Voor die overschrijding heeft het hof in de ontnemingszaak compensatie toegepast door de betalingsverplichting te verminderen met een bedrag van € 5.000,-. Het daarmee gegeven oordeel van het hof over de hoogte van de vermindering van de betalingsverplichting acht ik niet onbegrijpelijk gezien de zeer beperkte controle in cassatie en mede erop gelet dat onbegrijpelijkheid niet licht het geval is. Bij wijze van voorbeeld wijs ik erop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445 oordeelde dat het rechtsgevolg dat het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn had verbonden, niet onbegrijpelijk was, terwijl de overschrijding van de redelijke termijn in dat geval aanzienlijk ernstiger was dan in de onderhavige zaak en het ontnemingsbedrag met 0,2% was verminderd. Ook in dat opzicht is de vermindering met ruim 0,15% in onderhavige zaak mijns inziens niet onbegrijpelijk gelet op de aanzienlijk geringere overschrijding van de redelijke termijn daarin. Van belang is bovendien dat het door een termijnoverschrijding voor de betrokkene veroorzaakte nadeel niet recht evenredig is verbonden met de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ook het tweede deelmiddel faalt.
Daarmee faalt het middel.
9. Afronding
De middelen falen. Deze kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO, met uitzondering van de eerste deelklacht van het vijfde middel.
Ambtshalve merk ik op dat ingeval de Hoge Raad niet uiterlijk op 31 juli 2025 uitspraak zal hebben gedaan, de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Gelet op de te verwachte beperkte duur van die overschrijding kan in dat geval worden volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG