ECLI:NL:PHR:2026:1033

ECLI:NL:PHR:2026:1033

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer 25/02138
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Doodslag (art. 287 Sr). Middelen over de afwijzende beslissing op een voorwaardelijk verzoek dat strekte tot onderbouwing van een alternatief scenario en over de weerlegging van dat alternatieve scenario. Middelen falen. Ambtshalve: overschrijding behandeltermijn. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

Nummer25/02138

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 juni 2025 (parketnr. 21-003288-24) de verdachte wegens "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zijn terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.E.G. van der Hut, advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. De middelen betreffen (1) de afwijzende beslissing op een voorwaardelijk verzoek dat strekte tot onderbouwing van een alternatief scenario en (2) de weerlegging van dat alternatieve scenario. Ten behoeve van de leesbaarheid van de conclusie bespreek ik de middelen in omgekeerde volgorde.

De bewezenverklaring, het bewijsverweer, het voorwaardelijk verzoek en de bestreden oordelen

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“subsidiair

hij op 27 juli 2023 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door tweemaal, met een mes, in de buik- en borststreek van die [slachtoffer] te steken, waardoor ernstig bloedverlies en long- en ademhalingsfunctiestoornissen is opgetreden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”

5. Het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario houdt blijkens het bestreden arrest in:

“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de dood van [slachtoffer] , zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft hiertoe kort gezegd - aangevoerd dat [slachtoffer] zichzelf heeft gestoken met een mes. De verklaring van verdachte over het tenlastegelegde is duidelijk, consistent en gedetailleerd. Zijn verklaring past ook bij het forensisch bewijs en de euthanasiewens van [slachtoffer] .”

6. Ter onderbouwing van dat alternatieve scenario heeft de raadsvrouw, die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 mei 2025 overeenkomstig haar pleitnota het woord heeft gevoerd, het hof voorwaardelijk verzocht het medisch dossier van het slachtoffer op te vragen en ter inzage te verstrekken. De pleitnotities houden daarover, voor zover relevant, het volgende in:

“Voorwaardelijk verzoek

118. Indien Uw Hof tot het oordeel komt dat er geen sprake was van een wens voor de dood bij [slachtoffer] ten tijde van het tenlastegelegde en om die reden het alternatieve scenario niet aannemelijk wordt geacht, dan doe ik hierbij een voorwaardelijk verzoek tot het opvragen en verstrekken van het medische dossier van [slachtoffer] .

119. De rechtbank heeft in haar uitspraak immers geconcludeerd dat er geen bevestiging wordt gevonden in het dossier dat in de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde feit het psychisch niet goed ging met [slachtoffer] en dat dit daarom het alternatieve scenario van cliënt niet wordt ondersteund door de euthanasiewens.

120. Mocht uw hof het met de rechtbank eens zijn dat er geen aanwijzingen zijn dat het met [slachtoffer] psychisch niet goed ging voorafgaand aan het tenlastegelegde, dan doe ik hierbij een voorwaardelijk verzoek om het medische dossier op te laten vragen bij de huisarts over de periode 2023 en aan mij te verstrekken danwel ter inzage te verstrekken.

121. Dat medische dossier van [slachtoffer] is noodzakelijk om te bepalen of er nog een euthanasietraject liep of dat dit al was afgewezen, op basis waarvan die beoordeling over de euthanasie heeft plaatsgevonden, welke psychiatrische diagnoses er bij [slachtoffer] zijn vastgesteld en of dit kan hebben geleid tot de zelfmoord zoals door cliënt wordt aangevoerd. Nu er geen andere mogelijkheid is voor cliënt om het alternatieve scenario op dit onderdeel nader te onderbouwen, kan ik niet anders dan dit voorwaardelijke verzoek tot het opvragen en ontvangen van het medisch dossier te doen.

(…)

123. In deze zaak wordt aan deze uitzonderlijke omstandigheden voldaan. Het betreft hier een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit, namelijk dat mijn cliënt de [slachtoffer] om het leven zou hebben gebracht. Zijn medisch dossier kan een wezenlijke bijdrage leveren aan de waarheidsvinding, nu het het alternatieve scenario van cliënt kan bevestigen en aannemelijk kan maken. Dit maakt ook dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren. Bovendien kunnen de gegevens uit het medisch dossier niet op een andere, mindere bezwarende manier worden verkregen. Tot slot is het verzoek om de medische stukken beperkt tot de periode 2023 hetgeen behoort tot de voor het onderzoek relevante periode.

124. Nu de verdediging niet over andere stukken of middelen beschikt om aan de informatie te komen zoals benoemt in punt 87 en de wens voor de dood van [slachtoffer] een belangrijk punt is voor het aannemelijk maken van het alternatieve scenario, is het in het geval Uw Hof het standpunt van de rechtbank hierover volgt noodzakelijk om het medische dossier van [slachtoffer] op te laten vragen en te verstrekken danwel hier inzage in te verkrijgen.

125. Indien die voorwaarde zich voordoet, verzoek ik u bij tussenarrest de zaak aan te houden en de advocaat-generaal de opdracht te geven tot het opvragen van het medische dossier bij de huisarts en dit aan het dossier toe te voegen danwel hier inzage in te verlenen.”

7. Het hof heeft de verdediging niet gevolgd in het door haar geschetste alternatieve scenario en heeft het voorwaardelijk verzoek afgewezen. In zijn overwegingen, die op de Promis-wijze zijn weergegeven, overweegt het hof als volgt:

“Oordeel van het hof

Het overlijden van [slachtoffer]

Op dinsdag 1 augustus 2023 is [slachtoffer] (hierna aangeduid als [slachtoffer] dan wel als [slachtoffer] , zijn roepnaam) dood aangetroffen in zijn woning in [plaats] . [slachtoffer] is overleden door verbloeding en long- en ademhalingsfunctiestoornissen als gevolg van één steekletsel aan de buik en één steekletsel aan de romp.

Waarmee is het steekletsel toegebracht?

In de woning van [slachtoffer] is onder een stoel in de woonkamer naast de leuning van de bank een mes (SIN-nummer AAOC 1845NL) aangetroffen. Het mes is door het NFI onderzocht.

Aan de rechterzijde van het lemmet is ter hoogte van een vettige substantie een bloedspoor aangetroffen. Dit is bemonsterd en als AAOC 1845NL#01 veiliggesteld voor een DNA- onderzoek. Uit deze bemonstering is een DNA-profiel van één persoon verkregen. Dit DNA-profiel is meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA in de bemonstering afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] , dan wanneer het DNA in de bemonstering afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. Op grond van deze onderzoeksbevindingen stelt het hof vast dat op het heft van het mes DNA van verdachte zat en DNA van [slachtoffer] .

Daarnaast is het gehele heft van het mes bemonsterd met als doel DNA te verzamelen van diegene die het mes heeft gehanteerd. Deze bemonstering is als AAOC 1845NL#02 veiliggesteld. Uit de bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen. Dit DNA-mengprofiel wordt het beste verklaard wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en van [verdachte] . Het DNA-mengprofiel is meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en [verdachte] , dan wanneer de bemonstering DNA bevat van hoogstens één van deze personen. In de bemonstering van het lemmet is ook een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van spierweefsel en vetweefsel. Dit betekent dat het DNA van [slachtoffer] afkomstig kan zijn uit zowel zijn bloed als zijn spier- en/of vetweefsel. Het hof stelt op grond van deze onderzoeksbevindingen vast dat het op het lemmet van het mes aangetroffen DNA van [slachtoffer] was en afkomstig was uit bloed, spierweefsel en/of vetweefsel.

Bij het aantreffen was [slachtoffer] gekleed in een grijze blouse, die open was geknoopt. De verwondingen op borst en buik lijken overeen te komen met twee gaten in het bebloede overhemd. Op het hiervoor bedoelde mes (met SIN-nummer AAOC 1845NL) zijn ook vezelsporen veiliggesteld. Naar deze sporen is microscopisch onderzoek ingesteld. Op het mes zijn 29 witte linnenvezels aangetroffen. Deze vezels komen overeen met vezels zoals verwerkt in de blouse van [slachtoffer] . Het NFI concludeert dat de resultaten van het onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de blouse van [slachtoffer] is doorstoken met het mes dan wanneer de blouse van [slachtoffer] is doorstoken met een willekeurig ander scherp voorwerp.

De combinatie van het uit een bloedbemonstering van het lemmet verkregen DNA van [slachtoffer] en de aanwezigheid van vezelsporen op het lemmet die overeenkomen met de vezels in de blouse die [slachtoffer] droeg, brengt het hof tot de vaststelling dat de dodelijke steekletsels bij [slachtoffer] zijn toegebracht met het mes met SIN-nummer AAOC1845NL.

Verklaring van verdachte

De vervolgvraag die het hof moet beantwoorden, is wie de dodelijke steekletsels met het mes heeft toegebracht. Verdachte heeft over wat zich heeft afgespeeld in de woning van [slachtoffer] samengevat weergegeven het volgende verklaard.

Verdachte ontkent dat hij met het mes de steekletsels bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Hij heeft verklaard dat hij op 27 juli 2023 ruzie kreeg met [slachtoffer] . Daarop gaf [slachtoffer] verdachte een klap in zijn gezicht en gaf verdachte hem ook een klap terug. [slachtoffer] liep daarop naar de keuken en kwam terug met het mes. [slachtoffer] ging op de bank zitten en stak zichzelf twee keer met het mes in zijn borst en buik. Hij ging vervolgens op de bank liggen en zei tegen verdachte dat hij zijn huis uit moest gaan. Verdachte heeft, nadat [slachtoffer] zichzelf twee keer stak, het mes uit de handen van [slachtoffer] gepakt en weggegooid. Daarna heeft verdachte de woning van [slachtoffer] verlaten.

Twee scenario's

Verdachte was die middag van 27 juli 2023 met [slachtoffer] in diens woning. Na het vertrek van de hulpverlening om 14.15 uur was er verder niemand aanwezig en waren verdachte en [slachtoffer] met zijn tweeën. Zoals hiervoor vastgesteld, is op het heft van het mes waarmee de dodelijke steekletsel zijn toegebracht, DNA aangetroffen van zowel verdachte als [slachtoffer] . Deze omstandigheden in combinatie met de verklaringen van verdachte over wat zich zou hebben afgespeeld die middag, maken naar het oordeel van het hof dat er redelijkerwijs twee scenario's mogelijk zijn als antwoord op de vraag wie de dodelijke steekletsels heeft toegebracht.

Het eerste scenario is dat [slachtoffer] om het leven is gebracht door middel van steken door verdachte. Het tweede scenario is dat [slachtoffer] suïcide heeft gepleegd door zichzelf te steken.

In het kader van beide scenario’s zijn diverse vervolgonderzoeken uitgevoerd door de forensische opsporing van de politie en het NFI. Forensisch patholoog [deskundige 1] heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat op basis van die bevindingen geen onderscheid kan worden gemaakt tussen het scenario van zelfdoding en het scenario dat verdachte de letsels heeft toegebracht bij [slachtoffer] . Ook bloedspooronderzoek [deskundige 2] is als deskundige gehoord ter terechtzitting van de rechtbank. Hij heeft verklaard dat de resultaten van het bloedsporenonderzoek niet onderscheidend zijn voor een van beide scenario's. [deskundige 2] is tijdens zijn onderzoek geen aanwijzingen tegengekomen die één van de twee scenario’s meer waarschijnlijker maakt. Het hof concludeert dat op grond van het forensisch bewijs niet kan worden vastgesteld wie de dodelijke letsel heeft toegebracht.

Nu verdachte het tenlastegelegde bestrijdt met de (alternatieve) lezing dat [slachtoffer] zichzelf twee keer met het mes heeft gestoken, zal hof ter beantwoording van de vraag volgens welk scenario de gebeurtenissen in de woning van [slachtoffer] zich hebben voltrokken, de aannemelijkheid van de verklaringen van verdachte moeten toetsen aan de hand van de op grond van de overige bewijsmiddelen vaststaande feiten en omstandigheden. Deze zal het hof hierna bespreken.

[A] -bezoek van 7 juli 2023

Op 7 juli 2023 is [getuige 1] , [medewerkster A] , bij [slachtoffer] op huisbezoek geweest. Zij heeft hierover verklaard dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hof: collega’s van [getuige 1] ) hadden gezien dat [slachtoffer] een gast had. De man die bij hem in huis was noemde zich [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt dat het hier gaat om verdachte, nu getuige ten aanzien van een foto van verdachte bij de politie heeft verklaard dat dat de man is die zij herkent als [bijnaam verdachte] ). [betrokkene 1] en [betrokkene 2] informeerden [getuige 1] over deze man en gaven aan dat dit voor problemen ging zorgen. Hij (verdachte) gebruikte veel alcohol en mogelijk drugs. Met de problematiek van [slachtoffer] , waaronder een alcoholverslaving zou dit niet goed komen en zou [slachtoffer] verder naar beneden zakken. [getuige 1] is door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ingelicht en gevraagd om op 7 juli 2023 een bezoek aan [slachtoffer] te gaan brengen. Er werd aan haar gevraagd om eventueel aan te sturen op het vertrek van deze [bijnaam verdachte] . Op die dag is [getuige 1] samen met een collega naar [slachtoffer] toegegaan. Het viel haar op dat het een rotzooi in huis was. Toen zei [slachtoffer] : ‘jullie hebben een hele goede timing want ik heb net tegen hem gezegd dat hij, [bijnaam verdachte] er uit moet’. [getuige 1] en haar collega troffen toen een heel agressieve man aan die in eerste instantie verbaal agressief was tegen [slachtoffer] . Hij gebruikte allerlei scheldwoorden en gaf aan dat hij niet wegging. [bijnaam verdachte] was veel aan het schelden en verbaal agressief richting hen. Op een gegeven moment hoorde [getuige 1] hem zeggen ‘oke ik ga wel weg’, maar toen begon het uitstellen. [getuige 1] en haar collega hoorde hem nog een tijdje schelden en tieren buiten.

[getuige 2] , een van de buren van [slachtoffer] , is verdachte nog tegengekomen. Hij heeft hierover op 1 augustus 2023 verklaard dat hij ongeveer drie weken geleden langs het huis van [slachtoffer] is gelopen en toen een andere man, die [verdachte] heet, op de grond voor de woning met een grote rugzak naast hem zag zitten. Hij denkt dat dit op 7 of 8 juli 2023 is geweest. [verdachte] vertelde aan [getuige 2] dat hij de woning niet meer in kon. Hij zei dat de hulpverlening hem eruit had gezet. Een paar dagen later kwam [verdachte] terug. Hij zei dat hij op straat moest slapen, omdat [slachtoffer] hem eruit had gegooid. [verdachte] zei tegen [getuige 2] : 'ik slaap vandaag in de bak'. [getuige 2] zei ‘dan moet je toch iets doen, wil je in de bak slapen'. [verdachte] zei ‘maar dan ga ik ook doen, ik ga wraak nemen'. Het was voor [getuige 2] duidelijk dat hij hiermee bedoelde dat hij wraak ging nemen op [slachtoffer] .

Het hof leidt hieruit af dat verdachte (verbaal) agressief werd om het feit dat [slachtoffer] en de buurtzorgmedewerkers hem op 7 juli 2023 hadden verzocht de woning van [slachtoffer] te verlaten.

[A] -bezoek van 27 juli 2023

[deskundige 3] , GGZ-agoog bij [A] , is op 27 juli 2023 bij [slachtoffer] op huisbezoek geweest. Zij heeft hierover verklaard dat zij op donderdag 27 juli 2023 in haar agenda had staan dat zij een bezoek zou brengen bij [slachtoffer] . [bijnaam verdachte] deed open. Hij zei tegen [deskundige 3] dat zij niet binnen mocht komen. [deskundige 3] rook al gelijk dat [bijnaam verdachte] had gedronken. [slachtoffer] riep van boven dat [deskundige 3] kon binnenkomen. [slachtoffer] was goed aanspreekbaar. [slachtoffer] zei tegen [deskundige 3] dat hij [bijnaam verdachte] die avond zou wegsturen. [deskundige 3] voelde zich op dat moment in de woning niet prettig. Tussen 14:00 en 14:15 is [deskundige 3] weer weggegaan bij [slachtoffer] .

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor verklaard dat er in de vijf dagen dat hij bij [slachtoffer] verbleef, dus tot en met 27 juli 2023, geen mensen of bezoek zijn geweest. Nadat verdachte werd geconfronteerd met de verklaring van [deskundige 3] , heeft hij verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij de deur opendeed. Verder heeft verdachte verklaard dat het best zou kunnen, maar dat het hem niets zegt en dat hij waarschijnlijk een stukje is gaan lopen. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat toen de hulpverlener weg was, de sfeer niet meer prettig was. Verder blijkt uit het tapgesprek van 24 augustus 2023 dat verdachte tegen [betrokkene 3] het volgende heeft gezegd: ‘op een gegeven moment had die die ochtend had die (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) een gesprek met haar, en na was heel zijn bui omgeslagen en met spullen lopen gooien ga maar door’.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte zijn verklaring voor wat betreft het bezoek van [deskundige 3] aan de woning gedurende het onderzoek heeft aangepast. Eerst geeft hij immers aan dat [slachtoffer] helemaal geen bezoek heeft gekregen en na de confrontatie met de verklaring van [deskundige 3] , weet verdachte zich dit bezoek niet meer (goed) te herinneren. Uit het tapgesprek kan echter worden opgemaakt dat verdachte zich de komst van de [deskundige 3] wel degelijk kan herinneren omdat hij heeft gezegd dat de sfeer omsloeg nadat de hulpverlener was vertrokken. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte vervolgens verklaard dat nadat de hulpverlening weg was de sfeer niet prettig was. Gelet op het feit dat verdachte hierover wisselend heeft verklaard, acht het hof de verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig. In dit verband merkt het hof nog op dat verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij op 27 juli 2023 al van plan was te vertrekken en dat zijn tas klaarstond. Deze verklaring strookt niet met de verklaring van [deskundige 3] dat [slachtoffer] aan haar heeft gezegd dat hij [bijnaam verdachte] in de avond van 27 juli 2023 zou wegsturen.

Reisgedrag na vertrek bij woning [slachtoffer]

Op 27 juli 2023 om 18.06 uur is verdachte te zien op camerabeelden van de camera aan de [a-straat 1] in [plaats] . Hij wandelt in de richting van het station. Hij komt uit de richting van de woning van [slachtoffer] gelopen. Dit is op twee minuten loopafstand. Vervolgens bezoekt verdachte de supermarkt Plus op ca. 400 meter afstand (5 minuten lopen) vanaf de [a-straat 1] . Hij rekent om 18:14 af. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte om 18:24 uur het centraal station van [plaats] binnenloopt. Vervolgens is te zien dat verdachte om 18:25 uur voor de kaartjesautomaat staat. Uit de bankmutaties blijkt dat verdachte om 18:27 uur een pinbetaling van € 10,60 heeft verricht bij NS [plaats] . Vervolgens neemt verdachte om 18:39 uur de trein richting [plaats] . Om 20:25 uur is verdachte te zien op het centraal station van [plaats] . Uit het onderzoek is gebleken dat de telefoon van verdachte tussen 20:45 uur en 22:46 uur meerdere keren heeft gebeld naar verschillende telefoonnummers. Verder blijkt uit financieel onderzoek naar de bankpas van verdachte dat er om 21:42 uur en 21:43 uur twee keer € 100,00 bij de Geldmaat in [plaats] is gepind. Ook blijkt dat er om 21:56 uur € 5,00 bij de [B] in [plaats] is gepind. Op de camerabeelden is verder te zien dat verdachte om 22:30 uur een ontmoeting heeft met een man en dat ze gezamenlijk verder lopen. Uit onderzoek blijkt verder dat verdachte op 31 juli 2023 omstreeks 23:20 uur in beeld komt bij de toegangspoortjes van het centraal station in [plaats] en het station verliet.

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor verklaard dat hij op 27 juli 2023 bij de conducteur een kaartje voor de trein heeft gekocht met uitstel van betaling. Verder heeft verdachte verklaard dat hij in [plaats] naar een portiek is gegaan, daar is gaan zitten, wat wijn heeft gedronken en heeft gejankt als een kind. Vervolgens is hij nog een stukje gaan lopen en uiteindelijk gaan slapen. Op de vraag van de verbalisant hoeveel tijd er zat tussen zijn aankomst in [plaats] en zijn aanhouding, heeft verdachte verklaard dat hij gistermiddag (het hof begrijpt: 3 augustus 2023) in [plaats] is aangekomen vanuit [plaats] en dezelfde dag is aangehouden.

De verklaring van verdachte dat hij een kaartje met uitstel van betaling heeft gekocht acht het hof ongeloofwaardig, nu op de camerabeelden van 27 juli 2023 is te zien dat verdachte bij de kaartjesautomaat staat en uit de bankmutaties blijkt dat hij pinbetaling van € 10,60 bij NS [plaats] heeft verricht. Ook de verklaring dat verdachte zich - aangekomen in [plaats] - heeft teruggetrokken en heeft gejankt als een kind, acht het hof ongeloofwaardig, nu blijkt dat hij meerdere keren heeft gebeld naar verschillende telefoonnummers, twee keer een bedrag van 100 euro heeft gepind, één keer 5 euro heeft gepind en een ontmoeting heeft gehad met een man met wie hij samen verder is opgelopen. De verklaring van verdachte dat hij op 3 augustus 2023 voor het eerst terug in [plaats] was, is aantoonbaar onjuist, nu verdachte op 31 juli 2023 op camerabeelden te zien is op het centraal station in [plaats] .

Telefoongebruik

Zoals hiervoor is vastgesteld heeft verdachte op 27 juli 2023 omstreeks 18:04 uur de woning van [slachtoffer] verlaten. Uit het onderzoek is gebleken dat de telefoon van verdachte:

o op 27 juli 2023 tussen 08:52 uur en 12:25 uur, 12:56 uur en 13:03 uur en 13:31 uur en 16:36 uur is opgeladen;

o op 27 juli 2023 om 17:20 uur voor 34% is opgeladen;

o op 27 juli 2023 om 11:11 uur belt naar verdachtes moeder, duur gesprek 3 seconden;

o op 27 juli 2023 om 12:46 uur belt naar [C] waarna verdachtes telefoonnummer wordt teruggebeld door het nummer van [C] om 15:46 uur en 16:51 uur;

o op 27 juli 2023 om 17.16 uur naar zijn moeder is gebeld, zij nam niet op;

o op 27 juli 2023 vanaf 17.16 uur tot 22.23 uur heeft verdachte nog 7x met zijn moeder gebeld. Eén van deze gesprekken, om 18.40 uur, duurde 365 seconden.

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor verklaard dat zijn telefoon leeg was op het moment dat hij de woning verliet. Nadat verdachte is geconfronteerd met de onjuistheid van zijn verklaring heeft hij als volgt verklaard: ‘ik had het idee dat hij leeg was. Volgens mij stond er nog 3% op. Ik heb in de trein gezeten en heb hem daar opgeladen.’ Het hof stelt vast dat de verklaring van verdachte dat zijn telefoon leeg was op het moment dat hij de woning van [slachtoffer] verliet aantoonbaar onjuist is. Verder stelt het hof vast dat verdachte zijn verklaring gedurende het onderzoek heeft aangepast aan de onderzoeksresultaten. Immers heeft hij eerst verklaard dat zijn telefoon leeg was en later verklaard dat hij dacht dat zijn telefoon leeg was, maar dat de batterij nog maar 3% was opgeladen. Dat verdachte dacht dat zijn telefoon leeg was acht het hof ongeloofwaardig, nu verdachte op 27 juli 2023 zijn telefoon drie keer heeft opgeladen en voorafgaand aan het steekincident en daarna nog veelvuldig gebruik heeft gemaakt van zijn telefoon.

Handelen na vertrek uit woning van slachtoffer

Op de vraag of de verdachte eraan gedacht heeft om hulp in te schakelen voor [slachtoffer] heeft hij in zijn eerste verhoor het volgende verklaard: ‘dat ik neem ik mijn eigen wel kwalijk. Mijn telefoon was ook leeg maar je kunt ook naar de supermarkt lopen of zo’. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte verklaard dat hij helemaal niet naar de hulpdiensten wilde bellen. Als reden gaf hij op dat hij bang was om de schuld te krijgen, in die zin dat hem zou worden verweten dat hij [slachtoffer] zou hebben gestoken. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij geen hulp heeft ingeschakeld, omdat hij in paniek was.

Het hof overweegt dat verdachte meerdere verklaringen heeft afgelegd over de reden waarom hij geen hulp heeft ingeschakeld voor [slachtoffer] nadat de steekverwondingen bij hem waren toegebracht. Het hof heeft reeds vastgesteld dat de verklaring van verdachte dat zijn telefoon leeg was op het moment dat hij de woning van [slachtoffer] verliet aantoonbaar onjuist is en dat zijn verklaring dat hij dacht dat zijn telefoon leeg was ongeloofwaardig is. Op 27 juli 2023 is verdachte, direct ná het steekincident, in de supermarkt geweest. Uit niets blijkt dat verdachte aldaar heeft verzocht om de hulpdiensten in te laten schakelen. De verklaring van verdachte dat hij bang was om de schuld te krijgen acht het hof ongeloofwaardig, want als de verklaring van de verdachte, dat [slachtoffer] zichzelf heeft gestoken, waar zou zijn, hoefde verdachte immers niets bang te zijn voor de gevolgen van het inschakelen van hulp. Als [slachtoffer] nog leefde, zoals verdachte dacht, had hij welllicht ook kunnen bevestigen dat hij zichzelf had gestoken. In het scenario van verdachte dat [slachtoffer] zichzelf heeft gestoken acht het hof het onnavolgbaar dat verdachte geen hulpdiensten heeft ingeschakeld, zelfs niet anoniem. Dit geldt te meer nu verdachte meermaals heeft verklaard dat hij van [slachtoffer] hield. Hulp bieden was dan de aangewezen reactie geweest. Ook de verklaring dat verdachte in paniek was, acht het hof ongeloofwaardig. Verdachte is immers, direct na het steekincident naar de supermarkt geweest en heeft om 18:40 uur, één minuut nadat hij in de trein zat, 365 seconden – ruim zes minuten – met zijn moeder gebeld. Het hof is van oordeel dat deze handelingen laten zien dat verdachte in staat was om op een rationele manier te handelen.

Verder is opvallend dat in de periode 30 juli 2023 om 09:03 tot en met 2 augustus 2023 om 10:47 uur verdachte zeventien keer naar de telefoon van [slachtoffer] heeft gebeld. Ook heeft verdachte drie keer een sms aan hem verzonden. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft verdachte verklaard dat hij op 31 juli 2023 langs de woning van verdachte is gelopen, omdat hij zich zorgen maakte. Het hof concludeert op grond hiervan dat verdachte op dat moment nog niet wist dat [slachtoffer] overleden was, maar dat hij kennelijk wel bang was voor de gevolgen van de steekletsels die [slachtoffer] had opgelopen. Het hof overweegt dat dit gedrag van verdachte impliceert dat hij in de dagen na het steekincident hoopte dat hij nog een teken van leven van [slachtoffer] zou ontvangen ter bevestiging dat [slachtoffer] niet was overleden.

Concluderend

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verklaringen van verdachte onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn. Verdachte ontkent belangrijke gebeurtenissen of kan ze zich niet meer herinneren, zoals het bezoek van de medewerkers van [A] op 27 juli 2023. Daarnaast heeft hij zijn verklaring meermaals aangepast aan de stand van het onderzoek, bijvoorbeeld over zijn telefoongebruik en de reden waarom hij geen hulp voor [slachtoffer] heeft ingeroepen. Voor deze conclusie vindt het hof ook van belang de omstandigheid dat verdachte agressief en wraakzuchtig werd om het enkele feit dat [slachtoffer] en de buurtzorgmedewerkers hem op 7 juli 2023 hebben verzocht de woning van [slachtoffer] te verlaten, en dat op 27 juli 2023 [A] weer bij [slachtoffer] is geweest, opnieuw verdachte in de woning aantrof en [slachtoffer] tegen [deskundige 3] heeft gezegd dat hij verdachte die avond zou wegsturen. Tot slot acht het hof redengevend voor de conclusie dat de verklaringen van verdachte onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn, het feit dat de verdachte – in tegenstelling tot hetgeen hij heeft verklaard – na vertrek uit de woning van [slachtoffer] geen enkel teken van paniek of verdriet vertoonde maar dat hij juist rationeel en weldoordacht handelde en in feite gewoon doorleefde alsof er niets was gebeurd.

Het hof voegt hieraan toe dat uit het dossier weliswaar blijkt dat [slachtoffer] in bepaalde periodes levensmoe is geweest en euthanasie wilde en dat hij heeft geprobeerd zichzelf te doden, maar dat het laatste geschetste beeld in het dossier door de hulpverlening en de buurtbewoners met wie [slachtoffer] omging is dat het juist beter met hem ging. [getuige 3] , de stiefdochter van [slachtoffer] , omschrijft [slachtoffer] als een lieve, zachte en rustige man. Door de drank kon [slachtoffer] een onvriendelijk persoon worden, maar hij werd niet agressief, eerder snauwend. Ook heeft zij verklaard dat [slachtoffer] nooit gewelddadig werd. [getuige 4] , budgetcoach van [slachtoffer] , omschrijft [slachtoffer] als een beschaafd, heel vriendelijk en open persoon. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] zijn leven niet meer zag zitten, maar dat hij wel echt op een mooie elegante manier wilde gaan. Daarin past niet het beeld dat hij op deze manier en in het bijzijn van verdachte zichzelf van het leven zou willen beroven. Ook blijkt uit een rapportage van 29 juni 2023 dat het steeds beter ging met [slachtoffer] , hij weer straalde over zijn groepen hout en speksteen. De beschreven karaktereigenschappen van [slachtoffer] stroken niet met het scenario dat hij als eerste zou hebben geslagen en vervolgens zichzelf zou hebben gestoken om een einde aan zijn leven te maken zonder ook maar één woord te zeggen. Daar staat tegenover dat van verdachte een beeld is ontstaan dat hij een opvliegend, agressief en gewelddadig karakter heeft. Uit het dossier blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij meerdere geweldsincidenten. Op 7 juli 2023 heeft verdachte zich agressief gedragen tegen de buurtzorgmedewerkers, toen hem te kennen werd gegeven dat hij de woning van [slachtoffer] moest verlaten. Verder blijkt dat verdachte op 14 oktober 2022 een bewoner van het Leger Des Heils heeft bedreigd door naar hem te roepen dat hij hem zou neersteken. Ook blijkt dat verdachte op 10 september 2019 zijn ex-vriend twee dagen lang heeft bedreigd en hem bij zijn keel heeft gegrepen en dat verdachte op 13 maar 2019 een vrouw, onder bedreiging van een groot vleesmes, heeft beroofd.

Het hof is daarom van oordeel dat het door verdachte opgevoerde scenario dat [slachtoffer] zichzelf heeft gestoken teneinde suïcide te plegen, niet aannemelijk is geworden. Daarmee resteert enkel het scenario dat verdachte [slachtoffer] tweemaal met het mes heeft gestoken.

Opzet

Gelet op de aard van het letsel en de wijze waarop het letsel is toegebracht, te weten door te steken met een mes in de borst- en buikstreek ter hoogte van de vitale organen, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] in het leven geroepen. [slachtoffer] is naar het hof aanneemt - na het toebrengen van de steekletsels - niet direct overleden maar heeft zich nog door de woning kunnen bewegen. Er zijn immers verspreid door de woning bloedsporen aangetroffen. Door [slachtoffer] zwaar gewond aan zijn lot over te laten en geen (medische) hulp in te schakelen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] kwam te overlijden. Aldus had verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

Als het hof alles op een rij zet dan acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft neergestoken met een mes ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag.

(…)

Voorwaardelijk verzoek van verdediging

Voor zover het hof tot het oordeel komt dat er geen sprake was [van] een wens voor de dood bij [slachtoffer] ten tijde van het tenlastegelegde en om die reden het alternatieve scenario niet aannemelijk wordt geacht, heeft de raadsvrouw het hof ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk verzocht het medisch dossier van [slachtoffer] te verstrekken.

Het hof acht het, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van de bewijsmiddelen, niet noodzakelijk om het medisch dossier van [slachtoffer] te verstrekken. Het hof wil wel aannemen dat er sprake was van een wens voor de dood bij [slachtoffer] .

Het hof wijst het verzoek van de raadsvrouw dan ook af.”

Het tweede middel

8. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring. Geklaagd wordt dat de bewijsvoering ontoereikend is om de bewezenverklaring te dragen en dat het hof het alternatieve scenario op onbegrijpelijke gronden dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

De bespreking van het tweede middel

9. Het hof heeft op grond van het forensisch bewijs vastgesteld dat op het heft van het mes waarmee het dodelijk letsel is toegebracht celmateriaal van de verdachte en van het slachtoffer is aangetroffen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 27 juli 2023 samen met het slachtoffer in de woning is geweest. Deze vaststellingen worden door de verdediging niet bestreden. Zij heeft een alternatieve gang van zaken geschetst, te weten dat het slachtoffer, in het bijzijn van de verdachte, zichzelf tweemaal met het mes heeft gestoken. Het hof heeft het alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde geschoven, omdat de verklaringen van de verdachte over wat zich op en omstreeks 27 juli 2023 heeft afgespeeld aantoonbaar onjuist en/of ongeloofwaardig zijn, terwijl het bewijsmateriaal de ten laste gelegde gang van zaken ondersteunt.

10. Zo heeft het hof onder meer uiteengezet dat de verdachte zijn eerdere, onjuiste verklaringen over de laatste periode tot en met 27 juli 2023, waarin hij in de woning van het slachtoffer verbleef, heeft aangepast, nadat hij werd geconfronteerd met de getuigenverklaring van GGZ-agoog [deskundige 3] , wiens verklaring haaks op die van de verdachte stond. Verder heeft de verdachte wisselend en aantoonbaar onjuist verklaard over zijn reisgedrag in de avond van 27 juli 2023 en over zijn telefoongebruik gedurende die avond. Bovendien heeft het hof, ter weerlegging van het door de verdediging geschetste scenario en ter onderbouwing van het scenario dat het wél de verdachte is geweest die het slachtoffer met het mes heeft gestoken, vastgesteld dat de verdachte zich jegens het slachtoffer meermalen agressief heeft gedragen gedurende de dagen dat de verdachte in de woning verbleef. Nadat de verdachte enkele weken voorafgaand aan het ten laste gelegde feit door het slachtoffer was gesommeerd de woning te verlaten, heeft de getuige [getuige 2] hem horen zeggen dat hij voornemens was wraak te nemen. Verder heeft het hof overwogen dat, hoewel het slachtoffer euthanasie wenste, door meerdere getuigen een beeld van hem wordt geschetst dat geenszins past bij de wijze waarop hij volgens de verdachte zichzelf van het leven heeft beroofd.

11. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden, nu de verklaringen van de verdachte – in de context van wat zich vlak vóór en na het ten laste gelegde heeft afgespeeld – aan geloofwaardigheid inboetten, terwijl de bewijsmiddelen wel redengevende feiten en omstandigheden inhouden die de ten laste gelegde gang van zaken ondersteunen.

12. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en is bovendien toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af, zoals in de toelichting op het middel wordt betoogd, dat de weerlegging van het alternatieve scenario in de kern niet berust op feiten en omstandigheden met betrekking tot hetgeen zich in de woning, ten tijde van het ten laste gelegde, heeft afgespeeld. Het hof heeft bij zijn oordeel kunnen betrekken dat de volledige gang van zaken, zoals die door en namens de verdachte is geschetst, niet geloofwaardig is en heeft om die reden kunnen beslissen dat diens alternatieve lezing van gebeurtenissen ten tijde van het ten laste gelegde niet aannemelijk is geworden.

13. Het middel faalt.

Het eerste middel

14. Het eerste middel is gericht tegen de afwijzende beslissing op het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het opvragen en ter inzage verstrekken van het medisch dossier (van de huisarts) van het slachtoffer.

15. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het hof de inhoud en strekking van het verzoek heeft miskend. De raadsvrouw had het verzoek van twee non-cumulatieve voorwaarden afhankelijk gemaakt: (i) indien het hof zou oordelen dat er bij het slachtoffer ten tijde van het ten laste gelegde geen wens voor de dood bestond en (ii) indien het hof zou oordelen dat er geen aanwijzingen zijn dat het slachtoffer in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde in een slechte psychische toestand verkeerde. Het hof heeft bij zijn beslissing ten onrechte slechts de eerste voorwaarde betrokken, aldus de steller van het middel. In de tweede plaats wordt gesteld dat het voorwaardelijk verzoek ontoereikend gemotiveerd is afgewezen, mede gelet op wat de verdediging daartoe heeft aangevoerd.

De bespreking van het eerste middel

16. Het besproken verzoek betreft een verzoek in de zin van artikel 315 lid 1 jo. 328 en 415 lid 1 Sv, waarop de rechter met inachtneming van het noodzakelijkheidscriterium dient te beslissen. Omdat het om een voorwaardelijk verzoek gaat, is de rechter evenwel slechts tot een beslissing gehouden als aan de gestelde voorwaarde(n) wordt voldaan.

17. Het hof heeft het aannemelijk geacht dat het slachtoffer een doodswens had. In dat oordeel ligt m.i. besloten dat het hof eveneens aannemelijk heeft bevonden dat het slachtoffer voorafgaand aan zijn dood kampte met psychische problemen. Daaraan doet niet af, zoals in de toelichting op het middel wel wordt betoogd, dat het hof ter zake van de weerlegging van het alternatieve scenario op grond van een rapport van 29 juni 2023 heeft vastgesteld dat het “steeds beter” ging met het slachtoffer. Voor zover wordt geklaagd dat het hof geheel en ten onrechte voorbij is gegaan aan de tweede voorwaarde die aan het verzoek was verbonden, faalt die klacht dus.

18. Het voorgaande brengt mee dat aan de voorwaarden, waarvan het verzoek afhankelijk is gemaakt, niet is voldaan. Om die reden was het hof niet gehouden op het verzoek te beslissen. De beslissing die het hof niettemin op het verzoek heeft gegeven, moet dan ook als een overweging ten overvloede worden beschouwd, waarover in cassatie niet kan worden geklaagd. Daarmee faalt de motiveringsklacht.

19. Het middel faalt.

Slotsom

20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

21. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM geschonden. Dat hoort te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand