PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04074
Zitting 27 januari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 4 oktober 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 november 2020 bevestigd, met aanvulling van gronden. In dat vonnis is de verdachte veroordeeld voor “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en is aan hem een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien maanden opgelegd, met aftrek als bedoeld in art. 179 WVW 1994.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat B. Kizilocak heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel bevat een klacht over het oordeel van het hof dat sprake is van een “bevel” als bedoeld in art. 163 WVW 1994. Het tweede middel gaat over de afwijzing van het verzoek tot het horen van een hulpofficier van justitie.
2. Het eerste middel
Het eerste middel klaagt over de begrijpelijkheid van de motivering van het oordeel van het hof dat sprake is van een “bevel” tot het meewerken aan een bloedonderzoek als bedoeld in art. 163 WVW 1994, althans dat het hof het op dat bestanddeel gerichte verweer van de verdediging ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
De door het hof bevestigde bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:
“op of omstreeks 16 februari 2018 te [plaats] , in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en zijn door een opsporingsambtenaar bevolen medewerking aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet had geleid tot een voltooid ademonderzoek, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.”
Deze bewezenverklaring is gebaseerd op het volgende bewijsmiddel:
“Een proces-verbaal van bevindingen rijden onder invloed met nummer PL1300-2018034018-2 van 16 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten of één van hen:
Op 16 februari 2018 zagen wij, verbalisanten, het voertuig met [kenteken] over de [a-straat] in [plaats] rijden. Wij zagen dat het voertuig met zeer hoge snelheid over het [b-straat] reed en een rood stoplicht negeerde. We hebben het voertuig een stopteken gegeven. Wij zagen dat het voertuig hieraan voldeed. Wij zijn hierop naar de bestuurder van het voertuig gelopen en vorderden zijn rijbewijs. Wij zagen dat de bestuurder de te naam gestelde van het voertuig betrof: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [plaats] .
Wij, verbalisanten, roken dat de adem van [verdachte] naar het inwendige gebruik van alcohol riekte. Wij zagen dat de ogen van [verdachte] bloeddoorlopen waren. Hierop hebben wij besloten [verdachte] aan een blaastest te onderwerpen. Wij vorderden [verdachte] de medewerking aan deze blaastest. Wij, verbalisanten, hebben gepoogd een geslaagde blaastest af te nemen bij [verdachte] . Uiteindelijk is er geen geslaagde blaastest uitgekomen.
Wij, verbalisanten, hadden het vermoeden dat [verdachte] onder invloed van alcohol reed. Wij vorderden hem de medewerking aan de ademanalyse op het politiebureau. Wij, verbalisanten, zijn vervolgens samen met [verdachte] naar het politiebureau […] gegaan teneinde hem te onderwerpen aan een blaastest aan het ademanalyse apparaat. Wij hebben hem uitgelegd dat wanneer dit niet zou lukken er een bloedonderzoek zou volgen. Wij zagen dat [verdachte] geen geslaagde ademanalyse aflegde.
Wij, verbalisanten, legden [verdachte] uit dat er geen geslaagde ademanalyse was afgenomen en dat wij om deze reden een bloedtest zouden gaan afnemen. Wij, verbalisanten, hebben vervolgens telefonisch contact opgenomen met een arts. Wij hoorden de arts zeggen dat hij met ongeveer 1 uur ter plaatse zou zijn om bloed af te nemen. Wij deelden dit vervolgens mede aan [verdachte] . Wij hoorden hem verklaren: “Daar ga ik niet op wachten. Ik ga dan nu weg.”
Wij, verbalisanten, hebben [verdachte] heel duidelijk uitgelegd dat wanneer hij nu weg gaat dit zal resulteren in de hoogste straf en dat wij dan zijn rijbewijs zouden invorderen. Ik hoorde hem zeggen: “Dat vind ik goed.”
Wij, verbalisanten hebben vervolgens de [hulpofficier van justitie] ingelicht van voornoemde. Wij hoorden [hulpofficier van justitie] op 16 februari 2018 aan [verdachte] vorderen dat hij moest meewerken aan het bloedonderzoek. Wij hoorden [verdachte] zeggen: “Ik ga geen uur wachten. Ik ga nu weg.”
Wij, verbalisanten, hebben hierop [verdachte] een rijverbod aangezegd voor de duur van 24 uur. Wij zagen dat [verdachte] vervolgens het politiebureau uit liep. Derhalve is er geen bloedonderzoek afgenomen van [verdachte] .
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat er geen sprake was van een “bevel” als bedoeld in art. 163 WVW 1994. Het hof heeft dit standpunt als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet is bevolen, maar slechts is gevorderd aan het bloedonderzoek mee te werken. De verdachte wist derhalve niet dat hij verplicht was mee te werken aan het bloedonderzoek. Nu geen sprake is van een bevel, kan volgens de verdediging het tenlastegelegde niet worden bewezen.
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de mededeling van de hulpofficier van justitie gelet op de uit het bewijsmiddel blijkende context waarin die is gedaan, kan worden aangemerkt als een bevel in de zin van artikel 163, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 als bedoeld in de tenlastelegging. Dat het woord “bevel” niet letterlijk is gebezigd doet hieraan niet af, nu het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hij verplicht was mee te werken aan het bloedonderzoek.
Nu de verdachte het politiebureau heeft verlaten voordat het bloedonderzoek kon worden afgenomen, heeft de verdachte daarmee geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Derhalve acht het hof, met de advocaat-generaal, het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het verweer van de raadsman dienaangaande wordt derhalve verworpen.”
Voor de beoordeling van het middel is art. 163 WVW 1994 van belang. De relevante leden daarvan luiden als volgt:
“1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
2. De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
[…]
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid, of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b.
5. Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
6. De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.”
Voordat ik aan de bespreking van het middel toekom, merk ik het volgende op. De politierechter heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en het hof heeft in zijn bewijsoverweging overwogen dat de mededeling van de hulpofficier van justitie kan worden aangemerkt als “een bevel in de zin van artikel 163, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”. Zowel de politierechter als het hof lijken er daarmee vanuit te zijn gegaan dat het bewezen verklaarde een overtreding van art. 163 lid 2 WVW 1994 oplevert. Dat klopt niet. Art. 163 lid 2 WVW 1994 heeft namelijk betrekking op de medewerking aan een ademanalyse, terwijl de tenlastelegging is toegesneden op het niet verlenen van medewerking aan een bloedonderzoek nadat de hiervoor bedoelde ademanalyse niet tot een resultaat heeft geleid. Het verwijt dat de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt is dus overtreding van art. 163 lid 6 WVW 1994. Nu daarover in cassatie niet wordt geklaagd en de bewijsoverweging van het hof evident betrekking heeft op de door de hulpofficier van justitie gedane mededeling in het kader van het bloedonderzoek, meen ik dat de Hoge Raad de door het hof bevestigde kwalificatie en de bewijsoverweging verbeterd kan lezen en geen reden bestaat voor (ambtshalve) cassatie vanwege dit punt. Daarbij neem ik in aanmerking dat er naar mijn oordeel wat betreft de strafbedreiging geen inhoudelijk verschil bestaat tussen het bevel als bedoeld in lid 1 en het bevel als bedoeld in lid 5, behalve voor wat betreft de vraag wie zo’n bevel volgens de wet moet geven.
Voorts teken ik nog aan dat uit het door het hof gebruikte bewijsmiddel ook niet kan worden afgeleid – zoals wel is bewezen verklaard en op grond van art. 163 lid 4 WVW 1994 tot de procedure van een bloedonderzoek behoort – dat aan de verdachte is gevraagd of hij toestemming geeft voor het verrichten van een bloedonderzoek. Daarbij is van belang dat het niet vragen van toestemming voor een bloedonderzoek een vormverzuim oplevert, waarvan het rechtsgevolg aan de hand van het toetsingskader van art. 359a Sv dient te worden beoordeeld. Het niet vragen van toestemming aan de verdachte voor het verrichten van bloedonderzoek staat echter niet in de weg aan een bewezenverklaring van het weigeren van een bevel tot het verlenen medewerking aan een bloedonderzoek en – daarmee – ook niet aan de kwalificatie van het bewezen verklaarde als overtreding van art. 163 lid 6 WVW 1994. Het zinnetje over het niet verlenen van toestemming kan dus zonder problemen uit de bewezenverklaring van het hof worden weggedacht. Omdat ook hierover in cassatie verder niet wordt geklaagd en omdat uiteindelijk aan de verdachte een door het hof als “bevel” aangemerkte mededeling door de hulpofficier van justitie is gedaan conform art. 163 lid 5 WVW 1994, laat ik ook dit punt verder rusten.
Na deze inleidende perikelen kom ik toe aan de bespreking van het middel. Daarbij ga ik er dus steeds vanuit dat het in deze zaak gaat om de weigering tot medewerking aan een bloedonderzoek als bedoeld in art. 163 lid 5, hetgeen een overtreding oplevert van art. 163 lid 6 WVW 1994.
In de toelichting op het middel wordt – net als in hoger beroep – betoogd dat geen sprake is geweest van een “bevel” als bedoeld in art. 163 lid 5 WVW 1994. De hulpofficier van justitie heeft slechts gevorderd mee te werken aan het bloedonderzoek, en dat is – aldus de steller van het middel – niet hetzelfde als het geven van een bevel. Het is daarom niet zonder meer begrijpelijk dat het hof de mededeling van de hulpofficier van justitie heeft aangemerkt als een bevel in de zin van art. 163 lid 5 WVW 1994.
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang.
De verplichting tot medewerking van de bestuurder aan de in art. 163 lid 1 bedoelde ademanalyse en – zo ook – het in lid 5 bedoelde bloedonderzoek ontstaat als er een “bevel” wordt gegeven. Voor de ademanalyse kan dat bevel gegeven worden door een opsporingsambtenaar en bij het bloedonderzoek dient – als extra waarborg – dit bevel te worden gegeven door een (hulp)officier van justitie of een andere door de Minister aangewezen politieambtenaar. Als zo’n bevel niet is gegeven, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte bestuurder niet heeft voldaan aan de in lid 2 (voor de ademanalyse) en lid 6 (voor het bloedonderzoek) genoemde verplichting tot medewerking.
Een zaak die leidde tot een arrest van 12 september 2006, is hiervan een goed voorbeeld. De verdachte was door een opsporingsambtenaar gevraagd medewerking te verlenen aan een ademanalyse en hij was vrijwillig meegegaan naar het politiebureau, waar hij door de opsporingsambtenaar was verzocht “even te blijven wachten”. Toen de opsporingsambtenaar de sleutel ging halen van de kamer waar het ademanalyseapparaat stond en terugkwam, bleek de verdachte het politiebureau te hebben verlaten. De Hoge Raad oordeelde dat de verzoeken van de opsporingsambtenaar niet de verplichting voor de verdachte hadden geschapen zijn medewerking aan de voorgenomen ademanalyse te verlenen. Het afbreken van vrijwillig verleende medewerking is niet strafbaar, anders zou van die vrijwilligheid weinig overblijven. En – zo leert dit arrest – “vragen” en “verzoeken” is niet hetzelfde als “bevelen”.
Tot een semantische discussie over welke bewoordingen door de opsporingsambtenaar of (hulp)officier van justitie nu precies zijn gebruikt hoeft dit wat mij betreft echter niet te leiden. Waar het om gaat, is of uit de bewoordingen en de context waarin deze zijn geuit de verdachte heeft moeten begrijpen dat hij verplicht was zijn medewerking te verlenen aan de ademanalyse of het bloedonderzoek. Duidelijk moet zijn dat er geen vrijblijvend verzoek tot medewerking wordt gedaan, maar dat een dwingende opdracht wordt gegeven die niet zonder consequenties kan worden geweigerd. In dat verband kan worden gewezen op de zaak de leidde tot HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:395, waarin de verdachte door een opsporingsambtenaar was “gevorderd” mee te werken aan een ademanalyse en waarin het middel in cassatie de vraag opwierp of het doen van een vordering wel kan worden gelijkgesteld aan het in art. 163 lid 1 WVW 1994 bedoelde bevel. Hoewel de begrippen “vordering” en “bevel” niet helemaal gelijkgesteld kunnen worden, kwam de AG in zijn conclusie uiteindelijk toch tot het oordeel dat het middel tevergeefs was voorgesteld. Hij meende dat – als de opsporingsambtenaren abusievelijk de term “vordering” hebben gebruikt – uit de bewijsmiddelen wél moet kunnen worden afgeleid dat “het in wezen gaat om een bevel, waarmee een voor de verdachte kenbare verplichting tot medewerking in het leven is geroepen”. Doorslaggevend vond hij dat het hof had vastgesteld dat in het als bewijsmiddel gebruikte kruisjesformulier vermeld stond dat aan de verdachte een bevel was gegeven en dat hij zelf verklaard had dat hij “moest” blazen. Daarom moest het voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat aan hem geen vrijblijvend verzoek tot medewerking was gedaan. De Hoge Raad deed het middel af zonder inhoudelijke motivering.
Ook in de onderhavige zaak is het oordeel van het hof dat de mededeling van de hulpofficier van justitie kan worden aangemerkt als een bevel als bedoeld in art. 163 lid 5 WVW 1994 niet onbegrijpelijk. Dat uit het bewijsmiddel blijkt dat van de verdachte door de hulpofficier van justitie is gevorderd – en niet met zoveel woorden is bevolen – mee te werken aan het bloedonderzoek doet daaraan niet af. De verbalisanten hebben immers, nadat de verdachte had gezegd dat hij niet ging wachten op een arts en dat hij weg zou gaan, heel duidelijk uitgelegd dat dit zou resulteren in de hoogste straf en dat zijn rijbewijs dan ingevorderd zou worden, waarop de verdachte heeft gereageerd met: “Dat vind ik goed”.
Uit deze context heeft het hof kunnen afleiden dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hij verplicht was mee te werken aan het bloedonderzoek en dat het hier niet ging om een vrijblijvend verzoek tot medewerking. Uit zijn reactie op de door de verbalisanten in het vooruitzicht gestelde consequenties als hij weg zou gaan zonder mee te werken aan het bloedonderzoek, blijk bovendien dat hij zich rekenschap heeft gegeven van die consequenties en die kennelijk heeft geaccepteerd. Dat laat zich moeilijk rijmen met de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in feitelijke aanleg die door de steller van het middel worden aangehaald, waarin de verdachte verklaart dat hij echt niet wist dat hij verplicht was mee te werken en dacht dat hij weg mocht gaan.
Al met al is de bewezenverklaring op dit punt voldoende met redenen omkleed. In het verlengde daarvan is ook het verweer dat geen sprake was van een “bevel” als bedoeld in art. 163 lid 5 WVW 1994 toereikend gemotiveerd verworpen.
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het verzoek tot het horen de [hulpofficier van justitie] ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
Uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota blijkt dat de verdediging het volgende voorwaardelijke verzoek heeft gedaan:
“VOORWAARDELIJK VERZOEK
14. Mocht uw hof tot bewezenverklaring komen van wat cliënt verweten is, dan verzoekt de verdediging uw hof [hulpofficier van justitie] als getuige te horen.
15. De hulpofficier van justitie heeft een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. Die is belastend. Daarin schrijft zij dat zij in zijn algemeenheid altijd een bevel geeft. Tegelijkertijd heeft zij in haar aanvullende proces-verbaal geschreven dat zij ‘de betreffende verdachte niet goed meer herinner[t]’ - alsof zij op het moment van schrijven toch enige herinnering heeft aan cliënt en haar ontmoeting met hem. Wat herinnert zij zich wel van de ontmoeting? Mogelijk kan zij bij een schets van de situatie en een foto van client herinneren wat er precies is gebeurd die avond. Wat zij heeft gezegd en hoe daarop is gereageerd?
16. Verder heeft zij geschreven altijd dezelfde bewoordingen te gebruiken. Las ze haar woorden voor tijdens haar ontmoeting met cliënt? Was zij al lang werkzaam als hulpofficier van justitie en dient toch voor mogelijk te worden gehouden dat zij de veel in het wetboek van strafvordering gebruikte termen ‘vorderen’ en ‘bevelen’ toch door elkaar heeft gehaald?
17. Ik acht het in het belang van de verdediging van cliënt in staat te worden gesteld haar hierover vragen te stellen.
18. Verder geldt: gedurende de procedure in eerste aanleg is niet de vraag voorgelegd aan [hulpofficier van justitie] of zij zich herinnert of enige, en zo ja welke, communicatie ten grondslag heeft gelegen aan het proces-verbaal van bevindingen dat op 21 februari 2018 is opgemaakt (naar aanleiding van het proces-verbaal van 16 februari 2018). De verdediging wenst haar ook hierover vragen te stellen.”
Het hof heeft daarop als volgt gereageerd:
“Overweging ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft, in het geval dat het hof tot een bewezenverklaring komt, het voorwaardelijke verzoek gedaan om [hulpofficier van justitie] als getuige te horen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat zij een voor de verdachte belastend aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt.
Het hof komt tot een bewezenverklaring, zodat in zoverre aan de voorwaarde is voldaan. Nu het hof het proces -verbaal van [hulpofficier van justitie] niet voor het bewijs gebruikt en zij, gelet op de bewijsoverweging, geen noodzaak ziet om de getuige te horen, wordt het verzoek afgewezen.”
Naast het door het hof als bewijsmiddel gebruikte proces-verbaal van 16 februari 2018 (de datum van het ten laste gelegde feit), bevinden zich bij de stukken van het geding twee later opgemaakte processen-verbaal. In het ene proces-verbaal van 21 februari 2018 verklaren de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat zij in hun eerdere proces-verbaal abusievelijk hebben opgemerkt dat de hulpofficier van justitie de medewerking van de verdachte “vorderde”, maar dat dit had moeten zijn dat zij de medewerking “beval”. Het andere proces-verbaal van 14 maart 2019, opgemaakt door de [hulpofficier van justitie] , houdt in dat [hulpofficier van justitie] – kort gezegd – in het algemeen altijd een bevel tot medewerking geeft. Deze twee processen-verbaal zijn kennelijk bedoeld om aan te tonen dat de opmerking in het proces-verbaal van 16 februari, inhoudende dat de verbalisanten hoorden dat de hulpofficier van justitie de medewerking van de verdachte“’vorderde”, op een vergissing berust.
De politierechter is in eerste aanleg in deze ‘hersteloperatie’ meegegaan en heeft de twee nadere processen-verbaal voor het bewijs gebruikt. Het hof heeft dat echter niet gedaan. Het hof is uitgegaan van de verklaring in het op de dag van het ten laste gelegde opgemaakte proces-verbaal en heeft aangenomen dat de hulpofficier van justitie de medewerking van de verdachte heeft gevorderd, en dus niet heeft bevolen.
Uit het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om [hulpofficier van justitie] als getuige te horen, blijkt dat de verdediging wenst de hulpofficier van justitie te bevragen over haar aanvullend proces-verbaal, met name haar verklaring dat zij altijd een bevel tot medewerking geeft. Doordat het hof dit aanvullend proces-verbaal niet voor het bewijs heeft gebruikt en kennelijk aannemelijk acht dat de hulpofficier van justitie – anders dan in het nadere proces-verbaal van 21 februari 2018 wordt gerelateerd – inderdaad slechts de medewerking heeft gevorderd, ontvalt wat mij betreft ieder belang aan het verzoek tot het horen van de hulpofficier van justitie. Bovendien kan er nog op worden gewezen dat de context waarop het hof uiteindelijk baseert dat de vordering van de hulpofficier van justitie als een “bevel” als bedoeld in art. 163 lid 5 WVW 1994 moet worden aangemerkt, geen uitlatingen van de hulpofficier van justitie zelf betreffen maar uitlatingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tegenover de verdachte. Ook in zoverre zie ik niet welk belang is gemoeid met het horen van [hulpofficier van justitie] . De afwijzing van het verzoek is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
4. Slotsom
Beide middelen falen en het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Nu aan de verdachte slechts de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om daar enig ander rechtsgevolg aan te verbinden.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG