PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00562
Zitting 10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 7 februari 2024 (parketnr. 21-004404-21) het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 29 september 2021 (parketnr. 16-705493-16) bevestigd, behalve wat betreft de kwalificatie en de strafoplegging. Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als onder 1 “medeplegen van het feitelijke leidinggeven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en onder 2 “medeplegen van het een gewoonte maken van het plegen van witwassen” en aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren opgelegd.
Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nummer 24/00563. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
De verdachte was de bestuurder, directeur en eindverantwoordelijke van [A] , een stichting die zorg verleende in het kader van het persoonsgebonden budget (hierna: PGB). De [medeverdachte] was de adjunct-directeur van [A] . Bewezenverklaard is dat de verdachte samen met [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [A] valselijk opmaken van facturen, verantwoordingsformulieren en urenregistratieformulieren ten behoeve van de cliënten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waardoor PGB-gelden zijn uitgekeerd, terwijl aan deze cliënten in het geheel geen zorg is verleend. Ook is bewezenverklaard dat de verdachte samen met [medeverdachte] geldbedragen van € 353.825,-, € 213.872,- en € 129.950,- heeft witgewassen. In cassatie wordt allereerst geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op een door de verdediging in hoger beroep ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (eerste middel). Daarnaast wordt betoogd dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden (tweede middel).
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
3. Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het in hoger beroep door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “dat een ander de tenlastegelegde papieren valselijk heeft opgemaakt”.
Als een middel van cassatie, als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv, kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het cassatiemiddel dient dus inzichtelijk te maken op welk punt en waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist zou zijn of in welk opzicht de motivering van die beslissing tekort
zou schieten. Dit betekent onder meer dat een cassatiemiddel over een uitdrukkelijk met argumenten onderbouwd standpunt met voldoende nauwkeurigheid dient aan te duiden op welk standpunt het is gericht. Een enkele verwijzing naar de pleitnota die op de terechtzitting is voorgedragen is daarvoor niet voldoende.
In de onderhavige zaak houdt het middel in dat het is gericht tegen het uitblijven van een reactie van het hof op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging “ten aanzien van de tenlastegelegde valsheid” inhoudende “dat een ander de tenlastegelegde papieren valselijk heeft opgesteld”. In de toelichting op het middel wordt vervolgens meer dan de helft van de twintig pagina’s tellende pleitnota geciteerd, waaronder passages die in zeer algemene zin over de [A] gaan, passages die in algemene zin stellingen bevatten over de omvang en de groei van de administratie van de stichting, de aan die administratie gestelde eisen en dat [betrokkene 3] over die administratie de leiding had en passages die betrekking hebben op feit 2 (medeplegen van gewoontewitwassen). In deze passages wordt daarbij niet alleen de stelling ingenomen dat de verdachte geen wetenschap van, dan wel opzet op valsheid in geschrifte heeft gehad, maar ook dat de verdachte ontkent dat in het geheel sprake is van valsheid in geschrifte en dat de verdachte hieraan feitelijke leiding heeft gegeven. Na het citeren van de passages geven de stellers van het middel een zekere opsomming van wat de verdediging allemaal heeft aangevoerd. In die opsomming gaat het onder meer om “waarom niet de verdachte maar een aanvankelijk medeverdachte, [betrokkene 3] , degene was die de verantwoordingsformulieren, persoonsgebonden budget, facturen en urenregistratieformulieren heeft opgemaakt” en over de selectie en waardering door het hof van het bewijsmateriaal in het bijzonder van getuigenverklaringen. Ook wordt bijvoorbeeld verwezen naar hetgeen de verdediging heeft bepleit over feit 2, onder meer “dat en waarom ook de aan het witwassen ten grondslag gelegde aanname van 2,7% niet juist is”. Er wordt dus geklaagd in verband met een veelheid aan standpunten omtrent verschillende feiten waarop het hof niet zou hebben gereageerd. Daarbij wordt voor geen van die standpunten specifiek toegelicht in welk opzicht en waarom het niet daarop reageren door het hof in strijd zou zijn met art. 359 lid 2 tweede volzin Sv. Daarmee is niet met voldoende precisie aangegeven op welk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt het middel het oog heeft en waarom. Gelet op het voorgaande is van een cassatiemiddel geen sprake en kunnen de klachten onbesproken blijven.
Overigens merk ik op dat ook als hierover anders zou worden gedacht, het middel mijns inziens tevergeefs is voorgesteld. In de passages uit de pleitnota en de aanvullingen van de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep die in de schriftuur zijn geciteerd, kan bezwaarlijk een standpunt worden ontwaard dat duidelijk en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Weliswaar wordt in de pleitnota de stelling ingenomen dat geen sprake is “van een situatie van valsheid in geschrifte” en ook dat de verdachte “geen feitelijke wetenschap had van de onjuistheden bij de totstandkoming van de genoemde bescheiden en dus ook geen oogmerk heeft gehad op de valsheid in geschrifte”, maar hoe de juistheid van deze stellingen zou voortvloeien uit hetgeen in de pleitnota naar voren is gebracht wordt niet toegelicht of onderbouwd. Daarbij merk ik op dat ook indien anders dan het hof zou worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen daarin wordt aangevoerd over de verantwoordelijkheid van werkneemster [betrokkene 3] voor de valsheden in de administratie, dit op zichzelf niets zegt over de wetenschap van de verdachte, die is veroordeeld wegens “medeplegen van het feitelijke leidinggeven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”. Ook de feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis de bedoelde wetenschap bij de verdachte als feitelijk leidinggever heeft afgeleid, worden deels helemaal niet en voor het overige niet wezenlijk onderbouwd bestreden. En dat geldt ook voor de stelling dat in het geheel geen sprake was van valsheid in geschrifte. Ook bij een inhoudelijke beoordeling treft het in de cassatieschriftuur aangevoerde geen doel.
4. Het tweede middel
Het middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, aangezien de inzendtermijn in cassatie is overschreden nu namens de verdachte op 20 februari 2024 cassatie is ingesteld en de stukken van het geding op 25 april 2025 zijn binnengekomen bij de Hoge Raad. Ambtshalve merk ik hierbij nog op dat de Hoge Raad zal beslissen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
In het geval een middel over de schending van de inzendtermijn het enige voorgestelde middel is dat voldoet aan de vereisten van art. 437 lid 2 Sv, kan de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk verklaren op grond van art. 80a RO.
5. Afronding
De verdachte is niet-ontvankelijk in het cassatieberoep nu ik ambtshalve geen gronden heb aangetroffen die daaraan in de weg zouden moeten staan en tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG