ECLI:NL:PHR:2025:982

ECLI:NL:PHR:2025:982, Parket bij de Hoge Raad, 27-05-2025, 24/02538

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-05-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/02538
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1248
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001941

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen voorbereidingshandelingen art. 10a OW. 1. Diverse bewijsklachten, o.m. dat een voorwerp ‘bestemd’ is tot het plegen van het feit. 2. Strafmotivering. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/02552.

Uitspraak

Nummer24/02538

Zitting 27 mei 2025

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte

Bewezenverklaring, bewijsvoering, strafmotivering, passages uit het vonnis en de pleitnota

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘2.

hij in de periode van 1 mei 2017 tot en met 10 juni 2017 te [plaats] , gemeente [...] , althans te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- een grote hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad, waaronder: jerrycans en vaten en

- grote hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: fosforzuur en formamide

- een of meerdere beschermingsmiddelen voorhanden gehad, te weten: gasmaskers en onderdelen van (een) gasmasker(s) en een gasfilterbus en (latex)handschoenen en flessen met opdruk bio-ethanol en een informatiedrager voorhanden gehad zijnde een Post-it papiertje met daarop het adres en telefoonnummer van een leverancier van jerrycans.’

6. Het hof heeft inzake het bewijs het volgende overwogen (met overneming van voetnoten):

‘Bewijsoverwegingen

Bevindingen

Op 10 juni 2017 is door de politie in een gedeelte van een loods gelegen op het terrein aan de [a-straat 1] te [plaats] een in werking zijnd amfetaminelaboratorium (hierna: amfetaminelab) aangetroffen. In voornoemd laboratorium zijn onder andere een grote hoeveelheid chemicaliën en een groot aantal voorwerpen aangetroffen die kunnen worden gebruikt bij de productie van amfetamine. Op 10 juni 2017 werd door de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) het amfetaminelab ontmanteld. Het LFO heeft vastgesteld dat de in de loods aangetroffen en beschreven ruimten in zijn geheel in gebruik waren voor de zeer grootschalige vervaardiging van amfetamine vanuit BMK. Door het LFO zijn monsters genomen en naar het NFI gestuurd. Het NFI heeft vastgesteld dat de monsters amfetamine, BMK, APAA en APAAN in een sterk zuur bevatten.

Aan de verdachte is onder feit 2 tenlastegelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA.

Het hof leidt uit de processtukken in het dossier, zoals die ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het navolgende af.

Bij observaties van medeverdachte [medeverdachte 3] is waargenomen dat hij verschillende malen, al dan niet voor of nadat hij met een witte Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] goederen heeft geladen of afgeleverd op het perceel van de [a-straat 1] te [plaats], bezoeken heeft gebracht aan het bedrijf van de verdachte genaamd [A] , gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats].

Op 8 juni 2017 wordt waargenomen dat medeverdachte [medeverdachte 3] in de ochtend het bedrijf van de verdachte bezoekt. In de loop van de ochtend rijdt medeverdachte [medeverdachte 3] met de Mercedes Sprinter naar Beverwijk, alwaar de Mercedes Sprinter wordt geladen met een houten pallet met daarop een groot aantal doorzichtige jerrycans gevuld met een doorzichtige vloeistof. [medeverdachte 3] rijdt vervolgens met de Mercedes Sprinter naar Eindhoven. Vanuit Eindhoven vertrekt [medeverdachte 3] met de Mercedes Sprinter, met voor zich een Volvo met kenteken [kenteken 2] , welke op naam staat van de verdachte, en achter zich een Volvo met kenteken [kenteken 3] , welke op naam staat van [betrokkene 1], de ex-partner van de verdachte. Waargenomen wordt dat [medeverdachte 3] omstreeks 16.00 uur het perceel van de [a-straat 1] te [plaats] op rijdt en aldaar de Sprinter uitlaadt. Voorts wordt de Volvo met kenteken [kenteken 2] om 16.40 uur waargenomen op ongeveer 100 meter afstand van de [a-straat 1] te [plaats] . De verdachte wordt herkend als zijnde de bestuurder van deze Volvo.

Blijkens de bakengegevens vertrekt de Mercedes Sprinter op 8 juni 2017 om 16.54 uur vanaf de [a-straat 1] te [plaats] en wordt deze om 17.30 uur geparkeerd op de [c-straat] te [plaats] , de straat alwaar de verdachte woonachtig is.

Op 9 juni 2017 vertrekt de Mercedes Sprinter blijkens de bakengegevens om 06.36 uur vanaf de [c-straat] te [plaats] en rijdt deze over de A2 in westelijke richting. Om 08.06 uur rijdt de Mercedes Sprinter op de Parallelweg te Beverwijk. Vervolgens rijdt de Mercedes Sprinter via de A22 in zuidelijke richting, waarna de Mercedes Sprinter om 09.56 uur aankomt op de [b-straat] te [plaats] . Door het observatieteam wordt waargenomen dat om 12.14 uur de Volvo met kenteken [kenteken 2] parkeert bij de [b-straat 1] te [plaats] , waarna de Mercedes Sprinter en de Volvo om 13.04 uur beide vertrekken. Medeverdachte [medeverdachte 3] werd hierbij herkend als zijnde de bestuurder van de Mercedes Sprinter. Om 13.42 uur wordt waargenomen dat de Mercedes Sprinter het terrein aan de [a-straat 1] te [plaats] op rijdt.

Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van de verdachte blijkt dat de telefoon van de verdachte in de nacht van 7 op 8 juni 2017, om 00.44 uur, de zendmastlocatie [adres 1] te Ittervoort heeft aangestraald. Deze mastlocatie bevindt zich in de omgeving van de [a-straat 1] te [plaats] .

Die nacht zijn door het observatieteam activiteiten waargenomen in de loods te [plaats] .

Op 10 juni 2017 omstreeks 08.51 uur wordt medeverdachte [medeverdachte 3] gebeld door telefoonnummer [telefoonnummer 1] , welk nummer in gebruik is bij [betrokkene 1], de ex-partner van de verdachte. Voornoemd nummer wordt op het moment van het gesprek met medeverdachte [medeverdachte 3] op 10 juni 2017 omstreeks 08.51 uur gebruikt door een manspersoon. In het gesprek wordt door [medeverdachte 3] medegedeeld dat ‘ze’ bij de buren waren. [medeverdachte 3] kwam aangereden en toen gingen ‘ze’ weg bij de buurman. [medeverdachte 3] zegt tegen zijn gesprekspartner: ‘Laat maar even weten wat we doen maat’ en ‘Ja zeg jij het maar maat. Ik neem geen besluit’.

In de ochtend van 10 juni 2017 is bij het onderzoeksteam bekend geworden dat de camera, welke zicht had op het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats] , ontdekt was door een omwonende. De politie heeft vervolgens omstreeks 13.50 uur de loods op het terrein aan de [a-straat 1] te [plaats] betreden, waarbij het amfetaminelab werd aangetroffen.

In het amfetaminelab werd een rijbewijs aangetroffen op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] . Middels de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden bleek dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich op het moment van aantreffen van zijn rijbewijs in het amfetaminelab bevond op het adres [c-straat 1] te [plaats] , zijnde het woonadres van de verdachte.

Na het binnentreden van de woning van de verdachte ter aanhouding, werden in de achtertuin (onderdelen van) gasmaskers, een gasfilterbus, meerdere (latex)handschoenen en twee brillen aangetroffen. Dergelijke goederen kunnen dienen ter bescherming bij de productie van synthetische drugs. Voorts werden in de tuin kledingstukken aangetroffen, waarvan een geur af kwam die ambtshalve werd herkend als de geur die vrijkomt bij de productie van synthetische drugs.

Tevens werden in de achtertuin van de verdachte twee flessen Bio-Ethanol aangetroffen. Het etiket op die flessen kwam overeen met het etiket op de flessen Bio-Ethanol welke zijn aangetroffen in het amfetaminelab te [plaats] . In de kofferbak van de Volvo met kenteken [kenteken 2] , welke op naam staat van de verdachte, werd een kartonnen verpakking aangetroffen met daarop de afbeelding van een steekwagen. De afbeelding van de steekwagen op de verpakking komt overeen met de steekwagens welke in het amfetaminelab zijn aangetroffen.

Zowel de verdachte als medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens in de woning van de verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.

Na zijn aanhouding werd bij de verdachte een Post-it briefje aangetroffen met daarop de tekst: ‘ [d-straat 1] ’. Door de politie is onderzoek gedaan naar het op het briefje vermelde telefoonnummer. Uit dat onderzoek is gebleken dat op ‘www.speurders.nl’ meerdere advertenties stonden welke zijn gekoppeld aan dit telefoonnummer. In deze advertenties werden jerrycans te koop aangeboden.

Voorts werd in het navigatiesysteem van de Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] – die door medeverdachte [medeverdachte 3] werd gebruikt voor het vervoeren van goederen, waaronder jerrycans gevuld met een doorzichtige vloeistof – bij de recente bestemmingen het adres [d-straat 1] , aangetroffen.

Nu de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, naar het oordeel van het hof op zichzelf genomen redengevend zijn voor het bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij het onder feit 2 tenlastegelegde, mag van de verdachte verlangd worden dat hij een die redengevendheid ontzenuwende verklaring geeft.

Verdachtes verklaring

De verdachte heeft zich bij gelegenheid van zijn verhoren door de politie beroepen op zijn zwijgrecht. Op 15 november 2017 heeft de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij niet betrokken is geweest bij de productie van synthetische drugs. Medeverdachte [medeverdachte 3] is een vriend van hem, die wel eens bij hem thuis en bij zijn bedrijf [A] komt.

Hij is nog nooit in [plaats] , en dus ook niet in de omgeving van het drugslab, geweest. Hij leent zijn auto wel eens uit en zijn telefoon ligt dan ook wel eens in zijn auto. Aan wie hij zijn auto uitleent, wil de verdachte niet verklaren.

Op 8 juni 2017 heeft hij zijn auto uitgeleend aan [medeverdachte 3] en vervolgens heeft hij [medeverdachte 3] afgezet bij de Mercedes Sprinter, waarna hij samen met zijn ex-partner [betrokkene 1] – ieder met hun eigen auto – naar de Intratuin in Weert is gegaan. Ook is hij die dag nog bij een autodemontage geweest – hij weet niet meer waar – en bij een autohandelaar in Ittervoort.

Hij is niet degene geweest die op 10 juni 2017 een telefoongesprek heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 3] .

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij niet weet hoe de spullen die in verband kunnen worden gebracht met de productie van synthetische drugs in zijn tuin terecht zijn gekomen. Zijn tuinpoort staat altijd open en kan niet op slot. Ook weet hij niet hoe lang medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] – zijnde zijn neefje, die een sleutel van zijn woning had – al in zijn woning waren; zij waren er al toen hij zelf thuis kwam. De kartonnen verpakking van een steekwagen heeft hij niet in zijn auto zien liggen. Hij heeft zelf geen steekwagen gekocht.

Het in zijn fouillering aangetroffen briefje heeft hij gevonden in de wachtruimte van zijn bedrijf. Hij heeft het briefje bij zich gestoken, omdat het van een klant of personeelslid kon zijn. Hij denkt dat hij het briefje in de dagen voorafgaand aan zijn aanhouding heeft gevonden. De gegevens op het briefje zeggen hem niets.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte zijn verklaring, zoals afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, herhaald. Zijn Volvo met daarin zijn telefoon leende hij uit aan medeverdachte [medeverdachte 3] .

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet degene is geweest die op 10 juni 2017 met telefoonnummer [telefoonnummer 1] een telefoongesprek heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 3] .

Het briefje met daarop een adres en een telefoonnummer heeft hij vlak voor zijn aanhouding gevonden in de wachtruimte van zijn bedrijf.

Medeverdachte [medeverdachte 3] kwam regelmatig langs bij zijn bedrijf. Hij kwam dan koffie drinken en heeft het personeel ook wel eens gevraagd om zijn bus na te kijken.

Met betrekking tot de spullen welke in zijn tuin zijn aangetroffen, heeft de verdachte verklaard dat hij niet wist dat die spullen daar lagen en dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de spullen daar neer heeft gelegd buiten verdachtes weten om.

Bewijsoverweging

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is, anders dan de verdediging maar met de advocaat-generaal, van oordeel dat het de verdachte is geweest die op 10 juni 2017 met telefoonnummer [telefoonnummer 1] contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 3] .

Voornoemd telefoonnummer is in gebruik bij de ex-partner van de verdachte, [betrokkene 1] . Uit de getapte telefoongesprekken blijkt dat er regelmatig telefonisch contact is tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] . Voorts is uit de getapte gesprekken af te leiden dat [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] regelmatig telefonisch contact met elkaar opnemen om zo in contact te komen met de verdachte.

Op 25 april 2017 te 13.59 uur belt [betrokkene 1] medeverdachte [medeverdachte 3] . In het gesprek geeft [medeverdachte 3] aan dat hij ‘hem’ even zal geven, waarna [medeverdachte 3] de naam ‘ [verdachte] ’ roept. Om 15.59 uur belt [betrokkene 1] naar [medeverdachte 3] . De telefoon van [medeverdachte 3] wordt door een andere man dan [medeverdachte 3] opgenomen. [betrokkene 1] geeft aan dat zij hem wilde vragen of hij ' [naam 1] ' (fonetisch) op wilde halen. De dochter van [betrokkene 1] en de verdachte is genaamd ‘ [naam 1] ’.

Op 2 mei 2017 belt [medeverdachte 3] het telefoonnummer van [betrokkene 1] . [medeverdachte 3] geeft aan dat hij 'hem' zal geven, waarop [betrokkene 1] een andere man aan de telefoon krijgt die zij ‘schat’ noemt. [betrokkene 1] geeft aan dat zij eten voor hem zal maken en de kinderen ook moeten eten.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die op 10 juni 2017 te 08.51 uur met het telefoonnummer van zijn ex-partner [betrokkene 1] een telefoongesprek heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 3] . Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft eerder die ochtend, om 07.43 uur, getracht [betrokkene 1] te bellen, maar het gesprek werd niet beantwoord. Vervolgens heeft hij om 07.44 uur het telefoonnummer dat in gebruik is bij de verdachte gebeld, maar ook die oproep werd niet beantwoord. Om 08.50 uur belt [medeverdachte 3] nogmaals naar [betrokkene 1] , maar krijgt hij wederom geen gehoor. Eén minuut later, om 08.51 uur, wordt [medeverdachte 3] vervolgens door het telefoonnummer van [betrokkene 1] gebeld door een manspersoon. Het gesprek dat op dat moment wordt gevoerd, kan naar het oordeel van het hof gelinkt worden aan hetgeen zich op dat moment afspeelde op de locatie van het amfetaminelab in [plaats] . Die ochtend is bij het onderzoeksteam immers bekend geworden dat de camera, welke zicht had op de [a-straat 1] te [plaats] , was ontdekt door een buurtbewoner. Voorts is naar het oordeel van het hof uit het tapgesprek af te leiden dat de verdachte een belangrijkere rol (op afstand) had dan uitvoerder medeverdachte [medeverdachte 3] , die aan de verdachte vraagt wat ze gaan doen en aangeeft zelf geen besluit te nemen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft eerst ter terechtzitting d.d. 22 mei 2018 verklaard dat hij op de dag van zijn arrestatie – zijnde 10 juni 2017 – bij medeverdachte [medeverdachte 4] (de eigenaar van de loods waar het amfetaminelab is aangetroffen) is geweest, dat hij toen een vuilniszak heeft meegekregen, maar deze in plaats van naar de stort te brengen in de tuin van zijn ex-zwager – zijnde de verdachte – heeft achtergelaten. De dag van zijn arrestatie is hij in het huis van zijn ex-zwager geweest en heeft hij binnen gezocht naar de zak en hij heeft de zak opengemaakt. Deze verklaring is afgelegd in een stadium dat het dossier al geruime tijd compleet was en ter beschikking stond van medeverdachte [medeverdachte 1] , hetgeen hem de gelegenheid heeft gegeven om zijn verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier. Dit doet naar het oordeel van het hof afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring. Het hof constateert bovendien dat deze verklaring niet rijmt met de feitelijke situatie in de tuin behorende bij de woning van de verdachte. De spullen in de tuin zijn niet in een vuilniszak aangetroffen en ook niet binnen in het huis in een vuilniszak, maar los liggend in de tuin. Van een vuilniszak wordt in het proces-verbaal van bevindingen van de politie niet gerept en op de foto’s is daar evenmin iets van waar te nemen. Om deze redenen schuift het hof deze verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig terzijde. Gezien de wijze waarop de spullen zich in de tuin van de verdachte bevonden, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte hiervan kennis heeft gehad, nog los van het feit dat het om zijn tuin ging.

Met betrekking tot verdachtes verklaring dat hij op 8 juni 2017 met zijn ex-partner (kennelijk in twee auto’s) naar de Intratuin is gereden en dat hij nog nooit in [plaats] is geweest, overweegt het hof dat vast is gesteld dat de verdachte als bestuurder van zijn Volvo op 100 meter afstand van het lab aan de [a-straat] te [plaats] is geïdentificeerd door het observatieteam. Daarnaast is door het observatieteam vastgesteld dat de Mercedes Sprinter met medeverdachte [medeverdachte 3] voorafgegaan door de Volvo van de verdachte, vanaf de [b-straat] in [plaats] vertrekt op 8 juni 2017. De verdachte heeft erkend die dag in de Volvo te hebben gereden maar onderweg te zijn geweest naar de Intratuin. Gelet op de plaats waar verdachte is gezien in de auto acht het hof verdachtes verklaring dat hij (enkel) naar de Intratuin ging ongeloofwaardig en schuift het hof de verklaring op dat punt terzijde.

Over de telefoon van de verdachte die hij in zijn auto had laten liggen, die hij aan medeverdachte [medeverdachte 3] had uitgeleend, overweegt het hof dat ook op dit punt het hof verdachtes verklaring terzijde schuift. De verdachte heeft eerst op 15 november 2017 bij de rechter-commissaris verklaard zoals later door hem volgehouden dat hij zijn auto wel uitleende aan medeverdachte [medeverdachte 3] en dat zijn telefoon daar ook wel in zal hebben gelegen. De verdachte heeft niet verklaard dat hij zijn auto met daarin zijn telefoon ook in de nacht van 7 op 8 juni 2017 aan medeverdachte [medeverdachte 3] heeft uitgeleend. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de auto van verdachte weleens leende omdat hij met zijn Mercedes bus niet overal kan komen. Ook hij heeft niet verklaard dat hij de auto van de verdachte in de nacht van 7 op 8 juni 2017 van de verdachte heeft geleend. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] leidt het hof af dat medeverdachte [medeverdachte 3] de auto van de verdachte leende als hij naar een andere bestemming ging dan het amfetaminelab, aangezien medeverdachte [medeverdachte 3] vaker is gezien terwijl hij met de Mercedes bus naar het amfetaminelab reed dan wel daarvandaan kwam rijden met de Mercedes bus. Aangezien de verdachte, ook niet desgevraagd, een andere naam heeft genoemd van iemand die zijn auto heeft geleend, kan het niet anders zijn dan dat hij het zelf was die in de nacht van 7 op 8 juni 2017 in het bezit van zijn auto en zijn telefoon, die in de omgeving van het amfetaminelab uitpeilde, was.

Verdachtes verklaring over het briefje met adres en telefoonnummer van een leverancier van onder andere jerrycans zoals die ook in het amfetaminelab zijn aangetroffen en welk adres ook in de navigatie van de Mercedes Sprinter van medeverdachte [medeverdachte 3] is aangetroffen, acht het hof zeer onwaarschijnlijk en schuift het hof daarom eveneens terzijde. De verdachte heeft verklaard dat hij dit briefje in de wachtruimte van zijn bedrijf heeft aangetroffen en in zijn zak heeft gestoken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij niet wist van wie het briefje was, maar het desondanks in zijn zak te hebben gestoken ten behoeve van degene die het kwijt was. Deze handelwijze acht het hof hoogst onwaarschijnlijk, nu het niet is voor te stellen dat iemand een briefje met een adres en telefoonnummer voor een onbekende verliezer van dat briefje, die ook geen idee heeft dat de verdachte dat briefje in zijn zak heeft, zou houden. Veeleer acht het hof aannemelijk dat het briefje van de verdachte zelf was dan wel aan hem was gegeven omdat hij belang hechtte aan de gegevens die op het briefje waren genoteerd.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen de spullen welke in zijn tuin zijn aangetroffen, alsmede het post-it briefje met daarop het adres en telefoonnummer van een leverancier van jerrycans, voorhanden heeft gehad. Op grond van alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte ook wist dat de voorwerpen en stoffen bestemd zijn/gebruikt worden voor/bij de productie van synthetische drugs.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.’

7. De rechtbank had de verdachte eerder vrijgesproken. Na een samenvatting van feiten en omstandigheden die uit het onderzoek volgen, overweegt de rechtbank als volgt:

‘De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien weliswaar sterke aanwijzingen opleveren voor betrokkenheid van verdachte bij het amfetaminelab te [plaats] , maar dat zij onvoldoende wettig bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking:

- dat de verschillende bezoeken van [medeverdachte 3] aan [A] op zichzelf noch in samenhang bezien met de andere omstandigheden belastende betekenis hebben, nu verdachte bij geen van die bezoeken door de observanten is waargenomen en evenmin is kunnen worden vastgesteld wat er bij gelegenheid van die bezoeken tussen verdachte en [medeverdachte 3] en/of anderen is besproken dat gerelateerd kan worden aan het laboratorium te [plaats] ;

- dat de enkele aanwezigheid van de Sprinter en de Volkswagen Polo in de buurt van de woning van verdachte niet zonder meer wijzen op betrokkenheid van verdachte bij het lab;

- dat de enkele plaatsing op één moment in de nacht van 8 juni 2017 in de buurt van [plaats] aan de hand van een aan verdachte toegeschreven telefoon op zichzelf maar ook in samenhang met de andere feiten en omstandigheden te weinig zeggend is;

- dat de observaties van 8 juni 2017 waarbij verdachte eerst wordt gezien wanneer hij tegelijkertijd met medeverdachte [betrokkene 1] en met medeverdachte [medeverdachte 3] in zijn Mercedes Sprinter vertrekt en later die dag wordt gezien ‘rondrijdend’ in de buurt van [plaats] , leveren op zichzelf noch in samenhang met het overige materiaal bewijs op voor betrokkenheid van verdachte, nu het gaat om een tweetal ‘losstaande’ waarnemingen telkens op één specifiek moment en die in onvoldoende mate in verband met het laboratorium kunnen worden gebracht. De stelling dat sprake is geweest van een ‘colonne’ of ‘begeleiding’ van de Sprinter berust naar het oordeel van de rechtbank in onverantwoorde mate op speculatie en invulling en te weinig op objectief vast te stellen feiten;

- dat de twee tapgesprekken die zouden wijzen op betrokkenheid van verdachte worden ook als onvoldoende moeten worden beoordeeld, nu onvoldoende is kunnen worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk de gespreksdeelnemer is geweest bij het tapgesprek van 10 juni 2017 en onvoldoende is kunnen worden vastgesteld hoe de inhoud van het tapgesprek van 8 juni 2017 moet worden geduid; dat gesprek is namelijk voor meerdere, ook niet belastende, uitleg vatbaar;

- dat het aantreffen van een verpakking van een steekwagen in de auto van verdachte door medeverdachte [medeverdachte 3] ter terechtzitting voor zijn rekening is genomen en dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte geen weet droeg van de aanschaf van die steekwagen ten behoeve van het laboratorium;

- dat de aangetroffen goederen in de tuin van de woning van verdachte door medeverdachte [medeverdachte 1] ter terechtzitting voor zijn rekening zijn genomen en dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die goederen aldaar heeft neergelegd buiten medeweten van verdachte;

- dat verdachte ook anderszins op geen enkele wijze met het drugslab te [plaats] in verband kan worden gebracht: hij noch zijn auto is gedurende de onderzoeksperiode waargenomen op het terrein van het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats] en hij kan daar door middel van ander bewijs evenmin worden geplaatst en ook zijn er geen sporen in of nabij het lab gevonden die in de richting van verdachte wijzen.’

8. Het hof heeft onder het kopje ‘Op te leggen straf’ onder meer het volgende overwogen:

‘Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep evenwel nog het volgende.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof van heden, op 4 juli 2024 – en derhalve niet binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep is hierdoor met vier jaren overschreden.

Het hof zal deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met drie maanden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof komt tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof van oordeel is dat de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt in de door de advocaat-generaal gevorderde straf.’

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 20 juni 2024, houdt onder meer het volgende in:

‘De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

(…)

De raadsman voert het woord tot pleidooi:

Cliënt is in eerste aanleg integraal vrijgesproken. Ik verzoek uw hof het vonnis van de rechtbank te bevestigen. Ook verzoek ik uw hof het in eerste aanleg door mijn collega gevoerde pleidooi als hier herhaald en ingelast te beschouwen.

De voorzitter deelt mee dat het hof hiermee instemt.’

10. De betreffende pleitnota houdt onder meer het volgende in:

‘Dan resteren de verwijten, benoemd achter het derde en vierde gedachtestreepje, laboratoriumbenodigdheden, chemicaliën/grondstoffen voorhanden hebben.

Ook daarvan kan niet blijken, of het moet over de boeg worden gegooid van betrokkenheid op de persoon van [medeverdachte 3] , die in elk geval een deel van deze ook aan hem gemaakte verwijten erkende.

(…)

Die 8e juni 2017 wordt door de Officier van Justitie in het requisitoir een cruciale dag genoemd, qua waarnemingen (blz 4). Dat lijkt ook de dag te zijn waarop [verdachte] verdachte wordt in de zaak Sukida.

Op die dag rijdt [medeverdachte 3] met zijn Sprinter naar Beverwijk, alwaar hij goed mogelijk goederen is gaan ophalen die hij, zoals wel vaker, in de middag heeft vervoerd naar het perceel aan de [a-straat] te [plaats] (alwaar, zo bleek op 10 juni, een productielocatie terzake van synthetische drugs was ingericht).

De Sprinter wordt door [medeverdachte 3] om 13.18 uur geparkeerd aan de [e-straat] te [plaats] .

Vervolgens wordt gezien dat [medeverdachte 3] als bestuurder rijdt in de Volvo van [verdachte] . De beiden verklaren dat door erop te wijzen dat [verdachte] het geen enkel probleem vindt als [medeverdachte 3] zijn auto gebruikt, en [medeverdachte 3] geeft nog aan dat hij slechts zelf de beschikking heeft over de Sprinter van zijn zuster, en dat dat in het stadsverkeer wel eens onhandig kan zijn, vandaar zijn gebruik van de Volvo van [verdachte] .

Ik, raadsman, voeg er hier aan toe, dat op die 8e juni de uit Beverwijk teruggekeerde Sprinter wel eens volgeladen met “contrabande” kan zijn geweest, reden voor [medeverdachte 3] om zijn vriend [verdachte] te vragen om zijn Volvo te mogen lenen, overigens zonder dat kan blijken dat hij [verdachte] omtrent zijn bagage in de Sprinter heeft geïnformeerd.

(…)

Dezelfde verwarring kan ontstaan met betrekking tot het telefoongesprek van 10 juni 2017 te 08.51 uur, nadat [medeverdachte 3] kennelijk doorheeft dat de politie op de locate te [plaats] is geweest (blz 719-721).

Nadat hijzelf een paar pogingen gedaan had om met iemand in kontakt te komen, wordt hij (terug)gebeld door een NN-man, kennelijk via het telefoonnummer van [betrokkene 1] . Ik merk op dat [verdachte] niet inwoont bij [betrokkene 1] .

[medeverdachte 3] zegt tegen de NN-man: “Kun je hem (andere NN-man) even wakker maken”. En houdt vervolgens het verhaal dat “ze” (kennelijk de politie) bij de buren (kennelijk in [plaats] ) zijn geweest. Het betreft hier dus een boodschap van [medeverdachte 3] , bedoeld voor een NN-man die wakker gemaakt moet worden, en gebracht via de NN-man die belt met [medeverdachte 3] .

Wie is hier dan telkens de NN-man ? De bellende NN-man zou “vermoedelijk” [verdachte] zijn. Indien dat juist is, dan was het bericht van [medeverdachte 3] dus niet voor hem ( [verdachte] ) bestemd. Je zou hier dan enige wetenschap (bij [verdachte] ) kunnen afleiden van hetgeen zich afspeelt in [plaats] , maar loutere wetenschap maakt hem nog niet tot mededader (HR in NJ 1994, 50)

Ik verzoek u, gelet op alles, [verdachte] vrij te spreken van het aan hem telastegelegde.’

Bespreking van het eerste middel

11. Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde gelet op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld en hetgeen door de verdediging is aangevoerd onvoldoende met redenen is omkleed. De stellers van het middel formuleren een aantal deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof een aantal op 25 april 2017 en dus buiten de bewezenverklaarde periode gevoerde telefoongesprekken ten onrechte redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring.

12. Het hof overweegt dat [betrokkene 1] op 25 april 2017 om 13.59 uur met medeverdachte [medeverdachte 3] belt, dat [medeverdachte 3] in dat gesprek aangeeft dat hij ‘hem’ even zal geven en daarna de naam ‘ [verdachte] ’ roept. Dat is de voornaam van de verdachte. Om 15.59 uur (kennelijk nog steeds op 25 april 2017) belt [betrokkene 1] naar [medeverdachte 3] . De telefoon wordt door een andere man opgenomen; [betrokkene 1] geeft aan dat zij hem wilde vragen of hij ‘ [naam 1] ’ (fonetisch) wil ophalen. Het hof overweegt daarbij dat de dochter van [betrokkene 1] en de verdachte ‘ [naam 1] ’ heeft.

13. Het hof heeft aan (onder meer) de weergegeven telefoongesprekken op 25 april 2017 een aanwijzing ontleend en kunnen ontlenen dat ‘ [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] regelmatig telefonisch contact met elkaar opnemen om zo in contact te komen met de verdachte’. Daarin ligt besloten dat het hof die telefoongesprekken redengevend heeft kunnen achten.

14. De stellers van het middel voeren voorts aan dat niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid wat de Sprinter met [medeverdachte 3] als chauffeur op 8 juni 2017 precies heeft opgehaald in Beverwijk, of dat met medeweten was van de verdachte en of het deze spullen zijn geweest die door [medeverdachte 3] zijn gelost bij de loods in [plaats] . Uit de omstandigheden dat de verdachte is gezien in de omgeving van de loods en dat zijn telefoon een keer heeft aangestraald in de omgeving van die loods zou niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte betrokkenheid heeft bij de loods of weet wat er in de loods plaatsvindt. Dat in de nacht van 7 op 8 juni 2017 activiteiten zijn waargenomen in de loods en dat de telefoon van verdachte toen een mast aanstraalde in de omgeving, zou onvoldoende zijn om aan te nemen dat de verdachte in de loods was of strafbaar betrokken was bij die activiteiten. Uit de rijgegevens van de Sprinter op 9 juni zou slechts kunnen worden afgeleid dat de Sprinter heen en weer rijdt in de omgeving van [plaats] en Beverwijk.

15. Uit de bewijsoverwegingen van het hof onder het kopje ‘Bevindingen’ volgt dat door de politie op 10 juni 2017 in een loods gelegen op het terrein aan de [a-straat 1] te [plaats] een amfetaminelaboratorium is aangetroffen. Daarin zijn onder andere een grote hoeveelheid chemicaliën aangetroffen die kunnen worden gebruikt bij de productie van amfetamine. Bij observaties is waargenomen dat medeverdachte [medeverdachte 3] in de ochtend van 8 juni 2017 het bedrijf van verdachte bezoekt en in de loop van de ochtend met de Mercedes Sprinter naar Beverwijk rijdt, waar deze wordt geladen met een houten pallet met daarop een groot aantal doorzichtige jerrycans gevuld met een doorzichtige vloeistof. [medeverdachte 3] rijdt vervolgens met de Mercedes Sprinter naar [plaats] ; daar vertrekt hij met voor zich een Volvo met kenteken [kenteken 2] die op naam staat van verdachte en achter zich een Volvo met kenteken [kenteken 3] die op naam staat van [betrokkene 1] , de ex-partner van verdachte. Om 16.00 uur rijdt [medeverdachte 3] het perceel van de [a-straat 1] te [plaats] op waar hij de Sprinter uitlaadt. Om 16.40 uur wordt de Volvo met kenteken [kenteken 2] waargenomen op ongeveer 100 meter afstand van de [a-straat 1] te [plaats] ; de verdachte wordt als bestuurder herkend. De Mercedes Sprinter vertrekt op 8 juni 2017 om 16.54 uur en wordt om 17.30 uur geparkeerd in de straat waar de verdachte woont. Het hof stelt voorts vast dat de telefoon van de verdachte in de nacht van 7 op 8 juni 2017 om 00.44 uur een zendmast in de omgeving van de [a-straat 1] te [plaats] aanstraalt. En dat die nacht door het observatieteam activiteiten zijn waargenomen in de loods te [plaats] .

16. Op 9 juni 2017 vertrekt de Mercedes Sprinter om 06.36 uur. Om 08.06 uur rijdt de Sprinter bij Beverwijk. Vervolgens komt hij om 09.56 uur aan op de [b-straat] in [plaats] . Om 12.14 uur parkeert de Volvo met kenteken [kenteken 2] bij de [b-straat 1] in [plaats] , waarna de Sprinter en de Volvo om 13.04 uur beide vertrekken. Medeverdachte [medeverdachte 3] wordt herkend als bestuurder van de Mercedes Sprinter. Om 13.42 uur rijdt de Sprinter het terrein aan de [a-straat 1] te [plaats] op.

17. Uit deze vaststellingen blijkt niet exact wat de Sprinter met [medeverdachte 3] als chauffeur op 8 juni 2017 precies heeft opgehaald. Het hof heeft daaraan echter wel een aanwijzing kunnen ontlenen voor de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen de in de bewezenverklaring vermelde stoffen in de loods voorhanden heeft gehad. Ik neem daarbij in aanmerking dat fosforzuur en formamide kleurloze vloeistoffen zijn. Voorts heeft het hof aan het aanstralen van de telefoon van de verdachte van een zendmast in de buurt van de loods in de nacht van 7 op 8 juni 2017 in combinatie met de waargenomen activiteiten, de omstandigheid dat de Volvo met kenteken [kenteken 2] op 8 juni in [plaats] met de Mercedes Sprinter is meegereden naar de loods, en de herkenning kort daarna van de verdachte als bestuurder, aanwijzingen kunnen ontlenen voor de strafbare betrokkenheid van de verdachte bij de activiteiten in de loods. Voor zover de stellers van het middel aanvoeren dat deze feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om die strafbare betrokkenheid aan te nemen, zien zij eraan voorbij dat de bewezenverklaring op meer feiten en omstandigheden berust.

18. De stellers van het middel voeren vervolgens aan dat uit de bewijsvoering niet zonder meer zou kunnen worden afgeleid dat de medeverdachte [medeverdachte 3] in de ochtend van 10 juni 2017 met de verdachte heeft gesproken.

19. Uit de bewijsoverwegingen van het hof onder het kopje ‘Bevindingen’ volgt dat [medeverdachte 3] op 10 juni 2017 omstreeks 08.51 uur wordt gebeld door telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat in gebruik is bij [betrokkene 1] , de ex-partner van de verdachte. Dat nummer wordt op dat moment gebruikt door een man. Door [medeverdachte 3] wordt meegedeeld dat ‘ze’ bij de buren waren; dat [medeverdachte 3] kwam aangereden en dat ‘ze’ toen weg gingen bij de buurman. [medeverdachte 3] zegt tegen zijn gesprekspartner: ‘Laat maar even weten wat we doen maat’ en ‘Ja zeg jij het maar maat. Ik neem geen besluit’.’ Het hof stelt vast dat in de ochtend van 10 juni 2017 bij het onderzoeksteam bekend is geworden dat de camera die zicht had op het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats] is ontdekt en dat de politie de loods om 13.50 uur heeft betreden.

20. Onder het kopje ‘Bewijsoverweging’ overweegt het hof vervolgens dat het van oordeel is ‘dat het de verdachte is geweest die op 10 juni 2017 met telefoonnummer [telefoonnummer 1] contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 3] . Het hof overweegt eerst dat uit de getapte gesprekken blijkt dat er regelmatig telefonisch contact is tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] en dat zij regelmatig telefonisch contact met elkaar opnemen om zo in contact te komen met de verdachte. Het hof stelt vervolgens vast dat medeverdachte [medeverdachte 3] eerder die ochtend, om 07.43 uur, heeft getracht [betrokkene 1] te bellen, dat hij om 07.44 het telefoonnummer dat in gebruik is bij de verdachte heeft gebeld, en dat hij om 08.50 uur weer naar [betrokkene 1] belt, maar telkens geen gehoor krijgt. Het gesprek dat vervolgens om 08.51 uur gevoerd wordt, kan volgens het hof gelinkt worden aan wat zich op dat moment bij het amfetaminelaboratorium afspeelde, waar de camera was ontdekt door een buurtbewoner. Het hof leidt uit het tapgesprek voorts af ‘dat de verdachte een belangrijkere rol (op afstand) had dan uitvoerder medeverdachte [medeverdachte 3] , die aan de verdachte vraagt wat ze gaan doen en aangeeft zelf geen besluit te nemen.’

21. Het hof heeft uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat de medeverdachte [medeverdachte 3] in de ochtend van 10 juni 2017 met de verdachte heeft gesproken. Ik roep daarbij in herinnering dat conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid kunnen worden onderzocht. En ik merk nog op dat ook in de pleitnota is aangegeven dat de bellende NN-man ‘vermoedelijk’ de verdachte is.

22. De stellers van het middel voeren voorts aan dat het aantreffen in de auto van een kartonnen verpakking van een steekwagen niet redengevend zou zijn.

23. Het hof heeft onder het kopje ‘Bevindingen’ vastgesteld dat in de kofferbak van de Volvo met kenteken [kenteken 2] die op naam van de verdachte staat een kartonnen verpakking is aangetroffen met daarop een afbeelding van een steekwagen. De afbeelding van de steekwagen op de verpakking komt, aldus het hof, overeen met de steekwagens die in het amfetaminelaboratorium zijn aangetroffen.

24. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof ook aan het aantreffen van deze kartonnen verpakking een aanwijzing ontleend inzake de strafbare betrokkenheid van de verdachte bij het amfetaminelaboratorium. Aan die begrijpelijkheid doet niet af dat de steekwagen zelf in de bewezenverklaring niet is aangemerkt als een voorwerp waarmee een Opiumwetfeit zou zijn voorbereid of bevorderd, en evenmin dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de verdachte geen weet had van de aanschaf van die steekwagen ten behoeve van het laboratorium. Selectie en waardering van het bewijsmateriaal is aan de feitenrechter; behoudens in gevallen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt behoeft de feitenrechter over deze selectie en waardering geen rekenschap af te leggen.

25. De stellers van het middel klagen voorts over ’s hofs oordeel dat de door de rechtbank als ontlastend aangemerkte verklaring van [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig terzijde dient te worden geschoven. Dat geen vuilniszak is aangetroffen zou de mogelijkheid openlaten dat [medeverdachte 1] de spullen uit de vuilniszak heeft gehaald en die vuilniszak heeft weggegooid. Daarbij zou niet begrijpelijk zijn dat het hof heeft geoordeeld dat aan de geloofwaardigheid afbreuk doet dat de medeverdachte de verklaring heeft afgelegd nadat hij in de gelegenheid is geweest zijn verklaring af te stemmen op de rest van het dossier, nu de medeverdachte in deze verklaring zichzelf belast en de verklaring ook niet door de medeverdachte als getuige in de zaak van verdachte is afgelegd.

26. Het hof heeft onder het kopje ‘Bevindingen’ aangegeven dat in de tuin van de woning van verdachte kledingstukken werden aangetroffen ‘waarvan een geur af kwam die ambtshalve werd herkend als de geur die vrijkomt bij de productie van synthetische drugs’. Tevens werden in de achtertuin twee flessen Bio-Ethanol aangetroffen waarvan het etiket overeenkwam met het etiket op de flessen Bio-Ethanol die in het amfetaminelaboratorium zijn aangetroffen. Onder het kopje ‘Verdachtes verklaring’ overweegt het hof dat de verdachte met betrekking tot de spullen die in zijn tuin lagen heeft verklaard ‘dat hij niet wist dat die spullen daar lagen en dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die spullen daar neer heeft gelegd buiten verdachtes weten om.’

27. Onder het kopje ‘Bewijsoverweging’ heeft het hof overwogen dat medeverdachte [medeverdachte 1] eerst ter terechtzitting d.d. 22 mei 2018 heeft verklaard dat hij op de dag van zijn arrestatie (10 juni 2017) bij medeverdachte [medeverdachte 4] een vuilniszak heeft meegekregen en deze in de tuin van de verdachte heeft achtergelaten. Op de dag van zijn arrestatie zou hij in het huis van de verdachte zijn geweest, binnen hebben gezocht naar de zak en deze hebben opengemaakt. Het hof overweegt dat deze verklaring ‘is afgelegd in een stadium dat het dossier al geruime tijd compleet was en ter beschikking stond van medeverdachte [medeverdachte 1] , hetgeen hem de gelegenheid heeft gegeven om zijn verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier’; dat doet naar het oordeel van het hof afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring. Het hof constateert bovendien dat de spullen niet in een vuilniszak zijn aangetroffen maar los liggend in de tuin en dat in het proces-verbaal van bevindingen van de politie niet van een vuilniszak wordt gerept en daar op de foto’s evenmin iets van is waar te nemen. Om deze redenen schuift het hof de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig terzijde.

28. Ook dit feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat de mogelijkheid dat [medeverdachte 1] de spullen uit de vuilniszak zou hebben gehaald, in de tuin van de verdachte, zijn ex-zwager, zou hebben gegooid en de vuilniszak zou hebben weggegooid reeds op voorhand weinig aannemelijk is. De omstandigheden dat de medeverdachte [medeverdachte 1] zichzelf in deze verklaring belast en dat de verklaring niet in de zaak van verdachte is afgelegd doen er voorts niet aan af dat het hof de verklaring op grond van de door het hof vermelde omstandigheden als ongeloofwaardig kon aanmerken.

29. De stellers van het middel menen voorts dat het niet zonder meer begrijpelijk is dat het hof het hoogst onwaarschijnlijk acht dat iemand een briefje met een naam, telefoonnummer en een adres, dat in de wachtruimte van zijn bedrijf wordt aangetroffen, bij zich steekt teneinde dat te bewaren voor iemand voor wie die gegevens wellicht van belang kunnen zijn en dat briefje kennelijk heeft verloren. Niet zou zijn vastgesteld dat de verdachte dat bedrijf heeft bezocht, of met dat nummer heeft gebeld, of dat anderen in opdracht of op verzoek van de verdachte dat bedrijf hebben bezocht. Daarbij zou het bij zich dragen van deze post-it in te ver verwijderd verband staan met het voorbereiden of bevorderen van de productie van amfetamine; de post-it zou niet tot het plegen van het feit bestemd zijn.

30. Het hof heeft onder het kopje ‘Bevindingen’ overwogen dat na zijn aanhouding bij de verdachte een Post-it briefje werd aangetroffen met daarop de tekst: ‘ [d-straat 1] ’. Uit onderzoek door de politie bleek dat op ‘www.speurders.nl’ advertenties stonden die aan dit telefoonnummer zijn gekoppeld waarin jerrycans te koop werden aangeboden. In het navigatiesysteem van de Mercedes Sprinter die door medeverdachte [medeverdachte 3] werd gebruikt voor het vervoeren van (onder meer) jerrycans gevuld met een doorzichtige vloeistof, werd het adres [d-straat 1] bij de recente bestemmingen aangetroffen. Onder het kopje ‘Verdachtes verklaring’ overweegt het hof dat de verdachte heeft verklaard dat hij het briefje vlak voor zijn aanhouding heeft gevonden in de wachtruimte van zijn bedrijf.

31. Onder het kopje ‘Bewijsoverweging’ schuift het hof deze verklaring van de verdachte als ‘zeer onwaarschijnlijk’ terzijde. Het hof overweegt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard ‘dat hij niet wist van wie het briefje was, maar het desondanks in zijn zak te hebben gestoken ten behoeve van degene die het kwijt was’. Het hof overweegt dat ‘het niet is voor te stellen dat iemand een briefje met een adres en telefoonnummer voor een onbekende verliezer van dat briefje, die ook geen idee heeft dat de verdachte dat briefje in zijn zak heeft, zou houden’. Het hof acht veeleer ‘aannemelijk dat het briefje van de verdachte zelf was dan wel aan hem was gegeven omdat hij belang hechtte aan de gegevens die op het briefje waren genoteerd’.

32. Ook dit feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij op dat het hof ook aan het aantreffen van het adres in het navigatiesysteem van de Mercedes Sprinter, bezien in het licht van de bewijsvoering als geheel, een aanwijzing voor de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van de verdachte heeft kunnen ontlenen.

33. Voor zover de stellers van het middel aanvoeren dat de post-it in te ver verwijderd verband staat met het voorbereiden of bevorderen van de productie van amfetamine en dat de post-it niet tot het plegen van het feit bestemd zou zijn, merk ik het volgende op.

34. Artikel 46, eerste lid, Sr houdt in dat voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld strafbaar is ‘wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft’. Uw Raad heeft in een arrest van 12 februari 2013 overwogen dat uit de tekst van art. 46, eerste lid, Sr volgt dat met ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op de voorbereiding zelf. Van der Schors heeft betoogd dat dit arrest op twee manieren kan worden geduid: met een temporele en met een functionele interpretatie. In de temporele benadering is vereist dat ‘de voorbereider beoogt deze middelen te gebruiken ten tijde van het begaan van het delict’. In een functionele benadering ‘is niet het moment waarop het middel zal worden ingezet doorslaggevend, maar de functie van het middel voor de uitvoering van het delict.’

35. Van der Schors leidt uit een arrest van Uw Raad van 8 september 2020 af dat de functie van het middel ‘inderdaad leidend zou moeten zijn’. Uw Raad overwoog in dat arrest dat het hof had vastgesteld ‘dat de (prepaid) telefoons speciaal zijn aangeschaft voor de overval, dat blijkens de getapte telefoongesprekken de telefoons van groot belang waren voor de timing van de overval en dat op de dag van de voorgenomen overval de communicatie tussen de verdachte en de medeverdachte (…) onder meer inhield dat de verdachte per sms moest laten weten wanneer het geld bij haar was afgeleverd, wat de verdachte ook meermalen heeft gedaan’. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid, was volgens Uw Raad niet onjuist en toereikend gemotiveerd. Van der Schors leidt uit deze overwegingen af dat ‘de essentiële rol van de telefoon voor de timing van het delict’ in dit geval doorslaggevend lijkt.

36. In die benadering kan wellicht ook een arrest dat Uw Raad op 7 juli 2020 wees worden ingepast. Bewezenverklaard was dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander ter voorbereiding van medeplegen van gijzeling, wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of afpersing opzettelijk informatie had verzameld over drie personen en die informatie op schrift had gesteld. Daarbij ging het om personalia en adresgegevens, merk, type en kentekengegevens van door deze personen gebruikte voertuigen, foto’s van de drie personen, andere persoonlijke en/of zakelijke informatie en het te eisen losgeldbedrag. Uw Raad overwoog dat deze foto’s en geschriften ‘bedoeld waren om te worden gebruikt bij de voorbereiding van die misdrijven’ maar dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat zij ‘waren bestemd tot het begaan van de in de bewezenverklaring bedoelde misdrijven van het (medeplegen van) gijzeling en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of afpersing’. Annotator Kooijmans vestigt er de aandacht op dat de bewijsvoering niets inhield over het gebruik van de geschriften en foto’s bij de uitvoering.

37. In de onderhavige zaak is niet voorbereiding als strafbaar gesteld in artikel 46 Sr ten laste gelegd, maar het in artikel 10a Opiumwet strafbaar gestelde misdrijf. Het eerste lid van dat artikel luidt als volgt:

‘1. Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:

1o. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

2o. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,

3o. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.’

38. Ook in dit artikel is het voorhanden hebben van voorwerpen die ‘bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ strafbaar gesteld. Het ligt in de rede deze formulering in dezelfde lijn uit te leggen als de formulering in art. 46 Sr. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat het adres dat op de post-it is vermeld niet alleen op een briefje bij de verdachte is aangetroffen, maar dat het ook in het navigatiesysteem van de Mercedes Sprinter ‘die door medeverdachte [medeverdachte 3] werd gebruikt voor het vervoeren van goederen, waaronder jerrycans gevuld met een doorzichtige vloeistof’ is aangetroffen. Daaruit kan worden afgeleid dat het op de post-it vermelde adres een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding; uit de bewijsvoering volgt evenwel niet dat de post-it waarop het adres is vermeld een (essentiële) rol zou spelen bij het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA.

39. Het middel slaagt in zoverre. Tot cassatie behoeft dat naar het mij voorkomt evenwel niet te leiden. Aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd worden niet aangetast als de post-it daaruit zou wegvallen. Ten overvloede merk ik nog op dat in artikel 10a Opiumwet ook het zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen strafbaar is gesteld, en dat dit onderdeel van artikel 10a Opiumwet ook in de tenlastelegging is opgenomen.

40. De stellers van het middel voeren voorts aan dat het hof de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat er geen sporen in of nabij het lab zijn gevonden die in de richting van verdachte wijzen ten onrechte niet bij de beoordeling van het bewijs heeft betrokken terwijl dit bezwaarlijk anders zou kunnen worden beschouwd dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

41. Uit de pleitnota die de raadsman ter terechtzitting heeft voorgedragen, blijkt niet van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat is gebaseerd op de omstandigheid dat er geen sporen in of nabij het lab zijn aangetroffen die in de richting van de verdachte wijzen. Wel heeft de rechtbank daaraan gerefereerd, maar vrijspraakoverwegingen van de rechtbank zijn geen door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het betoog van de raadsman is te duiden als een vrijspraakverweer dat de aanwijzingen tegen de verdachte op een groot aantal punten bespreekt. Op dat verweer is het hof uitgebreid ingegaan.

42. De stellers van het middel voeren ten slotte aan dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat anderen jerrycans, chemicaliën, beschermingsmiddelen, flessen bio-ethanol voorhanden hadden die bestemd waren tot het plegen van het feit, te weten het voorbereiden en bevorderen van een Opiumwetfeit. Ook zou uit de bewijsvoering niet kunnen worden afgeleid dat een deel van die voorwerpen ‘vaten’ betroffen. Ten slotte zou de verdachte niet hebben kunnen bevroeden dat de informatie op het post-it briefje te maken had met het bevorderen en voorbereiden van een Opiumwet feit.

43. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof op grond van de door het hof genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel heeft kunnen komen dat de verdachte wist dat de in de bewezenverklaring vermelde voorwerpen bestemd waren tot het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA.

44. Voor zover de stellers van het middel aanvoeren dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte en/of een of meer van zijn mededaders ‘vaten’ voorhanden hebben gehad, meen ik dat het middel slaagt. Het hof rept daar niet over in de bewijsvoering. Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden. Aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd worden niet aangetast als de vaten daaruit wegvallen. Ik wijs er in het bijzonder op dat dit de bewezenverklaring voor zover deze het voorhanden hebben van ‘een grote hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden’ onverlet laat.

45. Het middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

46. Het tweede middel behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed nu het hof in het arrest heeft overwogen dat het hof tot een hogere straf komt dan door de advocaat-generaal is gevorderd omdat de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt in de gevorderde straf, en het hof daarbij over het hoofd heeft gezien dat de gevorderde straf ook gebaseerd is op een feit waarvan het hof de verdachte heeft vrijgesproken en dat met aanzienlijk meer straf wordt bedreigd dan het bewezenverklaarde.

47. Anders dan de steller van het middel meen ik dat uit de overwegingen van het hof niet volgt dat het hof over het hoofd zou hebben gezien dat de advocaat-generaal bij de strafeis is uitgegaan van beide tenlastegelegde feiten terwijl het hof van feit 1 heeft vrijgesproken. Het hof heeft overwogen dat ‘de ernst van het bewezenverklaarde’, en dat is het onder 2 bewezenverklaarde feit, ‘onvoldoende tot uitdrukking komt in de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Aan de begrijpelijkheid van de strafoplegging doet evenmin af dat het onder 1 ten laste gelegde feit (artikel 10, derde en vierde lid, jo. artikel 2 onder B, C en D Opiumwet) met een hogere maximumstraf wordt bedreigd. Het hof laat er geen misverstand over bestaan dat het de opgelegde straf, waarin een matiging in verband met overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd is, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit passend en geboden acht.

48. Het middel faalt.

Afronding

49. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

50. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?