ECLI:NL:PHR:2025:856

ECLI:NL:PHR:2025:856, Parket bij de Hoge Raad, 26-08-2025, 24/02936

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-08-2025
Datum publicatie 26-08-2025
Zaaknummer 24/02936
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1619
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0005289 BWBR0040907 BWBR0040908

Samenvatting

Conclusie AG. Doodslag door opzettelijk met vrachtwagen inrijden op motoragent en verlaten plaats ongeluk (art. 287 Sr en 7 WWW 1991). Middel 1 over de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel naast een ongemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Dit middel faalt volgens de AG omdat deze combinatie van maatregelen mogelijk is en oplegging in dit geval geen nadere motivering behoefde. Middel 2 over toekenning van affectieschade aan de levensgezel van het slachtoffer met toepassing van de uitzondering van art. 6:108 lid 4 sub g BW. Ook dit middel faalt volgens de AG omdat de stellingen van de benadeelde partij, waaruit volgt dat sprake was van een voldoende nauwe persoonlijk relatie van de benadeelde partij tot het slachtoffer, als onvoldoende gemotiveerd betwist zijn komen vast te staan. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

“VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ Affectieschade moeder en vriendin

Opgemerkt affectieschade ziet op smartengeld voor dierbaren die verdriet hebben. In dit geval wordt de moeder van [slachtoffer] genoemd. Dus zij maakt aanspraak op affectieschade.

Voor [benadeelde] is dit anders. Immers zij is geen echtgenote of geregistreerd partner en voerde ook geen duurzaam huishouden met [slachtoffer] . Dat blijkt duidelijk uit haar toelichting. Dit betekent dat zij niet valt onder grond a of b. Hierin volg ik de rechtbank dus niet.

De vraag is of zij in zodanig nauwe persoonlijke relatie stond dat zij als naaste kan worden aangemerkt in de zin van sub g. De wetgever heeft benadrukt dat de hardheidsclausule niet lichtvaardig gebruikt mag worden. Het is nadrukkelijk niet bedoeld om de regeling op te rekken.

Zij stelt een LAT-relatie te hebben gehad met [slachtoffer] .

Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie (MvT, Kamerstukken II 2014/15, 34 257, 3, p. 15).

Ik vind de langdurigheid en hechtheid van de relatie hier moeilijk te beoordelen. In de toelichting wordt daar zeker een en ander over gezegd. Echter daarbij zijn geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Ik vind dat dit moet worden voorgelegd aan de civiele rechter en verzoek uw Hof dit af te doen als een onevenredige belasting van het strafgeding en de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

Subsidiair valt zij enkel onder sub g en maakt zij aanspraak op 17.500 euro in plaats van de door de rechtbank toegewezen 20.000 euro.

Conclusie affectieschade: moeder wel, partner niet ontvankelijk onevenredige belasting strafgeding, subsidiair g toepassen.

Shockschade(…)

Partner [benadeelde] Zij vordert aan shockschade een bedrag van 30.000 euro.

Mocht uw Hof de affectieschade toewijzen dan shockschade in samenspraak beoordelen met affectieschade (HR 28 juni 2022). Ik vind het lastig om te bepalen wat dan redelijk is. Primair om die reden niet ontvankelijk met verwijzing burgerlijke rechter vanwege onevenredige belasting strafgeding.

Zij is kort direct na de aanrijding geconfronteerd met het lichaam van [slachtoffer] . Zij staat in nauwe relatie tot hem. Dus hier kan shockschade wel worden toegewezen. Ook hier vind ik dat een bedrag conform de affectieschade kan worden toegewezen tot een bedrag in haar geval van 17.500 euro en vanwege onderscheid met dat bedrag en de directe confrontatie kan ik me subsidiair een verhoging naar 20.000 euro voorstellen.”

Het hof heeft een vergoeding voor schokschade toegewezen naast affectieschade tot een bedrag van € 17.500,- en daarbij overwogen:

Affectieschade

[betrokkene] heeft een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd en [benadeelde] een bedrag van € 20.000,- subsidiair € 17.500,-.

Op grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.

Ten aanzien van [betrokkene] , de moeder van het slachtoffer, dient in dat verband het gevorderde bedrag van € 17.500,- te worden toegewezen.

[benadeelde] kan niet als ‘levensgezel’ in de zin van artikel 6:108, lid 4 sub b BW worden beschouwd, nu zij niet duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde. Wel staat vast dat zij in een LAT-relatie met het slachtoffer stond. Zij heeft daarmee in voldoende mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108, lid 4 BW onder g kan worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden dient het hof in haar geval het voor deze categorie forfaitaire bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toe te wijzen.

Schokschade

(…)

Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:

(…)

- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

(…)

In alle gevallen is sprake van een zeer hechte relatie tussen het primaire en het secundaire slachtoffer. Ook in alle gevallen is sprake van een naaste tussen het primaire en het secundaire slachtoffer.”

Het juridische kader

Art. 6:108 lid 4 sub g BW luidt als volgt:

“4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:

(…)

g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”

Deze bepaling is ingevoerd op 1 januari 2019. Aan de toelichting op het voorstel dat tot deze wet leidde, kan het volgende worden ontleend:

“Het tweede lid bepaalt de kring van personen die recht op vergoeding van affectieschade hebben. Het uitgangspunt daarbij is dat die kring wordt beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Alleen in die gevallen is het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat het letsel van het slachtoffer voor deze personen een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is. Zou de kring van gerechtigden te ruim worden getrokken, dan zou de beheersbaarheid van de regeling sterk afnemen en zou voorts onvoldoende zekerheid bestaan dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk van een ernstig verlies sprake is.

(…)

In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Hoewel het telkens gaat om aspecten van de relatie ten tijde van de gebeurtenis, kan, omdat hier niet de formele maar de feitelijke verhouding relevant is, bij ernstig en blijvend letsel ook betekenis worden toegekend aan de (te verwachten) bestendigheid van de relatie in de toekomst en de invloed die de gebeurtenis daarop heeft. Alleen bij een ook in de toekomst bestendige relatie leidt het letsel immers tot ook een ingrijpende ommezwaai in het leven van de naaste. Men denke aan relaties die spoedig na de schadeveroorzakende gebeurtenis beëindigd worden. Dit verklaart waarom anders dan in de andere onderdelen van dit lid, in onderdeel g de woorden »ten tijde van de gebeurtenis» ontbreken. Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. Ook elders in de wet wordt het begrip nauwe, persoonlijke betrekking gehanteerd (vgl. artt. 1:204, derde lid, en artikel 1:377a BW). Voor de rechtspraktijk is dit een werkbaar begrip gebleken. Indien een beroep wordt gedaan op onderdeel g zijn anders dan bij de meeste andere onderdelen discussies over de invulling daarvan niet uit te sluiten. Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.”

en

“Het wetsvoorstel bevat een «gesloten regeling». Het gaat uit van een vaste groep van gerechtigden en van vaste bedragen. Dat voorkomt dat eenvoudig tot een oprekking van de regeling kan worden overgegaan. In een bijzonder geval kan evenwel beroep worden gedaan op een hardheidsclausule: een persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overledene kan op grond van de redelijkheid en billijkheid als naaste in de zin van het wetsvoorstel worden aangemerkt, en daarmee als gerechtigde tot de vergoeding van affectieschade (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals deze komen te luiden ingevolge het wetsvoorstel). Hierdoor kan in een uitzonderlijk geval een andere naaste voor de vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De desbetreffende nauwe persoonlijke relatie moet worden aangetoond door de naaste. In voorkomende gevallen oordeelt de rechter uiteindelijk of aan die voorwaarde wordt voldaan. Ik verwacht daarom in dit geval geen eenvoudige oprekking van de regeling.”

Volgens deze toelichting gaat het dus om personen die “onder uitzonderlijke omstandigheden” een recht op vergoeding van affectieschade toekomt. Daartoe dient een “hechte affectieve relatie” te worden aangetoond. De omstandigheden van het geval zijn daarvoor bepalend, waaronder “de intensiteit, de aard en de duur van de relatie”. Het gaat om “sprekende gevallen”. Een “langdurige, hechte LAT-relatie” kan zo’n geval zijn. De bewijslast ligt bij de persoon die stelt een zodanige naaste te zijn.

Over de stelplicht en bewijslast in het kader van de vordering benadeelde partij in het strafproces heeft de Hoge raad zich uitgelaten in HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 (met weglating van voetnoten):

“2.8.1

Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

2.8.2

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

2.8.3

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.”

De bespreking van het middel

In het middel wordt onder verwijzing naar de aangehaalde wetsgeschiedenis geklaagd dat het hof bij zijn oordeel dat de benadeelde partij een naaste is als bedoeld in art. 6:108 lid 4 sub g BW geen vaststellingen heeft gedaan over de aard, duur en intensiteit van de relatie. Evenmin zou het hof hebben vastgesteld dat sprake is van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, dan wel onvoldoende zou zijn gemotiveerd.

Het hof heeft geoordeeld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat zij in een LAT-relatie tot het slachtoffer stond, zodanig dat zij als naaste in de zin van de wet kan worden aangemerkt. Daarmee verwijst het hof naar hetgeen door de benadeelde partij als stellingen aan haar vordering ten grondslag is gelegd, namelijk (i) dat zij en het slachtoffer een affectieve relatie hadden die (ii) al zes jaar duurde, dat dit inhield dat zij (iii) dagelijks op verschillende wijzen contact hadden en (iv) een belangrijk deel van de week samen op één plek verbleven. Ten slotte (v) hadden zij veel gezamenlijke activiteiten en (vi) zorgden zij voor elkaar.

Deze stellingen hebben betrekking op de aard, de duur en de intensiteit van de relatie. Deze stellingen betreffen ook de duur en de hechtheid van de LAT-relatie. Dat het hof op basis hiervan heeft geoordeeld dat de benadeelde partij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toekenning van affectieschade als naaste wordt aangemerkt, acht ik niet onbegrijpelijk.

Dat het hof heeft geoordeeld dat deze stellingen zijn komen vast te staan, acht ik evenmin onbegrijpelijk gelet op de wijze waarop de deze door de verdachte zijn betwist. Daarover het volgende.

Zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven, heeft de verdachte de stellingen van de benadeeldepartij in essentie bij gebrek aan wetenschap betwist en deze betwisting dus niet nader gemotiveerd. Hij heeft naar voren gebracht dat de langdurigheid en hechtheid van de relatie moeilijk te beoordelen is. Weliswaar is daarover “zeker” het een en ander gezegd, maar hij mist een nadere onderbouwing van die stellingen in de vorm van stukken. Vervolgens heeft hij gemeend dat de zaak beter kan worden beoordeeld door de civiele rechter. Daarmee heeft hij tot uitdrukking gebracht dat de relevante feiten niet binnen het strafproces kunnen worden vastgesteld.

In een situatie als de onderhavige zou een dergelijke betwisting op zichzelf voldoende kunnen zijn om de rechter af te houden van het oordeel dat de stellingen van de benadeelde partij zijn komen vast te staan. Deze stellingen zijn inderdaad niet met relevante stukken onderbouwd. Ervan uitgaande dat uit het strafdossier niets blijkt over de relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer, kan van de verdachte niet worden verwacht van die relatie kennis te hebben. Die gegevens bevinden zich exclusief in het domein van de benadeelde partij, zodat de verdachte zijn betwisting moeilijk van een nadere inhoudelijke onderbouwing zal kunnen voorzien.

Toch meen ik dat in dit geval de betwisting door de verdachte onvoldoende consequent en specifiek is geweest. Met het verweer dat er “zeker” het een en ander gezegd is over de langdurigheid en hechtheid van de relatie, maar dat daarbij geen stukken zijn overgelegd “waaruit dit blijkt”, heeft de verdachte zijn pijlen als gezegd met name gericht op de aannemelijkheid van de stellingen van de benadeelde partij. Op de vraag hoe deze stellingen zich verhouden tot het begrip ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 4 onder g BW is hij niet ingegaan. Zoals hiervoor weergegeven onder 4.4 heeft de verdachte in het kader van de standpuntwisseling over de verschuldigdheid van schokschade echter wel erkend dat de benadeelde partij in “nauwe relatie” stond tot het slachtoffer. Daarmee lijkt de verdachte, gezien het feit dat de benadeelde partij aan beide vorderingen dezelfde feitelijke stellingen ten grondslag heeft gelegd, toch te zijn uitgegaan van de juistheid (van een deel) daarvan. Dat hij een nadere onderbouwing in de vorm van stukken mist, gaat voor (dat deel van) deze stellingen kennelijk niet op. Hoewel het in het kader van de vaststelling van de schokschade gebruikte begrip van ‘nauwe relatie’ niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met het begrip van ‘naaste’ als bedoeld in art. 6:108 lid 4 onder g BW, mocht onder die omstandigheden van de verdachte worden verwacht dat hij nader had toegelicht hoe zijn erkenning van die “nauwe relatie” zich verhoudt tot zijn betwisting in het kader van affectieschade.

Gelet hierop acht ik het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de stellingen van de benadeelde partij als onvoldoende gemotiveerd betwist zijn komen vast te staan, niet onbegrijpelijk, waarmee ook dit middel faalt.

Afronding

5.

Beide middelen falen, waarbij het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2025-0440
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?