PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00144 B
Zitting 20 januari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[veroordeelde] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de veroordeelde
1. Het cassatieberoep
Bij beschikking van 18 december 2024 (raadkamernummer 24/021503) heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 5.5.12 Sv op 22 augustus 2024 ingediende beklag.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde. V.S.J. Chorus, advocaat in Nuth, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de veroordeelde niet-ontvankelijk is in zijn klaagschrift vanwege overschrijding van de in art. 5.5.12 jo. 552a lid 3 Sv bedoelde termijn.
Ik kom aan de bespreking van het middel niet toe, omdat de veroordeelde niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.
2. Het procesverloop
In Denemarken is ter uitvoering van een door Nederland uitgevaardigd Europees bevriezingsbevel onder veroordeelde conservatoir beslag gelegd op een geldbedrag van 1.701 Deense Kronen en 7.810,71 euro.
Het Europees bevriezingsbevel betreft een bevel tot inbeslagneming ex art. 5.5.9 Sv en is op 1 mei 2020 uitgevaardigd in verband met een strafrechtelijk onderzoek jegens veroordeelde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de rechter-commissaris machtiging heeft verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot zekerheidstelling van het recht tot verhaal van een aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Volgens art. 5.5.12 lid 3 Sv zijn art. 552a en 552d Sv van overeenkomstige toepassing verklaard bij een door Nederland uitgevaardigd Europees bevriezingsbevel aan een EU-lidstaat die niet is gebonden door Verordening (EU) nr. 2018/1805.
De veroordeelde is bij arrest van 31 maart 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnummer 21-004587-20) veroordeeld wegens onder meer het belemmeren van toegang tot een geautomatiseerd werk, belaging, bedreiging, oplichting, identiteitsfraude, en witwassen. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit arrest – na intrekking van het cassatieberoep – onherroepelijk is geworden op 23 september 2022.
De rechtbank heeft tevens vastgesteld dat in de ontnemingszaak aan de veroordeelde de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.839,88 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en dat deze beslissing ‘na de uitspraak in cassatie’ op 22 januari 2024 voor executie is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB). Een zoekslag binnen de zaaksregistratie van de Hoge Raad leert dat de Hoge Raad het in de ontnemingszaak ingestelde cassatieberoep bij arrest van 12 december 2023 op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk heeft verklaard.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingediende klaagschrift, omdat het op 22 augustus 2024 ingediende klaagschrift niet binnen de in art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn van drie maanden na het einde van de vervolgde zaak is ingediend.
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Nu de Hoge Raad het in de ontnemingszaak ingestelde cassatieberoep bij arrest van 12 december 2023 op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk heeft verklaard, is het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 maart 2022 (parketnummer 21-004621-20) onherroepelijk geworden.
Op dat moment kon worden aangevangen met de tenuitvoerlegging van de ontnemingsvordering. Het onherroepelijk worden van ’s hofs beslissing in de ontnemingszaak brengt immers mee dat het conservatoir beslag op de geldbedragen op grond van art. 6:4:9 Sv jo. art. 6:4:4 lid 2 Sv is overgegaan in executoriaal beslag. Het onherroepelijke arrest geldt als executoriale titel (art. 6:4:4 lid 2 jo. art. 704 lid 1 Rv). Het verhaal geschiedt op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Dat betekent dat de veroordeelde geen belang heeft bij het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland.
Gelet daarop dient de veroordeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard in het cassatieberoep.
Ten overvloede merk ik nog op dat de ontnemingszaak door het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2023 al onherroepelijk was op het moment dat het klaagschrift werd ingediend en (logischerwijs) dus ook ten tijde van de op 18 december 2024 gegeven beschikking van de rechtbank. Het conservatoir beslag was door het onherroepelijk worden van de ontnemingsvordering al overgegaan in executoriaal beslag. Uit de beschikking blijkt ook dat de beslissing in de ontnemingszaak al voor executie was overgedragen aan het CJIB. Het oordeel van de rechtbank dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moest worden verklaard is, op grond van dezelfde redenering als voor de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, juist. Dat het klaagschrift niet binnen de art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn werd ingediend, was daarbij niet langer relevant.
4. Conclusie
Deze conclusie strekt ertoe dat de veroordeelde niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG