ECLI:NL:PHR:2026:1057

ECLI:NL:PHR:2026:1057

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-11-2026
Datum publicatie 30-10-2026
Zaaknummer 25/03879
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Dood door schuld nadat twee opvarenden van een boot zijn overleden door gas dat werd uitgestoten door een defecte accu (art. 307 Sr). De eerste drie middelen keren zich tegen de bewezenverklaring van 'schuld' en houden in dat de verdachte het ontstaan van dit specifieke gas (waterstofsulfide) niet kon voorzien. Middel faalt omdat de verdachte wel op de hoogte was van de kans op een ander levensgevaarlijk gas (knalgas) en dan net zo had moeten handelen als bij de kans op waterstofsulfide. Het vierde middel gaat over de weerlegging van een standpunt over de bron van het gas en het vijfde middel over de afwijzing van een verzoek tot nader onderzoek. Alle middelen falen en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep (deels 81.1 RO).

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/03879

Zitting 3 november 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 14 oktober 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-004284-23) wegens "aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, meermalen gepleegd", veroordeeld tot 150 uren taakstraf, subsidiair 75 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast een vordering van de [benadeelde] toegewezen en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en I.J. Woltman, advocaat in Leeuwarden, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

2. Samenvatting

De vaststellingen van het hof houden in dat op 21 april 2021 de politie de melding kreeg dat er aan de [a-straat] te [plaats] twee personen onwel in de kajuit van een boot zouden liggen. Ter plaatse aangekomen roken de politieambtenaren bij de boot in kwestie een sterke rotte eierenlucht dan wel rioollucht. Medewerkers van de brandweer betraden daarop met perslucht de boot en troffen in de achterkajuit twee personen aan. Nadat deze personen van boord waren gehaald, werd vastgesteld dat zij waren overleden. De slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden samen met [betrokkene 1] en [benadeelde] de boot ‘ [naam] ’ gehuurd bij botenverhuurbedrijf [A] . De verdachte is eigenaar van dit bedrijf. Bij het ophalen van de boot hebben de huurders bij de verdachte aangeven dat zij een rioollucht aan boord roken. De verdachte heeft op hun verzoek onderzoek gedaan naar de oorsprong van de geur, maar heeft deze niet kunnen achterhalen. De slachtoffers zijn overleden door blootstelling aan waterstofsulfide. Waterstofsulfide is een zeer giftig gas met de geur van rotte eieren. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zodanig onvoorzichtig heeft gehandeld dat het aan zijn schuld is te wijten dat bij het laden van een defecte accu H2S (waterstofsulfide) is vrijgekomen in de achterkajuit van de boot waar de slachtoffers lagen te slapen, als gevolg waarvan zij zijn komen te overlijden.

Samengevat wordt in de eerste drie cassatiemiddelen bestreden dat het overlijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan de schuld van de verdachte te wijten was. Het belangrijkste argument is dat hij niet kon voorzien dat de defecte accu waterstofsulfide zou uitstoten. Het hof heeft hem daarin gelijk gegeven, maar oordeelt toch dat hij schuld heeft. De reden hiervoor is dat de verdachte wel wist dat een defecte accu levensgevaarlijk kan zijn. De accu kan namelijk knalgas uitstoten waardoor een explosiegevaar ontstaat. Om die reden had de verdachte beter moeten onderzoeken of de geur het gevolg was van een defecte accu. Ook had hij de huurders van de boot beter moeten informeren en bij hen steeds moeten nagaan of de geur bleef hangen.

Ik kom tot de conclusie dat dit oordeel niet in strijd is met het recht en ook voldoende is gemotiveerd. Om van ‘schuld’ te kunnen spreken in de zin van het hier toepasselijke art. 307 Sr, moet sprake zijn van een ‘verwijtbare, aanmerkelijke onvoorzichtigheid’. Of dat zo is, hangt onder andere daarvan af of de verdachte kon en moest voorzien dat een ander zou overlijden als hij niet anders zou handelen. In dit geval ontstond de plicht om anders te handelen al door de wetenschap dat een defecte accu levensgevaarlijk kan zijn. Voor de invulling van de genoemde onderzoeks- of informatieplicht maakt het niet uit of dat gevaar ontstond door waterstofsulfide of door knalgas.

Het vierde middel stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het rapporten van het NFI voor het bewijs heeft gebruikt. Ik meen echter dat die motivering voldoende is. Ten slotte wordt in het vijfde middel geklaagd dat het hof ten onrechte een verzoek van de verdediging heeft afgewezen om nader onderzoek te laten doen. Het hof heeft die beslissing echter niet op een zitting heeft genomen. Daarom kan die in cassatie niet aan de orde komen.

3. Het eerste, tweede en derde middel

Het eerste tot en met het derde middel richten zich - zo begrijp ik - tegen het oordeel van het hof dat sprake is van ‘schuld’ in de zin van art. 307 Sr. Meer in het bijzonder komt het eerste middel op tegen het oordeel van het hof dat de dood van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de verdachte voorzienbaar was. Het tweede en het derde middel houden in dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd welke (ongeschreven) rechtsnorm(en) de verdachte heeft geschonden waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat de slachtoffers zijn overleden. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 19 april 2021 tot en met 21 april 2021 te of bij [geboorteplaats] , [plaats] en/of [plaats] , als eigenaar van het botenverhuurbedrijf “ [A] ” te [geboorteplaats] en verhuurder van motorboten die bij hem in de verhuur zijn, de motorboot (van het merk/type Pedro Solano 33 kruiser), genaamd ‘ [naam] ’ heeft verhuurd aan [betrokkene 1] en de medeopvarenden [benadeelde] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , aanmerkelijk onachtzaam en nalatig, in voornoemde periode heeft verzuimd en/of nagelaten

B.

nadat de huurders en medeopvarenden bij het ophalen van die motorboot op 19 april 2021 hadden gemeld dat er een vreemde lucht in die motorboot aanwezig was

- adequaat onderzoek te doen naar de oorsprong van de door de huurders en medeopvarenden genoemde en geconstateerde vreemde lucht in die motorboot en

- te constateren waar die zogenoemde vreemde lucht vandaan kwam en

C.

- informatie te verstrekken aan de huurders en medeopvarenden over een mogelijke oorzaak van de zogenoemde vreemde lucht in die motorboot en

- afspraken te maken met die huurders en medeopvarenden over hoe te handelen bij het voortduren van die zogenoemde vreemde lucht in die motorboot en

- tijdig navraag te doen bij die huurders en medeopvarenden over het eventueel voortduren van die zogenoemde vreemde lucht in die motorboot,

waardoor in voornoemde periode, door het laden van een defecte gebruiksaccu in de accu ruimte van die motorboot H2S (waterstofsulfide) is vrijgekomen in die motorboot genaamd ‘ [naam] ’ en dan met name in het slaapvertrek in de achterkajuit van die motorboot, alwaar het accupakket zich onder het bed bevond en alwaar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de nacht van 20 april 2021 op 21 april 2021 lagen te slapen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1968) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1971) zijn overleden.”

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten):

“De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de slachtoffers zijn overleden door inhalatie van H2S (waterstofsulfide). Zij bevonden zich op dat moment in de achterkajuit van de boot ‘ [naam] ’, die ze van de verdachte hadden gehuurd. Onder het bed in de achterkajuit bevond zich het accupakket. Uit onderzoek blijkt dat één van deze accu’s defect was. Bij het sterk overladen van een defecte accu kan waterstofsulfide ontstaan. De ruimte waarin de accu’s staan moet daarom goed worden geventileerd. Op de boot was echter geen deugdelijk werkende ventilatievoorziening aanwezig. De verdachte was op grond van de overeenkomst met de eigenaar van de boot verantwoordelijk voor het regelmatig controleren van de accu’s en deze indien nodig zo snel mogelijk (laten) repareren. In strijd met deze plichten heeft hij echter nagelaten om de deugdelijke werking van de accu’s te controleren, waardoor hij niet tijdig heeft geconstateerd dat één van de accu’s defect was en deze niet heeft vervangen. Het onder A, tweede, derde en vierde gedachtestreepje tenlastegelegde kan volgens de advocaat- generaal dan ook worden bewezen. Ook het onder B tenlastegelegde kan volgens hem worden bewezen. De huurders van de boot hadden de verdachte namelijk erop geattendeerd dat zij een muffige lucht in de boot roken, een soort rioollucht. Dit riep voor de verdachte de verplichting in het leven om grondig onderzoek te verrichten naar de oorsprong van deze lucht. Dit heeft hij nagelaten. Ondanks zijn kennis van de gevaren van een defecte accu heeft het onderzoek van de verdachte zich beperkt tot het ruiken bij de accu’s en het met de hand voelen aan de accu’s. Hij heeft zijn vaste onderhoudsman, die doorgaans bij dit soort problemen wordt ingeschakeld en ook in de haven aanwezig was, niet geconsulteerd. Ook het onder C tenlastegelegde kan volgens de advocaat-generaal worden bewezen. De verdachte heeft nagelaten om de huurders informatie te verstrekken over de mogelijke oorzaak van de geur, afspraken met hen te maken over hoe te handelen bij voortduring van de geur en hierover tijdig navraag bij hen te doen, terwijl hij dit wel had moeten doen, gelet op zijn bekendheid met de gevaren van een defecte accu. Tot slot kan ook het onder D tenlastegelegde volgens de advocaat-generaal worden bewezen. Als professioneel verhuurder was de verdachte verantwoordelijk voor de veiligheid van de huurders aan boord. In die hoedanigheid diende hij dan ook zorg te dragen voor een deugdelijk ventilatiesysteem, met name nu het vereiste van een deugdelijke ventilatie nauw verband houdt met de gassen die bij een defecte accu kunnen vrijkomen. Doordat de verdachte niet heeft voldaan aan de bovengenoemde op hem rustende verplichtingen heeft de verdachte aanmerkelijk onachtzaam en nalatig gehandeld en is het aan zijn schuld te wijten dat de slachtoffers zijn overleden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht. In de eerste plaats kan niet worden vastgesteld dat de defecte accu de oorzaak is geweest van de dodelijke concentratie H2S. Uit het door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) verrichte onderzoek blijkt namelijk niet eenduidig dat een defecte accu onder de gegeven omstandigheden daadwerkelijk een dodelijke hoeveelheid H2S kan produceren. Zo zijn er geen berekeningen gemaakt van de maximale hoeveelheid H2S die door deze specifieke accu kan worden uitgestoten, alsmede de maximaal te verwachten concentratie in de slaapkamer. Verder is de gebruikte meetmethode niet betrouwbaar om de aanwezigheid van H2S in gasmengsels te kunnen aantonen. De onderzoeken waarop het NFI zich heeft gebaseerd zijn verricht op andere types accu’s dan de onderhavige. Verder zijn er geen ventilatiegegevens vastgesteld of doorgerekend, terwijl die cruciaal zijn om een inschatting te kunnen maken of überhaupt een dodelijke concentratie kon worden bereikt. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat er een andere bron is geweest dan de defecte accu of dat er meerdere bronnen zijn geweest. Alternatieve bronnen zijn nooit onderzocht of uitgesloten, terwijl die op de boot wel degelijk aanwezig waren. De verdediging noemt als alternatieve bron van H2S met name de vuilwatertank. Ook de vorming van koolstofmonoxide kan een rol hebben gespeeld. Aldus kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat de defecte accu de bron is geweest van de dodelijke concentratie H2S. Indien dit wel kan worden aangenomen, rijst de vraag of dit gevaar voor de verdachte voorzienbaar was en hij maatregelen had moeten treffen. Deze vragen moeten ontkennend worden beantwoord. De verdachte wist niet dat een kapotte accu gevaarlijk zou kunnen zijn vanwege de vorming van H2S. Dit is ook geen feit van algemene bekendheid. Dat de verdachte geen deugdelijk onderhoud heeft gepleegd aan de accu’s en deze niet regelmatig heeft laten controleren, kan hem dus niet worden verweten. Er zijn ook geen richtlijnen die voorschrijven wanneer een accu moet worden vervangen of moet worden gecontroleerd. Bovendien heeft het NFI zelf ook aangegeven dat een accu van het ene op andere moment kapot kan gaan. Een regelmatige controle had dus niet kunnen voorkomen dat de accu defect zou raken. Ook het nalaten van het verrichten van een adequaat onderzoek naar de oorsprong van de door de huurders geconstateerde lucht kan de verdachte niet worden verweten. De verdachte had de lucht zelf niet geroken en de huurders spraken over een rioollucht en niet over een rotte eierenlucht, die kan wijzen op een defecte accu. De verdachte heeft de accu’s zekerheidshalve gecontroleerd, maar deze voelden niet warm. Aanleiding voor een nader onderzoek was er dan ook niet. Evenmin kan de verdachte worden verweten dat hij de huurders niet heeft geïnformeerd over het gevaar van H2S. Hij was immers niet bekend met dat gevaar. Tot slot kan hem niet worden verweten dat hij geen zorg heeft gedragen voor een deugdelijk werkend ventilatiesysteem. De verdachte wist namelijk niet dat het ventilatiesysteem niet deugdelijk was en had dit ook niet hoeven weten. Bovendien was de verdachte niet bekend met het gevaar van H2S, zodat hij niet kon weten dat een actief ventilatiesysteem noodzakelijk was. De verdachte kan dan ook geen verwijt worden gemaakt van afzonderlijke nalatigheden. Daarnaast was het voor de verdachte niet voorzienbaar dat door deze nalatigheden concreet levensgevaar zou kunnen ontstaan. Inmiddels is er meer bekend over het gevaar van H2S, maar dat was op het moment van dit incident nog niet het geval, ook niet bij de deskundigen. Gelet op het voorgaande kan niet worden bewezen dat het aan de schuld van de verdachte is te wijten dat de slachtoffers zijn overleden

Het oordeel van het hof

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat op grond van de in de voetnoten vermelde wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aanleiding

Op 21 april 2021 omstreeks 8.25 uur kreeg de politie de melding dat er aan de [a-straat] te [plaats] twee personen onwel in de kajuit van een boot zouden liggen. Ter plaatse aangekomen roken de politieambtenaren bij de boot in kwestie een sterke rotte eierenlucht dan wel rioollucht. Bij de boot stonden een man en een vrouw, die later bleken te zijn genaamd [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ). Zij verklaarden dat zij in de voorkajuit van de boot hadden geslapen en dat zij die ochtend hun vrienden, die in de achterkajuit van de boot sliepen, onwel hadden aangetroffen. Uit metingen die de brandweer ter plaatse had verricht bleek dat het vermoedelijk zou gaan om H2S (waterstofsulfide). Medewerkers van de brandweer betraden daarop met perslucht de boot en troffen in de achterkajuit twee personen aan. Nadat deze personen van boord waren gehaald, werd vastgesteld dat zij waren overleden. De overleden personen zijn geïdentificeerd als [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1968, en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1971.

Doodsoorzaak

De forensisch arts concludeerde dat beide slachtoffers op een niet-natuurlijke wijze zijn overleden door inhalatie van H2S met zuurstoftekort tot gevolg. Uit de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek van het lichaamsmateriaal van de slachtoffers volgt dat hun overlijden kan worden verklaard door blootstelling aan waterstofsulfide. Waterstofsulfide is een sterk ruikend giftig gas met een geur van rotte eieren.

De boot

De betreffende boot was een motorboot van het merk/type Pedro Solano 33 Kruiser, was genaamd ’ [naam] ’ en werd verhuurd door het in [geboorteplaats] gevestigde botenverhuurbedrijf ‘ [A] ’. De verdachte is eigenaar van dit botenverhuurbedrijf. Hij verhuurt boten van particulieren en investeerders. De eigenaar van de ‘ [naam] ’ is [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ). De verdachte verhuurde deze boot voor hem en regelde alles wat betreft de verhuur. Hij was degene die contact had met de huurders en hen liet zien hoe alles werkte. Wat betreft het onderhoud van de boot waren de verdachte en [betrokkene 2] overeengekomen dat de verdachte zorgde voor regelmatige controles en defecten zo snel mogelijk zou (laten) repareren. [betrokkene 2] was verantwoordelijk voor het groot onderhoud van de boot en de verdachte was verantwoordelijk voor de wekelijkse controles en de (nood)reparaties gedurende het vaarseizoenen, zoals het peilen van olie, het vullen van de motor- en keerkoppeling, de controle van wierpotten en de controle op lekkages, vloeistofniveaus, accu’s en het functioneren van de afvoersystemen van de toiletten en de douches.

De verdachte had de ‘ [naam] ’ sinds 2014 in de verhuur. Het onderhoud aan de boot werd verricht door de verdachte zelf en door [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) van [B] , die hiervoor door de verdachte werd ingehuurd. De verdachte gaf [betrokkene 3] dan de opdracht tot het verrichten van het onderhoud, de technische controles op wisseldagen en gerichte klussen. Eén keer per jaar werd onderhoud uitgevoerd aan de boten.

De verhuur van de boot

[benadeelde] en [betrokkene 1] hadden samen met de slachtoffers de ‘ [naam] ’ van de verdachte gehuurd voor de periode van 19 april 2021 tot en met 23 april 2021. Toen zij op 19 april 2021 rond 12:00 uur hun spullen aan boord brachten, viel het hen op dat het stonk op de boot. Het rook er muf, een soort rioollucht. Op hun verzoek heeft de verdachte de oorsprong van de lucht onderzocht. Hij heeft toen onder andere naar de accu’s gekeken. Op de eerste dag zijn de huurders van [geboorteplaats] naar [plaats] gevaren. De geur was er toen nog steeds. Die kwam met vlagen. Onderweg werkte het koffiezetapparaat niet. Ook het lampje van de koelkast brandde minder fel. Op dinsdag zijn ze vanuit [plaats] naar [plaats] gevaren. Tijdens het varen kwam er af en toe een vlaag van de geur langs. Toen ze in de namiddag in [plaats] aanmeerden, was het een hele walm. De huurders hebben toen ook nog geprobeerd om de kachel aan te zetten, maar die bleek het niet te doen.

De verdachte had de boot op 19 april 2021 omstreeks 10:30 of 11:00 uur in werking gezet. Hij heeft de motor een tijdje laten warmdraaien om te controleren of alles werkte. De boot lag hierbij aan de walstroom. Rond 12:00 uur arriveerden de huurders. Nadat zij hun spullen hadden ingeladen, gaven de huurders aan dat ze een geur van een doucheputje roken. De verdachte heeft onderzocht waar deze geur vandaan zou kunnen komen. Daarbij heeft hij de kranen en de afvoeren van het toilet, de douche en de wasbak in de achterkajuit gecontroleerd. Ook heeft hij het accupakket gecontroleerd door te voelen of er een accu warm was. Een warme accu was voor de verdachte namelijk een indicatie voor een slechte accu. Als het rotte eierenlucht was geweest had de verdachte geweten dat het om de accu’s ging. Hij had er ervaring mee dat er dan kapotte accu's aan boord zijn. De verdachte heeft de oorzaak van de lucht niet kunnen achterhalen. Hij heeft hiervoor geen hulp ingeschakeld of advies ingewonnen van een collega op de jachthaven. De verdachte heeft de huurders geen oplossingen aangedragen met betrekking tot de aanwezige geur in de boot. Tussen 12:00 uur en 13:00 uur zijn de huurders met de boot vertrokken. De verdachte heeft na hun vertrek geen contact meer met de huurders opgenomen om te informeren naar de geur. De verdachte heeft ook geen advies aan [betrokkene 3] gevraagd met betrekking tot de geur in de boot. [betrokkene 3] wordt in het algemeen weleens opgeroepen bij een schip dat naar rotte eieren stinkt en er een probleem is met de accu’s. De verdachte wist dat een defecte accu gevaarlijk zou kunnen zijn vanwege de vorming van knalgas en de kans op een ontploffing. Dit was voor hem ook de reden om het accupakket te controleren toen de huurders hem hadden gewezen op de vreemde lucht in de boot.

Technisch onderzoek

Door het NFI is onderzoek verricht naar de technische installatie aan boord van de ‘ [naam] ’. Dit onderzoek was bedoeld om inzicht krijgen in de opbouw en werking van de elektrische systemen aan boord van het schip en de mogelijke oorzaken van het vrijkomen van waterstofsulfide te achterhalen. De deskundige heeft daarbij onder meer het volgende geconstateerd en geconcludeerd.

De elektrische installatie aan boord van het schip

Het accupakket van het schip bevond zich onder het bed in de achterkajuit en bestond uit een startaccu, twee parallel geschakelde gebruiksaccu’s en twee in serie geschakelde boegschroefaccu’s. Alle toegepaste accu's betroffen natte loodaccu’s die waren gevuld met vloeibaar elektrolyt. Ze worden allemaal aangeboden als ‘onderhoudsvrij’.

Tijdens het varen worden zowel de startaccu als de twee gebruiksaccu’s via een laadstroomverdeler opgeladen door de dynamo van de dieselmotor. Als de walstroom wordt aangesloten, worden deze accu's geladen via een lader/omvormer. De lader/omvormer verzorgt ook de 230 V wisselspanning aan boord. Dit gebeurt enerzijds via het doorlaten van de walstroom en anderzijds via het aanmaken van 230 V wisselspanning uit de gebruiksaccu’s. De accu’s voor de boegschroef worden geladen door een aparte acculader. Deze lader werkt op 230 V wisselspanning. De boegschroefaccu’s worden derhalve alleen geladen indien er 230 V wisselspanning aan boord aanwezig is.

De elektrische installatie aan boord was gebruikelijk voor een plezier motorjacht. Over het algemeen waren de componenten deugdelijk aangelegd.

Defecte accu

Uit de uitgevoerde metingen blijkt dat één van de twee gebruiksaccu’s geheel defect was. Dit maakte dat deze accu niet meer als een 12 V accu kon functioneren. Ondanks de parallelschakeling met een tweede gebruiksaccu, leidde dat tot het disfunctioneren van het gehele accusysteem voor algemeen gebruik aan boord van het schip, inclusief de daarmee verbonden lader/omvormer.

De mogelijke achterliggende oorzaken van het defect raken van deze accu zijn de leeftijd en de gebruikshistorie van de accu (groot aantal laadcycli, een of meerdere keren te diep ontladen, langdurig ontladen met een hoge stroomsterkte, onvoldoende opladen, et cetera). In het schip waren twee 12 V loodaccu’s van verschillende maar wel vergelijkbare merken en types geïnstalleerd. Er bestond echter een leeftijdsverschil van ruim vier jaar tussen de beide accu’s. Ten tijde van het incident was de defecte accu de oudste accu met een leeftijd van meer dan zeven jaar oud. Het betreffende type loodaccu was ontworpen voor een relatief beperkt aantal laadcycli en was gevoelig voor te diep ontladen. Gegeven deze beperkingen en waarvoor de accu werd gebruikt, zal ouderdom de voornaamste reden zijn geweest voor het defect raken van de accu. Het degraderen van een accu is een zichzelf versnellend proces. Dit maakt dat de transitie van nog redelijk functioneren naar geheel defect raken vrij plotseling kan gebeuren. Door de parallelschakeling met een jongere accu kan de degradatie van een oude accu lang onopgemerkt blijven tot het moment dat die geheel defect raakt.

Het vrijkomen van de waterstofsulfide

Tijdens het overladen van een defecte loodaccu is gasontwikkeling onvermijdelijk. In het begin zal er voornamelijk waterstof en zuurstof uit de accu ontwijken. Waterstof heeft een lagere dichtheid dan lucht en zal opstijgen. Als het overladen van de accu langdurig doorgaat en de temperatuur van de accu oploopt, zullen er zwavelhoudende gassen zoals waterstofsulfide worden gevormd. Waterstofsulfide is een zeer giftig gas met de geur van rotte eieren. Het betreft een gas met een hogere dichtheid dan lucht. Ondanks de mogelijkheid van het ontstaan van dit gas wordt vrijwel uitsluitend gewaarschuwd voor het ontstaan van waterstofgas en het daaraan gekoppelde explosiegevaar. De vorming van explosiegevaarlijke en giftige gassen in een loodaccu kan nooit geheel worden voorkomen. Wanneer er in een ruimte voldoende ventilatievoorzieningen aanwezig zijn, kunnen deze gassen echter worden afgevoerd naar een veilig gebied.

De ventilatie aan boord van het schip

Op het schip waren geen ventilatievoorzieningen aanwezig waardoor de explosieve en giftige gassen die tijdens het laden van loodaccu’s kunnen ontstaan, konden worden afgevoerd naar een veilig gebied. Door de manier waarop de loodaccu’s waren geïnstalleerd, stroomden de daaruit ontstane gassen direct uit in de ruimte onder het bed en daarmee in de slaapkamer. Verschillende onderdelen waren niet aanwezig of niet correct toepast. Wanneer deze onderdelen wel aanwezig zouden zijn geweest en correct zouden zijn toegepast, dan konden de gassen alsnog in de ruimte onder het bed komen. De ventilatievoorziening zou namelijk alleen hebben kunnen werken als de gassen actief zouden worden afgezogen. Een kajuit op een boot heeft - anders dan bij toepassingen op land zoals in campers en vrachtwagens - alleen natuurlijke ventilatiemogelijkheden in de hoger gelegen delen. Gassen met een hogere dichtheid dan lucht zakken echter naar beneden en blijven daardoor in de lager gelegen gedeelten van de boot hangen. Een hoog gelegen ventilatiemogelijkheid werkt dus niet voor het afvoeren van die gassen.

Het ophopen van de waterstofsulfide

De waterstofsulfide kan zijn vrijgekomen tijdens het laden van de defecte loodaccu. Waterstofsulfide heeft een hogere dichtheid dan lucht. De natuurlijke ventilatieomstandigheden in de lager gelegen ruimten van een boot zijn ongunstig voor het afvoeren van schadelijke gassen. Gassen met een hogere dichtheid dan lucht blijven onderin een schip hangen en kunnen zich daar ophopen. Om ophoping van deze gassen in de achterkajuit van het schip te voorkomen, had dus moeten worden gezorgd voor een actieve afvoer van deze gassen naar een veilig gebied. Doordat een dergelijke ventilatievoorziening niet aanwezig was op het schip, kon zich een fatale hoeveelheid waterstofsulfide ophopen in de achterkajuit van het schip. In hoger beroep is door het hof nog een aanvullende vraag gesteld aan de deskundige. Uit de beantwoording van die vraagt volgt dat een defecte accu zoals aangetroffen in de boot waarop de slachtoffers zijn overleden een hoeveelheid waterstofsulfide (H2S) kan produceren die een dodelijk gevolg kan hebben, gegeven de omstandigheden van een kleine afgesloten ruimte, zoals de slaapkamer op de boot waar de slachtoffers zijn overleden en de locatie van de accu’s onder het bed.

Overwegingen van het hof

Schuld

Het hof dient de vraag te beantwoorden of het aan de schuld van de verdachte is te wijten dat de slachtoffers zijn overleden.

Volgens vaste rechtspraak wordt onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Verder verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van gedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke regels kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin (vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398).

Garantenstellung

De bijzondere hoedanigheid van degene aan wie het schuldverwijt wordt gemaakt kan ook meewegen bij de beoordeling van schuld. Deze zogenoemde ‘Garantenstellung’ houdt in dat op bepaalde personen in een specifieke hoedanigheid een grotere mate van verantwoordelijkheid rust, waarbij het handelen in het specifieke geval bijvoorbeeld wordt afgezet tegen dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot. Als iemand functioneel handelt met een bepaalde verantwoordelijkheid, worden de maatstaven van (on)voorzichtig gedrag mede daardoor bepaald. De verdachte is eigenaar van een botenverhuurbedrijf en professioneel verhuurder van de motorboten. In die hoedanigheid rust op hem een zware zorgplicht. Als professioneel verhuurder is het zijn verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de boot in goede staat verkeert en dat zijn huurders aan boord veilig zijn.

De oorzaak van de dodelijke concentratie H2S

Op grond van het toxicologisch onderzoek kan worden vastgesteld dat de slachtoffers zijn overleden als gevolg van blootstelling aan waterstofsulfide. Voor zover de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat de vorming van koolstofmonoxide ook een rol bij het overlijden van de slachtoffers kan hebben gespeeld, wordt deze stelling weerlegd door de uitkomsten van het forensisch overlijdensonderzoek, waaruit duidelijk blijkt dat de post mortale verschijnselen niet passen bij een overlijden door een koolmonoxidevergiftiging. Voorts kan op grond van het technisch onderzoek worden vastgesteld dat de defecte accu die zich onder het bed in de achterkajuit van de boot bevond de bron is geweest van de dodelijke concentratie H2S. Doordat er geen deugdelijke ventilatievoorziening op de boot aanwezig was, kon de fatale hoeveelheid H2S zich ophopen in de achterkajuit van de boot. Uit de rapportages van het NFI volgt dat een dergelijke accu onder de gegeven omstandigheden een dodelijke hoeveelheid H2S kan produceren. Het hof ziet geen aanleiding om aan de conclusies van de deskundige te twijfelen en neemt die dan ook over. De stelling van de verdediging dat de H2S ook uit een andere bron afkomstig kan zijn, zoals de vuilwatertank, is niet aannemelijk geworden. Voor een nader onderzoek hiernaar bestaat dan ook geen aanleiding. Niet gesteld of gebleken is immers dat de vuilwatertank niet deugdelijk functioneerde. Bovendien waren de tank en de leidingen van de boot voorafgaand aan de winterperiode droog gemaakt zoals ter terechtzitting door de verdachte is verklaard en was de boot voorafgaand aan de onderhavige huurperiode slechts één keer eerder verhuurd geweest, waardoor de vuilwatertank dat vaarseizoen nog nauwelijks was gebruikt.

Voorzienbaarheid

Met betrekking tot de vraag of de gevolgen van een defecte accu voor de verdachte voorzienbaar waren, overweegt het hof het volgende. De verdachte stelt dat hij niet wist dat een defecte accu gevaarlijk zou kunnen zijn vanwege de vorming van H2S. Op grond van het dossier kan dit ook niet worden vastgesteld. Naar het oordeel van het hof had de verdachte ook niet bekend hoeven zijn met het gevaar van H2S. Ten tijde van het incident was immers nog niet algemeen bekend dat bij het overladen van een defecte accu een dodelijke hoeveelheid waterstofsulfide kan vrijkomen. Dit laat echter onverlet dat de verdachte wel bekend was met de mogelijke gevaren van een defecte accu vanwege de vorming van knalgas en de kans op een ontploffing. Dit is voor hem ook de reden geweest om het accupakket te controleren toen de huurders hem hadden gewezen op de vreemde lucht in de boot. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat als het een rotte eierenlucht was geweest, hij had geweten dat het om de accu’s ging. Hij had er ervaring mee dat er dan kapotte accu's aan boord zijn. Nu de verdachte wist dat bij een defecte accu kans is op gasvorming en het daaraan gekoppelde explosiegevaar, is het hof van oordeel dat het voor de verdachte voorzienbaar was dat een onder een bed geplaatste defecte accu dodelijke gevolgen kan hebben. Dat de dodelijke gevolgen in dit geval niet zijn verwezenlijkt door een explosie, maar door een waterstofsulfide intoxicatie, doet daar niet aan af.

Tegen die achtergrond zal het hof beoordelen of de verdachte nalatig is geweest ten aanzien van de in de tenlastelegging onder A, B, C en D opgenomen verplichtingen.

Onderhouden en controleren van de accu‘s

Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat met hetgeen onder A is opgenomen de verdachte kennelijk wordt verweten dat hij niet heeft voldaan aan zijn algemene onderhoudsverplichting die op hem als verhuurder - ook in het licht van de afspraken daarover met [betrokkene 2] - rusten. Het hof acht echter niet bewezen dat de verdachte nalatig is geweest ten aanzien van het deugdelijk onderhouden en controleren van de accu’s. Uit de overeenkomst die de verdachte met [betrokkene 2] had gesloten, blijkt weliswaar dat hij verantwoordelijk was voor onder meer het controleren van de accu’s, maar daarin stond niet gespecificeerd waaruit deze controles moesten bestaan. De accu’s aan boord van de ‘ [naam] ’ betroffen zogenaamde ‘onderhoudsvrije’ accu’s. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat vervanging van accu’s in de regel plaatsvindt als er klachten zijn. Er zijn geen richtlijnen die voorschrijven dat dergelijke accu’s regelmatig moeten worden gecontroleerd, hoe vaak dit moet gebeuren en op welke wijze. Niet kan worden vastgesteld dat er in de periode die aan de onderhavige huurperiode voorafging concrete aanwijzingen waren die noopten tot controle en vervanging van één van de accu’s. Uit het NFI-rapport blijkt bovendien dat de transitie van een nog redelijk functionerende naar een geheel defecte accu vrij plotseling kan gebeuren. Een regelmatige controle had dus niet kunnen voorkomen dat de accu van de één op andere dag defect raakte. Gelet daarop kan de verdachte ook niet worden verweten dat hij niet (tijdig) heeft geconstateerd dat één van de accu’s defect was en deze niet heeft vervangen. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.

Verrichten van adequaat onderzoek naar de vreemde lucht

Het hof acht wel bewezen dat de verdachte nalatig is geweest ten aanzien van het verrichten van een adequaat onderzoek naar de oorsprong van de vreemde lucht in de boot. Ongeacht het antwoord op de vraag of de verdachte deze geur al dan niet zelf ook heeft geroken, is het hof van oordeel dat hij meer onderzoek had moeten doen naar de door de huurders waargenomen lucht. De verdachte wist dat een rotte eierenlucht kan duiden op een defecte accu. Hij wist ook dat een defecte accu levensgevaarlijk kan zijn. Dat de huurders de door hen beschreven lucht niet specifiek hebben geduid als een ‘rotte eierenlucht’ doet hier niet aan af. De door hen geroken lucht is voor de verdachte immers ook aanleiding geweest om het accupakket te controleren. Dit brengt mee dat het op de weg van verdachte had gelegen - toen hij de oorzaak van de geroken lucht niet kon achterhalen - de accu’s nader te (laten) controleren dan wel een deskundige in te schakelen. Het hof leidt uit de verklaring van de getuige [betrokkene 3] af dat dit binnen de bedrijfsvoering niet ongebruikelijk was. [betrokkene 3] , die als onderhoudsmonteur bij de bedrijfsvoering was betrokken, heeft in dit verband verklaard dat hij in het algemeen wel eens wordt opgeroepen bij een schip dat naar rotte eieren stinkt en er een probleem met de accu’s is. De verdachte heeft [betrokkene 3] in dit geval echter niet om advies gevraagd. Aldus kan worden bewezen dat de verdachte nalatig is geweest ten aanzien van de onder B ten laste gelegde verplichtingen.

Voldoen aan de informatieverplichting

De verdachte wist dat een defecte accu dodelijke gevolgen kan hebben. Dit brengt mee dat hij de huurders had moeten wijzen op de mogelijke gevaren van een defecte accu. De verdachte heeft de huurders echter met de boot laten vertrekken zonder hen te informeren over de mogelijke oorzaak van de vreemde lucht. Ook heeft hij nagelaten om afspraken met hen te maken over hoe te handelen bij voortduring van de lucht en heeft hij na hun vertrek niet meer bij hen geïnformeerd of de lucht nog aanwezig was. Dit had hij wel moeten doen. Aldus kan worden bewezen dat de verdachte nalatig is geweest ten aanzien van de onder C ten laste gelegde verplichtingen.

Zorgdragen voor een deugdelijk ventilatiesysteem

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte nalatig is geweest ten aanzien van het zorgdragen voor een deugdelijk ventilatiesysteem. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat op de boot geen (deugdelijke) ventilatievoorziening aanwezig was, waardoor zich een fatale hoeveelheid waterstofsulfide heeft kunnen ophopen in de achterkajuit waar de slachtoffers sliepen. De verdachte wist dit echter niet en had dit ook niet hoeven weten. Uit het dossier blijkt dat de constructie van de boot niet meer origineel was, maar niet kan worden vastgesteld wanneer die is aangepast. Dat de ventilatievoorziening op de boot is aangepast in de periode dat de boot bij de verdachte in de verhuur was, kan niet worden vastgesteld. Voor de (ondeugdelijke) constructie van de boot kan de verdachte niet verantwoordelijk worden gehouden. Aldus kan de verdachte niet worden verweten dat op de boot geen deugdelijk ventilatiesysteem aanwezig was. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.

Conclusie

Op grond van het voorgaande kan worden bewezen dat de verdachte heeft nagelaten adequaat onderzoek te doen naar de oorsprong van de door de huurders op de boot geroken lucht, alsmede dat hij naar aanleiding daarvan niet heeft voldaan aan de op hem als professioneel verhuurder rustende informatieverplichting. Door hen onder die omstandigheden met de boot te laten vertrekken, terwijl hij wist dat een defecte accu dodelijke gevolgen kan hebben, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof zodanig onvoorzichtig gehandeld dat het aan zijn schuld is te wijten dat bij het laden van een defecte accu H2S (waterstofsulfide) is vrijgekomen in de achterkajuit van die boot waar de slachtoffers lagen te slapen, als gevolg waarvan zij zijn komen te overlijden. Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onachtzaam en nalatig.”

Het juridisch kader

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 307 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘schuld’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.

Art. 307 lid 1 Sr luidt:

“Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

De Hoge Raad heeft over schuld als bestanddeel het volgende overwogen::

“In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. (Vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.1 en 2.6.2.).”

Uit deze rechtspraak volgt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in aanmerkelijke onvoorzichtigheid die verwijtbaar is. Of daarvan sprake is, kan worden vastgesteld door een vergelijking te maken met het (te verwachten) handelen van de gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (de criteriumfiguur).

Het bewezenverklaarde art. 307 Sr is een culpoos gevolgsdelict zodat het veroorzaken van het gevolg centraal staat. In de hierboven geciteerde overweging van de Hoge Raad inzake ‘schuld’ komt het voorzienbaarheidsvereiste als zodanig niet voor, maar voor de beoordeling of de verdachte verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, is van belang of de verdachte bij zijn handelen het gevolg heeft kunnen en moeten voorzien.

Daarbij kunnen twee groepen gevallen worden onderscheiden. In de woorden van Lindenberg en Wolswijk bestaat de eerste groep “uit gevallen waarin sprake is van een objectief gezien onvoorzichtige, gevaarlijke gedraging. De objectieve onvoorzichtigheid bestaat daarbij dikwijls uit het veronachtzamen van de ter zake geldende veiligheidsnormen.” Deze voorschriften zijn juist uitgevaardigd om ongelukken te voorkomen en gelet op de aard van de voorschriften kan en moet een ieder voorzien dat het negeren van een dergelijk voorschrift tot ernstige, in de strafwet genoemde gevallen kan leiden. De tweede groep gevallen heeft betrekking op gedragingen binnen een meer alledaagse situatie, waarin sterke regulering ontbreekt. In die gevallen treedt de voorzienbaarheid meer naar de voorgrond en “is het niet goed mogelijk om een objectief foute gedraging uit het feitencomplex te isoleren. Hier komt het accent te liggen op de vraag wat de dader, gelet op de bijzonderheden van het geval, had kunnen en moeten voorzien”. De rechter zal in zo’n geval meer aandacht moeten besteden aan het bestaan van een objectief en voorzienbaar risico. Hij zal zorgvuldigheidsnormen moeten formuleren om het culpoze delict nader in te kleuren. Deze normen kunnen voortvloeien uit de voorzienbaarheid in die zin, dat de (van de verdachte verwachte) kennis van het gevaar dat een ongewenst gevolg, zoals de dood, zal intreden, maakt dat een zorgplicht ontstaat om op zo’n wijze te handelen dat dit gevaar wordt voorkomen. Deze zorgvuldigheidsnormen moeten verder worden afgeleid uit de criteriumfiguur. Daarbij komt het ook aan op de wijze waarop het bestanddeel ‘schuld’ in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd.

Het hof heeft in de onderhavige zaak niet vastgesteld dat de verdachte een voorgeschreven veiligheidsnorm heeft overtreden. Dit geval valt dus eerder onder de tweede beschreven groep waarin de voorzienbaarheid een belangrijke rol kan spelen. Het eerste middel stelt daarbij in de kern de vraag aan de orde waartoe deze voorzienbaarheid zich dient uit te strekken. Waar het hof zich immers afvraagt “of de gevolgen van een defecte accu voor de verdachte voorzienbaar waren”, neemt de steller van het middel het standpunt in dat moet worden beoordeeld of “de dodelijke H2S-intoxicatie - redelijkerwijs voorzienbaar was ten tijde van het handelen van verzoeker”. Het formuleren van de vraag bepaalt in dit geval de uitkomst van de zaak. Het hof heeft immers vastgesteld dat precies deze H2S-intoxicatie voor de verdachte niet voorzienbaar was.

Evenals de voorzienbaarheid niet wordt genoemd in het hiervoor geciteerde criterium van de Hoge Raad, heeft de Hoge Raad geen algemene uitspraak gedaan over het object van de voorzienbaarheid. Ook het oordeel daarover lijkt mij “afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.” In dit verband bespreek ik twee arresten van de Hoge Raad.

De eerste zaak is HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630. De bewezenverklaring hield in dat de verdachte, toen een kampvuur dreigde uit te gaan, wasbenzine uit een fles op het vuur had gesprenkeld. Daardoor was het vuur in de fles geslagen en was de fles ontploft, waardoor een of meer steekvlammen ontstonden. Drie scholieren hadden daardoor ernstige brandwonden opgelopen. Het hof had vastgesteld dat twee deskundigen hadden verklaard “dat de tijdens de tests waargenomen fysische effecten – in het bijzonder ook de horizontale steekvlam die is ontstaan – vóóraf door hen niet waren voorzien en dat de effecten hen hebben verrast”. Dat stond volgens het hof “in de weg aan het oordeel dat verdachte - die zoals de gemiddelde burger deze expertise mist - zulks wel had kunnen en moeten voorzien. Hoewel verdachte onvoorzichtig is geweest door in strijd met de waarschuwingen op de fles wasbenzine toch wasbenzine op open vuur te sprenkelen” kon volgens het hof niet worden gezegd dat verdachte “een zodanig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat dit schuld in strafrechtelijke zin met betrekking tot de tenlastegelegde gevolgen oplevert”. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het openbaar ministerie en stelde dat de overwegingen van het hof “aldus [moeten] worden begrepen dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte weliswaar onvoorzichtig heeft gehandeld, doch niet dat hij - mede in aanmerking genomen dat niet gezegd kan worden dat hij de gevolgen van zijn handelen had kunnen en moeten voorzien - zich "roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend" heeft gedragen, zoals is tenlastegelegd”. Dat oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad onderstreept hiermee dat de onvoorzichtigheid aanmerkelijk moet zijn.

Het tweede arrest waar ik op wijs, is HR 26 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:785. De vaststellingen van het hof hielden in deze zaak in dat de verdachte, na het drinken van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, in een volle trein is gestapt met een Cobra 6, waarna hij deze Cobra heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud in een prullenbak, als gevolg waarvan de Cobra tot ontploffing is gekomen waardoor diverse medereizigers letsel hebben opgelopen en schade is ontstaan aan het treinmeubilair. Het NFI had aan de hand van drie hypothesen onderzocht door welk mechanisme de ontploffing was veroorzaakt. Aan de hand van het NFI-rapport heeft het hof vervolgens vastgesteld dat het leegschudden van de Cobra in de prullenbak wrijving tussen de koker en het flitspoeder tot een ontsteking heeft geleid. In cassatie werd geklaagd over de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘schuld’, meer in het bijzonder werd aangevoerd dat het niet voorzienbaar was dat als gevolg van de handelingen van de verdachte een ontploffing zou kunnen optreden. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte moet worden aangemerkt als verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig - mede in aanmerking genomen dat een Cobra 6 illegaal zwaar vuurwerk is - niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad merkte verder op dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat de verdachte de ontploffing als gevolg van zijn handelen heeft kunnen en moeten voorzien. Ook dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.

In beide zaken was daarmee aan de orde of de ontstaanswijze van het gevaar voor de verdachte voorzienbaar was. In het geval van het kampvuur viel de ontstaanswijze echter samen met het bestaan van gevaar als zodanig. Omdat de verdachte dit gevaar niet kon en moest voorzien, hoefde hij (naar de normen van het strafrecht) niet anders te handelen. In het geval van de Cobra werd de voorzienbaarheid van het gevaar vooral afgeleid uit het feit dat het ging om illegaal zwaar vuurwerk. Deze aard van het object had de verdachte er van moeten weerhouden te handelen zoals hij heeft gedaan, ongeacht of hij de wijze van het ontstaan van de ontploffing kon voorzien.

Dit is in overeenstemming met de hiervoor beschreven systematiek dat de noodzaak tot anders handelen kan voortvloeien uit het voorkomen van het intreden van een gevaar dat bekend kon en moest zijn. Het voorzienbaarheidsvereiste strekt dan niet zo ver dat de verdachte steeds de concrete en precieze uitwerking van zijn handelen heeft kunnen en moeten voorzien. Dat zou, naar het mij voorkomt, in de meeste gevallen ook een onwerkbaar criterium opleveren. Voldoende is dat de verdachte het algemene gevolg van zijn handelen heeft kunnen en moeten voorzien. Dit kan anders zijn naarmate het (concrete) gevolg verder af staat van hetgeen de verdachte heeft kunnen en moeten voorzien en dit doorwerkt in de toepasselijke zorgvuldigheidsnormen.

Bespreking van het eerste tot en met het derde middel

De tenlastelegging houdt (onder meer in) in dat de verdachte zich aanmerkelijk onachtzaam en nalatig heeft gedragen door geen adequaat onderzoek te doen naar de oorsprong van de door de huurders en medeopvarenden geroken vreemde lucht in de boot en dat hij niet heeft geconstateerd waar die vreemde lucht vandaan kwam en geen informatie heeft verstrekt of afspraken heeft gemaakt met de huurders en medeopvarenden over een mogelijke oorzaak van de vreemde lucht en over hoe te handelen bij het voortduren van die lucht.

De vaststellingen van het hof houden in dat de huurders bij het ophalen van de boot aan de verdachte hebben medegedeeld dat zij een geur van een doucheputje roken en dat de verdachte toen heeft onderzocht waar de geur vandaan zou komen door onder meer het accupakket te controleren en te voelen of er een accu warm was. De verdachte heeft de oorzaak van de lucht niet kunnen achterhalen en heeft hiervoor ook geen hulp ingeschakeld. De huurders zijn vervolgens met de boot vertrokken en de slachtoffers zijn twee dagen later overleden door inhalatie van waterstofsulfide. Het hof heeft verder vastgesteld dat één van de accu’s onder het bed in de achterkajuit defect was, dat deze accu de bron is geweest van de dodelijke concentratie waterstofsulfide en dat waterstofsulfide een zeer giftig gas is met de geur van rotte eieren.

Het hof heeft vervolgens de criteriumfiguur bepaald op de professioneel verhuurder van boten. De verdachte had in die hoedanigheid een bijzondere verantwoordelijkheid voor de goede staat van zijn boten en voor de veiligheid van zijn huurders aan boord. Als verhuurder was hem verder bekend dat een defecte accu (onder een bed) dodelijke gevolgen kan hebben. Hierin ligt besloten dat een boot niet zal mogen worden gebruikt als deze een defecte accu heeft.

Het hof heeft daarna vastgesteld dat de verdachte door de gerapporteerde geur reden had om te denken aan een defecte accu en dat hij hier ook daadwerkelijk aan heeft gedacht aangezien hij aan de accu heeft gevoeld.

Uit deze voorzienbaarheid, dat wil zeggen de kennis van de kans op een defecte accu en van het levensgevaar die dit meebrengt, heeft het hof de (ongeschreven) zorgvuldigheidsnormen afgeleid dat de verdachte de accu’s nader had moeten (laten) controleren dan wel een deskundige had moeten inschakelen. In dat verband heeft het hof nog opgemerkt dat het binnen de bedrijfsvoering niet ongebruikelijk was om [betrokkene 3] , die als onderhoudsmonteur bij de bedrijfsvoering was betrokken, op te roepen bij een schip dat naar rotte eieren stinkt en er een probleem is met de accu’s is. Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat de verdachte de huurders had moeten wijzen op de mogelijke gevaren van een defecte accu en dat hij heeft nagelaten om afspraken te maken over hoe te handelen bij voortduring van de lucht. Dit komt erop neer dat de verdachte had moeten zekerstellen dat geen sprake was van een defecte accu, hetzij door de accu meteen te onderzoeken, hetzij door na te gaan of de lucht aanhoudt.

Ten slotte komt het hof komt tot het oordeel dat voor het bovenstaande de verdachte niet bekend hoefde te zijn met het gevaar van waterstofsulfide, maar dat voldoende was dat hij wel bekend was met de mogelijk gevaren van een defecte accu vanwege de vorming van knalgas en de kans op ontploffing. Dat oordeel getuigt in het licht van hetgeen onder randnummers 3.4 - 3.15 is opgenomen niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de vaststellingen van het hof besloten ligt dat de verdachte ter voorkoming van het gevaar van knalgasvorming niet anders had moeten handelen dan ter voorkoming van het gevaar van waterstofsulfidevorming. Dat betekent dat het eerste middel faalt.

Het tweede middel houdt in dat het hof in het midden heeft gelaten wat onder het door de verdachte nagelaten adequate onderzoek moet worden verstaan en het derde middel bevat de klacht dat het hof zijn oordeel dat de verdachte zijn informatie- en waarschuwingsplicht heeft geschonden onvoldoende heeft gemotiveerd.

Uit het voorgaande vloeit echter voort dat het hof voldoende duidelijk heeft gemaakt welke zorgvuldigheidsnormen door de verdachte zijn geschonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat in de vaststellingen van het hof besloten ligt dat deze (ongeschreven) zorgvuldigheidsnormen ertoe strekten het risico op zowel knalgasvorming als waterstofsulfidevorming te voorkomen. Dat betekent dat het tweede en derde middel faalt.

Het oordeel van het hof kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

Het eerste, tweede en derde middel falen.

4. Het vierde middel

Het vierde middel houdt in dat het door de verdachte in hoger beroep ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt omtrent de bron van de waterstofsulfide en de betrouwbaarheid en draagkracht van het deskundigenbewijs, ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

De pleitnota houdt voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):

“Procesverloop

(…)

12. Relevant in dat verband is de vraag hoeveel H2S eigenlijk uit de kapotte accu kon ontstaan en of zonder twijfel kan worden vastgesteld dat die hoeveelheid ook dodelijk kan zijn, maar ook of er geen andere alternatieve bronnen aanwezig waren op het schip. De reden daarvan is voornamelijk gelegen in het feit dat er geen algemene bekendheid is dat uit een accu zich zoveel H2S kan vormen als gevolg waarvan zodanig gevaar is te duchten voor mensen met de kans op overlijden.

13. Voorbeelden hiervan zijn er eigenlijk niet, hetgeen ook de interesse heeft aangewakkerd van [deskundige 6] . In dat geval zal er namelijk ook rekening mee moeten worden gehouden in het kader van de arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving. Ongevallen als gevolg van H2S- vergiftiging zijn in de praktijk wel bekend, maar uitsluitend in zeer specifieke contexten: mestgassen, riool- of afvalwater, en biogasinstallaties. Denk aan het tragische ongeval van 04 oktober 2010, waarbij drie personen omkwamen na het betreden van een container met een klein laagje afvalwater, of het ongeval van 9 december 2014, waar een werknemer overleed door H2S dat zich had gevormd in het afvalwater in het riool. Situaties die wezenlijk verschillen van die van een pleziervaartuig met een accu.

14. Redenen waarom de verdediging bij haar appelschriftuur ook verzocht heeft om aanvullend onderzoek en in dat kader ook de zeer uitvoerige reactie van de deskundige op het technische rapport van het NFI heeft overgelegd.

15. Uw Hof heeft aanvullend onderzoek slechts beperkt toegestaan. Zo zijn twee wetenschappelijke artikelen overgelegd waar het NFI naar heeft verwezen in haar rapportage alsook is nog de aanvullende vraag gesteld of het NFI kort gezegd kon aangeven of een defecte accu zoals aangetroffen in de boot in het algemeen een hoeveelheid H2S kan produceren die dodelijke gevolgen kan hebben. De bredere set vragen die door de verdediging was geformuleerd, is afgewezen.

16. Helaas volgt uit de reactie van het NFI geen eenduidig antwoord op de hiervoor genoemde vraag . Zo wordt slechts in algemene zin aangegeven dat een defecte accu zoals aangetroffen op de boot onder de gegeven omstandigheden een dergelijke hoeveelheid H2S kan produceren.

17. Er wordt / is geen berekening gemaakt van de maximale hoeveelheid H2S die door de specifieke, defecte accu kan worden uitgestoten. Duidelijk is ook dat de gebruikte meetmethode (multigasmonitor) wetenschappelijk ongeschikt is om in gasmengsels betrouwbaar aan te tonen dat H2S aanwezig was en dat de onderzoeken waar het NFI zich op baseert verricht zijn op zogenaamde VRLA-accu’s - een ander type dan de in deze zaak relevante klassieke open loodzuuraccu, waarbij het chemisch proces wezenlijk anders verloopt. Ook zijn geen ventilatiegegevens meegenomen, terwijl die cruciaal zijn om in te schatten of een dodelijke concentratie überhaupt bereikt kon worden.

18. Getracht is vervolgens om uw Hof alsnog te bewegen aanvullend onderzoek te laten plaatsvinden nu de verdediging dit noodzakelijk acht voor de vraag of het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Ik verwijs u dienaangaande ook naar de inhoud van het aanvullende verzoek d.d. 24 juni 2025 waarin duidelijk is gemotiveerd waarom aanvullend onderzoek noodzakelijk is.

19. Desondanks was uw Hof de mening dat dit niet meer noodzakelijk is. Ik denk daar anders over, hetgeen ik straks nog zal toelichten. De conclusie van het ontbreken van aanvullend onderzoek zal in ieder geval zijn dat niet met overtuiging gesteld kan worden dat de defecte accu de boosdoener is geweest.

20. Als gevolg van het niet toestaan van aanvullend onderzoek ben ik tezamen met cliënt en onze deskundige, [deskundige 6] naar het bewuste schip gegaan om zelf zaken te kunnen vaststellen. Foto’s daarvan heb ik u doen toekomen, met een korte toelichting onder de betreffende foto’s.

21. Daarmee komt er, voordat ik toekom aan de juridische beoordeling, eerst één fundamentele vraag naar voren: staat wel vast wat de feitelijke oorzaak is geweest? Tot op heden is zowel het NFI als de Rechtbank uitgegaan van de hypothese dat de defecte accu verantwoordelijk was voor het vrijkomen van de dodelijke concentratie H2S. Uit de nadere vragen aan het NFI, de analyse van [deskundige 6] en de inspectie die wij zelf hebben uitgevoerd, blijkt dat dit allerminst zeker is. Integendeel: er zijn technische hiaten, alternatieve bronnen die nooit zijn onderzocht en ontbrekende berekeningen over hoeveelheden en ventilatie.

22. Het is dus noodzakelijk om eerst stil te staan bij enkele technische vragen, te weten: Kan een defecte accu onder de gegevens omstandigheden (volume kajuit, ventilatie, type accu) een dodelijke hoeveelheid H2S produceren? En indien dat theoretisch mogelijk is, is dat in déze zaak ook aannemelijk / overtuigend gemaakt? En zijn er juist niet reële alternatieve bronnen of oorzaken die door het NFI zijn gemist of uitgesloten?

23. Pas daarna kan het juridisch kader goed worden toegepast. Want zelfs als men zou aannemen dat de accu de bron was, rijst vervolgens de vraag of dit gevaar voor mijn cliënt voorzienbaar was en of hem een aanmerkelijke mate van schuld kan worden verweten.

24. Alvorens dus in te gaan op het juridisch kader ontkom ik er niet aan om nader in te gaan op enkele technische vragen, waarin ik zal laten zien dat de bron van het gas niet met zekerheid kan worden vastgesteld.

Technische kernvragen / bron H2S / niet met overtuiging vast te stellen

25. Allereerst dus de vraag of de defecte accu verantwoordelijk was voor het vrijkomen van een dodelijke concentratie H2S in de slaapkamer. Volgens de Rechtbank, het Openbaar Ministerie en het NFI was de defecte accu daarvoor verantwoordelijk.

Kan een defecte natte loodzuuraccu onder de feitelijke omstandigheden een dodelijke h2s-concentratie bereiken?

26. Het NFI heeft geen berekening gemaakt van de hoeveelheid H2S die deze specifieke natte loodzuuraccu kan uitstoten of van de maximaal te verwachten concentratie in de slaapkamer. Ook zijn geen ventilatiegegevens vastgesteld of doorgerekend. Zonder hoeveelheid (debiet) en ventilatie is geen uitspraak mogelijk over het bereiken van dodelijke concentraties.

27. Het NFI leunt vooral op VRLA-studies (recombinatie/gel) in plaats van op open (klassieke) loodaccu’s, terwijl de chemie en gasdynamiek wezenlijk verschillen.

28. Bij het onderzoek door [deskundige 1] en [deskundige 2] , was de maximaal vrijkomende concentratie niet duidelijk doordat het meetbereik van de gebruikt analyse apparatuur begrenst was op 10 ppm, waarbij is gemeten in de lucht onder een stolp die over de accu was geplaatst. Bij dit onderzoek is bewezen dat er, bij een te warme VRLA-accu meer dan 10 ppm H2S kan ontstaan onder een stolp die over de accu is geplaatst. Hoeveel meer dan 10 ppm is onduidelijk omdat de analyse apparatuur geen hogere concentratie kon meten.

29. [deskundige 1] en [deskundige 2] concluderen daarom ten onrechte dat er onder de stolp een concentratie van 10.000 ppm zou kunnen ontstaan, want dat hebben zij niet gemeten. Voor deze conclusie verwijzen zij naar het onderzoek van [deskundige 3] ., [deskundige 4] en [deskundige 5] , maar die hebben dit ook niet gemeten en zelfs een veel lagere concentratie gemeten.

30. [deskundige 3] ., [deskundige 4] en [deskundige 5] hebben niet de lucht onder een stolp gemeten, maar hebben in het gas gemeten zoals dat ontstond in de accu, waarbij zelfs geen hogere concentratie is gemeten dan 1 ppm H2S. Als het gas wat ontstaat 1 ppm H2S bevat dan kan een ophoping van dit gas in lucht geen hogere concentratie dan 1 ppm opleveren.

31. Het gegeven dat bij het onderzoek met de stolp 10 ppm H2S werd gemeten en bij het onderzoek zonder stolp 1 ppm H2S kan mogelijk veroorzaakt worden doordat bij het onderzoek met de stolp de accu kunstmatig op een te hoge temperatuur werd gehouden. Chemische reacties zijn vaak temperatuurafhankelijk. Het gegeven dat deze twee onderzoeken niet dezelfde H2S concentraties opleverden maakt ook duidelijk dat extrapolatie van een of beide onderzoeken naar de accu van het ongeval kan leiden tot een onjuiste conclusies. Het is methodologisch simpelweg onjuist.

32. Indien de aanname, dat er onder de stolp een concentratie van 10.000 H2S kon ontstaan, klopt, dan is dat nog geen bewijs dat er in de slaapkamer van het bewuste schip een levensbedreigende H2S concentratie kon ontstaan. Want als de kleine hoeveelheid lucht, van enkele liters, onder de stolp wordt verdund in de lucht in de slaapkamer, met een volume van ongeveer 22.000 liter, dan resulteert dat in een concentratie in de orde van 1 ppm die niet levensbedreigend is.

33. [deskundige 6] heeft wel een poging gedaan om tot een berekening te komen, gebaseerd op basis van de accugrootte, het aanwezige elektrolyt en de beschikbare laadstroom en komt dan op een aanname van een H2S productie van 1,13 liter per uur. In combinatie met de benodigde ventilatie in de slaapkamer zou dat een maximale concentratie van 35 ppm opleveren. Dat ligt onder de RIVM levensbedreigende waarde van 51 ppm (1-uurs expositie) en rond de AGW (alarmeringsgrenswaarden). Zelfs als je uitgaat van een theoretische ‘worstcase’ kom je niet boven de 50 ppm. Daarmee is het dus allesbehalve aannemelijk dat de accu de dodelijke concentratie heeft veroorzaakt.

34. Een belangrijk aandachtspunt bij deze berekening is dat uitgegaan wordt van een sterk vereenvoudigd model waarbij ervan wordt uitgegaan dat alle laadstroom volledig wordt gebruikt voor de vorming van H2S. Dat is echter een theoretisch "worst case scenario” dat in de praktijk vrijwel niet voorkomt. In werkelijkheid wordt slechts een klein deel van de laadstroom omgezet in H2S. Het grootste deel van de stroom gaat namelijk naar andere reacties, zoals de ontleding van water waarbij waterstof (H2) en zuurstof (O2) vrijkomen. Dit betekent dat de feitelijk te verwachten hoeveelheid H2S - en daarmee de concentratie in de ruimte - hooguit een fractie zal zijn van de berekende maximale waarde.

35. Bovendien zijn de metingen waar het NFI zich op baseert niet betrouwbaar. Er is gemeten met een multigasmonitor die in gasmengsels bekend staat om kruisgevoeligheid. Een signaal dat op H2S wijst, kan net zo goed door andere gassen worden veroorzaakt, zoals SO2 (zwaveldioxide) of zelfs CO (koolmonoxide). Er zijn ook geen harde ppm-waarden gerapporteerd.

36. De conclusie van het NFI is dan ook niet zondermeer juist. Sterker nog, niet kan worden uitgesloten dat de bron een andere is geweest, althans op basis van de rapportages zoals die nu zijn overgelegd kan niet met overtuiging worden gesteld / staat niet vast dat het de defecte accu moet zijn geweest. Misschien zijn het zelfs meerdere bronnen geweest?

Zijn / waren er alternatieve bronnen van H2S of CO die niet zijn onderzocht of uitgesloten?

37. Wat wel vaststaat is dat er op het schip meerdere alternatieve bronnen aanwezig waren. Tijdens de inspectie die ik samen met cliënt en [deskundige 6] heb uitgevoerd, hebben wij geconstateerd dat het toilet was aangesloten, zonder zwanenhals of waterslot, vermoedelijk rechtstreeks op de vuilwatertank. Er was geen water te zien in de toiletpot, maar je keek in een donker gat waardoor er geen zwanenhals is aangetoond. Daarmee bestaat mogelijk een open verbinding tussen rioolgassen en de verblijfsruimte. Het is algemeen bekend dat in vuilwatertanks H2S kan ontstaan. Een klein laagje afvalwater is al voldoende om een levensbedreigende situatie te laten ontstaan. Zie de uitspraak van de Rechtbank 04 oktober 2010.

38. Opvallend is in dat verband ook dat de brandweer juist de hoogste H2S waarden heeft gemeten in de doucheruimte/toilet, waar die verbinding uitkomt. Toch is er nooit een luchtmonster van de vuilwatertank genomen en is deze potentiële bron niet verder onderzocht.

39. Ook de vlotterbak bij de achterste douche, wederom de plek waar de hoogste waarden werden gemeten, is nooit onderzocht. En bij de inspectie zagen wij bovendien dat de uitlaat van de dieselstandkachel ondeugdelijk was gemonteerd, met een zichtbare spleet naar de buitenwand. Dat maakt dat koolmonoxide kon terugwaaien de machinekamer in, en mogelijk ook de slaapruimte. Ook dat is nooit onderzocht.

40. Dat deze alternatieven serieus zijn, blijkt niet alleen uit onze inspectie. Ook in het proces-verbaal van het OM zelf, opgemaakt door [deskundige 7] , arts medische milieukunde en biotechnicus, wordt gewezen op de mogelijkheid dat zowel H2S als CO een rol kan hebben gespeeld. Hij noemt expliciet de kans op CO-vorming in een afgesloten ruimte en stelt de vraag of naast de accu’s ook een toilet (chemisch of normaal) aanwezig was. Hiermee uiteraard doelend op een vuilwatertank. Hij heeft zelfs een artikel overgelegd waarin de risico’s van vuilwatertanks op schepen worden beschreven. Daarmee is ook vanuit het [deskundige 7] zelf gesignaleerd dat de oorzaak niet vanzelfsprekend bij de accu's lag . Nader onderzoek heeft zich daar echter niet op gericht.

41. Alles bij elkaar leidt dit tot één onvermijdelijke conclusie: het staat voor mij niet onomstotelijk vast dat de defecte accu de bron is geweest van een dodelijke concentratie H2S. Het onderzoek van het NFI schiet daarvoor te kort, de metingen zijn niet betrouwbaar, en alternatieve bronnen zijn aanwezig maar nooit onderzocht of uitgesloten. Sterker nog: de enige kwantitatieve berekening die wél is gemaakt, door onze eigen deskundige, [deskundige 6] , laat zien dat de maximale concentraties vermoedelijk onder de levensbedreigende grens blijven.

42. Geachte Voorzitter, als al op technisch niveau niet overtuigend kan worden vastgesteld wat de oorzaak van dit ongeval is geweest, dan ontbreekt daarmee het fundament voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Zonder zekerheid over de bron en de feitelijke toedracht kan men cliënt niet verwijten dat hij een voorzienbaar levensbedreigend risico heeft miskend.

43. En daarmee kom ik bij het juridisch kader. Want zelfs als wij, louter hypothetisch, zouden aannemen dat de accu wel de bron was, dan rijst nog steeds de vraag of cliënt zich van dat specifieke gevaar bewust had moeten zijn en of hij redelijkerwijs maatregelen had moeten treffen. Het antwoord daarop is - zoals ik vandaag al eerder aangaf - ontkennend: de kennis dat een natte loodzuuraccu dodelijke hoeveelheden H2S kan produceren is niet algemeen bekend, wordt niet beschreven in de literatuur, en was ook voor deskundigen nieuw. De vraag of cliënt dit gevaar had moeten voorzien, raakt dus de kern van de juridische beoordeling: kan hem aanmerkelijke nalatigheid worden verweten?”

Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de feitenrechter beslist welk bewijsmateriaal hij betrouwbaar en bruikbaar acht en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Hij hoeft de beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in beginsel niet te motiveren. Dat is anders wanneer door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Wanneer de rechter dit standpunt niet aanvaardt, moet hij dit in de uitspraak beargumenteerd weerleggen. Hoever die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. De motiveringsplicht van de feitenrechter gaat niet zover dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Het geval kan zich voordoen dat de nadere motivering besloten ligt in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen.

Ter illustratie noem ik HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1684. In deze zaak had het openbaar ministerie ter terechtzitting in hoger beroep een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen dat het DNA-onderzoek dat was uitgevoerd door het TMFI en NFI betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs was. Het hof was van dat uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken en had niet meer overwogen dan dat “de totstandkoming van de rapportages (...) nog steeds veel vragen oproept omtrent de betrouwbaarheid van dat onderzoek”. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv in onvoldoende mate de redenen heeft opgegeven die tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid.

In de onderhavige zaak heeft het hof de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt echter in meer vaststellingen ingebed. Het hof heeft vastgesteld dat de defecte accu die zich onder het bed in de achterkajuit van de boot bevond, de bron is geweest van de dodelijke concentratie waterstofsulfide en dat er geen deugdelijk ventilatievoorziening op de boot aanwezig was, waardoor de fatale hoeveelheid waterstofsulfide zich kon ophopen in de achterkajuit van de boot. Uit de rapportages van het NFI leidt het hof af dat een dergelijke accu onder de gegeven omstandigheden een dodelijk hoeveelheid waterstofsulfide kan produceren. De stelling van de verdediging dat de waterstofsulfide uit een andere bron afkomstig kan zijn, zoals de vuilwatertank, heeft het hof als niet aannemelijk terzijde geschoven. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat niet is gesteld of gebleken dat de vuilwatertank niet deugdelijk functioneerde en dat de tank en de leidingen van de boot voorafgaand aan de winterperiode droog waren gemaakt en de vuilwatertank dat vaarseizoen nog nauwelijks was gebruikt.

Daarmee heeft het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd verworpen. Daarbij neem ik in aanmerking dat niet is betwist dat de slachtoffers zijn overleden door waterstofsulfidevergiftiging en dat evenmin is betwist dat de accu onder het bed van de slachtoffers defect was en dat een defecte accu waterstofsulfide kan uitstoten. Gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.

Het vierde middel faalt.

5. Het vijfde middel

Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof op 25 juli 2025 het door de verdediging ingediende verzoek tot aanvullend (deskundigen)onderzoek ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen op de grond dat de noodzaak ontbreekt.

De raadsman van de verdachte heeft brief van 24 juni 2025 een verzoek gedaan om aanvullend onderzoek te laten verrichten. Deze brief houdt in (met weglating van een bijlage):

“Edelgrootachtbaar College,

Namens client, [verdachte] , verzoek ik u om aanvullend onderzoek te verrichten. Dit naar aanleiding van beantwoording door het NFI op 29 januari 2025 van de aanvullende vraag en het ter beschikking stellen van het verzochte artikel van [deskundige 1] . Een en ander wordt als volgt toegelicht.

Bij tussenarrest heeft uw Hof het onderzoek heropent en het verzoek tot het verrichten van nader onderzoek partieel toegewezen, met dien verstande dat de volgende aanvullende vraag wordt gesteld aan de deskundige ing. [deskundige 8] van het NFI:

Kan een defecte accu zoals aangetroffen in de boot waarop de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden, in het algemeen een hoeveelheid waterstofsulfide (Ha) produceren die een dodelijk gevolg kan hebben, gegeven de omstandigheid van een kleine, afgesloten ruimte zoals de slaapkamer op de boot waar de slachtoffers zijn overleden en de omstandigheid van de locatie van de accu's onder de bedden in de slaapkamer?

Voorts heeft uw Hof het NFI verzocht het door de verdediging opgevraagde artikel `hydrogen sulfide and sulfer dioxide evolution from a valve-regulated lead-acid-battery' (van [deskundige 1] , [deskundige 2] en [deskundige 9] ), welk artikel is aangehaald in het NFI rapport technisch onderzoek van 2 juni 2022, over te leggen aan uw Hof.

De overige onderzoekswensen zijn afgewezen, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.

De verdediging heeft kennis genomen van de reactie van het NFI d.d. 29 januari 2025 alsmede een kopie ontvangen van het hiervoor genoemde artikel. Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging gevraagd aan haar eigen deskundige, [deskundige 6] hierop te reageren. Dit heeft geleid tot een aantal relevante bevindingen / vervolgvragen op grond waarvan de verdediging van mening is dat aanvullend onderzoek alsnog is aangewezen. Als productie 1 wordt een kopie overgelegd van de reactie van [deskundige 6] op de stukken van het NFI.

De verdediging is zich bewust van het feit dat er al eerder gevraagd is om aanvullend onderzoek en dat dit toen slechts beperkt is toegestaan. Het betreft echter een complexe situatie met ernstige gevolgen. De verdediging heeft er dan ook belang bij dat alles zorgvuldig wordt uitgezocht en uitgesloten.

In reactie op de beantwoording van het NFI van 29 januari 2025 is door [deskundige 6] op een aantal wezenlijke punten kritiek geuit. Deze kritiek raakt de kern van de bewijsvoering, namelijk of het aannemelijk is dat de slachtoffers zijn overleden door een H2S vergiftiging afkomstig uit een kapotte accu onder het bed, of is dat niet mogelijk? Kan de bron van H2S ook een andere zijn of is de doodsoorzaak door een ander gas gekomen?

De inhoud van de als productie 1 overgelegde reactie spreekt voor zich. De inhoud daarvan dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Kort samengevat zijn de navolgende zaken relevant.

(…)

Conclusie

De bevindingen van [deskundige 6] geven de verdediging aanleiding uw Hof wederom te verzoeken aanvullend onderzoek te laten verrichten en in dat kader het NFI te vragen de hierna weergegeven vragen te beantwoorden die door [deskundige 6] zijn gesteld.

Er is eenvoudigweg teveel twijfel met betrekking tot de herkomst van het gas, de meetmethode, de wetenschappelijke onderbouwing en de feitelijke (on)mogelijkheid van een dodelijke concentratie. Bovendien zijn andere doodsoorzaken, zoals koolmonoxidevergiftiging, onvoldoende onderzocht.

De vragen / verzoeken

1. Kan het NFI, gelet op de aard en toestand van de aangetroffen accu, de afmetingen van de slaapkamer (ca. 12 m3) en de aanwezige ventilatie (zoals het ventilatierooster en openstaande schuifdeur), aangeven wat de maximaal theoretisch te bereiken H2S-concentratie is geweest in deze ruimte?

Het hof wordt in overweging gegeven het NFI te vragen of onder de gegeven omstandigheden een H2S-concentratie kon ontstaan die acuut dodelijk is bij een blootstelling zoals vermoed in deze casus. Indien een berekening niet mogelijk is, wordt het NFI gevraagd dit gemotiveerd aan te geven.

2. Kan het NFI, mede gelet op de bevindingen van [deskundige 6] , alsnog onderbouwen in hoeverre bij het onderzoek ter plaatse op 21 april 2021 daadwerkelijk sprake was van de aanwezigheid van waterstofsulfide (H2S)?

Daarbij wordt gevraagd specifiek in te gaan op de betrouwbaarheid van de gebruikte multigasmonitor, de rol van kruisgevoeligheid (voor o.a. waterstof), en of een foutpositieve aanduiding van H2S kan zijn opgetreden. Kan het NFI aangeven waarom zij het onderzoek van [deskundige 3] ., [deskundige 4] en [deskundige 5] als bewijs beschouwen als bewijs dat er uit een accu een levensbedreigende H2S concentratie kon ontstaan in de slaapkamer van het schip?

3. Kan het NFI aangeven welke meetwaarde (in ppm) op dat moment door de multigasmonitor is weergegeven, op welke locatie deze meting plaatsvond en of deze waarde, indien betrouwbaar, in enige mate richtinggevend is voor de concentratie in de slaapkamer als geheel?;

4. Kan het NFI toelichten op basis van welk empirisch of wetenschappelijk onderzoek aan klassieke (open) loodzuuraccu's haar stelling is gebaseerd dat ‘het vrijkomen van waterstofsulfide uit dergelijke accu's bekend is'?

Daarbij wordt nadrukkelijk verzocht of de bronnen betrekking hebben op situaties waarin —

zonder kunstmatige testomstandigheden — in een open ruimte een dodelijke H2S-concentratie kon ontstaan

5. Kan het NFI uitleggen waarom het onderzoek van [deskundige 3] , [deskundige 4] en [deskundige 5] — waarin een maximale concentratie van 1 ppm werd gemeten — desondanks wordt gezien als bewijs voor de mogelijkheid van een dodelijke H2S-concentratie in de slaapruimte van het schip?

Daarbij wordt gevraagd in te gaan op de verdunningseffecten in een ruimte van circa 12 m3;

6. Kan het NFI onderbouwen op welke gronden zij uit het onderzoek van [deskundige 1] en [deskundige 2] concludeert dat, onder de feitelijke omstandigheden op het schip (zonder stolp, met ventilatie), een H2S-concentratie kon ontstaan die boven de dodelijke grenswaarde ligt?

Daarbij wordt het NFI verzocht in te gaan op de relevante verschillen tussen de laboratoriumopstelling (oververhitte accu in een stolp) en de situatie aan boord;

7. Kan het NFI — mede met behulp van de wet van Faraday — berekenen of inschatten wat het maximale debiet aan H2S kan zijn geweest dat uit de defecte accucel is vrijgekomen? Daarbij wordt verzocht rekening te houden met:

a. het aandeel van de stroom dat door de defecte cel liep,

b. de verdeling van die stroom over de H2S-vormende reacties en overige reacties (zoals waterontleding),

c. en eventuele aanwijzingen voor waterstofvorming (zoals gemeten CO-waarden met kruisgevoeligheid).

8. Kan het NFI, mede gelet op de gemeten waarde van 23,4 ppm koolmonoxide (CO) door de brandweer na ventilatie, nagaan of CO een (mede)oorzaak van het overlijden kan zijn geweest?

Daarbij wordt gevraagd te onderzoeken of deze CO-concentratie vóór ventilatie tot boven de dodelijke drempel kon hebben gelegen, en wat de meest waarschijnlijke bron was, in het bijzonder of rookgassen van de aanwezige dieselstandkachel de ruimte konden binnendringen;

9. Kan het NFI een beoordeling geven van de plausibiliteit dat de H2S-concentratie (deels of geheel) afkomstig was van de vuilwatertank aan boord?

Gelet op het feit dat het schip over een vuilwatertank beschikte, de verbinding via de WC-pot, de openstaande schuifdeur, het ventilatierooster en het feit dat de hoogste concentratie gemeten werd in de aangrenzende doucheruimte, wordt het NFI verzocht deze alternatieve bron in haar analyse te betrekken en een inschatting te maken van de relatieve waarschijnlijkheid ten opzichte van de accu.

10. Kan het NFI zich uitlaten over de fysieke plausibiliteit van de aanname dat H2S zich in een afgesloten ruimte ophoopt in de onderste luchtlaag ('uitzakt') en dus alleen de slachtoffers kon bereiken, zonder dat de volledige ruimte met gas verzadigd hoefde te raken?

Daarbij wordt verzocht te reageren op het onderzoek van [deskundige 10] & [deskundige 11] (Fermilab), dat concludeert dat in reële omstandigheden gasmenging optreedt en stratificatie niet optreedt zoals verondersteld.”

Het hof heeft per e-mailbericht van 25 juli 2025 de onderzoekswensen afgewezen. Dit emailbericht houdt in:

“Geachte mr. Woltman,

Op 30 september a.s. staat de behandeling van de zaak van uw client [verdachte] (parketnummer 21-004284-23) gepland op de MK-zitting van het hof te Leeuwarden.

Het hof heeft uw brief van 24 juni 2025 met daarin het verzoek om aanvullend onderzoek te laten verrichten in goede orde ontvangen.

Namens de voorzitter bericht ik u hierop als volgt. In het licht van het dossier en hetgeen het hof in zijn tussenarrest van 30 september 2024 heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de noodzaak om aanvullend onderzoek te laten verrichten zoals verzocht in uw brief van 24 juni 2025 ontbreekt. Dit betekent dat het verzoek van de verdediging wordt afgewezen en dat de zaak op de zitting van 30 september 2025 inhoudelijk zal worden behandeld.

lk vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. lk stuur een afschrift van deze brief aan de advocaat- generaal, zodat hij ook op de hoogte is van de beslissing van het hof.”

Over dit middel kan ik kort zijn. De afwijzing van de onderzoekswensen door het hof per emailbericht is niet een op de terechtzitting gegeven beslissing waartegen op de voet van art. 427 Sv in verbinding met art. 138 Sv beroep in cassatie openstaat. Daarop stuit de klacht af.

Het vijfde middel faalt.

6. Afronding

Alle middelen falen, waarbij het vierde en vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand