PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04160
Zitting 3 november 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 6 november 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnummer 21-002668-25, ECLI:NL:GHARL:2025:6978) wegens de eendaadse samenloop van “het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en “het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis en met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaak 25/04191. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Samenvatting
Kort gezegd heeft volgens het hof de verdachte in deze zaak samen met twee anderen op 26 mei 2025 in [plaats] een gedenkplaats beschadigd, die was ingericht om de twee jongere kinderen [naam 1] en [naam 2] te herdenken die op die plek kort daarvoor op een tragische wijze om het leven zijn gekomen. Ook hebben zij knuffels weggemaakt, door deze knuffels van de gedenkplaats te pakken en mee te nemen. De verdachte heeft dit gefilmd en dit filmpje verspreid. Volgens het hof zouden zij art. 350 Sr hebben overtreden.
In het eerste middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ als goed in de zin van art. 350 lid 1 Sr moet worden aangemerkt. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de herdenk- en/of gedenkplaats (bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen) en meerdere knuffels ‘geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en zijn mededaders, toebehoorden’. Het derde middel bevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de herdenk- en/of gedenkplaats is beschadigd.
Het hof heeft overwogen dat door veel mensen knuffels, bloemen en kaarsen zijn neergelegd om uitdrukking te geven aan hun gevoelens om [naam 2] en [naam 1] . Dit gebeurde binnen een afgrensde locatie, waardoor een geordend geheel is ontstaan dat op een organische manier een (tijdelijke) gedenkplaats heeft gevormd. Dit is volgens het hof ‘een goed’ dat kan worden ‘beschadigd’ door een van de neergelegde zaken weer weg te halen. Volgens het hof volgt hieruit ook dat de mensen die de zaken hebben neergelegd dit hebben gedaan voor de nabestaanden en voor de mensen die [naam 2] en [naam 1] wilden herdenken. Het was dus niet hun bedoeling om hun bezit op te geven zodat een willekeurig ander persoon zich deze zaken kon toe-eigenen.
Samengevat houdt mijn bespreking van de cassatiemiddelen in dat de strafbaarstelling van art. 350 lid 1 Sr ertoe strekt het ongestoorde gebruik en/of genot van een goed door degene aan wie dat goed (geheel of ten dele) toebehoort te beschermen. Daarbij heeft de wetgever een ruime bescherming voor ogen gehad door zowel aan ‘een goed’ als aan ‘toebehoren’ een eigen betekenis te geven in het strafrecht en deze niet afhankelijk te maken van de invulling van die begrippen in het civiele recht. In de rechtspraak zijn de grenzen ook vaak ruim getrokken. Ik meen dat het hof binnen deze grenzen is gebleven en dat de oordelen van het hof ook begrijpelijk zijn.
Voordat ik overga tot een nadere bespreking van de middelen, geef ik allereerst de relevante inhoud van een aantal stukken weer.
3. De tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“primair
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te [plaats] , gemeente [...] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk de herdenk- en/of gedenkplaats van [naam 1] en [naam 2] aan de [a-straat] en/of de [b-straat] bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en/of bloemen, en/of één of meer knuffels, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
subsidiair
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te [plaats] , gemeente [...] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meer knuffels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”
Door het hof is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“primair
hij op 26 mei 2025 te [plaats] , gemeente [...] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk de herdenk- en/of gedenkplaats van [naam 1] en [naam 2] aan de [b-straat] bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen, en meerdere knuffels, die geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en zijn mededaders, toebehoorden, heeft beschadigd en/of weggemaakt.”
Het hof heeft het primair bewezenverklaarde vervolgens gekwalificeerd als de eendaadse samenloop van “(t.a.v. de gedenk- en herdenkplaats) het medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en “(t.a.v. de knuffels) het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken”.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 26 mei 2025, opgenomen op pagina 50 e.v. van het dossier van politie Eenheid Noord-Nederland, onderzoeksnummer PL0100-2025137272 d.d. 30 mei 2025, inhoudend als verklaring van verdachte [verdachte] :
V: Wat heb jij weggenomen bij die gedenkplaats?
A: Gewoon knuffels, die waren niet van mij.
V: Met wie was jij daar?
A: Met twee vrienden.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 26 mei 2025 nam ik kennis van het feit dat op social media (Facebook) een filmpje was geplaatst waarbij op de gedenkplek aan de [b-straat] te [plaats] , gemeente [...] , door 3 personen knuffelberen waren weggenomen en deze in een witte personenauto werden gelegd.
Ik herken op deze beelden de herdenkplek waarbij op dinsdag 20 mei 2025 in de avonduren het voertuig te water was geraakt waarbij 3 personen (vader en 2 jonge kinderen) om het leven zijn gekomen. Ter nagedachtenis aan dit feit is door de gemeente [...] op de plek waar ze te water zijn geraakt en uiteindelijk geborgen een gedenkplek ingericht welke is afgeschermd met hekwerk. Op deze gedenkplek is door de bevolking een grote hoeveelheid kaarten en speelgoed als beren achtergelaten. De [b-straat] te [plaats] is een voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande weg en in eigendom van de gemeente [...] .
Kort hierna werd op social media ook de naam genoemd en het zou gaan om [verdachte] aan de [c-straat 1] te [plaats] . Op 26 mei 2025 was ik om 10:31 uur daar ter plaatse in de straat.
De gestolen knuffels werden achter de woning aangetroffen.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
De plek op de [b-straat] is ingericht als gedenkplek van [naam 2] , [naam 1] en hun vader die vorige week levenloos in een auto aldaar werden aangetroffen.
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2025, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 26 mei 2025 heb ik de beelden bekeken die in de telefoon van verdachte [verdachte] stonden. In de telefoon van verdachte [verdachte] stonden twee filmpjes.
Filmpje 1
Linksboven in beeld staat het tijdstip 26 mei.
Een manspersoon is gekleed in een lichtkleurige zogenaamde joggingbroek met daarop zelfde kleur zogenaamde hoody met daaroverheen een donkerblauwe bodywarmer en witte sneakers. De jongeman heeft een licht getinte huidskleur en donker kort haar. De jongeman draagt geen baard, snor of bril.
De jongeman staat buiten op de openbare weg. Het is nog donker buiten. De jongeman wordt vervolgens persoon 1 genoemd. Ik zie dat er dranghekken staan en voor deze dranghekken ligt een zee van knuffels, bloemen en kaarsen op de grond. Persoon 1 staat met zijn rechterzij naar de grote hoeveelheid knuffels. Persoon 1 houdt in zijn beide handen een grote lichtkleurige teddybeer vast. Deze teddybeer is groot van formaat. Persoon 1 tilt deze teddybeer op en houdt zijn handen ter hoogte van zijn schouders. De voeten van de teddybeer hangen ter hoogte van het kruis van persoon 1. Het hoofd van de teddybeer steekt ruim boven het hoofd van persoon 1 uit.
Vervolgens gaat persoon 1 door zijn knieën naar beneden en vervolgens weer omhoog waarbij persoon 1 de beer in de lucht gooit. Persoon 1 probeert vervolgens de beer weer op te vangen maar houdt de beer nog met zijn rechterhand vast waarna de beer op de straat valt. Hierbij kijkt persoon 1 in de camera en weet dat hij gefilmd wordt. De grijze knuffel wordt teruggegooid bij de rest van de knuffels. Hierbij zegt persoon 1 iets wat niet is te verstaan. “Neem deze, snel, snel.” Op dat moment verschijnt een andere jongeman in beeld, nader te noemen persoon 2.
Persoon 2 draagt een donkerkleurige jas met daaronder een donkerkleurige broek en licht grijskleurige sneaker met een blauwkleurige vlak op de hak. Heeft ook een licht getinte huidskleur.
Persoon 2 staat gebukt voorover voor de grote hoeveelheid aan knuffels. Persoon 2 slaat met zijn linkerhand op een bruinkleurige beer. De bruinkleurige beer ligt op de grond en behoort tot de grote hoeveelheid aan knuffels die op de grond liggen. De stem, vermoedelijk de filmer, zegt vervolgens: “Neem hem, neem hem bro, neem hem, chip chip chip, haby, haby” (fonetisch). Persoon pakt op dat moment de bruinkleurige beer van de grond.
De filmer wijst vervolgens naar een andere knuffel, liggend op de grond. Een blauwe knuffel met rode schoenen aan.
De stem zegt: “Pak deze, snel, snel, ella, criminele kanker flikkers. (Iets onverstaanbaars), I want it, go. Ja toch, ja toch. Ja toch de mannen zijn dood. Wij staan hier te werken toch. Ja toch.”
Op het moment dat de filmer dit zegt pakt persoon 1 de grote blauwe knuffel met rode schoen en een kleinere rode knuffel en een klein bruin beertje met witte pet, van de grond op.
De filmer filmt vervolgens kort de enorme hoeveelheid aan knuffels die op de grond liggen. Dan loopt persoon 1 naar een witte auto. Persoon 1 houdt in zijn rechterhand een rode knuffel vast. In zijn linkerhand houdt persoon 1 de grote blauwe knuffel met rode schoenen vast. Persoon 1 loopt naar de witte auto. De kofferbak van de witte auto staat open. Persoon 2 staat lachend bij de kofferbak en probeert een grote bruine knuffel en de grijze grote knuffel in de kofferbak te stoppen. Stem zegt: “Kom kom”, en de deur achter de bestuurderstoel wordt door filmer geopend.
Er wordt gelachen en wat onverstaanbaars gezegd.
De grote bruine knuffel wordt op de achterbank gelegd door persoon 1. Vervolgens loopt filmer naar de kofferbak van de auto en wijst naar binnen. De stem, vermoedelijk van de filmer zegt: “Hier achter, hier, hier, hier, hier, ja toch, ja toch.”
De rode kleine knuffel wordt in de linkerhoek van de kofferbak gelegd. Ook de blauwe grote knuffel met rode schoenen wordt in de kofferbak gelegd, al lachend.”
Verder heeft het hof het navolgende overwogen (met overneming en vernummering van voetnoten):
“Oordeel van het hof
Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij op 26 mei 2025 in [plaats] een gedenkplaats en/of knuffels heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar en/of weg heeft gemaakt.
Niet ter discussie staat dat verdachte samen met twee medeverdachten op 26 mei 2025 bij de [b-straat] in [plaats] meerdere knuffels heeft gepakt en in de auto heeft gelegd. Ook wordt niet betwist dat knuffels goederen zijn in de zin van artikel 350 Sr.
Het hof ziet zich voor de vragen gesteld of een gedenkplaats kan worden aangemerkt als een goed als bedoeld in artikel 350 Sr en of de gedenkplaats en de daar aanwezige knuffels nog aan iemand toebehoorden.
Is een gedenkplaats een goed?
Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat een gedenkplaats geen goed is als bedoeld in artikel 350 Sr, overweegt het hof anders en wel als volgt.
Het begrip ‘enig goed’ komt een autonome strafrechtelijke betekenis toe. Onder dit begrip valt elk goed dat vatbaar is om voor de bezitter (economische of anderszins) waarde te hebben. Ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken. Een goed omvat ook onroerend goed, zoals een huis of akker.
Het hof stelt vast dat op de kade waar [naam 2] en [naam 1] te water zijn geraakt en om het leven zijn gekomen, door de gemeente een gedenkplaats is ingericht om hen te herdenken. De gedenkplaats werd afgeschermd met hekwerk. Deze hekken bakenden de plek af die aangewezen was om als gedenkplaats te dienen en vormden daarmee een grens tussen de gedenkplaats en de rest van de kade. Op deze plek zijn door veel mensen knuffels, bloemen en kaarsen neergelegd op een manier die uitdrukking gaf aan hun gevoelens om [naam 2] en [naam 1] te willen herdenken. Deze spullen zijn naar het oordeel van het hof aan te merken als een geordend geheel dat op een organische manier een (tijdelijke) gedenkplaats heeft gevormd. Doordat op een met hekken afgeschermd stuk terrein spullen waren neergelegd die bestemd waren om [naam 2] en [naam 1] te herdenken, was sprake van voorwerpen die ook in hun geheel een emotionele waarde vertegenwoordigden. Zo bezien is naar het oordeel van het hof een gedenkplaats ontstaan die als goed kan worden aangemerkt in de zin van artikel 350 Sr.
Behoorden de gedenkplaats en knuffels aan iemand toe?
Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de gedenkplaats en knuffels aan iemand toebehoorden. Het hof stelt hierbij om te beginnen voorop dat ‘toebehoren’ in strafrechtelijke zin ruimer is dan het civielrechtelijke eigendomsbegrip als bedoeld in artikel 3:1 van het Burgerlijk Wetboek. Verder staat vast dat van een goed dat ‘geheel of ten dele toebehoort aan een ander’ in ieder geval geen sprake is wanneer de eigenaar het bezit van dat goed heeft prijsgegeven. Aanknopingspunten voor de vraag of de eigendom van een goed al dan niet is prijsgegeven kunnen naar het oordeel van het hof gevonden worden in de bedoeling van de rechthebbende, de financiële en/of emotionele waarde van het goed, de plaats waar het goed is achtergelaten en de wijze waarop dat is gebeurd. Het is soms een feit van algemene bekendheid dat een goed aan een ander toebehoort, zodat nader bewijs op dit punt niet nodig is.
Het hof is van oordeel dat de omstandigheden waaronder verdachte en de medeverdachten de gedenkplaats en knuffels hebben aangetroffen niet de gedachte wettigen dat de goederen een ‘res nullius’ dan wel ‘res derelictae’ waren. De goederen bevonden zich op een door hekwerk afgebakend terrein en de knuffels waren samen met andere spullen - waaronder kaarsen en bloemen - op een geordende manier neergelegd. Gelet op de wijze waarop en waarmee de plek bij de kade was afgeschermd en ingericht, is het hof van oordeel dat voor verdachte en zijn medeverdachten duidelijk moet zijn geweest dat het hier om een gedenkplaats ging. Het hof stelt vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat een gedenkplaats een emotionele waarde vertegenwoordigt en dat de spullen, waaronder de knuffels, die op de gedenkplaats worden gelegd hier worden achtergelaten om uitdrukking te geven aan deze gevoelens en om steun te bieden aan de nabestaanden. Mede gelet op de emotionele waarde die de knuffels en de gedenkplaats vertegenwoordigden, stelt het hof vast dat de personen die deze spullen hier hebben neergelegd, het bezit niet zomaar hebben opgegeven. De gedenkplaats en knuffels waren aanwezig voor de nabestaanden van [naam 2] en [naam 1] en/of de mensen die [naam 2] en [naam 1] wilden herdenken. Zij behoorden naar het oordeel van het hof dan ook aan hen toe. Uit de omstandigheid dat de gedenkplaats met knuffels aan weer en wind werd blootgesteld en de knuffels niet meer werden opgehaald, kan, anders dan de verdediging lijkt te betogen, ook niet volgen dat daarmee het bezit werd prijsgegeven.
Voor zover door de verdediging ter onderbouwing van de prijsgegeven aard is verwezen naar rechtspraak die ziet op de verwerking van vuilnis, is het hof van oordeel dat de knuffels in deze context niet kunnen worden vergeleken met afval dat ter inzameling en verwerking wordt aangeboden, aangezien de knuffels niet zijn neergelegd op de gedenkplaats met het doel om opgehaald te worden ter vernietiging. De knuffels zijn juist op de gedenkplaats neergelegd om op die specifieke plek een functie te vervullen, namelijk het tot uitdrukking brengen van de emotie die in de samenleving werd gevoeld en het betuigen van medeleven aan de nabestaanden van [naam 2] en [naam 1] .
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gedenkplaats en de knuffels geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 2] en [naam 1] en/of personen die [naam 2] en [naam 1] wilden herdenken, toebehoorden. Daarmee staat vast dat zij in elk geval toebehoorden aan een ander dan verdachte en de medeverdachten.
Conclusie
Gelet op het voorgaande en de hieronder opgenomen bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan het beschadigen van de gedenkplaats en het wegmaken van knuffels.”
4. Het eerste middel
In het eerste middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat een ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ als ‘goed’ in de zin van art. 350 Sr kan worden aangemerkt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
De steller van het middel voert daartoe aan dat een (tijdelijke) ‘herdenk- en/of gedenkplaats’, die zich kenmerkt door de emotionele betekenis die daaraan wordt gegeven, onmogelijk aan de feitelijke heerschappij van een eigenaar of bezitter zou kunnen worden onttrokken, zodat het hof de ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ als zodanig niet als ‘goed’ in de zin van art. 350 lid 1 Sr had mogen aanmerken. Daaraan doet volgens de steller van het middel niet af dat het op zichzelf mogelijk is om als heer en meester over de kade en over de losse voorwerpen die deel uitmaakten van de ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ te beschikken door ze bijvoorbeeld weg te nemen, te vernielen of te beschadigen.
Enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort in de zin van art. 350 lid 1 Sr
Art. 350 lid 1 Sr luidt als volgt:
“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Art. 350 lid 1 Sr stelt aldus het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed strafbaar. Meer in het bijzonder moet het daarbij blijkens de delictsomschrijving gaan om “enig goed” dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort. Deze delictsomschrijving is, behoudens taalkundige afwijkingen, gelijk aan de delictsomschrijving bij de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafrecht. De memorie van toelichting daarbij vermeldt onder meer het volgende over het hier centraal staande bestanddeel:
“De uitdrukking »eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort” is in overeenstemming met die van de artt. 336, 344, 345 en 348 [310, 317, 318, en 321].”
Verder luidde het “Oorspronkelijke Regeeringsontwerp” (O.R.O.) als volgt en werd in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt:
“O. R. O. Art. 379. Hij die opzettelijk en wederregtelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.
Gelijke straf wordt toegepast op hem die opzettelijk en wederregtelijk een dier dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, dood of beschadigt.
O. R. O. Art. 380. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden wordt gestraft hij die een der in artikel 379 omschreven feiten pleegt ten opzigte van:
1°. voorwerpen aan eene eeredienst gewijd;
2°. voorwerpen van wetenschap, kunst of nijverheid die in voor het publiek toegankelijke verzamelingen worden bewaard of voorwerpen die op tentoonstellingen zijn bijeengebragt;
3°. gedenkteekenen op openbare plaatsen, in kerken of op begraaf plaatsen opgerigt;
4°. roerende goederen tot de dienst van spoorwegen behoorende.
(…)
Memorie van Toelichting.
(…)
Art. 380. Slechts ten aanzien van eenige weinige voorwerpen, die bijzondere bescherming verdienen, is de in art. 379 bedreigde straf ontoereikend. Deze zijn vermeld in dit artikel en in de artt. 382 en 383 [351 en 352]. Met betrekking tot de in dit artikel vermelde voorwerpen bestaat er geen reden om ook de poging tot beschadiging strafbaar te stellen. Wijders behoort de bijzondere bescherming van de voorwerpen, die in musea en bibliotheken bewaard worden, niet te worden beperkt (gelijk elders geschied is) tot openbare verzamelingen; zij moet worden uitgebreid tot alle voor het publiek toegankelijke verzamelingen, onverschillig wie daarvan eigenaar is.
(…)
Advies van den Raad van State
Art. 379. De vraag is gerezen, of het bloemenplukken van eens anders planten strafbaar zal zijn als misdrijf.
De vraag is niet zonder belang, omdat van de bedoeling van het strafwetboek op dit punt zal afhangen, of bij plaatselijke verordening het plukken van bloemen uit bloemperken, op openbare plaatsen eener gemeente aangelegd, zal kunnen worden verboden of niet.
Rapport aan den Koning.
De Raad van State vraagt, of het bloemen plukken van eens anders planten strafbaar zal zijn als misdrijf.
Eene uitzondering is ten aanzien van bloemen niet gemaakt, en grond voor dergelijke uitzondering bestaat niet, te minder omdat onder bloemen ook die van hoogst zeldzame en kostbare gewassen kunnen gerangschikt worden. Worden ze geplukt met het oogmerk om zich deze wederregtelijk toe te eigenen, er is diefstal; is het opzet gerigt op de vernieling of beschadiging der planten, het feit valt onder dit artikel.”
Art. 380 van het oorspronkelijke regeringsontwerp is uiteindelijk komen te vervallen vanwege de doorgevoerde strafverhoging in het oorspronkelijke art. 379. Uit het O.R.O. kan echter worden afgeleid dat de wetgever voor ogen stond dat onder meer gedenktekens op openbare plaatsen onder het bereik van art. 350 Sr vallen. Verder heeft de wetgever voor de uitleg van het bestanddeel “enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort” aansluiting gezocht bij de uitleg van dit bestanddeel in de artikelen 310 (diefstal), 317 (afpersing), 318 (afdreiging) en 321 Sr (verduistering). De wetsgeschiedenis bij art. 310 Sr vermeldt in dit verband onder meer:
“Het ontwerp wijst in de bepalingen van de artt. 336 [310], 344 [317] en 348 [321] aan, welke de eigenaardige karaktertrekken zijn van diefstal, afpersing en verduistering. Bij al deze misdrijven is het voorwerp aangewezen door de uitdrukking eenig goed. Dat bij afpersing nog iets anders daarmede wordt gelijk gesteld, kan voor het oogenblik buiten beschouwing blijven. Hier met de meeste nieuwere wetgevers van roerende zaken te spreken, schijnt onnoodig en onraadzaam. Onnoodig, vermits uit het gebezigde werkwoord wegnemen reeds volgt, dat de zaak voor verplaatsing vatbaar zijn moet. Onraadzaam, vermits elke aanleiding tot het beweren, dat het woord roerend uit de voorschriften van het burgerlijk wetboek moet worden verklaard, behoort te worden afgesneden, en daarenboven sommige voorwerpen eerst verplaatsbaar worden door de handeling van den dief.
Met betrekking tot de uitleg van het bestanddeel ‘goed’ in de zin van art. 310 Sr, bij welke uitleg blijkens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis aansluiting moet worden gezocht, overwoog de Hoge Raad in een zaak die betrekking had op de diefstal van belminuten en SMS-berichten ter waarde van € 2.549,07 respectievelijk € 100,24 onder meer het volgende:
“3.3.1. Het middel stelt de vraag aan de orde of belminuten en sms-berichten als hier bedoeld kunnen worden aangemerkt als een 'goed' in de zin van art. 310 Sr. De wetgever heeft ten tijde van de invoering van art. 310 Sr in 1886 met deze vraag vanzelfsprekend geen rekening kunnen houden. In de rechtspraak van de Hoge Raad is deze specifieke vraag ook niet eerder aan de orde geweest. Toch biedt zowel de wet als de eerdere rechtspraak aanknopingspunten voor de beantwoording van de voorliggende vraag.
De wetgever heeft door middel van verschillende strafbepalingen beoogd de beschikkingsmacht van de rechthebbende op enig goed te beschermen. In art. 310 Sr is strafbaar gesteld het opzettelijk onttrekken aan de feitelijke heerschappij van enig goed dat aan een ander toebehoort met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het begrip enig goed komt daarbij een autonome strafrechtelijke betekenis toe. Ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken.
In de loop der jaren heeft de Hoge Raad verschillende interpretatievragen beantwoord over de betekenis van het begrip 'goed', ook met betrekking tot andere bepalingen waarvan dat begrip een onderdeel vormt.
In HR 23 mei 1921, NJ 1921, p. 564 ging het om de vraag of elektrische energie kon worden aangemerkt als een 'goed' in de zin van art. 310 Sr. Die vraag werd door de Hoge Raad bevestigend beantwoord. Daarbij werd onder meer in aanmerking genomen dat aan elektrische energie "een zeker zelfstandig bestaan niet kan worden ontzegd" en werden overwegingen eraan gewijd dat elektriciteit door de mens kan worden opgewekt en beheerst en dat zij "een zekere waarde vertegenwoordigt, eenerzijds omdat hare verkrijging voor hem gepaard ging met kosten en moeite, anderszijds omdat hij in staat is haar hetzij ten eigen bate te gebruiken hetzij tegen vergoeding aan anderen over te dragen". Een en ander leidde tot de slotsom "dat dus, waar art. 310 Strafrecht ten doel heeft het vermogen van een ander te beschermen en met dat doel het wegnemen van 'eenig goed' onder de in dat artikel genoemde omstandigheden strafbaar stelt zonder op eenigerlei wijze nader aan te duiden wat onder 'eenig goed' gerekend moet worden, op grond van bovengenoemde eigenschappen dit artikel ook op electrische energie van toepassing is".
In HR 11 mei 1982, NJ 1982/583, betreffende art. 321 Sr waarin verduistering strafbaar is gesteld, rees de vraag of giraal geld kan worden aangemerkt als een goed dat als toebehorende aan een ander vatbaar is voor toe-eigening. De Hoge Raad oordeelde dat een redelijke uitleg van art. 321 Sr leidt tot een bevestigend antwoord, "gelet op de functie van zogenaamd giraal geld in het maatschappelijk verkeer".
Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een in de geest van een persoon opgeslagen bekendheid met de bij zijn betaalpas behorende cijfercombinatie niet kan worden aangemerkt als een 'goed' in de zin van art. 317 (oud) Sr en dat het (onvrijwillig) noemen van een pincode niet kan worden aangemerkt als afgifte in de zin van laatstgenoemd artikel; daarvan kan slechts worden gesproken indien door die afgifte de afgever de beschikking over het afgegevene verliest (vgl. HR 13 juni 1995, NJ 1995/635).
Het Hof heeft de in de tenlastelegging gebruikte termen belminuten en sms-berichten klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk verstaan in de economische betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt toegekend, te weten als gebruikseenheid om de daarmee aangeduide vormen van telecommunicatiedienstverlening te kunnen kwantificeren en in rekening te kunnen brengen.
Gelet hierop en in aanmerking genomen de functie die belminuten en sms-berichten in deze economische betekenis in het maatschappelijk verkeer vervullen, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte door zijn handelen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening deze aan een ander toebehorende belminuten en sms-berichten zich heeft toegeëigend en dat deze belminuten en sms-berichten beide kunnen worden aangemerkt als een goed in de zin van art. 310 Sr, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.”
De bespreking van het middel
Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, onder meer bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging “de herdenk- en/of gedenkplaats van [naam 1] en [naam 2] aan de [b-straat] bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen” heeft beschadigd.
Ter beantwoording van de vraag of een herdenk- en/of gedenkplaats als ‘goed’ in de zin van art. 350 lid 1 Sr kan worden aangemerkt, heeft het hof allereerst overwogen dat het begrip ‘enig goed’ een autonome strafrechtelijke betekenis toekomt en dat hieronder elk goed valt dat vatbaar is om voor de bezitter waarde te hebben (in economische zin of anderszins). Een goed omvat ook onroerend goed zoals een huis of akker en ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken. Het hof verwijst daarbij naar het hiervoor weergegeven arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6575. Vervolgens stelt het hof vast dat op de kade door de gemeente een gedenkplaats is ingericht om [naam 2] en [naam 1] te herdenken met een hekwerk ter afbakening van de rest van de kade en dat op deze plek door mensen knuffels, bloemen en kaarsen zijn neergelegd op een manier die uitdrukking gaf aan de gevoelens van deze personen om [naam 2] en [naam 1] te herdenken. Naar het oordeel van het hof vormen deze spullen een geordend geheel dat op een organische manier een (tijdelijke) gedenkplaats heeft gevormd en vertegenwoordigen deze voorwerpen ook in hun geheel een emotionele waarde doordat deze voorwerpen op de afgeschermde kade waren neergelegd met de bestemming [naam 2] en [naam 1] te herdenken.
Deze vaststellingen houden in dat de ‘gedenkplaats’ niet enkel wordt gevormd door de fysieke locatie op zichzelf, maar door de voorwerpen die zijn geplaatst óp deze locatie. De locatie noch de voorwerpen zijn niet-stoffelijke objecten als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad. In die zin kan er eigenlijk weinig discussie over zijn dat het gaat om ‘een goed’. De werkelijke vraag is naar mijn idee dan ook of het gaat om ‘een goed’ dat kan worden ‘beschadigd’ in de zin van art. 350 lid 1 Sr door, in dit geval, het wegnemen van een onderdeel (en daarin bestaat een overlap met het nog te bespreken derde middel). Dit wordt echter niet zozeer bepaald door de (materiële) aard van het object, maar door de daaraan gegeven bestemming of betekenis.
Bij de beantwoording van de vraag of een herdenk- en/of gedenkplaats als ‘goed’ in de zin van art. 350 lid 1 Sr kan worden aangemerkt, acht ik allereerst van de belang dat de wetgever bij de uitleg van dit bestanddeel aansluiting zoekt bij de uitleg die hieraan wordt gegeven in onder meer art. 310 Sr, in welk kader door de Hoge Raad wordt gewezen op de autonome strafrechtelijke betekenis van het begrip ‘enig goed’ en op het feit dat de wetgever door middel van verschillende strafbepalingen heeft beoogd de beschikkingsmacht van de rechthebbende op enig goed te beschermen. In dat kader is van belang dat de strafbaarstelling van vernieling ertoe strekt het ongestoorde gebruik en/of genot van een goed door degene aan wie dat goed (geheel of ten dele) toebehoort te beschermen, zodat de uitleg van ‘enig goed’ in de zin van art. 350 lid 1 Sr in die context moet worden beschouwd en van enig goed in de zin van die bepaling dan ook sprake kan zijn in het geval dit gebruik en/of genot van een object kan worden verstoord. Nu het hof heeft overwogen dat de afgeschermde herdenk- en/of gedenkplaats (emotionele) waarde heeft voor alle personen die [naam 2] en [naam 1] willen herdenken, acht ik het oordeel van het hof dat een herdenk- en/of gedenkplaats zoals in de onderhavige zaak als goed in de zin van art. 350 lid 1 Sr kan worden aangemerkt niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik dit oordeel evenmin onbegrijpelijk.
Ik merk in dat verband nog op dat onjuist is dat alleen iets dat economische waarde heeft ‘een goed’ kan zijn. Ook wijs ik erop dat de wetgever in het bijzonder heeft gewezen op de mogelijkheid van vernieling van gedenktekens op openbare plaatsen, waarvoor hetzelfde geldt. Gelet hierop zie ik, anders dan de steller van het middel, niet dat de ontstaanswijze van het object, spontaan samengesteld uit vele individuele bijdragen, of de tijdelijke aard daarvan relevant is voor het al dan niet zijn van ‘een goed’.
Gelet op het voorgaande meen ik dat het middel faalt.
5. Het tweede middel
In het tweede middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de herdenk- en/of gedenkplaats (bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen) en meerdere knuffels geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en zijn mededaders, toebehoorden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Dit nu uit de bewijsvoering ondubbelzinnig volgt dat de knuffels en andere voorwerpen door onbekend gebleven personen op de herdenk- en/of gedenkplaats waren neergelegd om uiting te geven aan hun emoties, zonder dat ze bestemd waren om aan anderen te worden gegeven of om ze na verloop van tijd weer zelf in bezit te nemen, aldus de steller van het middel.
In de toelichting op het middel voert de steller van het middel verder nog aan dat de voorwerpen van niemand waren en dat de onbekend gebleven personen die de knuffels en andere voorwerpen op de herdenk- en/of gedenkplaats hebben neergelegd daarmee afstand hebben gedaan van deze voorwerpen, dat het eigendom werd prijsgegeven en dat daarvoor geen nieuwe rechthebbende in plaats kwam. De voorwerpen werden immers niet aan de nabestaanden of andere personen die [naam 1] en [naam 2] wilden herdenken gegeven. Daarmee zijn het voorwerpen zonder eigenaar of bezitter geworden, zodat ze aan niemand toebehoorden.
Enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort in de zin van art. 350 lid 1 Sr
Zoals gezegd stelt art. 350 lid 1 Sr het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed strafbaar. Meer in het bijzonder moet het daarbij gaan om enig goed dat “geheel of ten dele aan een ander toebehoort”. De eis dat een goed geheel of ten dele aan een ander moet toebehoren, komt ook terug in de bij het eerste middel eveneens genoemde delicten diefstal (art. 310 Sr), afpersing (art. 317 Sr), afdreiging (art. 318 Sr) en verduistering (art. 321 Sr) en zal blijkens de wetsgeschiedenis op gelijkluidende wijze moeten worden uitgelegd.
Hoewel het voor de hand lijkt te liggen voor de uitleg van ‘toebehoren’ aansluiting te zoeken bij het civielrechtelijke eigendomsbegrip, is toebehoren blijkens de bedoeling van de wetgever ruimer dan dit begrip. Verder is van belang dat vernieling (of diefstal etc.) is uitgesloten in het geval sprake is van een res nullius of res derelicta. Een res nullius betreft een goed dat aan niemand (meer) toebehoort. Van een res derelicta is sprake wanneer van een goed de eigendom is prijsgegeven, zodat dit ook onder het begrip res nullius kan worden begrepen. Dikwijls rijst dan ook de vraag of een goed nog aan iemand toebehoort. De beantwoording van die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij civielrechtelijke uitgangspunten richtinggevend zijn. In civielrechtelijke zin geldt op grond van art. 5:18 BW dat de eigendom van een roerende zaak wordt verloren, wanneer de eigenaar het bezit prijsgeeft met het oogmerk om zich van de eigendom te ontdoen. Het gevolg van het doen van afstand van de eigendom van een roerende zaak is dat het goed een res nullius wordt en daarmee op grond van art. 5:4 BW vatbaar voor toe-eigening (zodat de inbezitnemer de eigendom verkrijgt). De omstandigheden die moeten worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of een goed nog aan iemand toebehoort of dat de eigendom is prijsgegeven, zijn, zo kan uit eerdere rechtspraak worden afgeleid, de (financiële) waarde van de zaak, de staat waarin het goed verkeert, de plaats waar het goed is achtergelaten, de wijze waarop dat is gebeurd en de reden(en) waarom het beheer is opgegeven.
Verder wijs ik nog op een arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:384 waarin de Hoge Raad zich heeft uitgelaten over het prijsgeven van de eigendom van vuilnis dat aan de straat wordt gezet. Voordat ik hier verder op inga, wil ik aansluiten bij het op de zitting in hoger beroep geuite sentiment dat een vergelijking als deze misschien wel recht doet aan de juridische, maar niet aan de menselijke betekenis van de wijze waarop de gedenkplaats in [plaats] is ingericht. Wie iets achterlaat om de overleden [naam 1] en [naam 2] te gedenken zal dit hebben gedaan om de nabestaanden te steunen en te troosten en om respect te tonen voor de twee overleden kinderen. De juridisering van dit teken van medeleven en de daarmee gepaard gaande zakelijke benadering past daar niet goed bij. Nu we echter (om allerlei gerechtvaardigde redenen) op dit punt zijn aanbeland, zit er niets anders op dan om de rechtsvragen die deze zaak oproept te beantwoorden. Het lijkt me echter goed om te benadrukken dat in het algemeen niet het juridische, maar het medemenselijke perspectief het belangrijkste is.
In de zaak die ten grondslag lag aan het genoemde arrest, was bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk en wederrechtelijk een vuilniszak, die geheel of ten dele toebehoorde aan degene die de desbetreffende vuilniszak aan de vuilophaaldienst had aangeboden, had weggemaakt. In cassatie werd onder meer geklaagd over het oordeel van het hof dat de vuilniszak ten tijde van het wegmaken aan degene die deze vuilniszak aan de vuilophaaldienst had aangeboden toebehoorde. De verdediging had in die zaak immers bepleit dat de door de verdachte weggemaakte vuilniszak als een res nullius of res derelicta had moeten worden aangemerkt. De Hoge Raad overwoog in deze zaak vervolgens als volgt:
“2.4.1 De tenlastelegging is toegesneden op artikel 350 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘toebehoorde aan’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling. Van een goed dat ‘geheel of ten dele toebehoort aan een ander’ is geen sprake als de eigenaar de eigendom van dat goed heeft prijsgegeven. (Vgl. ten aanzien van diefstal HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5952.)
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een vuilniszak heeft weggemaakt die door [betrokkene 1] voor de voortuin van zijn woning was geplaatst om te worden opgehaald door de vuilnisophaaldienst. Het hof heeft bewezenverklaard dat die vuilniszak ten tijde van het wegmaken aan [betrokkene 1] “toebehoorde”, en in dat verband overwogen dat degene die huisvuil aanbiedt door dit te plaatsen aan de stoeprand met het oog op vernietiging daarvan, “hooguit (...) afstand doet van zijn eigendomsrecht ten behoeve van de vuilnisverwerker”. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat degene die overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in de openbare ruimte afval ter inzameling en verwerking aanbiedt, geacht moet worden daarmee de eigendom van dit afval te hebben prijsgegeven. Voor de beoordeling of een eigenaar de eigendom van een goed heeft prijsgegeven is niet relevant of – en, zo ja, door wie – dat goed daarna weer in bezit is genomen.
Het cassatiemiddel slaagt.”
Bij het aanbieden conform de daarvoor geldende plaatselijke voorschriften van afval in de openbare ruimte ter inzameling en verwerking is naar het oordeel van de Hoge Raad dus sprake van het prijsgeven van het eigendomsrecht van dit afval. Daaraan wordt, voor zover relevant, nog toegevoegd dat voor de vraag of een eigenaar de eigendom heeft prijsgegeven niet relevant is of dat goed daarna weer in bezit wordt genomen.
Tot slot wijs ik nog op een zaak waarin het civielrechtelijke eigendomsbegrip niet toepasbaar was en toebehoren werd ingevuld met het begrip zeggenschap. In HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7427 ging het om het onbruikbaar maken van een lijk. De Hoige Raad overwoog:
“ De erven of nabestaanden van een overledene hebben een zodanige zeggenschap over het lijk van hun overleden familielid - zij het beperkt door wat de wet gebiedt en door wat voortvloeit uit godsdienstige en zedelijke opvattingen, alsmede door wat door de overledene zelf met inachtneming van een en ander is bepaald - dat van toebehoren in de zin van deze bepaling moet worden gesproken.”
De bespreking van het middel
Gelet op het voorgaande, heeft het hof in de eerste alinea onder het kopje ‘Behoorden de gedenkplaats en knuffels aan iemand toe?’ het juiste kader vooropgesteld. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de gedenkplaats en knuffels geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 2] en [naam 1] en/of de personen die [naam 2] en [naam 1] wilden herdenken toebehoorden (zodat de voorwerpen in ieder geval toebehoorden aan een ander dan de verdachte en de medeverdachten). Over de omstandigheden van het geval die het hof relevant acht voor het oordeel dat de eigendom niet is prijsgegeven overweegt het hof dat de goederen zich bevonden op een met hekwerk afgebakend terrein en dat de knuffels en andere spullen op een geordende wijze waren neergelegd zodat voor de verdachte(n) duidelijk moet zijn geweest dat het een gedenkplaats betrof. Verder wijst het hof op de feiten van algemene bekendheid van (i) de emotionele waarde van een gedenkplaats en (ii) dat het daar achterlaten van spullen de bedoeling heeft om uitdrukking te geven aan emotionele gevoelens en de steun aan nabestaanden. Mede gelet op deze emotionele waarde hebben de personen die de spullen hebben neergelegd, het bezit niet zo maar opgegeven en behoorden deze spullen aan de nabestaanden en/of de personen die [naam 2] en [naam 1] wilden herdenken toe. Naar het oordeel van het hof kan uit de omstandigheid dat de gedenkplaats met knuffels aan weer en wind werd blootgesteld en de knuffels niet meer werden opgehaald, niet volgen dat het bezit is prijsgegeven. Tot slot overweegt het hof dat de vergelijking met vuilnis niet opgaat, nu de knuffels niet zijn neergelegd met als doel om te worden vernietigd maar met de bedoeling om emoties en medeleven over te brengen.
Onder de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, acht ik, alles afwegende, het oordeel dat de gedenkplaats en knuffels geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en zijn mededaders, toebehoorden, niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik dit oordeel evenmin onbegrijpelijk. De vergelijking met het aanbieden van vuilnis ter vernietiging gaat al mank vanwege de door hof vastgestelde emotionele waarde van de gedenkplaats en de knuffels, de geordende staat van deze gedenkplaats en de door het hof genoemde redenen voor het neerleggen van de knuffels (en andere voorwerpen) op deze gedenkplaats, Het door het hof beschreven doel van het achterlaten van de goederen sluit ook verder uit dat de eigenaren het oogmerk hebben gehad de eigendom op te geven zodat een ieder zich deze goederen kan toe-eigenen.
Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat het goed is gaan toebehoren aan de nabestaanden dan wel aan de personen die [naam 1] en [naam 2] wilden gedenken, in elk geval aan een ander dan de verdachte en diens mededaders. Of daarbij sprake is geweest van een overdracht van de eigendom specificeert het hof niet en dat is ook niet nodig. Ook als sprake zou zijn van een overdracht die nog niet volledig is afgerond, bijvoorbeeld aan de nabestaanden, kan niet worden gezegd dat de overdrager de eigendom heeft prijsgegeven.
Wanneer in aansluiting aan hetgeen ik heb besproken bij het eerste middel, een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de gedenkplaats als zodanig, die minder makkelijk onder een eigendomsbegrip is te brengen, en de goederen waaruit deze bestaat, waarbij dat wel het geval is, dan liggen in de vaststellingen van het hof dat de goederen mede zijn neergelegd ten behoeve van de nabestaanden en dat dit door de gemeente is gefaciliteerd, besloten dat de nabestaanden ten minste zeggenschap hadden over hetgeen met de gedenkplaats zou gebeuren.
Gelet op het voorgaande meen ik dan ook dat ook dit middel faalt.
6. Het derde middel
Het derde middel bevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de herdenk- en/of gedenkplaats is beschadigd. De steller van het middel voert daartoe aan dat het enkele feit dat de verdachte (samen met anderen) enkele knuffels heeft weggenomen, niet impliceert dat de herdenk- en/of gedenkplaats is beschadigd en dat de bewijsmiddelen niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat hij (samen met anderen) schade heeft toegebracht aan de kade, de hekken dan wel andere voorwerpen die deel uitmaakten van de herdenk- en/of gedenkplaats. Gelet daarop getuigt het oordeel van het hof dat de herdenk- en/of gedenkplaats is beschadigd in de zin van art. 350 lid 1 Sr van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.
Allereerst merk ik op dat de strafbaarstelling van art. 350 Sr ertoe strekt het ongestoorde gebruik en/of genot van een goed door degene aan wie dat goed (geheel of ten dele) toebehoort, te beschermen. De materiële norm die ten grondslag ligt aan de strafbepalingen uit titel XXVII van het Wetboek van Strafrecht (‘Vernieling of beschadiging’) kan worden omschreven als het verbod op enigerlei wijze de gebruikswaarde van zaken die aan anderen toebehoren of die ten algemene nutte worden gebruikt te verminderen voor zover deze niet inherent is aan het alledaags gebruik van de betreffende zaken.
In art. 350 lid 1 Sr zijn verschillende gedragingen strafbaar gesteld waardoor de bruikbaarheid c.q. gebruikswaarde van een goed wordt verminderd of (al dan niet tijdelijk) geheel verdwijnt. Dit vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken kan geschieden door een gedraging die de zaak rechtstreeks aantast, maar ook door een gedraging die vernieling, beschadiging of onbruikbaarmaking als noodzakelijk gevolg heeft. Het begrip ‘beschadigen’ wordt in de literatuur wel omschreven als “het toebrengen van schade aan het voorwerp” of als “het goed aantasten”. Daarnaast is voor een bewezenverklaring van (vernieling of) beschadiging niet vereist dat het goed economische waarde heeft. Er hoeft niet te worden bewezen dat het vermogen van een ander is benadeeld. Verder doet aan de bescherming die art. 350 lid 1 Sr biedt niet af dat het gebruik en/of genot van het goed reeds is verstoord.
Voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, is bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen, de herdenk- en/of gedenkplaats bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen heeft beschadigd. Uit de bewijsvoering volgt dat dit beschadigen heeft bestaan uit het (op)pakken en meenemen van deze knuffels van de gedenkplaats. Die gedenkplaats is naar het oordeel van het hof een geordend geheel en is op organische wijze gevormd door onder meer de spullen, waaronder de hier centraal staande knuffels. Door het (op)pakken en meenemen van deze knuffels wordt de herdenk- en/of gedenkplaats aangetast, zodat, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.10, 6.2 en 6.3 is vooropgesteld, het oordeel van het hof dat deze herdenk- en/of gedenkplaats is beschadigd niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is.
Daarmee faalt ook dit middel.
7. Afronding
Alle middelen falen.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG