ECLI:NL:PHR:2026:101

ECLI:NL:PHR:2026:101

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 23/04884
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Voorbereidingshandelingen productie GHB. Art. 10a.1 Opiumwet. Eerste middel klaagt o.a. dat uit bewijsvoering niet blijkt dat verdachte wist dat in loods aangetroffen GBL bestemd was voor productie GHB. Tweede middel klaagt over bewezenverklaarde opzettelijk voorhanden hebben van GBL in loods. Beide middelen falen. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en vermindering van opgelegde GS i.v.m. overschrijding redelijke termijn in cassatie en tot verwerping voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04884

Zitting 27 januari 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 december 2023 het vonnis van de rechtbank Gelderland van 4 november 2022 onder aanvulling van gronden bevestigd. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte hebben N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is. Daartoe wordt door de stellers van het middel ten eerste aangevoerd dat de bewijsvoering van de bewezenverklaarde voorbereiding van art. 10 lid 4 Opiumwet innerlijk tegenstrijdig is, omdat het hof heeft overwogen dat de aangetroffen GBL bestemd was voor de productie van GHB, terwijl het ook heeft vastgesteld dat GBL in plaats van GHB kan worden gebruikt. Ten tweede wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de verdachte opzet had op de bevordering van een van de in art. 10 lid 4 Opiumwet strafbaar gestelde gedragingen, noch dat hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de GBL bedoeld was om GHB van te maken.

Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 10 januari 2022 te [plaats] om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een grote hoeveelheid GHB (4-hydroxyboterzuur), zijnde GHB (4-hydroxyboterzuur) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, hebbende hij, verdachte, een stof, te weten in totaal 937 liter Gamma-ButyroLactone (GBL) - welke stof benodigd is, althans kan worden gebruikt, bij/voor de bereiding, verwerking en/of vervaardiging van GHB - voorhanden gehad.”

Het door het hof bevestigde op promis-wijze gemotiveerde vonnis van de rechtbank bevat de volgende bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten):

“Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de in de loods aanwezige GBL. Tevens biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet op liet voorbereiden van drugshandel.

Beoordeling door de rechtbank

Op 10 januari 2022 kregen opsporingsambtenaren van de politie de opdracht om naar het adres de [a-straat 1] te [plaats] te gaan. Er was melding gedaan van een vreemde geur die uit een loods zou komen. De eigenaar van het verzamelpand waar de loods onderdeel van uitmaakt heeft verklaard dat verdachte de opslagbox aan de [a-straat 1] huurde en heeft de politie toegang verleend. Uit de systemen van de politie bleek dat verdachte bekend stond als gebruiker van GHB. Verdachte was op het moment van de melding ook in de loods aanwezig. Boven elke loods bevond zich een kantoorruimte. Verbalisanten zagen beneden in de loods twee grote dozen waarop de opdruk GBL stond en 10 boodschappentassen staan, waarin witte flesjes zaten zonder opdruk. Tevens zagen verbalisanten op de bovenverdieping dat er een aantal spuiten lag, waarvan hen ambtshalve bekend is dat deze gebruikt worden om GHB in te nemen. Op de bovenverdieping zijn daarnaast een colafles met heldere vloeistof en een Smirnoff-fles met heldere vloeistof aangetroffen. In totaal is 937 liter GBL aangetroffen, verdeeld over flessen met een inhoud van 1 liter en een halve liter. Het NFI heeft negen monsters onderzocht. In zeven van de monsters werd GBL aangetroffen. In relatie tot de productie van drugs wordt GBL gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van GHB. GBL wordt ook wel gebruikt in plaats van GHB: het wordt in het lichaam omgezet in GHB. In de colafles en Smirnoff-fles zat GHB.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de loods huurde.

Voor het bewijs dat verdachte de stof GBL ‘voorhanden heeft gehad’ in de zin van de Opiumwet is nodig dat verdachte feitelijke macht of er de stoffen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Die stoffen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “voorhanden hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de stoffen aan de verdachte toebehoren of dat ten aanzien daarvan sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het bewijs voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat, behoudens bijzondere feiten en omstandigheden, de huurder van een loods geacht wordt bekend te zijn met de spullen die zich in de loods bevinden en geacht wordt daarover te kunnen beschikken.

Uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte de enige huurder en gebruiker was van de loods waar de grondstof GBL is aangetroffen. De rechtbank gaat ervan uit dat de stof zich in de machtssfeer van verdachte bevond. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat dit anders is.

Het verweer van de raadsvrouw dat de grondstof zich in de loods bevond, terwijl verdachte verbleef in de kantoorruimte boven de loods (waar verdachte ook is aangetroffen), betekent niet dat verdachte niet daarover kon beschikken. Deze plaatsen vormen immers één geheel. Uit het dossier noch uit de verklaring van verdachte is gebleken dat anderen toegang hadden tot de loods. Dat er door getuigen in algemene zin is verklaard dat er ook andere mensen bij de loods zijn gezien, maakt niet dat daarmee de beschikkingsmacht van verdachte over de stoffen is komen te vervallen. Bovendien heeft de hoeveelheid aangetroffen grondstof, te weten in totaal 937 liter, een dusdanige omvang dat dit nauwelijks te missen is en verder stond op de dozen vermeld dat deze GBL bevatten.

Gelet op de hoeveelheid aangetroffen grondstof, te weten in totaal 937 liter, gaat de rechtbank ervan uit dat deze bestemd was voor de productie dan wel de verkoop van verdovende middelen waar verdachte kennis van had. Verdachte is bekend met GHB. In het kantoorgedeelte van de opslagbox zijn spuiten aangetroffen en hoeveelheden GHB. Bovendien stond hij bij de politie bekend als gebruiker van GHB. De rechtbank acht bewezen dat verdachte wist dat de aangetroffen GBL in de loods aanwezig was, dat hij wist dat die stof bestemd was voor de productie van GHB dan wel de verkoop en dat hij dit feit opzettelijk heeft voorbereid.”

In zijn arrest heeft het hof de volgende aanvullende bewijsoverwegingen opgenomen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdacht verklaard dat een maat van hem, die hij al acht jaar kende, hem had gevraagd of hij, verdachte, plek had in zijn loods voor twee pallets. Hij verklaart niet wie zijn maat is. Hierop heeft verdachte, zonder te vragen wat er op die pallets stond, zijn sleutel van de loods aan deze maat gegeven. Vervolgens heeft deze maat diens spullen beneden in de hoek van de loods neergezet. Verdachte wist niet wat er in de later door de politie aangetroffen dozen/tassen zat en hij heeft deze dozen/tassen verder ook niet gezien of waargenomen bij het betreden van de loods. De raadsvrouw heeft daarom vrijspraak bepleit.

Het hof overweegt over deze verklaring als volgt.

In de door verdachte gehuurde loods aan de [a-straat 1] te [plaats] zijn tijdens een doorzoeking twee grote dozen aangetroffen waarop de opdruk GBL stond. Ook stonden er tien grote boodschappentassen, waarin witte flessen zonder opdruk zaten. In totaal is er 937 liter GBL aangetroffen. Verdachte woonde in de kantoorruimte boven deze loods, die met een trap toegankelijk was vanuit de loods. In die situatie mag er van worden uitgegaan dat verdachte wetenschap droeg van de aanwezigheid van de aangetroffen spullen en de inhoud daarvan en dat hij daar zeggenschap over had. Dat kan anders zijn indien verdachte een redelijke, voor hem ontlastende en zo nodig verifieerbare verklaring geeft.

Verdachte heeft zich op vragen over deze goederen bij de politie, de rechter-commissaris en bij de rechtbank echter op zijn zwijgrecht beroepen. Pas ter zitting van het hof heeft hij verklaard dat zijn maat die dozen/tassen in zijn loods heeft neergezet en dat hij die dozen/tassen niet heeft gezien. Daarnaar meermalen uitdrukkelijk door het hof gevraagd, heeft hij de naam van deze maat niet willen noemen. Naar zijn zeggen, omdat hij bang was voor de gevolgen.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte daarmee niet een verklaring gegeven zoals hiervoor bedoeld. De enkele stelling van verdachte, die op geen enkele wijze verifieerbaar is gemaakt, acht het hof daarvoor volstrekt onvoldoende. Aan de lezing van verdachte wordt dan ook geen geloof gehecht. Het verweer wordt verworpen.”

Art. 10a lid 1, aanhef en onder 3 Opiumwet luidt:

“Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:

[…]

3° Voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Art. 10a lid 1 Opiumwet stelt voorbereidings- of bevorderingshandelingen voor een feit bedoeld in art. 10 lid 4 en lid 5 Opiumwet strafbaar. Art. 10 lid 4 Opiumwet betreft het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van lijst I-middelen.

De klacht dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte wist of ernstige reden had dat de GBL bestemd was voor de productie van GHB faalt wat mij betreft. Uit de door de rechtbank (en het hof) vastgestelde omstandigheden, te weten i) de grote hoeveelheid van de aangetroffen GBL (937 liter), ii) verdachtes bekendheid met GHB, iii) de in verdachtes kantoorgedeelte van de opslagbox aangetroffen spuiten en hoeveelheden GHB, iv) het feit dat de verdachte bij de politie bekendstond als gebruiker van GHB en v) de melding over de vreemde geur die hing nabij de loods, kon het hof afleiden dat de GBL was bestemd voor het bereiden van GHB en dat de verdachte dit wist en ook opzet had op het voorbereiden en/of bevorderen hiervan.

Ook de klacht dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is, faalt. Het hof heeft op grond van voormelde vaststellingen niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in de onderhavige zaak de GBL bestemd was voor de productie van GHB en dat de verdachte dit wist. De algemene opmerking dat GBL ook wel in plaats van GHB als drugs wordt gebruikt en dan in het lichaam wordt omgezet in GHB, levert in dit licht bezien geen tegenstrijdigheid op.

Gelet op het voorgaande is de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van het opzettelijk voorhanden hebben van de GBL onbegrijpelijk is, omdat deze berust op onjuiste rechtsopvattingen en/of onbegrijpelijke vaststellingen. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de overweging van het hof dat een huurder van een loods wordt geacht te weten wat zich in de loods bevindt, tenzij hij die stelling kan ontkrachten met een redelijke en zo nodig verifieerbare verklaring, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast is het oordeel dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de GBL onbegrijpelijk, omdat geen vaststellingen zijn gedaan die erop wijzen dat de verdachte daadwerkelijk gebruikmaakte van de loods. Verder is de vaststelling dat de bovenverdieping van de loods waar de verdachte verbleef met een trap was verbonden met de loods niet te herleiden tot enig bewijsmiddel. Tot slot is de overweging dat de GBL “niet te missen was” vanwege de omvang onbegrijpelijk, omdat het slechts een kubieke meter aan dozen betreft en de locatie hiervan in de loods niet is vastgesteld door het hof.

Het oordeel van het hof dat de verdachte de GBL voorhanden heeft gehad, acht ik niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd en ook niet getuigend van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de enige huurder was van de loods, dat het kantoorgedeelte waar hij is aangetroffen, was verbonden met de loods waar de GBL stond, dat de dozen een dusdanige omvang hadden dat ze nauwelijks te missen waren en dat op de dozen “GBL” stond. Tegen deze achtergrond kon het hof oordelen dat de verdachte wetenschap van, en feitelijke beschikkingsmacht over, de GBL had.

Ik zie niet in waarom het oordeel van het hof dat als algemene ervaringsregel heeft te gelden dat de huurder van een loods weet wat zich daarin bevindt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien gaat het in de onderhavige zaak om een verdachte die de enige huurder is en ook nog eens is aangetroffen in de kantoorruimte boven de door hem gehuurde loods.

Dat de stelling dat de bovenverdieping met een trap was verbonden met de loods niet is te herleiden tot enig bewijsmiddel volg ik ook niet. In de door het hof bevestigde bewijsoverwegingen van de rechtbank wordt verwezen naar het proces-verbaal van bevindingen op p. 7-11 van het dossier. Uit dit tot het bewijs gebezigde proces-verbaal volgt de hiervoor genoemde door het hof gedane feitelijke vaststelling.

Tot slot treft ook het argument dat de overweging dat de GBL “niet te missen was” vanwege de omvang onbegrijpelijk is, omdat het slechts een kubieke meter aan dozen betreft en de locatie hiervan niet is vastgesteld geen doel. In de eerste plaats, omdat het hof heeft vastgesteld dat de GBL verdeeld was over flessen met een inhoud van respectievelijk één liter en een halve liter. Hierin ligt besloten dat de omvang van de dozen dus een stuk groter is geweest dan één kubieke meter, zoals de stellers van het middel beweren. Bovendien zat een deel van de flessen in tien boodschappentassen. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Nadere vaststellingen over de precieze locatie in de loods zijn hiervoor niet nodig. In dit verband wijs ik erop dat de verdediging het alternatieve scenario dat “een maat” van de verdachte de dozen en boodschappentassen daar heeft neergezet op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd, hetgeen het hof in zijn verwerping van het verweer heeft meegewogen.

4. Slotsom

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van cassatie op 14 december 2023 meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?