PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00426
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 3 februari 2026 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Namens de verdachte heeft N.J.H. Lina, advocaat in Groningen, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De middelen van cassatie
Het eerste middel klaagt dat de beslissing van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep onbegrijpelijk is. Daaraan ligt ten grondslag dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een elektronische betekening in persoon, zoals neergelegd in art. 36f lid 2 Sv. Het tweede middel klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding, omdat uit de door de verdediging ingebrachte e-mail van de moeder van de verdachte blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een betekening in persoon als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv.
Beide middelen draaien daarmee om de vraag of sprake is van een elektronische betekening ‘in persoon’ als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
De mogelijkheid om gerechtelijke mededelingen (zoals een dagvaarding) elektronisch te betekenen, bestaat nog niet zo lang. Die mogelijkheid is ingevoerd met de partiële inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020. Inmiddels zijn bij de Hoge Raad diverse strafzaken aanhangig waarin wordt geklaagd over (de gevolgen van) een elektronische betekening in persoon. De conclusie in deze zaak betreft één van die zaken.
Voor een uitgebreide bespreking van de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van de betekening van gerechtelijke mededelingen door middel van ‘elektronische overdracht’, verwijs ik graag naar de conclusie die mijn ambtgenote Van Kampen vandaag neemt in de zaak [naam 2] (25/03504), ECLI:NL:PHR:2026:1005.
De processtukken in de onderhavige zaak
Bij vonnis van 13 november 2024 is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken vanwege “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”. Tegen dat vonnis heeft de verdachte op 25 februari 2025 hoger beroep ingesteld.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 september 2025 vermeldt het volgende:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
De raadsvrouw van verdachte, mr. N.J.H. Lina, advocate te Groningen, is evenmin verschenen.
Het hof verleent dan ook verstek tegen de niet verschenen verdachte.
De voorzitter deelt verder mede dat deze rolzitting is bedoeld om te inventariseren welke bezwaren er bestaan tegen het vonnis, of er eventueel onderzoekswensen zijn en hoeveel tijd nodig is voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
De voorzitter deelt ook mede dat de raadsvrouw voorafgaand aan de zitting een e-mail heeft gestuurd op 19 september 2025 waaruit volgt dat verdachte meent dat hij ontvankelijk dient te worden geacht in het hoger beroep. Verder is hij het niet eens met de bewezenverklaring en de opgelegde straf. Vanuit de verdediging zijn er geen onderzoekswensen.
De voorzitter merkt op dat de ontvankelijkheid van verdachte een punt van discussie is. Daarom zal de zaak eerst op zitting worden gepland om de ontvankelijkheid van verdachte te beoordelen. Bij het plannen van de zaak is rekening gehouden met de verhinderdata die de raadsvrouw heeft overgelegd.
Het hof:
- verwijst de zaak voor behandeling naar de meervoudige strafkamer van dit hof;
- schorst het onderzoek voor bepaalde tijd tot 3 februari 2026 om 9.00 uur tot 9:20 uur;
- beveelt de oproeping van de verdachte tegen voornoemd tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw.”
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een print van een e-mail die in de loop van de avond voorafgaande aan de terechtzitting van 3 februari 2026 aan de raadsvrouw is toegezonden, inhoudende:
"Van: [betrokkene 1]
Datum: 2 februari 2026 om 21:51:46 CET
Aan: [naam 1]
Onderwerp: Zaak 18-107734-24
Geachte [naam 1] ,
Voor de strafzaak 18-107734-24 van mijn zoon [verdachte] heb ik ingelogd op zijn DigiD en heb ik zijn bericht geopend. Dit bericht heeft hij niet ontvangen en was dus niet op de hoogte van deze strafzaak.
Hopende dat ik u voldoende heb geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 1] ".
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 februari 2026 vermeldt:
“De voorzitter benoemt dat het hof kort voor de zitting een e-mail heeft ontvangen van de raadsvrouw waarin een verklaring staat van vermoedelijk de moeder van verdachte. In deze e-mail verklaard zij met de DigiD van verdachte te hebben ingelogd op zijn MijnOverheid berichtenbox waarin de dagvaarding voor de zitting bij de politierechter van 13 november 2024 was geplaatst.
De raadsvrouw licht de e-mail toe:
Wat mij betreft toont de verklaring van de moeder van mijn cliënt aan dat de dagvaarding voor de zitting bij de politierechter niet aan mijn cliënt in persoon is betekend. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld zo snel mogelijk na bekendwording met het vonnis. Het vonnis kreeg hij namelijk uitgereikt toen hij – kort voor het instellen van het hoger beroep – verbleef in cellencomplex [A] . Ik meen dat hij ontvankelijk is in het hoger beroep.
U, voorzitter, houdt mij voor dat de verklaring van moeder vragen oproept omdat het inloggen op de MijnOverheid berichtenbox via DigiD werkt met een tweefactorauthenticatie waardoor het in beginsel niet mogelijk is om voor iemand anders in te loggen. De moeder van mijn cliënt beheert de DigiD en MijnOverheid berichtenbox voor hem. Zij heeft zijn wachtwoorden en codes. Op uw vraag of daarbij een mobiel toestel van mijn client is gebruikt antwoord ik dat ik heb begrepen dat de moeder van cliënt ook gebruik kon maken van de mobiele telefoon van cliënt.
U, voorzitter, vraagt mij waarom de moeder van mijn cliënt hem niet heeft kunnen vertellen over de dagvaarding. Zij wist niet waar hij op dat moment verbleef. Mijn cliënt heeft te maken met verslavingsproblematiek en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en is ook voor zijn moeder geregeld onvindbaar.
De voorzitter stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid haar standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van verdachte in zijn hoger beroep.
De advocaat-generaal neemt haar standpunt in:
Ik vind dat verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het komt ook bij een fysieke uitreiking wel eens voor dat een huisgenoot van een verdachte de dagvaarding aanneemt. Dan wordt ervan uitgegaan dat deze persoon de dagvaarding zo spoedig mogelijk aan verdachte doorgeeft. Ook dan is het de vraag of de dagvaarding verdachte daadwerkelijk bereikt. Dat is in dit geval niet anders. Verdachte en moeder hebben zelf afspraken gemaakt over de DigiD. Het lag op haar weg om verdachte te informeren. Ik vind dat het hoger beroep te laat is ingesteld.
De voorzitter stelt de raadsvrouw in de gelegenheid te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal.
De raadsvrouw reageert:
Ik ga ervan uit dat mijn cliënt hoger beroep kon instellen tot veertien dagen na bekendwording met het vonnis. Dat was toen hij in [A] verbleef. Ik blijf erbij dat hij ontvankelijk is in het hoger beroep.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat het hof onmiddellijk uitspraak zal doen.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof het volgende mee:
Verdachte is op 13 november 2024 bij verstek veroordeeld door de politierechter. De dagvaarding voor de zitting bij de politierechter is op 6 juni 2024 geplaatst in de MijnOverheid berichtenbox van verdachte. Op 2 november 2024 is door middel van een tweefactorauthenticatie via DigiD ingelogd in deze berichtenbox. Na het inloggen is een bevestiging verzonden aan verdachte over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.
De berichtenbox van MijnOverheid is zo ingericht dat overheidsinstanties erop kunnen vertrouwen dat hun berichten de persoon bereiken aan wie deze zijn gericht. Om deze reden geldt betekening door elektronische overdracht als betekening in persoon als de betrokkene zich de toegang heeft verschaft tot de digitale berichtenbox.
De omstandigheid dat verdachte kennelijk afspraken heeft met zijn moeder over het beheer van zijn MijnOverheid berichtenbox en het gebruik van zijn mobiele telefoon en DigiD, maakt dat niet anders. Het hof is van oordeel dat dergelijke afspraken vallen binnen de risicosfeer van verdachte en dat het op zijn weg ligt om in een dergelijk geval contact te onderhouden met zijn moeder om tijdig op de hoogte te worden gesteld van overheidsberichten die aan hem zijn gericht.
Nu de dagvaarding voor de zitting bij de politierechter op 2 november 2024 aan verdachte in persoon is betekend, moest verdachte binnen veertien dagen na uitspraak van het vonnis van de politierechter hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas ingesteld na het verstrijken van die termijn. Van omstandigheden die die overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar maken, is het hof niet gebleken. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.”
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een geautomatiseerd aangemaakte vastlegging van elektronische overdracht, waaruit blijkt dat:
- de dagvaarding van de verdachte voor de zitting van 13 november 2024, tijdstip 10:45 uur, op 6 juni 2024 in verdachtes MijnOverheid-Berichtenbox is geplaatst;
- op 2 november 2024 om 09:24 uur is ingelogd in deze MijnOverheid-Berichtenbox;
- na het inloggen op basis van tweefactorauthenticatie een bevestiging aan de verdachte is verzonden, die is geplaatst in zijn Berichtenbox van MijnOverheid;
- in deze bevestiging de verdachte is geïnformeerd over de elektronische overdacht van de gerechtelijke mededeling.
Bij deze stukken bevindt zich tevens een akte, waaruit blijkt dat op 1 november 2024 om 12:26 uur tevergeefs is geprobeerd de dagvaarding voor de zitting van 13 november 2024 uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [plaats] , sinds 16 juli 2024 het BRP-(post)adres van de verdachte.
Het hof heeft de verdachte bij arrest niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De beslissing van het hof zoals vermeld in het proces-verbaal komt exact (woordelijk) overeen met de beslissing zoals weergegeven in het arrest van het hof van 3 februari 2026.
Juridisch kader
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van belang:
- Art. 36b lid 1 en 2:
“1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt door:
a. betekening;
b. toezending;
c. mondelinge mededeling.
2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.”
- Art. 36d lid 2:
“De elektronische overdracht van een gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt met behulp van een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening.”
- Art. 36f:
“1. Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd.
2. Betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 36d, tweede lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.”
- Art. 36i lid 1:
“Van iedere elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt langs elektronische weg vastgelegd:
a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de wijze, de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft.”
- Art. 408 lid 1:
”Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend
[…]”.
Daarnaast zijn de volgende bepalingen uit het Besluit digitale stukken Strafvordering van belang:
- Art. 2 lid 1, aanhef en onder d:
“Onze Minister wijst een elektronische voorziening aan ten behoeve van:
d. de betekening en kennisgeving van gerechtelijke mededelingen, bedoeld in artikel 36b, tweede en derde lid, van de wet.”
- Art. 3:
“1. De elektronische voorziening voldoet aan de volgende eisen:
a. de gebruiker van de voorziening wordt geïdentificeerd;
b. na te gaan is wie de verzender is van het stuk;
c. na te gaan is of het stuk is gewijzigd na het moment van verzending;
d. na te gaan is op welk tijdstip het stuk is ontvangen respectievelijk ter beschikking is gesteld in de elektronische voorziening;
e. na te gaan is op welk moment zich in de voorziening een storing voordoet of zich heeft voorgedaan, en
f. het stuk in de voorziening is uitsluitend toegankelijk voor een gebruiker die daarvoor is geautoriseerd.
2. De inrichting van de elektronische voorziening voldoet aan de nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging en is in staat langs elektronische weg de gegevens, bedoeld in artikel 36i van de wet, vast te leggen. Bij ministeriële regeling kan nader worden bepaald aan welke standaarden de elektronische voorziening voldoet.”
De toelichting op het Besluit digitale stukken Strafvordering luidt:
“Met dit besluit wordt MijnOverheid, zoals bedoeld in het Besluit verwerking persoonsgegevens generieke digitale infrastructuur, aangewezen als elektronische voorziening in de zin van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit digitale stukken Strafvordering. MijnOverheid voldoet aan de eisen van artikel 3, eerste lid, van het Besluit digitale stukken Strafvordering en is ingericht conform nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging in de zin van artikel 3, tweede lid, van dat besluit. Bij een digitale betekening via MijnOverheid zal uiteraard moeten worden voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt in de artikelen 36a tot en met 36n van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zo zal van iedere elektronische overdracht een aantal gegevens moeten worden vastgelegd, waaronder de wijze en het moment waarop de aangeschrevene zich toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening (artikel 36i Sv).”
De memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen vermeldt over de elektronische betekening onder meer het volgende:
“Artikel 36f (nieuw) – betekening door elektronische overdracht
[…] Betekening via elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als de geadresseerde zich voor de toegang tot de elektronische voorziening op de voorgeschreven wijze heeft geïdentificeerd (tweede lid). Het College van procureurs-generaal merkt in zijn advies op dat noch door het openbaar ministerie, noch door de rechter zou kunnen worden gecontroleerd of degene voor wie de mededeling bestemd is zich daadwerkelijk zelf de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening. Toegang tot de elektronische voorziening kan alleen worden verkregen door gebruik te maken van aan het burgerservicenummer van de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens. Aan die authenticatie, worden bij algemene maatregel van bestuur eisen gesteld. Zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting en bij de toelichting bij artikel 36b Sv is toegelicht, gaat het om een meervoudige authenticatie met in elk geval wachtwoord en sms-verificatie. Binnen het huidige Europese kader voor beveiligingsstandaarden (STORK) komt dit overeen met niveau 3. Wij wijzen in dit verband ook op het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Na de elektronische identificatie («inloggen») treft de betrokkene de voor hem bestemde stukken aan in de elektronische voorziening. In het door het College geschetste geval dat een (al dan niet uitdrukkelijk) gemachtigde zich in de praktijk met de gegevens van een ander toegang verschaft tot de elektronische voorziening, blijft dat bovendien niet onopgemerkt voor de betrokkene. De betrokkene ontvangt immers op het door hem opgegeven elektronisch adres een bevestiging dat hij heeft ingelogd (zie nader artikel 36i Sv en de bij die bepaling gegeven toelichting). […] Als adres wordt het elektronisch adres gebruikt dat de verdachte op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 27a Sv heeft opgegeven. Hiermee achten wij de zekerheid dat de geadresseerde zich zelf toegang verschaft tot de elektronische voorziening voldoende gegarandeerd. Als door onachtzaam gebruik van de persoonlijke authenticatiegegevens een ander via de elektronische voorziening (eveneens) kennis neemt van een gerechtelijke mededeling, is dit de verantwoordelijkheid van de betrokkene. Het derde lid maakt het mogelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften te geven over de in dit artikel geregelde betekening door elektronische overdracht. Deze nieuw te stellen nadere regels zullen overeenstemmen met de nadere voorschriften die zullen worden gesteld bij het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering.”
De procedure van een elektronische betekening
Voorafgaand aan de bespreking van het middel beschrijf ik in het kort hoe de procedure van een elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen, praktisch gezien, verloopt. Deze stappen zijn stukje bij beetje te herleiden uit toelichtingen bij MijnOverheid, de Berichtenbox-app en DigiD en uit informatie op de website van het openbaar ministerie. Bij deze beschrijving past wel de waarschuwing dat de huidige situatie bij het activeren of gebruik van MijnOverheid, de Berichtenbox-app en DigiD kan afwijken van het verleden. Voor een meer uitvoerige beschrijving en nadere bronverwijzingen verwijs ik naar de onder randnummer 2.4 al genoemde conclusie van mijn ambtgenote Van Kampen.
De procedure van elektronische betekening verloopt thans als volgt:
i) het openbaar ministerie verstuurt slechts gerechtelijke mededelingen naar de (elektronische) Berichtenbox van MijnOverheid nadat degene voor wie die mededeling is bestemd er in MijnOverheid – al dan niet zeer bewust – voor heeft gekozen om berichten van het openbaar ministerie via MijnOverheid te ontvangen;
ii) als een nieuw bericht van het openbaar ministerie in de Berichtenbox van MijnOverheid is geplaatst, ontvangt degene voor wie het bericht is bestemd een melding in zijn Berichtenbox-app of op het bij activatie van MijnOverheid door hem opgegeven (of later door hem gewijzigde) e-mailadres, tenzij hij de optie “meldingen” heeft uitgezet dan wel nooit heeft aangezet;
iii) het inloggen op MijnOverheid.nl of in de Berichtenbox-app voor het bekijken van berichten van het openbaar ministerie vergt een inlog met DigiD. Een inlog met DigiD kan a) met de DigiD-app op de telefoon of tablet van betrokkene met een toegangscode of b) met de DigiD-gebruikersnaam en het wachtwoord van betrokkene en een SMS-controle (inloggen vergt dus steeds een tweefactorauthenticatie);
iv) het openbaar ministerie ontvangt een melding dat na verzending van de gerechtelijke mededeling voor het eerst op basis van tweefactorauthenticatie is ingelogd op MijnOverheid of in de Berichtenbox-app;
v) het openbaar ministerie verzendt daarop een bevestigingsbericht naar de Berichtenbox van MijnOverheid van degene voor wie het bericht is bestemd, waarin betrokkene wordt geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling;
vi) van dit nieuwe bericht ontvangt degene voor wie het bericht is bestemd een melding in zijn Berichtenbox-app of op het bij activatie van MijnOverheid door hem opgegeven (of later door hem gewijzigde) e-mailadres, tenzij hij de optie “meldingen” heeft uitgezet;
vii) van de elektronische overdracht wordt door het openbaar ministerie geautomatiseerd een vastlegging van elektronische overdracht opgemaakt, die wordt gevoegd in het strafdossier. Daaruit blijkt onder meer de datum en het tijdstip van verzending van de gerechtelijke mededeling naar de MijnOverheid-Berichtenbox van de verdachte en de datum en het tijdstip van de eerste inlog met de onder iii. genoemde tweefactorauthenticatie in MijnOverheid;
viii) als degene voor wie het bericht is bestemd niet tijdig inlogt bij MijnOverheid, wordt geprobeerd de gerechtelijke mededeling (ook) in papieren vorm aan de verdachte te betekenen.
De betekening in persoon
Op grond van art. 36f lid 2 Sv geldt de betekening door elektronische overdracht als betekening in persoon indien degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening bedoeld in art. 36d lid 2 Sv. Als elektronische voorziening ten behoeve van de betekening van gerechtelijke mededelingen is MijnOverheid aangewezen. De ‘inlog’ daarin wordt vastgelegd en de bevestiging daarvan wordt geplaatst in de Berichtenbox van de verdachte.
Art. 36f lid 2 Sv berust op de veronderstelling dat met de waarborgen waarmee de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen is omgeven, voldoende is gegarandeerd dat het met zekerheid de verdachte zelf is die zich toegang heeft verschaft tot MijnOverheid. Daarbij is van belang geacht dat toegang tot MijnOverheid alleen kan worden verkregen door gebruik van meervoudige aan de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens.
Het inloggen in MijnOverheid geschiedt door middel van tweefactorauthenticatie via DigiD. In beginsel zal dus slechts de verdachte zelf – al dan niet met praktische hulp van een derde – kunnen inloggen in die omgeving. Weliswaar bestaat er een mogelijkheid om een ander te machtigen om met zijn of haar eigen DigiD in te loggen in andermans Berichtenbox om berichten van bepaalde (semi)overheidsorganisaties in te zien, maar die mogelijkheid staat niet open voor berichten van het openbaar ministerie. Iemand die wel gemachtigd is voor berichten van andere organisaties dan het openbaar ministerie, kan niet zien dat er een bericht van het openbaar ministerie in de Berichtenbox staat. Met mijn ambtgenote Van Kampen ben ik dan ook van mening dat mag worden aangenomen, dat het inloggen door een gemachtigde in de Berichtenbox van de verdachte niet geregistreerd zal worden als ‘een inlog’ die maakt dat sprake is van een geslaagde betekening van een gerechtelijke mededeling aan de verdachte.
Hoewel dus uitgangspunt is dat het de verdachte zelf is die heeft ingelogd in MijnOverheid, heeft de wetgever in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen de mogelijkheid dat een ander met de inloggegevens ongemerkt inlogt in het systeem van MijnOverheid niet geheel uitgesloten geacht. In verband daarmee is erop gewezen dat dat dan niet onopgemerkt blijft voor de betrokkene, omdat hij in zo’n geval een bevestiging ontvangt op zijn elektronische adres. Het gaat mij er hier niet om of die inlog door een derde de betrokkene door die bevestiging inderdaad niet zal kunnen ontgaan, maar wel dat de mogelijkheid dat een derde ongemerkt inlogt, niet volledig uitgesloten is geacht.
Nu art. 36f lid 2 Sv voor het aanmerken van een digitale betekening als een betekening in persoon niet slechts vereist dat is ingelogd in de MijnOverheid-omgeving van de verdachte, maar uitdrukkelijk vereist dat degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot MijnOverheid, brengt dit naar mijn mening mee dat door of namens de verdachte ten overstaan van de rechter moet kunnen worden betwist dat de verdachte degene is geweest die heeft ingelogd bij MijnOverheid en zich aldus toegang heeft verschaft tot MijnOverheid als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv. Daaraan doet niet af dat een succesvolle betwisting uitzonderlijk zal zijn: er zal immers voldoende moeten worden aangevoerd waardoor het aannemelijk wordt dat het – ondanks alle technische waarborgen – in het betreffende geval niet de verdachte, maar een ander is geweest die zich ongemerkt door de inlog toegang heeft verschaft tot MijnOverheid. Op dit punt neem ik een ander standpunt in dan mijn ambtgenote Van Kampen, die deze mogelijkheid van betwisting uitsluit en voor de hier aan de orde zijnde uitzonderingssituatie een oplossing zoekt in de verontschuldigbare overschrijding van de 14-dagentermijn voor het instellen van hoger beroep.
Indien een dagvaarding op digitale wijze aan de verdachte is betekend doordat de dagvaarding in zijn Berichtenbox is geplaatst en er met het DigiD-account van de verdachte in de MijnOverheid-omgeving – waarvan de Berichtenbox deel uitmaakt – is ingelogd, mag de rechter er in beginsel van uitgaan dat het de verdachte is geweest die – zijnde degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is – zich toegang heeft verschaft tot MijnOverheid, zodat de dagvaarding ‘in persoon’ is betekend als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv. De verdachte kan tegen dat uitgangspunt inbrengen dat hij het niet is geweest die zich die toegang heeft verschaft. Dat dient dan evenwel in voldoende mate aannemelijk te worden. Het is in mijn ogen de rechter die hetgeen door of namens de verdachte in dit verband wordt aangevoerd, dient te beoordelen op zijn aannemelijkheid en aan de hand daarvan dient te beoordelen of tegen die achtergrond al dan niet sprake is van een betekening in persoon als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv.
In de onderhavige zaak heeft de raadsvrouw namens de verdachte het standpunt ingenomen dat de verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Volgens haar is er geen sprake van een betekening in persoon van de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg. Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit de overgelegde e-mail van de moeder van de verdachte blijkt dat niet de verdachte zelf, maar zijn moeder in verdachtes MijnOverheid-Berichtenbox heeft ingelogd en de moeder de verdachte vervolgens niet tijdig heeft kunnen bereiken om hem te informeren over de terechtzitting. Door de raadsvrouw is daarnaast gesteld dat de moeder van de verdachte beschikt over zijn wachtwoorden en codes en dat zij heeft begrepen dat de moeder van de verdachte ook gebruik kon maken van zijn mobiele telefoon.
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, maar in het midden gelaten of het de verdachte zelf is geweest die zich toegang heeft verschaft tot MijnOverheid. Het hof lijkt te menen – wellicht mede ingegeven door de onder randnummer 2.15 van deze conclusie opgenomen passage uit de memorie van toelichting – dat dit er niet toe doet, omdat afspraken tussen de verdachte en zijn moeder over het beheer van zijn MijnOverheid-berichtenbox en het gebruik van zijn DigiD en telefoon binnen de risicosfeer van de verdachte vallen en dat het op de weg van de verdachte ligt om in een dergelijk geval contact te onderhouden met zijn moeder om tijdig op de hoogte te worden gesteld van overheidsberichten die aan hem zijn gericht. Die verantwoordelijkheid mag in het algemeen zeker worden verlangd, maar die brengt in mijn ogen nog niet mee dat daarmee is voldaan aan de vereisten van art. 36f lid 2 Sv voor een betekening in persoon. Anders gezegd: aan het oordeel dat de dagvaarding ‘in persoon’ is betekend als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv mag in situaties waarin wordt gesteld dat een ander dan de verdachte zich toegang verschaft tot het voor de verdachte bestemde bericht, niet enkel ten grondslag worden gelegd dat dit onder de verantwoordelijkheid van de verdachte valt.
Hoewel het hof in deze zaak de aannemelijkheid van de stelling van de verdachte dat zijn moeder degene is die zich toegang heeft verschaft tot zijn Berichtenbox in het midden heeft gelaten, behoeft dat niet tot cassatie te leiden. Het hof heeft namelijk het verweer van de verdediging dat geen sprake is van een betekening in persoon als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv slechts kunnen verwerpen nu dit verweer onvoldoende is onderbouwd. Immers, hetgeen namens de verdachte is aangevoerd bestaat alleen uit stellingen van de moeder van de verdachte en de raadsvrouw, die – ook tegen de achtergrond van het dossier – niet zonder meer maken dat zou moeten worden afgeweken van het onder 2.23 benoemde uitgangspunt. De aannemelijkheid van hetgeen is aangevoerd vergt een nadere onderbouwing.
Het hof heeft daarmee tot het oordeel kunnen komen dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg in persoon is betekend als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv. Het hof heeft vervolgens, gelet op art. 408 lid 1, aanhef en onder a, Sv, kunnen oordelen dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep is overschreden en dat van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken. Dat van dit laatste sprake zou zijn, is door de verdediging overigens ook niet gesteld. Het hof heeft tegen de achtergrond van het voorgaande tot slot tot het niet-onbegrijpelijke oordeel kunnen komen dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.
3. Slotsom
De middelen falen.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG