PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02867
Zitting 27 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en overeenkomstig aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd.
Namens de verdachte heeft R.A.C. Frijns, advocaat in Arnhem, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het eerste middel klaagt dat het hof in onvoldoende mate heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt strekkende tot vrijspraak dan wel dit standpunt op niet begrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft verworpen. Verder vermeldt het middel ook dat “het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid”. Dit deel van het middel wordt echter in de toelichting op geen enkele wijze onderbouwd en voldoet dus niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel mogen worden gesteld, zodat het onbesproken kan worden gelaten.
Voordat ik dit middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof weer.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 3 juni 2017 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door eenmaal in het gezicht te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten gebitschade ten gevolge heeft gehad.”
Het hof heeft de volgende bewijsoverweging in het arrest opgenomen:
“De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Volgens de verdediging kan – kort gezegd – niet worden vastgesteld dat de verdachte in café [A] was op de bewuste avond en als dat wel zou kunnen, kan niet worden bewezen dat hij heeft geslagen. Verder heeft de verdediging naar voren gebracht dat het letsel dat de aangever heeft opgelopen, geen zwaar lichamelijk letsel is.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde (openlijk geweld) kan worden bewezen.
De aangever is op 3 juni 2017 in café [A] in [plaats] met een vuist in zijn gezicht geslagen. Door die klap zijn onder meer twee voortanden volledig losgekomen uit zijn kaak. De aangever heeft op Facebook een filmpje gevonden van die bewuste avond in café [A] (hierna: het Facebook filmpje). De aangever heeft op dat filmpje de persoon gezien die hem deze vuistslag heeft gegeven. Hij heeft deze persoon in zijn aangifte en in de daarbij gevoegde fotobijlagen NN1 genoemd (op de doorgenummerde dossierpagina’s 27 en 28 zijn twee foto’s te zien waar met de hand naast is geschreven: NN1). Bij de rechter-commissaris is de aangever bevraagd over deze herkenning en heeft hij verklaard dat hij de man die hem deze klap heeft gegeven meteen herkende op het filmpje en dat hij ‘100% zeker’ is.
Ook de [getuige 1] heeft de persoon die heeft geslagen herkend op het Facebookfilmpje. De [getuige 1] verklaarde bij de politie dat degene die sloeg op het filmpje als 3e in beeld komt. De politie heeft het Facebookfilmpje bekeken en geverbaliseerd wanneer de door de aangever omschreven NN’s in beeld verschijnen. Hieruit volgt dat de persoon die de aangever NN1 noemt als 3e in beeld verschijnt (vanaf minuut 7.30 is eerst NN3 te zien, daarna NN2 en rond minuut 8.15 NN1, zo volgt uit het proces-verbaal van bevindingen op doorgenummerde pagina 68 van het procesdossier). Het hof leidt uit het voorgaande af dat NN1 de persoon is die volgens de [getuige 1] heeft geslagen. Dat de [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard niet zeker meer te weten ‘welke van de twee mannen’ sloeg, maakt dit niet anders omdat dit verhoor circa tweeëneenhalf jaar na het incident plaatsvond en de getuige heeft verklaard op dat moment (bij de rechter-commissaris) niet meer zeker te zijn van zijn herinnering terwijl het voorval ten tijde van zijn verhoor door de politie ‘beter in zijn geheugen zat’. De [getuige 1] heeft het filmpje bij de politie gezien en herkende de persoon die de klappen uitdeelde, met de twee andere mannen, uit duizenden.
Gelet op het voorgaande ligt de conclusie voor de hand dat NN1 de aangever heeft geslagen. De omstandigheid dat – zoals de verdediging heeft bepleit – in een aantal getuigenverklaringen aanknopingspunten te vinden zijn dat mogelijk (ook) iemand anders dan NN1 heeft geslagen, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. Daarbij is voor het hof van doorslaggevend belang dat de aangever zelf heeft gezien wie hem de vuistslag op zijn mond heeft gegeven waardoor hij zijn tanden is kwijtgeraakt en hij zonder enige twijfel NN1 als dader aanwijst, terwijl de getuigen tijdens de uitgaansavond op meer of mindere afstand in het café stonden. Het hof neemt bij de duiding van de verschillende getuigenverklaringen mede in aanmerking dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de aangever een tweede klap op het achterhoofd heeft gekregen, en dat die volgens de aangever door een andere dader is uitgedeeld.
Vervolgens is de vraag wie NN1 is. Meerdere politieambtenaren hebben NN1 herkend als de verdachte. De [politieambtenaar 1] , die meerdere keren met de verdachte in contact is geweest – het laatst in mei/juni 2018 –, herkende de verdachte en noemde daarbij in het bijzonder zijn gezichtskenmerken, postuur en haardracht.
De [politieambtenaar 2] herkende NN1 eveneens als de verdachte. [politieambtenaar 2] had als wijkagent regelmatig contact gehad met de verdachte en herkende hem bij het zien van de beelden onmiddellijk aan met name zijn volle wenkbrauwen en hoge voorhoofd.
Ook de [politieambtenaar 3] heeft NN1 herkend als de verdachte. Hij kende de verdachte van eerdere meldingen en had hem kort voor zijn herkenning nog gezien tijdens een horecadienst, rondom de datum die in de tenlastelegging is genoemd. De [politieambtenaar 3] is over deze herkenning gehoord door de raadsheer-commissaris. Tijdens dat verhoor is hem dossierpagina 139 getoond, waarop drie foto’s te zien zijn van NN1 (het hof begrijpt dat dit ‘stills’ zijn van het Facebookfilmpje). De verbalisant [politieambtenaar 3] herkende vervolgens direct de verdachte op deze foto.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de herkenningen geen/minder bewijswaarde hebben doordat – volgens de verdediging – deze politieambtenaren mogelijk de naam van de verdachte hadden meegekregen toen zij de ‘aandachtsvestiging’ onder ogen kregen waarin werd gevraagd of iemand de persoon op de foto’s kende, overweegt het hof dat die gestelde omstandigheid geen afbreuk doet aan de herkenningen, reeds omdat deze verbalisanten blijkens hun processen-verbaal al bekend waren met de (identiteit van de) verdachte. Dat de drie politieambtenaren tijdens hun verhoren door de raadsheer-commissaris – kort gezegd – weinig concrete herinneringen hadden aan hun herkenningen en de wijze waarop die tot stand zijn gekomen, leidt er ook niet toe dat aan de herkenningen moet worden getwijfeld. Van belang daarbij is dat deze verhoren pas plaatsvonden ruim vijf jaar na de herkenningen. Het hof overweegt verder dat gesteld noch, gebleken is dat en waarom de herkenningen op inhoudelijke gronden onjuist zouden zijn.
Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan deze herkenningen gelet op wat het hiervoor heeft vastgesteld. Het hof gaat er dus vanuit dat NN1 de verdachte is.
Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat de conclusie voor de hand ligt dat de verdachte degene is die de aangever heeft geslagen. Een verklaring van de verdachte die een handvat zou kunnen bieden voor de gedachte dat deze conclusie niet juist is, ontbreekt. De verdachte heeft er immers voor gekozen geen enkele verklaring af te leggen in deze strafzaak. Dit leidt ertoe dat de door het hof redengevend geachte feiten en omstandigheden niet zijn ontzenuwd. Gelet op dit alles komt het hof tot de slotsom dat de voor de hand liggende conclusie juist is en (dus) dat de verdachte in café [A] degene is geweest die de aangever in zijn gezicht heeft geslagen.
Het hof is echter van oordeel dat het primair tenlastegelegde openlijk geweld niet kan worden bewezen. Voor een bewezenverklaring van openlijk geweld is namelijk – kort gezegd – vereist dat tenminste twee personen een voldoende bijdrage hebben geleverd aan het geweld. Er zijn weliswaar duidelijke aanwijzingen dat de aangever nog een klap heeft gekregen en dat die is gegeven door een ander dan de verdachte, maar het hof heeft daarover niet met voldoende mate van zekerheid feitelijke vaststellingen kunnen doen. De verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Zoals het hof hiervoor heeft geconcludeerd heeft de verdachte geslagen zodat hij zich wel schuldig heeft schuldig gemaakt aan mishandeling. De vraag die dan nog rest is of er sprake is van een mishandeling die heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel (artikel 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht (Sr)). Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. Het letsel bestaat eruit dat twee tanden volledig uit de kaak van de aangever zijn geslagen, dat één van de tanden niet meer was terug te plaatsen doordat het tandvlees en het bot waar de tand aan vastzit niet meer te redden was, en dat een derde tand los zat. De orthodontiebehandeling die de aangever volgde moest hierdoor worden gestaakt. Ruim tweeëneenhalf jaar na de klap kampte de aangever nog altijd met de gevolgen, zo blijkt uit zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris. Daar verklaarde de aangever dat één tand definitief verloren is gegaan, dat de verwachting is dat ook twee andere tanden verloren zullen gaan, en dat het herstel een ‘jarenplan’ is geworden. In de toelichting op de vordering die de aangever als benadeelde partij heeft ingediend, is verder te lezen dat hij zes dagen alleen vloeibaar voedsel heeft kunnen eten, gedurende twee jaar meerdere pijnlijke behandelingen – waaronder wortelkanaalbehandelingen – heeft moeten ondergaan en vier weken niet heeft kunnen werken. Uit de op schrift gestelde slachtofferverklaring in eerste aanleg volgt nog dat de aangever niet op een normale manier harde broodjes kan eten omdat zijn neptand hier niet tegen kan en hij extra voorzichtig moet tandenpoetsen. Bovendien is sprake van een litteken doordat het weggeslagen tandbot altijd zichtbaar is bij het lachen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof sprake van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 300 lid 2 Sr.
Al met al komt het hof tot de slotsom dat het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen.”
In de onderhavige zaak steunt de bewezenverklaring aldus op de herkenning door de aangever en [getuige 1] van degene die de aangever heeft geslagen op een filmpje van de avond waarop het delict is gepleegd en identificatie van deze NN-persoon als zijnde de verdachte door meerdere verbalisanten.
In de toelichting op het middel wordt onder meer aangevoerd dat de vaststelling van het hof dat [getuige 1] bij de politie heeft verklaard dat de verdachte de dader is, niet begrijpelijk is, nu deze getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet met 100 procent zekerheid kan zeggen welke van de “twee mannen” de klappen gaf.
Deze klacht faalt wat mij betreft. Gezien de lange tijd die is gelegen tussen de pleegdatum en het verhoor bij de rechter-commissaris, is het niet onbegrijpelijk dat het hof de verklaring die de getuige bij de politie heeft afgelegd tot uitgangspunt heeft genomen.
Verder wordt door de steller van het middel aangevoerd dat het hof lijkt te overwegen dat de zes getuigen die een andere dader aanwijzen, het mogelijk hebben over een tweede klap die aan de aangever is uitgedeeld door een ander dan de verdachte en dat dit onbegrijpelijk is, nu [getuige 2] het klaarblijkelijk over de eerste klap heeft.
Het hof heeft gemotiveerd waarom het de verklaring van de aangever en [getuige 1] tot uitgangspunt neemt. Hierbij heeft het hof van doorslaggevend belang geacht dat de getuigen (waaronder dus ook [getuige 2] ) op meer of mindere afstand in het café stonden en dat de aangever zelf de verdachte de klap heeft zien uitdelen. De keuze van het hof om meer gewicht toe te kennen aan de verklaring van de aangever (ondersteund door de verklaring van de [getuige 1] ) dan aan de verklaringen van zes getuigen die een andere dader aanwijzen, is daarmee niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat het hof heeft onderkend dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de aangever een tweede klap op het achterhoofd heeft gekregen, en dat die volgens de aangever door een andere dader is uitgedeeld.
Wat betreft de klacht dat het hof niet afdoende heeft gerespondeerd op het tot vrijspraak strekkende uitdrukkelijk onderbouwde standpunt merk ik op dat de steller van het middel niet duidelijk maakt op welk onderdeel van dit standpunt het hof zou hebben verzuimd, te responderen. Wat mij betreft, heeft het hof het tot vrijspraak strekkende verweer afdoende weerlegd, waarbij ik opmerk dat niet op elk onderdeel van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hoeft te worden ingegaan.
Voor zover het middel verder nog beoogt te klagen dat in het licht van de kritisch kanttekeningen die namens de verdachte bij de door aangever afgelegde verklaringen zijn geplaatst het oordeel van het hof dat kan worden vastgesteld dat NN1 en dus de verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd niet toereikend is gemotiveerd, faalt het ook. Het stond het hof vrij om de verklaring van de aangever als uitgangspunt te nemen. Dit oordeel is in het licht van de vrije bewijswaardering niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Dat de verdediging kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de verklaring, maakt dit niet anders.
3. Het tweede middel
Het tweede middel klaagt – mede gelet op de toelichting – dat het hof het namens de verdachte gedane verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] herhaaldelijk heeft afgewezen.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst het procesverloop weer voor zover dit van belang is voor de beoordeling van het middel.
Voorafgaand aan de rolzitting van het hof van 16 maart 2022 heeft de raadsman per e-mail onder andere verzocht om [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen te horen. Ter onderbouwing van deze verzoeken is het volgende naar voren gebracht:
“2. Horen [getuige 3] , [fucnctie] , NAW-gegevens bekend bij het Openbaar Ministerie.
Ik acht het in het belang van de verdediging dat aan [getuige 3] nadere verduidelijkende vragen gesteld kunnen worden naar aanleiding van de verklaring van [verbalisant] bij de R-C en het p-v bevindingen van [verbalisant] d.d. 17 december 2019. [verbalisant] stelt contact te hebben gehad met [getuige 3] over de identificatie van onder andere NN1. Ik wens in het kader van het beoordelen van de bewijswaarde van de zich in het dossier bevindende p-v’s herkenningen vast te stellen welke informatie bekend was bij de personen die tot een herkenning zijn gekomen. [getuige 3] had van [verbalisant] te horen gekregen dat hij NN1 identificeerde als [verdachte] . OP blad 4 van voornoemd p-v bevindingen staat ook dat [verbalisant] zegt dat hij van NN1 en NN2 namen heeft. Bij de R-C verklaart [verbalisant] dat hij de informatie heeft gedeeld met [getuige 3] dat NN1 [verdachte] zou zijn. Ik wens vragen te stellen over de contacten tussen [verbalisant] en [getuige 3] met als doel om helder te krijgen welke informatie precies bekend geraakt is bij [getuige 3] en via haar bij de verbalisanten die tot een herkenning gekomen zijn om vast te stellen of en zo ja in welke mate bepaalde voorinformatie een rol kan hebben gespeeld bij de gedane herkenningen, zulks ter betwisting van het tenlastegelegde.
3. Horen [getuige 4] , werkzaam bij de politie regio Oost-Nederland, NAW-gegevens, bekend bij het Openbaar Ministerie.
Ik acht het in het belang van de verdediging dat aan [getuige 4] nadere verduidelijkende vragen gesteld kunnen worden haar aanleiding van de verklaring van [verbalisant] bij de R-C en het p-v bevindingen van [verbalisant] d.d. 17 december 2019. Uit het verhoor van [verbalisant] volgt dat hij contact heeft gehad met [getuige 4] in verband met de identificatie van de verdachten. Aan dat p-v bevindingen is een mail gehecht aan [getuige 4] d.d. 21 juni 2018 waarin [verbalisant] aan [getuige 4] onder andere meldt dat NN1 een CIE-subject is. Ik wens nadere verduidelijkende vragen te stellen over de contacten tussen [verbalisant] en [getuige 4] met als doel om helder te krijgen welke informatie precies bekend geraakt is bij [getuige 4] en via haar bij de verbalisanten die tot een herkenning gekomen zijn om vast te stellen of en zo ja in welke mate bepaalde voorinformatie een rol kan hebben gespeeld bij de gedane herkenningen, zulks ter betwisting van het tenlastegelegde.”
Na de schorsingen van het onderzoek door het hof op 16 maart 2022 en 11 juli 2022 heeft de raadsman op 9 december 2022, voorafgaand aan de eerste regiezitting, de ingediende getuigenverzoeken per e-mail nader toegelicht:
“Ten aanzien van het horen van [getuige 3] gaat de A-G uit van het noodzaakscriterium. Dit is correct, maar dient wel zo ingevuld te worden als dat sprake is van het verdedigingscriterium. De wijziging tenlastelegging heeft geleid tot het doen van aanvullende onderzoekswensen. Het belang om [getuige 3] te horen is duidelijk gemaakt. Om iets over de bewijswaarde van de herkenningen te kunnen zeggen, is van groot belang om te onderzoeken welke voorinformatie mogelijk een rol gespeeld heeft. Hetzelfde geldt voor het horen van verbalisant [getuige 4] .”
Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting van het hof van 9 december 2022 heeft het hof het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] afgewezen en daartoe overwogen:
“De verzoeken tot het horen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] worden afgewezen. Naar het oordeel van het hof valt redelijkerwijs niet aan te nemen dat de verdachte door deze beslissing in zijn verdediging wordt geschaad, mede bezien in het licht van het gegeven dat de verbalisanten [politieambtenaar 3] , [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 1] als getuigen zullen worden gehoord.”
De raadsman heeft per e-mail op 29 oktober 2023, met herhaling van de eerdere motivering in de e-mail van 15 maart 2022, opnieuw verzocht om de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] te horen. Als aanvullende toelichting werd hierin opgenomen:
“In bovengenoemde zaak zijn inmiddels 3 verbalisanten verhoord teneinde de gedane herkenning te kunnen toetsen op betrouwbaarheid. Geen van de verbalisanten had ook maar enige herinnering aan het destijds opgemaakte proces-verbaal. De betrouwbaarheid van de herkenningen is derhalve niet getoetst kunnen worden.”
Op de terechtzitting van 9 juli 2024 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het hof. Op deze terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte de verzoeken tot het horen van de getuigen als volgt herhaald:
“De raadsman herhaalt zijn eerder (schriftelijk) gedane verzoeken tot het horen van [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen en tot verduidelijking van de communicatie tussen [verbalisant] en andere verbalisanten. Hij verwijst voor de toelichting bij deze verzoeken naar zijn e-mails van 29 oktober 2023 en 15 maart 2022. Hij verzoekt de daarin opgenomen toelichting als herhaald en ingelast te beschouwen. Hij deelt voorts mee:
Ik herhaal deze verzoeken omdat ik heb geconstateerd dat de verhoren van de verbalisanten [politieambtenaar 3] , [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] geen nadere informatie over de betrouwbaarheid van hun herkenningen van de verdachte hebben opgeleverd. Hierdoor kan die betrouwbaarheid niet getoetst worden. Ik verzoek u om [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen te horen zodat ik (ook) hen hierover kan bevragen. Ik wil achterhalen of met de ‘aandachtsvestiging’ bepaalde voorinformatie is meegegeven en of die informatie van invloed is geweest op de herkenning van de verdachte door deze politieambtenaren.
Ik hoor graag al vandaag uw beslissing op deze verzoeken. Een van de door mij te voeren verweren ziet op de vraag naar de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte. Als het hof niet direct op mijn nadere verzoeken beslist, kan ik mijn pleidooi niet volledig voeren. Ik doe deze verzoeken daarom niet ‘voorwaardelijk’.
Ik heb mijn pleitnota voor het vandaag te voeren pleidooi inmiddels elektronisch aan de griffier gezonden.
[…]
De raadsman deelt mee:
Ik lees in de processen-verbaal van de verhoren van de getuigen niet dat zij tegenover de raadsheer-commissaris verklaren dat zij geen voorinformatie hebben gekregen. [politieambtenaar 3] , [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] spreken in algemeenheden. Hoe het concreet is gegaan, weet geen van die drie. De verdediging betwist de herkenningen. Ik wil kunnen onderzoeken of bepaalde voorinformatie bij die herkenningen een rol heeft gespeeld. Ik heb uitgelegd waarom ik denk dat informatie tevoren bekend is geweest. Om dat aan te tonen wil de verdediging [getuige 3] en [getuige 4] horen.
[…]
In aanvulling op zijn pleitnotities voert de raadsman aan: Omdat ik [getuige 3] en [getuige 4] niet heb kunnen ondervragen, en daardoor de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verdachte door verbalisanten niet volledig kan toetsen, kan ik op dit [verbalisant] op dit moment niet ten volle de verdediging voeren. Het horen van [getuige 3] en [getuige 4] is met name van belang om te kunnen onderzoeken of voorinformatie van invloed is geweest op de gedane herkenningen. Ik verwijs naar de verklaringen van [verbalisant] , die de nodige informatie met [getuige 3] deelt, waarna deze een en ander heeft uitgezet.”
In zijn arrest van 23 juli 2024 heeft het hof de verzoeken om de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] te horen, afgewezen op grond van de volgende overwegingen:
“Verzoek horen getuigen
De raadsman van de verdachte heeft de – op de regiezitting van 9 december 2022 afgewezen – verzoeken tot het horen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] en tot ‘verduidelijking communicatie tussen [verbalisant] en andere verbalisanten’ herhaald, in het licht van de bepleite onbetrouwbaarheid van de gedane herkenningen van de verdachte door politieambtenaren [politieambtenaar 3] , [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 1] .
Het hof overweegt als volgt.
Het hof acht het niet noodzakelijk tot toewijzing van de verzoeken over te gaan, gelet op de onderbouwing die aan de verzoeken ten grondslag is gelegd en het belang van het gevraagde onderzoek in het licht van het overige bewijsmateriaal. De door de verdediging nader bevraagde politieambtenaren waren al bekend met verdachtes identiteit toen zij hem bij de aandachtsvestiging herkenden en gesteld noch gebleken is waarom die herkenningen op inhoudelijke gronden onjuist zouden zijn. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst de verzoeken af.”
Het middel valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het hof de afwijzing van het initiële verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] op 9 december 2022 ontoereikend heeft gemotiveerd. In een nadere toelichting wordt daartoe aangevoerd dat het hof de verzoeken mede heeft afgewezen vanwege het toewijzen van andere getuigenverzoeken. Hiermee heeft het hof de verzoeken niet beoordeeld op basis van hun eigen merites en is het bovendien vooruitgelopen op mogelijke verklaringen van andere getuigen.
Om te beginnen merk ik op dat, gelet op art. 322 lid 4 Sv, de beslissing tot afwijzing van het getuigenverzoek op de terechtzitting van 9 december 2022 in stand is gebleven bij het opnieuw aanvangen van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2024 wegens een gewijzigde samenstelling van het hof. Dit brengt mee dat in cassatie over die beslissing kan worden geklaagd.
Verder stel ik voorop dat het in cassatie bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern gaat om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van — als waren het communicerende vaten — enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.
Door de verdediging is per e-mail op 15 maart 2022 onder andere verzocht om [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen te horen. De verzoeken kunnen dus worden aangemerkt als getuigenverzoeken als bedoeld in art. 414 lid 1 en lid 2 eerste volzin Sv. Wat betreft de motivering van de afwijzende beslissing van het hof merk ik het volgende op. De verdediging heeft [getuige 3] en [getuige 4] willen horen om – kort gezegd – te achterhalen welke informatie aan hen door [verbalisant] is gegeven omtrent de NN-personen op het filmpje dat is opgenomen in het café waar de aangever is mishandeld. Dit is volgens de verdediging van belang, omdat zo kan worden achterhaald welke informatie uiteindelijk via hen is gedeeld met de verbalisanten [politieambtenaar 3] , [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 1] , die de verdachte allen op het filmpje hebben herkend als NN1 (degene die volgens de aangever hem een klap in zijn gezicht heeft gegeven). Wat mij betreft, is de afwijzing van de getuigenverzoeken toereikend gemotiveerd. De verzoeken tot het horen van de drie verbalisanten zijn wel toegewezen door het hof, zodat de verdediging in staat is gesteld deze drie verbalisanten zelf te ondervragen over de eventuele voorinformatie die zij tot hun beschikking hadden bij het bekijken van het filmpje. Ik zie niet in waarom het hof deze omstandigheid niet zou mogen betrekken bij zijn beoordeling van de getuigenverzoeken. Het standpunt dat het hof hiermee vooruit is gelopen op hetgeen de andere getuigen mogelijk zouden verklaren, deel ik niet.
De tweede deelklacht houdt in dat het hof de afwijzing van het opnieuw gedane verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] ontoereikend heeft gemotiveerd. In een nadere toelichting wordt daartoe aangevoerd dat het niet gaat om de vraag of de politieambtenaren de verdachte kenden voorafgaand aan de gedane herkenning, maar om de vraag of de politieambtenaren vanwege verkregen voorinformatie NN1 hebben geïdentificeerd als de verdachte.
Het op 29 oktober 2023 schriftelijk gedane verzoek dat op de terechtzitting van 9 juli 2024 is herhaald, dient te worden aangemerkt als een nieuw verzoek dat tijdens het rechtsgeding in hoger beroep is gedaan in de zin van art. 328 jo. art. 331 lid 1 in verbinding met art. 315 Sv die ingevolge art. 415 Sv alle van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in hoger beroep. De aan te leggen maatstaf is derhalve het noodzakelijkheidscriterium.
De verdediging heeft opnieuw verzocht om de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] te horen aangezien uit de verhoren van de drie verbalisanten is gebleken dat geen van hen een herinnering had aan de destijds gedane herkenning van de verdachte, zodat de betrouwbaarheid van de herkenningen niet kan worden getoetst. Het horen van de getuigen is volgens de verdediging nog steeds van belang om te achterhalen of bepaalde voorinformatie is meegegeven en of die informatie van invloed is geweest op de herkenning van de verdachte. Naar mijn mening is het oordeel van het hof dat het niet noodzakelijk is om de verzoeken tot het horen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] toe te wijzen toereikend gemotiveerd. De verdachte is op de beelden door drie afzonderlijke verbalisanten herkend. Het hof heeft – en in cassatie niet bestreden – in zijn bewijsoverweging vastgesteld dat allen de verdachte ambtshalve kenden en ook hebben beschreven aan welke kenmerken zij de verdachte hebben herkend. Bovendien heeft een van hen de verdachte kort voor zijn herkenning nog gezien tijdens een horecadienst, rondom de datum die in de tenlastelegging is genoemd. Deze verbalisant heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 19 september 2023, ruim vijf jaar na de initiële herkenning, direct de verdachte herkend op de aan hem getoonde ‘stills’ van het filmpje.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het derde middel klaagt over de bewijsvoering van het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in art. 300 lid 2 Sr, althans over de verwerping van het verweer dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Volgens de steller van het middel kan gebitsschade niet zonder meer worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Daarbij heeft het hof zich niet gebaseerd op medische stukken bij het vaststellen van het letsel, maar slechts op de verklaring van de aangever. Voorts wijst de steller van het middel erop dat geen sprake is geweest van operatief medisch ingrijpen en dat niet blijkt dat het litteken van de aangever blijvend is.
Uit het overzichtsarrest zwaar lichamelijk letsel volgt dat beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel in hoge mate is voorbehouden aan de feitenrechter en dat dit oordeel in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dit neemt niet weg dat de feitenrechter wel is gehouden om zijn oordeel te motiveren. Laat de rechter na om vaststellingen te doen omtrent “de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel”, dan volgt cassatie.
Specifiek ten aanzien van gebitsschade volgt uit het overzichtsarrest dat “nu gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, in beginsel nadere specifieke vaststellingen met betrekking tot in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk zijn. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen”.
Wat betekent dit voor de onderhavige zaak? Wat mij betreft, is de motivering van de bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel toereikend. Ik wijs er in dit verband op dat het hof heeft vastgesteld dat twee tanden van de aangever door de verdachte volledig uit zijn kaak zijn geslagen en dat een derde tand loszat. Een van deze tanden was niet meer terug te plaatsen doordat het bot waaraan de tand vastzat niet meer was te redden en de verwachting (tweeënhalf jaar na dato) was dat ook de andere twee tanden verloren zullen gaan. Voorts heeft de verdachte na de klap gedurende twee jaar meerdere pijnlijke behandelingen, waaronder wortelkanaalbehandelingen, moeten ondergaan en vier weken niet kunnen werken. Bovendien kan de aangever niet op een normale manier harde broodjes eten, omdat zijn neptand daar niet tegen kan, moet hij voorzichtig tandenpoetsen en is sprake van een litteken doordat het weggeslagen tandbot nog altijd zichtbaar is bij het lachen. Uit het voorgaande volgt dat het hof ten aanzien van alle in het overzichtsarrest genoemde factoren die van belang zijn bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel vaststellingen heeft gedaan en tevens overwegingen heeft gewijd aan deze factoren. Het hof kon tegen deze achtergrond mijns inziens oordelen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 300 lid 2 Sr.
Daar doet niet aan af dat het hof zich baseert op verklaringen van de aangever. Hoewel in het overzichtsarrest door de Hoge Raad is overwogen dat de vaststellingen van het hof rondom het letsel vaak worden gegrond op gegevens van medische aard, lees ik hierin geen harde eis. Het recente arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2026 brengt hierin mijns inziens geen verandering. In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat voor de beoordeling door de rechter van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel van belang kan zijn dat zich bij de processtukken gegevens bevinden die concreet informatie geven over (elk van) de factoren die meespelen bij beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel (de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel). Ook dit arrest brengt, blijkens de zinssnede dat staving met (medische) stukken “van belang kan [DP: mijn cursivering] zijn”, niet mee dat zwaar lichamelijk letsel enkel mag worden aangenomen als dit uit (medische) stukken kan worden afgeleid. Ik wijs in dit verband ook nog op het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 1990. In deze zaak werd het zwaar lichamelijk letsel (in dat geval een zonder toestemming aangebrachte tatoeage) door het hof vastgesteld aan de hand van aangeefsters verklaring omtrent de zeer pijnlijke behandeling die was vereist om deze tatoeage te verwijderen. Het oordeel van het hof dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel bleef in cassatie in stand.
Ook de stelling dat geen sprake is van operatief ingrijpen doet niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Zoals reeds uiteengezet, kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. Dat de aangever in de onderhavige zaak pijnlijke medische behandelingen, waaronder wortelkanaalbehandelingen, heeft moeten ondergaan, kan dus bijdragen aan het oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Tot slot merk ik op dat de steller van het middel tevergeefs aanvoert dat niet geheel duidelijk is of het litteken dat de aangever heeft opgelopen, blijvend is. Het hof heeft bij zijn oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in art. 300 lid 2 Sr betrokken dat sprake is van een litteken, doordat het weggeslagen tandbot altijd zichtbaar is bij het lachen. In deze vaststelling ligt volgens mij besloten dat het litteken niet meer volledig zal herstellen.
Het middel faalt.
5. Slotsom
De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Nu de verdachte in eerste aanleg door de rechtbank is vrijgesproken van het tenlastegelegde, het hof in hoger beroep tot een veroordeling is gekomen en in cassatie is geklaagd over de bewijsvoering en bewezenverklaring van dit feit, ligt afdoening van het eerste en derde middel met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering niet in de rede.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG