ECLI:NL:PHR:2026:113

ECLI:NL:PHR:2026:113

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 25-01-2026
Zaaknummer 24/03768
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Poging zware mishandeling met voorbedachten rade (art. 303 Sr) en opzettelijk ontploffing teweegbrengen (art. 157 Sr) door zware vuurwerkbom door brievenbus van woning te gooien. 1. Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot verrichten contra-expertise naar NFI-rapport dat op verzoek van de verdediging is uitgebracht naar aanleiding van deskundigenonderzoek van de politie. AG bespreekt jurisprudentie over verzoeken verdediging om betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van belastende deskundigenverklaring. Bij die verzoeken moet rechter op grond van art. 6 EVRM belang vooronderstellen (HR:2022:1198 en HR:2025:1711). Als verdediging reeds gelegenheid heeft gehad om betrouwbaarheid van belastende deskundigenverklaringen te (doen) onderzoeken, meent AG dat bij het verzoek om vervolgens die contra-expertise opnieuw op betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken door een andere deskundige, van de verdediging wel onderbouwing mag worden verlangd. 2. Falende bewijsklacht daderschap. 3. Bewijsklacht opzet. Sprake van aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel? Volgens AG heeft hof op grond van concrete omstandigheden van geval kunnen oordelen dat ontsteken en door brievenbus werpen van drie aan elkaar getapete Cobra’s 6 aanmerkelijke kans oplevert op zwaar lichamelijk letsel bij alle in die woning aanwezige bewoners. Ten aanzien van één bewoner die op moment van ontploffing niet thuis was, slaagt het middel. AG meent dat HR zaak zelf kan afdoen door verdachte van dat onderdeel vrij te spreken. 4. Bewijsklacht 'gevaar voor zwaar lichamelijk letsel' a.b.i. art. 157 Sr. Op grond van hetgeen i.h.k.v. derde middel is overwogen, faalt ook deze klacht. 5. Falende klacht over toepassing volwassenstrafrecht op 17-jarige verdachte. Conclusie strekt tot vrijspraak van poging zware mishandeling t.a.v. bewoner die niet thuis was en niet-ontvankelijkverklaring van zijn vordering b.p. en verwerping voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03768

Zitting 27 januari 2026

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,

hierna: de verdachte.

1. Het cassatieberoep

De verdachte is bij arrest van 8 oktober 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-001778-22) wegens “eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade en opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen over een aantal in beslag genomen voorwerpen en over de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader in het arrest omschreven.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaten N. van Schaik en H. Brentjes hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.

2. De zaak

In de nacht van 13 op 14 november 2020 is in een woning in [plaats] een vuurwerkbom door de brievenbus gegooid. De ontploffing veroorzaakte grote materiële schade aan de woning, maar de aanwezige bewoners bleven ongedeerd. De vuurwerkbom bestond uit een aantal aan elkaar getapete Cobra’s 6.

De verdachte is door het hof veroordeeld voor het plegen van deze – in de woorden van het hof – aanslag. De conclusie dat het de verdachte is geweest die de vuurwerkbom door de brievenbus heeft gegooid, is met name gebaseerd op bewijsmiddelen die zijn verkregen uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte. Op zijn telefoon vond de politie een Snapchat-filmpje waarop volgens het hof de pleger de door hem gepleegde aanslag zelf heeft gefilmd. Het hof heeft op basis van het onderzoek naar de telefoon van de verdachte vastgesteld dat het filmpje met de telefoon van de verdachte is gemaakt. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de verdachte het adres van de woning ongeveer een kwartier voor de aanslag op zijn telefoon heeft opgezocht en zich daarna – zo blijkt uit onderzoek aan de telefoon – naar dat adres heeft begeven. De verdachte is in hoger beroep veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling van de bewoners (onder 3 subsidiair) en voor het veroorzaken van een ontploffing waarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 4).

In cassatie wordt in de eerste plaats geklaagd over de afwijzing van een verzoek van de verdediging tot contra-expertise met betrekking tot de resultaten van het onderzoek van de telefoon. Het tweede middel bevat een bewijsklacht over het daderschap van de verdachte. Het derde en het vierde middel gaan over de door het hof aangenomen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel (onder 3 subsidiair) en het oordeel dat door de ontploffing sprake was van gevaar op zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige bewoners (onder 4). Het vijfde middel klaagt tot slot over de toepassing van het volwassenenstrafrecht op de (destijds) minderjarige verdachte.

Voordat ik de middelen bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring en bewijsvoering weer.

3. De bewezenverklaring en bewijsvoering

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“3. subsidiair

hij op 14 november 2020 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, samengebonden stukken zwaar vuurwerk (te weten Cobra 6) heeft aangestoken en tot ontbranding heeft gebracht en vervolgens door de brievenbus van de woning aan [a-straat 1] heeft gedeponeerd waardoor deze in de hal van voornoemde woning is beland en aldaar tot ontploffing is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 14 november 2020 te [plaats] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door samengebonden stukken zwaar vuurwerk (te weten Cobra 6) aan te steken en tot ontbranding te brengen en vervolgens door de brievenbus van de woning aan de [a-straat 1] te deponeren waardoor deze in de hal van voornoemde woning belandde en aldaar tot ontploffing kwam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en in de woning aanwezige goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , te duchten was.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 518-519, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Plaats delict: [a-straat 1] , [plaats]

Pleegdatum/tijd: 14 november 2020

Aangever Achternaam: [slachtoffer 1]Voornamen: [slachtoffer 1]

Mijn woning betreft een rijtjeswoning, gelegen aan [a-straat 1] in [plaats] . Op 14 november 2020 omstreeks 03:10 uur lag ik samen met mijn vrouw in bed. Onze slaapkamer bevindt zich aan de voorzijde van de woning. Ik had om 02:47 uur nog contact gehad met mijn zoon [slachtoffer 4] .

Op 14 november 2020 omstreeks 03:15 uur hoorde ik buiten voetstappen. Ik hoorde dat een persoon buiten op straat zachtjes liep naar de voordeur van onze woning. Wij hoorden een sissend geluid, met direct daarop een hele harde knal.

Ik ben hierop naar beneden gelopen en zag dat de hal bij de voordeur van mijn woning compleet vernield was door het stuk zwaar vuurwerk dat naar binnen was gegooid. Ik zag dat onderaan de deur een zwarte plek zat. Op deze plek was het stuk vuurwerk, dat door de voordeur onze woning was ingegooid, ontploft. Ik zag dat de gehele vloer in de hal bezaaid lag met glas.

Ik zag dat de kracht van het stuk vuurwerk zodanig groot was dat ik zelfs schade heb in de keuken van onze woning. De keuken en de hal zijn middels een binnenmuur van elkaar gescheiden. Ik zag dat in de keuken zelf het marmeren keukenblad op twee plekken ter hoogte van het fornuis gescheurd was. Verder zag ik dat er meerdere wandtegeltjes in de keuken beschadigd en vernield waren.

In de hal zag ik dat er meerdere scheuren in de muur zaten. Ook zag ik dat de bovenlichtjes die van glas waren compleet vernield waren. Ook meerdere ramen bij de voordeur en naast de voordeur van de woning waren vernield. Zelfs voelde en zag ik dat het deurkozijn van de deur naar ons toilet ontzet was.

De vloer van onze woning betreft marmeren tegels. Ik zag ter hoogte van de voordeur van onze woning dat ook deze marmeren tegels kapot geslagen waren. Ik zag dat er meerdere stukjes zwart/grijs gekleurd papier, die ik herken als zijnde van het vuurwerk afkomstig, op de muren en deuren in de hal van onze woning zaten.

Door het ontploffen van het stuk vuurwerk in de hal van onze woning is er flinke schade ontstaan in onze woning.

2. Een proces-verbaal van buurtonderzoek, p. 508, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van het incident op de [a-straat 2] te [plaats] , hebben wij een buurtonderzoek uitgevoerd. (NB: uit openbare bronnen leidt het hof af dat [plaats] zich in de gemeente [plaats] bevindt.)

[a-straat 1] : Dochter [slachtoffer 3] was aan het leren tot ongeveer 02:00 uur.

3. Een proces-verbaal van bevindingen, p. 512, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 9 november 2020 belde ik met:

[slachtoffer 3]

Wonende te [a-straat 1] [plaats]

Zij werd gehoord omdat uit het buurtonderzoek bleek dat zij in de nacht van het incident tot circa 02:00 uur had zitten leren. Zij verklaarde samengevat het volgende:

Ik was die nacht thuis met mijn ouders. Mijn broer was er niet.

4. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ( [a-straat 1] [plaats] ), p. 661-663, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Omstreeks 03:15 uur Was bij de politie een melding gedaan van een explosie in de woning aan [a-straat 1] te [plaats] . Ter plaatse gekomen collega’s hadden een ravage aangetroffen in de hal en hadden het vermoeden dat er zwaar vuurwerp tot ontploffing was gekomen in de hal.

Bevindingen

Bij het betreden van de voordeur zag ik dat alle aanwezige ruiten in de deur en in de ramen er rechts naast, verbroken waren. Ik zag de glasscherven voornamelijk aan de buitenzijde liggen, maar er lagen ook scherven in de hal.

Ik zag een krater in de vloer van de hal. De plavuizen vloer was daar gescheurd. De krater bevond zich nagenoeg loodrecht onder de brievenbus. Ik zag dat de borstels van de brievenbus verschroeid waren.

Onderzoek explosief In de gang vond ik diverse snippers met daarop teksten en opdrukken die ik ambtshalve herkende als de etiketten van zeer zwaar en illegaal knalvuurwerk van het type “Cobra 6”.

In de gang, op een traptrede en in de woonkamer Vond ik drie blauwe kunststof dopjes die ik ambtshalve herkende als onderdelen van de “Cobra 6”.

In de gang zag ik tegen alle wanden en het plafond vele kleine snippers van grijze tape (type ducttape). Het is mij ambtshalve bekend dat een “Cobra 6” normaliter niet is voorzien van dergelijke tape.

Het schadebeeld was passend bij dat van een explosie die in de woning heeft plaatsgevonden. De plaats van de explosie is op de vloer geweest vlak achter de voordeur. Het explosief, Cobra’s 6, zijn door de brievenbus gedaan en daar op de grond terecht gekomen. De verschroeiing van de borstels is veroorzaakt door de brandende lont.

Samenvatting

Ik vond drie snippers met dezelfde tekst. Dit kan een sterke aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van drie stuks Cobra 6.

De vele splinters tape zijn een zeer sterke aanwijzing dat er meerdere Cobra’s 6 aan, elkaar vast getaped zijn geweest.

Gevaarzetting

Door de explosie was er gemeen gevaar voor goederen te duchten.

Indien zich personen in de nabijheid van de explosie hadden bevonden, dan hadden zij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten, met name ten gevolge van secundaire scherfwerking, zoals rondvliegende (grote) glasscherven, maar ook door de drukgolf en de hoge decibellen van de knal.

5. Een proces-verbaal van bevindingen, p. 1132,1136 en 1140, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 17 februari 2021 wordt [verdachte] aangehouden. Er wordt (hof: onder hem) een Samsung telefoon in beslag genomen ( […] ). Deze telefoon is vanwege barsten in het glas en aan de achterzijde niet meer bruikbaar. De telefoon is door het digitaal onderzoeksteam zodanig geprepareerd dat deze kan worden uitgelezen.

Filmpje vuurwerkbom 14-11-2020 (Snapchat- […] .mp4)

Op de telefoon wordt een video aangetroffen van zeven seconden waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken. Degene die de vuurwerkbom met de linkerhand aansteekt, heeft in de rechterhand de telefoon en filmt. Voordat het vuurwerk wordt aangestoken, wordt het huisnummer van de woning: nummer 4, in beeld gebracht.

Op basis van de naam van de video en de map waarin de video is opgenomen, is de video vermoedelijk met Snapchat gemaakt. Bij de video zijn de volgende tijden vastgelegd:

Created: 14-11-2020 03:17:36

Accessed: 14-11-2020 03:17:36

Modified: 14-11-2020 03:15:41

Dit is enkele minuten voordat bij 112 melding wordt gemaakt dat er een explosie heeft plaatsgevonden op [a-straat 1] in [plaats] . Naar wat later blijkt is de explosie veroorzaakt door een vuurwerkbom die in de brievenbus van [a-straat 1] in [plaats] is gegooid.

Het filmpje van het aansteken van de vuurwerkbom op [a-straat 1] op 14 november 2020 in [plaats] is op de telefoon van [verdachte] aangetroffen. Het is aannemelijk dat het filmpje is gemaakt met de Samsung telefoon in gebruik bij [verdachte] .

6. Een proces-verbaal van bevindingen, p. 1141 en 1144, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik kreeg het verzoek nader onderzoek te doen naar de herkomst van het videobestand ‘Snapchat-1 […] .mp4‘ dat was aangetroffen in de map […] van de bewijsbestanden van de Samsung S7 Edge telefoon die in beslag was genomen onder [verdachte] .

Het op de telefoon van [verdachte] aangetroffen videobestand ‘Snapchat- […] .mp4' heeft de bijzondere eigenschap dat het tijdstip van laatste wijziging van het bestand ligt vóór het tijdstip van aanmaak. Referentietests met Snapchat hebben uitgewezen dat deze eigenschap alleen voorkomt bij videobestanden die op het toestel zelf vanuit Snapchat zijn gefilmd, daarna naar ‘snaps’ zijn opgeslagen en van daaruit via ‘snap exporteren' en ‘downloaden’ nogmaals zijn opgeslagen. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat videobestand ‘Snapchat- […] .mp4’ op de betreffende telefoon zelf is aangemaakt vanuit Snapchat en daarna op vermelde wijze is opgeslagen.

“7. Het Herkomstonderzoek naar videobestand Snapchat- […] .mp4 naar aanleiding van brandstichting, explosies te [plaats] ; [plaats] op 14 november 2020, zaaknummer 2020.11.27.110, opgemaakt door ir. [deskundige 1] , werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 9 februari 2024, p. 9 en 25, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Tijd op 14-11-2020

Resultaat

Interpretatie

02:59:40

De toepassing Google Maps wordt gebruikt

02:59:42

Bestand met daarin het adres “ [a-straat 1] , [plaats] ” en de geografische coördinaat van dit adres ( […] , […] )

Zoekresultaat in Google Maps

03:13:19

Registratie van een basisstation. [b-straat 1] , [plaats] Antenne: Noord kijkend richting [plaats]

03:15:18

03:15:42

Binnen deze minuut worden zowel Google Maps als Snapchat gebruikt

03:15:41

03:17:36

Video met vuurwerkbom

1. Op de inbeslaggenomen (Samsung) telefoon van verdachte is een video aangetroffen van zeven seconden waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken. De naam van de video is Snapchat- […] .mp4 en de map waarin de video is opgenomen is genaamd USERDA TA (ExtX)(Root/Media/O/Snapchat/:

Is deze video met de (Samsung) telefoon van verdachte gemaakt?

Het verschil tussen creatietijd- en wijzigingstijdstempel en de aanwezigheid van de database-regel met de waarde ADD_SNAP_ENTRY_OPERATION zijn veel waarschijnlijker wanneer het videobestand Snapchat- […] .mp4 de in beslaggenomen Samsung S7 Edge telefoon als bron heeft, dan wanneer het videobestand Snapchat- […] .mp4 een andere telefoon als bron heeft.

2. Zo ja, kunt u aangeven hoe (met gebruikmaking van welke app of welk programma) de video is gemaakt?

De gevonden sporen passen bij het scenario dat de video is gemaakt met Snapchat op de Samsung S7 Edge.”

De bewijsoverweging van het hof luidt als volgt:

“Op de telefoon van verdachte is een Snapchat filmpje aangetroffen waarop de aanslagpleger de aanslag op [a-straat 1] in [plaats] heeft gefilmd. Uit de videogegevens op de telefoon van verdachte blijkt dat het tijdstip van ‘created’ 03:17:36 uur is en het tijdstip Van ‘modified’ 03:15:41 uur. Dat is kort voordat bij Operationeel Centrum melding is gedaan van het naar binnen gooien van vuurwerk in het perceel [a-straat 1] in [plaats] .

Uit het NFI Herkomstonderzoek naar videobestand Snapchat- […] .mp4, explosies te [plaats] ; [plaats] op 14 november 2020, gedateerd 9 februari 2024, volgt dat het veel waarschijnlijker is dat het filmpje de Samsung S7 Edge van verdachte als bron heeft, dan wanneer het filmpje een andere telefoon als bron heeft. De gevonden sporen passen bij het scenario dat het filmpje is gemaakt met Snapchat op de telefoon van verdachte. Daarnaast is om 02:59:40 uur op de telefoon van verdachte in Google Maps gezocht, waarbij het antwoord “ [a-straat 1] , [plaats] ” is. Tussen 02:59:40 uur en 03:13:19 uur wordt gereisd naar [a-straat 1] in [plaats] . Deze sporen plaatsen de telefoon van verdachte in de omgeving van [plaats] op basis van mastgegevens op het moment van het maken van het filmpje.

Op basis van de conclusies die voortvloeien uit het NFI onderzoek van 9 februari 2024 constateert het hof dat verdachte midden in de nacht het adres van aangevers en de route daarnaartoe heeft opgezocht in zijn telefoon en zich daarheen heeft begeven. Vervolgens is met zijn telefoon gefilmd dat er een zware vuurwerkbom, bestaande uit twee a drie aan elkaar getapete illegale cobra’s, door de brievenbus van de woning aan [a-straat 1] is gegooid. Uit de wijze van filmen volgt dat de degene die de vuurwerkbom door de brievenbus gooit, ook degene is die dit met zijn telefoon filmt. Gelet op de bevindingen van het NFI acht het hof dan ook bewezen dat het verdachte is geweest die de vuurwerkbom door de brievenbus heeft geworpen. Deze vuurwerkbom is in de woning van de aangevers tot ontploffing gekomen en het mag een wonder heten dat het bij materiële schade aan de woning is gebleven. De impact van de enorme explosie in het midden van de nacht is voor aangevers enorm geweest.”

4. Het eerste middel

Het middel klaagt over de afwijzing van het door de verdediging gedane voorwaardelijk verzoek tot het verrichten van contra-expertise naar (de resultaten van) het NFI-onderzoek betreffende de herkomst van een videobestand dat op de telefoon van de verdachte is aangetroffen.

Volgens de stellers van het middel had het hof – gelet op de belastende inhoud van het NFI-rapport – het belang bij de verzochte contra-expertise moeten veronderstellen. In het licht van hetgeen aan het verzoek door de verdediging ten grondslag is gelegd, zou de afwijzing van de verzochte contra-expertise bovendien onbegrijpelijk zijn.

Procesverloop

Voor een goed begrip van de hierop volgende bespreking van het middel, citeer ik eerst de relevante onderdelen van het procesverloop.

Net als in hoger beroep, heeft ook de rechtbank in eerste aanleg vastgesteld dat het filmpje met de telefoon van de verdachte is gemaakt. Die vaststelling heeft de rechtbank gegrond op de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . De bewijsoverweging van de rechtbank houdt hierover het volgende in (met weglating van voetnoten):

“Filmpje vuurwerkbom 14-11-2020 (Snapchat- […] .mp4)

Op de telefoon wordt een video aangetroffen van 7 seconden waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken. Degene die de vuurwerkbom met de linkerhand aansteekt heeft in de rechterhand de telefoon en filmt. Voordat het vuurwerk wordt aangestoken wordt het huisnummer van de woning: nummer 4 in beeld gebracht. Op basis van de naam van de video (Snapchat- […] .mp4) en de map waarin de video is opgenomen (USERDATA (ExtX)/Root/media/0/Snapchat/) is de video vermoedelijk met Snapchat gemaakt. Bij de video zijn de volgende tijden vastgelegd:

Created: 14-11-2020 03:17:36

Modified: 14-11-2020 03:15:41

Dit is enkele minuten voordat bij 112 melding wordt gemaakt dat er een explosie heeft plaats gevonden op [a-straat 1] in [plaats] .

Wat opvalt bij het filmpje van de vuurwerkbom, is dat de ‘modified’ datum/tijd ligt voor de ‘created’ en ‘accessed’ datum/tijd. Bij een Snapchatfilmpje wat ontvangen is vanaf een ander toestel blijken de ‘modified’, ‘created’ en ‘accessed’ datum/tijd gelijk te zijn. Het is aannemelijk dat het filmpje is gemaakt met de Samsung telefoon in gebruik bij [verdachte] .

De politie heeft nader onderzoek gedaan naar het aangetroffen filmpje op de telefoon van verdachte. Daarbij is gezocht naar een verklaring voor het gegeven dat het tijdstip van aanmaken (“created”) is gelegen vóór het moment waarop het filmpje is aangepast (“modified”). Uit dit onderzoek komt het volgende naar voren:

Het op de telefoon van [verdachte] aangetroffen videobestand ‘Snapchat- […] .mp4’ heeft de bijzondere eigenschap dat het tijdstip van laatste wijziging van het bestand ligt vóór het tijdstip van aanmaak. Referentietests met Snapchat hebben uitgewezen dat deze eigenschap alleen voorkomt bij videobestanden die op het toestel zelf vanuit Snapchat zijn gefilmd, daarna naar ‘snaps’ zijn opgeslagen en van daaruit via ‘snap exporteren’ en ‘downloaden’ nogmaals zijn opgeslagen. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat videobestand ‘Snapchat- […] .mp4’ op de betreffende telefoon zelf is aangemaakt vanuit Snapchat en daarna op vermelde wijze is opgeslagen. Bovendien is het zeer waarschijnlijk dat het videobestand vanuit Snapchat gedeeld is met een andere (chat)app, waarvan aantreffen van de vermelding van ‘Snapchat- […] .mp4’ in het bestand ‘media_packages’ in de tabel ‘media_package_shared_files’ een aanwijzing is.”

In hoger beroep heeft de verdediging verzocht om nader onderzoek te laten verrichten aan de telefoon van de verdachte om te achterhalen met welke telefoon het filmpje is gemaakt. Op de terechtzitting van 9 mei 2023 heeft de verdediging in dit verband het volgende opgemerkt:

Verzoek nader onderzoek telefoon

Nadat de telefoon van verdachte in beslag is genomen, is daar onderzoek naar gedaan. Van dat onderzoek zijn twee processen-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisant 3] . [verbalisant 3] heeft aangegeven dat het onwaarschijnlijk is dat het filmpje van een Samsung telefoon afkomstig is aangezien het de bestandsindeling van de originele videobestanden “.MOV” betreft. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaren echter dat het aannemelijk is dat het filmpje is opgenomen met de Samsung telefoon van verdachte. Deze bevindingen staan haaks op elkaar. Er zijn verschillende conclusies. Verdachte zegt dat hij niet degene is die het filmpje heeft opgenomen. De rechtbank heeft de processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] juist gebruikt om tot een bewezenverklaring te komen. Het opgenomen filmpje wordt gebruikt als bewijs in de zaak. Daarnaast is er geen ander bewijs. Daarom is het noodzakelijk dat het hof nader onderzoek aan die telefoon gelast om te achterhalen met welke telefoon het filmpje is gemaakt of, met andere woorden, om te kunnen vaststellen dat het niet met de telefoon van mijn cliënt is gemaakt. Hij heeft de inbeslaggenomen telefoon nog niet teruggekregen.

[...]

De oudste raadsheer vraagt:

Kunt u aangeven welke processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] u bedoelt?

De raadsvrouw antwoordt:

Het ene proces-verbaal van bevindingen staat op pagina 701 (opmerking griffier: het hof houdt bij de pagina aanduiding steeds het hoogste getal op de betreffende pagina aan) en is gedateerd 8 januari 2021. Het andere proces-verbaal van bevindingen staat op pagina 923 en is gedateerd 31 maart 2021.

De advocaat-generaal vraagt hoe de raadsvrouw het onderzoek aan de telefoon voor zich ziet.

De raadsvrouw antwoordt dat een deskundige onderzoek kan doen naar het filmpje en telefoon. Dit zou een deskundige van het NFI kunnen zijn.”

Het hof heeft op de terechtzitting van 9 mei 2023 niet beslist op dit verzoek, maar heeft – na kort beraad – de inhoudelijke behandeling van de zaak voortgezet. Het onderzoek ter terechtzitting is op diezelfde datum gesloten, met de mededeling dat het hof op 23 mei 2023 uitspraak zou doen.

Op 23 mei 2023 heeft het hof bij tussenarrest het onderzoek ter terechtzitting heropend en het door de raadsvrouw gevraagde nader onderzoek gelast aan de telefoon. Het tussenarrest houdt hierover het volgende in:

Onderzoekswens verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat nader onderzoek naar de (Samsung) telefoon van verdachte nodig is. […]

Oordeel hof

Tijdens de beraadslaging na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het hof ziet redenen om het door de raadsvrouw gedane verzoek tot nader onderzoek van de telefoon toe te wijzen en acht voorts noodzakelijk dat gerapporteerd wordt omtrent de bevindingen en conclusies in/van de hierna te noemen processen-verbaal van bevindingen.

BESLISSING

Het hof:

Heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting.

Wijst toe het verzoek tot nader onderzoek aan de inbeslaggenomen (Samsung) telefoon van verdachte en tot nader onderzoek naar de bevindingen en conclusies omtrent een hierna te vermelden op die telefoon aangetroffen videofilmpje, waarbij het hof er – gelet op de mededeling van zowel de advocaat-generaal als de raadsvrouw als verdachte – van uitgaat dat de inbeslaggenomen telefoon nog steeds onder beslag ligt;

Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde de deskundige van het NFI

de inbeslaggenomen (Samsung) telefoon van verdachte te laten onderzoeken en daarbij in elk geval de volgende vragen te laten beantwoorden:

1. Op de inbeslaggenomen (Samsung) telefoon van verdachte (KVI p. 1129) is een video aangetroffen van 7 seconden waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken. De naam van de video is Snapchat- […] .mp4 en de map waarin de video is opgenomen is genaamd USERDATA (ExtX)/Root/media/0/Snapchat/.

Is deze video met de (Samsung) telefoon van verdachte gemaakt?

2. Zo ja, kunt u aangeven hoe (met gebruikmaking van welke app of welk programma) de video is gemaakt?

Zo nee: kunt u aangeven op welke manier (en met gebruikmaking van welke app of welk programma) de video op de telefoon van verdachte is of kan zijn terechtgekomen?

3. Is vast te stellen of er op 14 november 2020 te omstreeks 03:15 uur beltegoed op voornoemde onder verdachte inbeslaggenomen Samsung telefoon stond? Is het al dan niet aanwezig zijn van een beltegoed relevant voor het (kunnen) versturen van een videofilmpje?

En voorts

4. De bevindingen en de conclusies in processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 8 januari 2021 (p. 701 t/m 704) en d.d. 31 maart 2021 (p. 923 t/m 926)1 enerzijds

en

het proces-verbaal van [verbalisant 1] d.d. 6 juli 2021 (p. 1131 t/m 1140) en het proces-verbaal van [verbalisant 2] d.d. 6 mei 2021 (p. 1141 t/m 1144) anderzijds

betreffende voornoemde video te analyseren en van commentaar te voorzien, tegen de achtergrond van het feit dat de bevindingen en conclusies van [verbalisant 3] enerzijds en verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] anderzijds haaks op elkaar lijken te staan, althans lijken te verschillen.”

Het rapport van de deskundige van het NFI is door het hof als bewijsmiddel 7 gebruikt (zie hiervoor onder 3.2). Dat rapport bevestigt de bevindingen uit de eveneens voor het bewijs gebruikte processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (zie bewijsmiddel 5 en 6).

Op de terechtzitting van 24 september 2024 heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan om een nieuwe deskundige te benoemen. Over het rapport van het NFI is op de terechtzitting het volgende gezegd:

“De advocaat-generaal houdt haar requisitoir:

Ik heb het rapport van het NFI gelezen en de conclusie is duidelijk. Het filmpje van de aanslag is gemaakt met de telefoon van verdachte, althans dat is veel waarschijnlijker. Uit de mastgegevens blijkt dat die telefoon op het moment van het maken van het filmpje ook in de buurt van [plaats] was. Daarnaast is gebleken dat er geen beltegoed nodig was om het filmpje te versturen. Als het filmpje al niet zou kunnen worden verstuurd zonder Wifi, was dit wel gebeurd via het openbare Wifi-netwerk waar verdachte gebruik van maakte. Verdachte ontkent nog steeds dat hij het filmpje heeft gemaakt, maar met dit rapport kunnen wij daar niet meer omheen. […]

De raadsvrouw houdt haar pleidooi:

Ik verwijs naar mijn pleitnota van 9 mei 2023. Ter aanvulling merk ik het volgende op. […] Verdachte heeft vanaf het eerste moment stellig ontkend dat zijn telefoon is gebruikt voor het maken van het filmpje. Verdachte zegt dat het onmogelijk is en dat het filmpje absoluut niet is gemaakt met zijn telefoon, meer in het bijzonder niet door hemzelf. De verdediging deelt de conclusie van het NFI dan ook niet. Verdachte had geen beltegoed en geen internet op zijn telefoon. Hij kon alleen gebruik maken van Wifi. De bevindingen van het NFI zijn onjuist. Verdachte is de bewuste dag niet in de buurt van [plaats] en [plaats] geweest. Er zijn ook geen camerabeelden of gegevens die hem in [plaats] plaatsen. Forensisch onderzoek heeft geen belastend materiaal opgeleverd met DNA van verdachte. Er is alleen een NFI rapport waar de verdediging zich niet in kan vinden. Ik heb contact opgenomen met het Nederlands Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) en ik heb het rapport van het NFI aan hen toegezonden. [deskundige 2] , een gecertificeerd deskundige op het gebied van digitaal forensisch onderzoek, heeft zich bereid verklaard het rapport van het NFI nader te onderzoeken en zijn bevindingen op papier te zetten. Ik doe daartoe het volgende voorwaardelijk verzoek: in het geval het hof gebruik maakt van het rapport van het NFI en zo tot een bewezenverklaring komt, wordt verzocht om [deskundige 2] te benoemen als deskundige voor een second opinion om te kijken of het NFI op de juiste manier tot zijn conclusie is gekomen en of deze conclusie ook de juiste conclusie is. Het is een behoorlijk ernstig verwijt en verdachte ontkent stellig vanaf het eerste moment.”

Het hof heeft – als gezegd – in zijn bewijsoverweging vastgesteld dat het filmpje van de aanslag is gemaakte met de telefoon van de verdachte. Die vaststelling is door het hof gebaseerd op de ook door de rechtbank gebruikte processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en – daarnaast – op het hiervoor geciteerde onderdeel van het rapport van het NFI (zie hiervoor onder 3.2). Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om [deskundige 2] te benoemen als deskundige voor een second opinion, heeft het hof in zijn arrest van 8 oktober 2024 als volgt samengevat en verworpen:

Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan om door [deskundige 2] van het Nederlands Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) het onderzoek van het NFI nader te laten onderzoeken, indien het hof tot een bewezenverklaring komt van hetgeen verdachte is tenlastegelegd. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft zij aangevoerd dat verdachte vanaf het eerste moment stellig heeft ontkend. Het NFO kan onderzoeken of het NFI op de juiste manier tot de hiervoor vermelde conclusie is gekomen en of deze conclusie ook de juiste conclusie is.

[…]

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij tussenarrest van 23 mei 2023 beslist dat het NFI onderzoek moest doen naar de onder verdachte in beslag genomen telefoon. Het hof heeft daarbij enkele onderzoeksvragen opgesteld.

Het NFI heeft de bevindingen van het onderzoek en de beantwoording van de vragen opgeschreven in het Herkomstonderzoek naar videobestand Snapchat- […] .mp4, explosies te [plaats] ; [plaats] op 14 november 2020, gedateerd 9 februari 2024. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan het rapport van het NFI en de uitkomsten daarvan. Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot nader onderzoek door het NFO niet is gebleken. Het enkele feit dat verdachte het daarmee niet eens is, vormt onvoldoende onderbouwing voor dit verzoek. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.”

In cassatie gaat het over de vraag of het hof bij de afwijzing van het verzoek van de verdediging om [deskundige 2] te benoemen als deskundige, om hem te laten onderzoeken of de deskundige van het NFI het bij het juiste eind had, het correcte toetsingskader heeft aangelegd. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar de post-Keskin rechtspraak van de Hoge Raad en het arrest HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198 over – kort gezegd – het horen van belastende deskundigen, betoogd dat het hof het belang bij het hiervoor bedoelde verzoek had moeten veronderstellen en het verzoek niet had mogen afwijzen omdat dit onvoldoende was onderbouwd.

Juridisch kader voor het recht op het horen van belastende getuigen/deskundigen verklaringen

Op grond van art. 6 lid 3 onder d EVRM moet het bewijs dat de rechter aan een veroordeling ten grondslag legt, door de verdediging op een effectieve manier ter discussie kunnen worden gesteld. Daaruit vloeit volgens het EHRM voort dat de verdachte in staat wordt gesteld “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”. Voor getuigen geldt in dit verband als algemeen uitgangspunt dat de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid moet hebben gehad om de getuige te ondervragen. Uit het Keskin-arrest van het EHRM volgt dat – anders dan bij een verzoek tot het horen van een ontlastende getuige – het belang van de verdediging bij het horen van een belastende getuige wordt voorondersteld. De rechter kan een verzoek tot het horen van een belastende getuige, die niet eerder door de verdediging is gehoord, niet afwijzen op de enkele grond dat de verdediging dat verzoek niet of onvoldoende heeft onderbouwd.

In zijn arrest van 20 april 2021, inmiddels bekend als het post-Keskin arrest, ging de Hoge Raad in op de consequenties van het Keskin-arrest voor de Nederlandse strafrechtspraktijk. In navolging van de hiervoor genoemde uitgangspunten, overwoog de Hoge Raad:

“2.9.2. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.”

In het post-Keskin arrest van 20 april 2021 is de Hoge Raad niet expliciet ingegaan op de vraag of dit nieuwe uitgangspunt ook geldt voor de deskundige die een voor de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd c.q. een voor de verdachte belastend rapport heeft uitgebracht. De rechtspraak van het EHRM geeft wel aanleiding om die vraag bevestigend te beantwoorden. Het EHRM acht de uitgangspunten die het hanteert voor het oproepen van getuigen à charge ook van toepassing indien bewijsmateriaal met een belastende strekking niet door getuigen maar door deskundigen wordt geleverd. Ook dan moet de verdediging in beginsel de mogelijkheid hebben om de deskundigen te ondervragen, hun conclusies in twijfel te trekken en hen op de zitting te ondervragen.

In een arrest van 13 september 2022 oordeelde de Hoge Raad echter dat de regels uit het post-Keskin arrest “niet onverkort” van toepassing zijn op verzoeken tot horen van deskundigen of opsporingsambtenaren die technisch opsporingsonderzoek hebben verricht. In dat arrest leidt de Hoge Raad in de eerste plaats uit de rechtspraak van het EHRM af dat getuigen en deskundigen niet “steeds volledig op één lijn (kunnen of moeten) worden gesteld” en wijst hij vervolgens op het verschillende karakter van een verklaring van een getuige en van een deskundige. Daarna overweegt de Hoge Raad het volgende:

“2.4.2. Aan de rechtspraak van het EHRM over het gebruik voor het bewijs van een voor de verdachte belastende getuigenverklaring ligt als algemeen uitgangspunt ten grondslag dat een verdachte een behoorlijke en effectieve mogelijkheid moet hebben om de betreffende getuige te ondervragen. Daarmee wordt de verdachte in staat gesteld “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”. Op grond van artikel 6 EVRM heeft de verdachte eveneens het recht dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen het door de deskundige uitgebrachte schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Van belang daarbij is echter ook dat een ondervraging van een ‘expert witness’ in aanwezigheid van de verdediging niet de enige mogelijkheid betreft om de bevindingen en de conclusies van het door de betreffende deskundige verrichte onderzoek aan een (nader) onderzoek ten behoeve van de verdediging te onderwerpen. Andere potentieel effectieve mogelijkheden om de bevindingen en de conclusies van de deskundige te onderzoeken en te betwisten betreffen onder meer:

- het laten opstellen van een nader rapport door de deskundige waarin vragen van de verdediging worden beantwoord;

- het laten uitvoeren van aanvullend onderzoek door dezelfde deskundige;

- het laten beoordelen van de resultaten van het onderzoek van de deskundige door een andere deskundige;

- het (zo mogelijk) opnieuw laten uitvoeren van onderzoek door een andere deskundige.

Het is afhankelijk van de aard en de inhoud van de bevindingen en de conclusies van de deskundige alsmede de concrete omstandigheden van het geval welke mogelijkheid of mogelijkheden voor onderzoek en betwisting aan de verdediging, met het oog op het waarborgen van de eerlijkheid van het proces als geheel (‘overall fairness of the trial’), moet of moeten worden geboden.

Gelet op het vorenstaande brengt de omstandigheid dat een deskundige een verklaring heeft afgelegd dan wel dat een schriftelijk verslag van een deskundige in het dossier is gevoegd, terwijl die verklaring of dat verslag - bezien in samenhang met de overige resultaten van het opsporingsonderzoek - een voor de verdachte belastende strekking heeft, niet met zich dat de regels die de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin) heeft geformuleerd over de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, onverkort toepassing vinden. Een verzoek tot het oproepen en het horen van een deskundige moet in de regel door de verdediging worden gemotiveerd. Daarbij mag van de verdediging worden verlangd dat wordt toegelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van de over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij wil (doen) toetsen door middel van het horen van de deskundige. Daarbij kan van belang zijn dat de verdediging ook toelicht waarom daarvoor het oproepen en horen van de deskundige nodig is en niet een andere wijze van toetsing in aanmerking komt.”

Dit arrest heeft tot veel discussie in de literatuur geleid. De stellers van het middel menen – mede onder verwijzing naar die discussie – dat het arrest op gespannen voet staat het de rechtspraak van het EHRM. Volgens hen volgt uit die rechtspraak namelijk dat verzoeken tot het horen getuigen en deskundigen op een gelijke wijze moeten worden beoordeeld, met name daar waar het gaat om het door de Hoge Raad gestelde vereiste een dergelijk verzoek te onderbouwen.

In een recent arrest van 18 november 2025 is de Hoge Raad ingegaan op de hiervoor genoemde kritiek in de literatuur. De Hoge Raad overweegt – ter verduidelijking van het arrest van 13 september 2022 – het volgende:

“2.3.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198 enkele algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van deskundigen in gevallen waarin:

(i) een deskundige een verklaring heeft afgelegd of(ii) een schriftelijk verslag van een deskundige in het dossier is gevoegd,

terwijl die verklaring of dat verslag – bezien in samenhang met de overige resultaten van het opsporingsonderzoek – een voor de verdachte belastende strekking heeft (hierna worden die verklaring en dat verslag kortheidshalve ook aangeduid met: belastende deskundigenverklaring). In die zaak stond de in het cassatiemiddel opgeworpen vraag centraal of de regels die de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin) heeft geformuleerd over de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, onverkort moeten worden toegepast op de beoordeling van verzoeken tot het horen van een deskundige die een verklaring heeft afgelegd of die een verslag heeft opgesteld dat een belastende strekking heeft.

[…]

Mede naar aanleiding van de – in de conclusie van de advocaat-generaal onder 46 genoemde – discussie die in de literatuur is ontstaan over dit arrest, merkt de Hoge Raad het volgende op ter verduidelijking en nadere uitwerking van de daarin neergelegde overwegingen.

Vooropstaat dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM het recht heeft in de gelegenheid te worden gesteld om de “truthfulness and reliability” (hierna kortheidshalve: betrouwbaarheid) te onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen een door de deskundige uitgebracht schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. In dit opzicht bestaat er geen verschil met het recht dat aan de verdachte in relatie tot getuigenverklaringen op grond van artikel 6 EVRM toekomt “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”. Dit betekent dat, als de verdachte kenbaar maakt dat hij de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring wil (doen) onderzoeken, van de verdediging geen nadere onderbouwing van het belang bij zo’n onderzoek mag worden verlangd. De motiveringsplicht die in het onder 2.3.1 genoemde arrest voor de verdediging is benoemd en die in het navolgende nader wordt verduidelijkt, ziet ook niet op dit belang. Een verzoek tot het oproepen en horen van een deskundige mag niet worden afgewezen op de enkele grond dat een onderbouwing door de verdediging ontbreekt van het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring of het deskundigenverslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft.

Dat in het onder 2.3.1 genoemde arrest, ook in het geval van een belastende deskundigenverklaring, tot op zekere hoogte een motivering van een verzoek door de verdediging wordt verlangd, houdt ermee verband dat het oproepen en horen van de deskundige niet de enige manier is waarop een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring kan plaatsvinden. Zo’n onderzoek kan ook plaatsvinden door bijvoorbeeld:

- het laten opstellen van een nader rapport door de deskundige waarin vragen van de verdediging worden beantwoord;

- het laten uitvoeren van aanvullend onderzoek door dezelfde deskundige;

- het laten beoordelen van de resultaten van het onderzoek van de deskundige door een andere deskundige;

- het (zo mogelijk) opnieuw laten uitvoeren van onderzoek door een andere deskundige.

Welke manier van (nader) onderzoek het meest geschikt is om – ten behoeve van de verdediging en ook, meer in het algemeen, in het belang van de waarheidsvinding – op effectieve wijze een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring te doen plaatsvinden, is afhankelijk van verschillende gezichtspunten. Daarbij zijn mede van belang de inhoud van de belastende deskundigenverklaring, de manier waarop die deskundige daarin verslag heeft gedaan van het verrichte onderzoek of anderszins daarin op grond van zijn specifieke of bijzondere kennis voor de strafzaak relevante uitlatingen heeft gedaan, de (soms) complexe of technische aard van het al verrichte of nog te verrichten onderzoek, alsmede de (overige) concrete feiten en omstandigheden van het geval.

In het licht van deze alternatieve toetsingsmogelijkheden houdt de motiveringsplicht die in het onder 2.3.1 genoemde arrest voor de verdediging is benoemd, verband met twee factoren die van belang zijn voor de beoordeling door de rechter van het verzoek tot het oproepen en horen van de deskundige. Allereerst moet de verdediging aanduiden welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan een nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast betreft het een toelichting waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van het oproepen en horen van de deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen. Deze motiveringsplichten strekken er, als gezegd, niet toe dat de verdediging het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring moet toelichten. Het gaat erom dat de rechter in staat wordt gesteld te beoordelen of – gegeven dat belang en in het licht van de bij de verdediging gerezen vragen over of bezwaren tegen de belastende deskundigenverklaring – het oproepen en horen van de deskundige de (meest) aangewezen manier is om dat onderzoek te doen plaatsvinden met het oog op een effectieve toetsing van de betrouwbaarheid van die deskundigenverklaring. Daarmee wordt niet alleen de waarheidsvinding gediend maar wordt ook gewaarborgd dat wordt voldaan aan de vereisten van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

In het geval dat de onderbouwing van het verzoek van de verdediging tot het oproepen en horen van de deskundige niet voldoet aan de onder 2.3.5 omschreven eisen en de rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor het oproepen en horen van de deskundige, kan de rechter dat verzoek met een daarop toegesneden motivering afwijzen. Dat doet er echter niet aan af dat de rechter voordat hij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, waaronder ook het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te (doen) onderzoeken. Dit betekent dat de rechter hetzij ambtshalve alsnog zal overgaan tot het bieden van gelegenheid voor een onderzoek naar de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring, op één van de manieren als bedoeld in 2.3.4, hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring – met het oog op de vraag of het proces als geheel eerlijk is verlopen – onder ogen zal moeten zien of en, zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de deskundige te ondervragen. Voor de beantwoording van deze vraag zijn van belang (i) de reden dat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen met betrekking tot de deskundige van wie de verklaring of het verslag voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring of het verslag van de deskundige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. In dit verband is onder meer van belang of aan de verdediging mogelijkheden zijn geboden om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te onderzoeken.

Het vorenstaande houdt concreet in dat (a) als de verdediging het verzoek doet om een deskundige op te roepen en te horen omdat deze deskundige een belastende verklaring heeft afgelegd, en (b) de rechter dit verzoek niet toewijst omdat de onderbouwing van het verzoek niet voldoet aan de onder 2.3.5 omschreven eisen en de rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor het oproepen en horen van de deskundige, (c) de rechter ervan blijk moet geven te hebben onderzocht of aan de verdediging op een andere manier gelegenheid moet worden geboden om de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, en (d) – als die gelegenheid niet wordt geboden – de rechter moet motiveren dat en waarom de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.”

Kort samengevat komt de huidige lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad dus op het volgende neer. Als de verdediging kenbaar maakt dat zij de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring wil onderzoeken of laten onderzoeken, dan moet het belang bij dat onderzoek worden voorondersteld. Zo’n verzoek mag niet worden afgewezen op de enkele grond dat de verdediging het belang van dat onderzoek naar de betrouwbaarheid niet of onvoldoende heeft onderbouwd. De motiveringsplicht uit het arrest 13 september 2022 ziet dan ook niet op het belang van het onderzoek naar de betrouwbaarheid zelf, maar op de vorm waarin dat onderzoek moet plaatsvinden. Als de verdediging de deskundige wenst op te roepen en te horen over zijn deskundigenverklaring, mag van de verdediging wel worden verlangd dat zij onderbouwt waarom dat de meest aangewezen vorm van onderzoek is naar de betrouwbaarheid.

Bespreking van het middel

Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging waar het in cassatie om gaat (zie hiervoor onder 4.9), heeft als doel om nader onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van het rapport van het NFI door de benoeming van een deskundige van het NFO bij wijze van “een second opinion om te kijken of het NFI op de juiste manier tot zijn conclusie is gekomen en of deze conclusie ook de juiste conclusie is”. In lijn met het arrest van 18 november 2025 heeft de verdediging hiermee kenbaar gemaakt dat zij de betrouwbaarheid van een voor de verdachte belastende deskundigenverklaring wil laten onderzoeken door een andere deskundige. Naar de letter van het arrest van 18 november 2025 is hier dus sprake van een verzoek ten aanzien waarvan het belang moet worden voorondersteld.

Het hof heeft in het bestreden arrest het verzoek afgewezen op de grond dat het geen aanleiding ziet te twijfelen aan het rapport van het NFI en de uitkomsten daarvan en dat het van oordeel is dat de noodzaak tot nader onderzoek door het NFO niet is gebleken. Daarbij heeft het hof het enkele feit dat verdachte het daarmee niet eens is, als onvoldoende onderbouwing van dit verzoek aangemerkt. Daarmee heeft het hof niet het juiste toetsingskader gehanteerd zoals omschreven in het arrest van 18 november 2025. De motiveringsplicht van de verdediging strekt er immers niet toe dat de verdediging het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring moet toelichten.

Maar daarmee is wat mij betreft de kous niet af. In de onderhavige zaak doet zich de bijzonderheid voor dat het NFI-rapport waarvan de verdediging de betrouwbaarheid wil laten onderzoeken door een andere deskundige, zelf al het resultaat van de betwisting door de verdediging van de conclusies die in de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn getrokken. Dit is voor het hof de aanleiding geweest het verzoek tot nader onderzoek door het NFI in het tussenarrest toe te wijzen.

Dat roept in de eerste plaats de vraag op hoe de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] moeten worden gekwalificeerd. Als die processen-verbaal op zichzelf al kunnen worden aangemerkt als deskundigenonderzoek zoals bedoeld in de hiervoor aangehaalde arresten van de Hoge Raad, is het NFI-rapport, waar door de verdediging om is verzocht, een vorm van contra-expertise. In dat geval is het door de verdediging ter terechtzitting van het hof op 24 september 2024 gedane voorwaardelijke verzoek om de juistheid van het NFI-onderzoek te toetsen, een verzoek tot ‘contra-expertise op contra-expertise’.

De daaropvolgende vraag is dan hoe dit soort verzoeken in het licht van art. 6 EVRM en het arrest van 18 november 2025 moeten worden beoordeeld. Kan ten aanzien van het door de verdediging voorwaardelijk verzochte onderzoek naar de juistheid van het NFI onderzoek door een deskundige van het NFO dan wel de eis worden gesteld dat de verdediging de noodzaak van een dergelijk onderzoek moet onderbouwen c.q. nader moet motiveren?

Hieronder ga ik op beide vragen in.

Moeten de processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] worden aangemerkt als deskundigenonderzoek?

Ik stel voorop dat het Wetboek van Strafvordering geen definitie bevat van het begrip deskundige. Uit art. 51i lid 1 Sv en de in art. 343 Sv gegeven definitie van een deskundigenverklaring kan wel worden afgeleid dat het gaat om een persoon die “over specifieke of bijzondere kennis” beschikt en zijn inbreng in het strafproces (via een verklaring of een schriftelijk verslag) baseert op “wat zijn wetenschap en kennis hem leren”. Uiteindelijk is het de rechter die bepaalt in hoeverre een concreet onderzoek als deskundigenonderzoek moet worden aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat technisch onderzoek door een opsporingsinstantie in beginsel niet als deskundigenonderzoek kan worden aangemerkt. Op grond van het voorgaande kunnen de processen-verbaal van de verbalisanten in ieder geval niet worden aangemerkt als ‘klassiek’ deskundigenonderzoek in de zin van art. 51i Sv (e.v.).

Tegelijk blijkt uit de arresten van 13 september 2022 en 18 november 2025 over ‘deskundigen’ in het licht van de post-Keskin rechtspraak dat de Hoge Raad het daarin weergegeven kader niet heeft willen beperken tot slechts de deskundigen die op grond van art. 51i lid 1 Sv als zodanig zijn benoemd. In het arrest van 13 september 2022 overweegt de Hoge Raad immers:

“2.4.4. Het vorenstaande geldt ook als een verzoek wordt gedaan tot het oproepen en horen als getuige van een opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht, dat wil zeggen opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist.”

Die opvatting is in lijn met de door de Hoge Raad genoemde rechtspraak van het EHRM, waarin het begrip “witness” – waaronder ook de “expert witness” is begrepen – een autonome betekenis heeft. De arresten van 13 september 2022 en 18 november 2025 van de Hoge Raad zijn dus niet alleen relevant voor de op grond van art. 51i lid 1 Sv benoemde deskundigen, maar voor alle personen die als “expert witness” kunnen worden aangemerkt. In dat verband wijst de Hoge Raad erop dat de verklaring of het verslag van een deskundige gericht is op het geven van voor de strafzaak relevante informatie over of het ten behoeve van de strafzaak doen van onderzoek op een terrein waarvan die persoon specifieke of bijzondere kennis bezit, terwijl een getuigenverklaring betrekking heeft op wat die persoon heeft waargenomen. Tegen de achtergrond van dit onderscheid is goed te begrijpen waarom de Hoge Raad de uitgangspunten in zijn arrest van 13 september 2022 ook van toepassing acht op de opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht. Dat processen-verbaal van technisch opsporingsambtenaren als deskundigenbewijs kunnen worden aangemerkt is overigens al eerder door de Hoge Raad bevestigd. Als de betrokken verbalisanten op de zitting zijn gehoord, moeten zij, wil hun verklaring als deskundigenverklaring voor het bewijs worden gebruikt, wel (tevens) als deskundigen worden beëdigd.

Gelet op het voorgaande, meen ik dat de processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kunnen worden aangemerkt als ‘belastende deskundigenverklaringen’, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2025. Beide processen-verbaal vallen onder de categorie van technisch opsporingsonderzoek dat tevens een deskundigenonderzoek is. Met name het proces-verbaal van [verbalisant 2] – werkzaam als specialist digitale expertise bij het Team Digitale Opsporing van de Landelijke Eenheid – geeft blijk van “het ten behoeve van de strafzaak doen van onderzoek op een terrein waarvan die persoon specifieke of bijzondere kennis bezit”. In zijn proces-verbaal heeft hij – op basis van een onderzoeksvraag van het onderzoeksteam – een referentieonderzoek uitgevoerd met de app Snapchat. Hij heeft daarbij verschillende referentietests uitgevoerd met Snapchat en bevonden dat het enige scenario dat vergelijkbare gegevens als aangetroffen in de telefoon van de verdachte opleverde, het scenario is waarin – kort gezegd – het filmpje met de telefoon van de verdachte is gemaakt.

Mijn tussenconclusie is dat de verdachte – door toewijzing van het verzoek tot nader onderzoek bij tussenarrest dat heeft geleid tot het NFI-rapport – reeds in de gelegenheid is gesteld “to test the truthfulness and reliability” van een belastende deskundigenverklaring, namelijk die van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Dat roept – zoals gezegd – de vervolgvraag op hoe het verzoek om nader onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van het door het hof voor het bewijs gebruikte rapport van het NFI in het licht van art. 6 EVRM en het arrest van 18 november 2025 moet worden beoordeeld.

Hoe moet een nieuw verzoek naar de betrouwbaarheid van een deskundigenverklaring worden beoordeeld als deze verklaring het resultaat is van een verzoek van de verdediging om de betrouwbaarheid van de oorspronkelijke deskundigenverklaring te (doen) onderzoeken?

Voor verzoeken tot het oproepen en horen van een getuige volgt het antwoord op deze vraag rechtstreeks uit rechtsoverweging 2.9.2 van het post-Keskin arrest. De bijstelling uit dat arrest is immers slechts van toepassing “op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen”. Als de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de getuige te ondervragen, hoeft het belang bij een verzoek om diezelfde getuige op te roepen en te horen niet meer te worden voorondersteld en mag van de verdediging een nadere onderbouwing van het verzoek worden verlangd.

Maar het voorgaande geldt voor het ondervragingsrecht. Hoe zit het dan als de verdediging – in lijn met de arresten van 13 september 2022 en 18 november 2025 en zoals in de onderhavige zaak aan de orde is – reeds gebruik heeft gemaakt van één van de daar genoemde alternatieven om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, en vervolgens nog een verzoek doet dat ziet op de betrouwbaarheid van die laatste deskundigenverklaring? De arresten van 13 september 2022 en 18 november 2025 bevatten geen overweging dat het belang bij een verzoek tot onderzoek naar de betrouwbaarheid van een deskundigenverklaring slechts hoeft te worden voorondersteld als de verdediging nog niet eerder in de gelegenheid is geweest om de betrouwbaarheid daarvan te onderzoeken.

Ik geef een aantal voorbeelden die zich in de praktijk zouden kunnen voordoen:

- Op verzoek van de verdediging heeft een andere deskundige het onderzoek opnieuw uitgevoerd, maar de verdediging heeft daar vragen over en verzoekt de deskundige een nader rapport te laten opstellen waarin die vragen worden beantwoord.

- In eerste aanleg is de deskundige over zijn onderzoek in het bijzijn van de verdediging gehoord, maar de verdediging is het in hoger beroep nog steeds niet eens met zijn conclusies en doet in hoger beroep daarom een verzoek om het onderzoek opnieuw door een andere deskundige te laten uitvoeren.

- De deskundige heeft op verzoek van de verdediging aanvullend onderzoek uitgevoerd, maar de verdediging is het daar niet mee eens en wil dat de resultaten van het onderzoek worden beoordeeld door een andere deskundige.

Volgens welke maatstaf moeten dit soort vervolgverzoeken worden beoordeeld? Moet daarbij steeds het belang ervan worden voorondersteld of mag van de verdediging worden verwacht dat zij motiveert waarom dat vervolgonderzoek van belang is?

Naar mijn mening heeft de verdediging in dit soort gevallen de op grond van art. 6 EVRM gegarandeerde kans “to test the truthfulness and reliability of evidence” ten aanzien van de deskundigenverklaring al gehad. Als de verdediging nog meer onderzoek naar de betrouwbaarheid van diezelfde deskundigenverklaring wil, ligt het in de rede dat door de verdediging wordt gemotiveerd waarom dat nader onderzoek – mede in het licht van hetgeen in dat kader reeds aan onderzoek heeft plaatsgevonden – van belang is. Dat past ook bij de “overall fairness”-benadering van het EHRM, waarin de rechter de procedure in zijn geheel moet beoordelen. Het afwijzen van niet gemotiveerde verzoeken tot onderzoek naar de betrouwbaarheid van een deskundigenverklaring terwijl de verdediging reeds de mogelijkheid heeft gehad “to test the truthfulness and reliability of evidence”, staat in zoverre niet op gespannen voet met art. 6 EVRM.

Die “overall fairness”-benadering van het EHRM zal in dit verband sowieso veel problemen oplossen. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 november 2025 ook onderstreept, culmineert het voorgaande immers altijd in de door de rechter achteraf te beantwoorden vraag of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. In dat licht zal de afwijzing van de hiervoor bedoelde verzoeken tot vervolgonderzoek niet snel leiden tot het oordeel dat sprake is van een schending van art. 6 EVRM. De mogelijkheid om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, kan in dat verband immers worden aangemerkt als compensatie voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid van de deskundige, terwijl nader deskundigenonderzoek het gewicht van de door de verdediging betwiste deskundigenverklaring kan doen afnemen.

Dat deze toets door de rechter achteraf veel plooien kan gladstrijken in dit soort gevallen, doet er wat mij betreft niet aan af, dat het voor de rechter duidelijk moet zijn of hij bij een verzoek tot nader onderzoek het belang bij dat onderzoek moet vooronderstellen. Het zou goed zijn als de Hoge Raad die duidelijkheid schept.

Waar leidt dit toe in de onderhavige zaak?

In de onderhavige zaak heeft de verdediging verzocht om een andere deskundige – [deskundige 2] – het onderzoek van het NFI te laten toetsen. Het onderzoek van het NFI was op zichzelf echter al een vorm van contra-expertise ten aanzien van de bevindingen in het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Onder die omstandigheden en gelet op hetgeen ik hiervoor heb overwogen, meen ik dat hier geen sprake is van een verzoek waarbij het belang moet worden voorondersteld. Als de verdediging reeds een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te (doen) onderzoeken, mag van de verdediging worden verlangd dat zij een verzoek om die betrouwbaarheid opnieuw te (doen) onderzoeken dient te onderbouwen. Dat is op grond van het post-Keskin arrest nu al zo voor verzoeken tot het horen van een deskundige, maar geldt ook als de verdediging de betrouwbaarheid van een deskundigenverklaring heeft laten onderzoeken op een van de alternatieve manieren die de Hoge Raad noemt in zijn arresten van 13 september 2022 en 18 november 2025. Voor zover het middel klaagt dat het belang bij het verzoek van de verdediging om het onderzoek van het NFI te toetsen door het hof had moeten worden voorondersteld, faalt het daarom.

De afwijzing van het verzoek is – mede bezien tegen de achtergrond van hetgeen de verdediging daaraan ten grondslag heeft gelegd – ook niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging niet meer heeft aangevoerd dan dat de verdachte altijd stellig heeft ontkend het filmpje te hebben gemaakt en dat (daarom) de conclusies van het NFI onjuist zijn.

Het middel faalt.

5. Het tweede middel

Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring – mede in het licht van hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd – ontoereikend is gemotiveerd.

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte niet degene is geweest die het filmpje heeft gemaakt. Dit kan uit de bewijsmiddelen ook niet worden afgeleid. Hieruit kan alleen worden opgemaakt dat het filmpje is gemaakt met de telefoon van de verdachte. Ook de bewijsoverweging van het hof houdt volgens de stellers van het middel geen overweging in met betrekking tot de vraag of de verdachte zelf ook degene is die het filmpje heeft gemaakt.

Voor zover het middel beoogt te klagen dat het hof niet heeft geoordeeld dat de verdachte degene is geweest die het filmpje heeft gemaakt, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging immers – op grond van de bevindingen van het NFI – geoordeeld dat “het verdachte is geweest die de vuurwerkbom door de brievenbus heeft geworpen”.

Voorts kon het hof op basis van de vaststelling dat het filmpje met de telefoon van de verdachte is gemaakt en dat uit de wijze van filmen volgt dat degene die filmt ook degene is die de vuurwerkbom naar binnen heeft gegooid, de voor het bewijs relevante conclusie trekken dat de verdachte degene is geweest die de vuurwerkbom door de brievenbus heeft geworpen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is – ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd – toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

6. Het derde middel

Het middel klaagt over de onder 3 subsidiair bewezen verklaarde ‘poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade’ en bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, met name voor wat betreft het bestaan van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van de in de bewezenverklaring genoemde bewoners van de woning. In dat verband wordt aangevoerd dat (i) uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 4] niet in de woning aanwezig was ten tijde van de ontploffing en (ii) dat de overige bewoners zich ten tijde van de ontploffing niet in de hal bevonden waar de ontploffing plaatsvond.

Juridisch kader

Bij bespreking van het middel stel ik het volgende voorop, waarbij ik aanteken dat het hierna volgende juridisch kader in belangrijke mate is gebaseerd op een conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Hofstee van 21 mei 2024. In zijn arrest van 29 mei 2018 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept:

“5.3.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de beschadiging van een hond - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).

In de conclusie van de Advocaat-Generaal wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld. Daaromtrent merkt de Hoge Raad het volgende op. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering “de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans”.

De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.”

De vraag naar de aanmerkelijke kans moet dus zoveel mogelijk op basis van concrete en objectieve omstandigheden worden beoordeeld. In gevallen waarin sprake is van een poging tot een bepaald delict, levert die objectieve blik op de aanmerkelijke kans een spanningsveld met de geldende pogingsleer op. Volgens de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad staat de relatieve ondeugdelijkheid van een poging – dat wil zeggen: de poging waarbij de gedraging van de verdachte achteraf bezien nooit tot de voltooiing van het beoogde delict had kunnen leiden – niet aan strafbaarheid in de weg. Vanwege de objectieve uitleg van de aanmerkelijke kans, kan de relatieve ondeugdelijkheid van een poging er echter wel toe leiden dat een probleem ontstaat bij de vraag of – op basis van de concrete omstandigheden van het geval – achteraf bezien sprake was van een aanmerkelijke kans op het onvoltooide delict.

Een goed voorbeeld waar dit toe kan leiden, is het veel besproken arrest HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2760. In die zaak had de verdachte geschoten op het raam van de woonkamer, terwijl hij wist dat zijn ex-vrouw en haar zus zich in de woning bevonden. De veroordeling voor de poging tot zware mishandeling ten aanzien van de zus hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad overwoog dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kon worden afgeleid dat de zus zich ten tijde van het schot in de woonkamer bevond. Gelet op de opengebleven mogelijkheid dat de zus ten tijde van het schot elders in de woning vertoefde, was het oordeel dat sprake was van een aanmerkelijke kans op lichamelijk letsel niet zonder meer begrijpelijk.

In dezelfde zin oordeelde de Hoge Raad in HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6765. De verdachte had twee keer op de voordeur van het slachtoffer geschoten en werd veroordeeld voor poging tot moord. Volgens de Hoge Raad kon uit de bewijsvoering niet zonder meer volgen dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door een van de kogels dodelijk zou worden geraakt. Uit die bewijsvoering volgde immers dat het slachtoffer zich ten tijde van de schoten in de slaapkamer bevond en dat die slaapkamer niet in het verlengde van de voordeur was gelegen.

Wel lijkt de rechtspraak van de Hoge Raad ruimte te bieden om in het geval van (zeer) uitzonderlijke, onwaarschijnlijke of onverwachte omstandigheden enigszins te abstraheren van het concrete geval. De hiervoor besproken objectieve uitleg staat er in die bijzondere gevallen niet aan in de weg dat toch een aanmerkelijke kans op het delict kan worden aangenomen.

Een arrest van 6 december 2016 is zo’n bijzonder geval. De verdachte had het slachtoffer met kracht met een mes in zijn buikstreek gestoken, maar bleek de steekwond achteraf niet levensbedreigend te zijn omdat het slachtoffer op het moment van het steken een steekwerend vest droeg. Het oordeel van het hof dat het steken met een mes in de buikstreek een aanmerkelijke kans op de dood oplevert, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Het enkele feit dat het slachtoffer een steekwerend vest droeg, waardoor de steekwond niet levensbedreigend was, leidde niet tot een ander oordeel. De Hoge Raad overwoog onder meer:

“Overigens is – gelet op het (toekomstgerichte) karakter van een poging – zo'n bijzondere omstandigheid als het dragen van een steekwerend vest niet onverenigbaar met de voor een poging toereikende vaststelling dat het met kracht steken van een mes in de buikstreek normaal gesproken een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan.”

De omstandigheid dat het slachtoffer een steekwerend vest droeg, is zodanig uitzonderlijk en toevallig dat die bij de beoordeling van de aanmerkelijkheid van de kans op de dood buiten beschouwing kan worden gelaten. De relatieve ondeugdelijkheid van de poging staat in dit bijzondere geval dus niet in de weg aan het aannemen van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer.

Tot slot kan ook nog worden gewezen op een recent arrest van 11 november 2025. In die zaak hadden de verdachte en zijn mededaders om 02:40 ’s nachts eerst stenen tegen de ruit van het slaapkamerraam van de twee slachtoffers gegooid. Daarna hadden zij een scherpe handgranaat in de richting van het raam gegooid, en probeerde de verdachte met een automatisch vuurwapen op het slaapkamerraam te schieten, maar het wapen weigerde. Het hof stelde ook vast dat de slachtoffers normaal gesproken in bed zouden hebben gelegen, maar dat zij die nacht bezoek hadden gehad dat net was vertrokken, waardoor zij zich op de begane grond van de woning – waar nagenoeg geen licht brandde – bevonden. De toevallige omstandigheid dat de slachtoffers zich niet in de slaapkamer bevonden op dit nachtelijke uur, stond volgens de Hoge Raad niet in de weg aan het oordeel dat de verdachte opzet had op hun dood.

De klacht onder (i): [slachtoffer 4]

De klacht onder (i) houdt in dat de aanmerkelijke op zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van [slachtoffer 4] niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, omdat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 4] op het moment van de ontploffing niet in de woning aanwezig was.

Gelet op de hiervoor besproken jurisprudentie, meen ik dat deze klacht slaagt. In het licht van de vaststelling dat [slachtoffer 4] zich ten tijde van de ontploffing niet in de woning bevond, is het kennelijke oordeel van het hof dat ten aanzien van hem een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond, niet zonder meer begrijpelijk. In dat verband merk ik voor de volledigheid nog op dat hier geen sprake is van een omstandigheid die bij de beoordeling van de aanmerkelijkheid van de kans buiten beschouwing kan worden gelaten.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

De klacht onder (ii): [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

De klacht onder (ii) werpt de vraag op of er in dit concrete geval sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voor de andere drie in de bewezenverklaring genoemde personen, die allen wel in de woning aanwezig waren ten tijde van de ontploffing.

De stellers van het middel menen van niet. Uit de bewijsmiddelen blijkt volgens hen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich ten tijde van de ontploffing boven in hun slaapkamers bevonden. Nu zij zich aldus ophielden in andere vertrekken van de woning dan de hal waar de ontploffing plaatsvond, kan de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel niet uit de bewijsvoering worden afgeleid. Zij wijzen daarbij ook op een onderdeel van het als bewijsmiddel 4 gebruikte proces-verbaal, waarin het volgende staat:

Gevaarzetting

Door de explosie was er gemeen gevaar voor goederen te duchten.

Indien zich personen in de nabijheid van de explosie hadden bevonden, dan hadden zij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten, met name ten gevolge van secundaire scherfwerking, zoals rondvliegende (grote) glasscherven, maar ook door de drukgolf en de hoge decibellen van de knal.”

Volgens de stellers van het middel heeft deze opmerking over het te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in de ‘nabijheid’ van de ontploffing bevonden, vooral betrekking op de hypothetische situatie dat zich personen ten tijde van de ontploffing in de hal bevonden. Daarmee is dit bewijsmiddel juist een contra-indicatie voor het bestaan van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij personen die zich elders in de woning bevonden.

De stelling dat de hiervoor besproken passage betrekking heeft op de hypothetische situatie dat zich personen in de hal bevonden, deel ik niet. In het proces-verbaal wordt immers slechts gesproken over personen die zich “in de nabijheid” van de explosie bevinden. Van een contra-indicatie voor het (juridische) oordeel van het hof dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is wat mij betreft geen sprake. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de personen die zich op dat moment in de woning bevonden, allen personen zijn die zich – zoals in het proces-verbaal omschreven – “in de nabijheid” van de ontploffing hebben bevonden en dat dus alle personen in de woning door secundaire scherfwerking, de drukgolf of de hoge decibellen van de knal zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen.

Voor de beoordeling van de begrijpelijkheid van dat oordeel is allereerst van belang dat het door de brievenbus gooien van een geïmproviseerde vuurwerkbom naar zijn aard een andere gedraging is dan het met een vuurwapen schieten op een woning. De door de stellers van het middel aangehaalde arresten, waarvan ik hiervoor een deel heb besproken, gaan allemaal over gevallen waarin werd geschoten op woningen en waarvoor – kort gezegd – als hoofdregel lijkt te gelden dat geen aanmerkelijke kans kan worden aangenomen als het slachtoffer zich niet bevind in de kamer waarop wordt geschoten. Een kogel uit een vuurwapen heeft een hoge, maar in ruimte sterk beperkte impact waardoor in de regel alleen personen in gevaar zijn die zich min of meer in de baan van het schot bevinden, terwijl bij een ontploffing sprake is van een kracht die zich in alle richtingen verspreidt en daardoor ook op een veel grotere schaal schade aan kan richten. Het standpunt van de stellers van het middel dat er reeds geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel omdat de bewoners zich ten tijde van de ontploffing niet in de hal bevonden, is dan ook te kort door de bocht.

Voor de vraag of de ontploffing een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij alle in de woning aanwezige personen opleverde, is – naast de hiervoor genoemde aard van de gedraging op zichzelf – ook de impact van de ontploffing van belang. In de eerste plaats kan in dat verband gewezen worden op het feit van algemene bekendheid dat een Cobra 6 een illegaal stuk vuurwerk betreft dat een zeer krachtige explosie veroorzaakt. In de tweede plaats kan ook iets over de impact van de ontploffing worden afgeleid uit de schade aan de woning die het hof op grond van de bewijsmiddelen heeft vastgesteld. Die schade was met name in de hal, waar de ontploffing heeft plaatsgevonden, zeer aanzienlijk (bestaande uit onder meer een gescheurde vloer, een ontzet kozijn, verbroken ramen en meerdere scheuren in de muur), maar beperkte zich niet tot die hal. Zo blijkt uit de bewijsmiddelen bijvoorbeeld dat er ook aanzienlijke schade was in de keuken. Al met al moet er sprake zijn geweest van een ontploffing met een zeer grote impact die – mede gelet op de ontstane schade – een aanzienlijke drukgolf moet hebben veroorzaakt en gepaard ging met een knal met hoge decibellen.

Voor wat betreft de voor de aanmerkelijke kans relevante omstandigheden waaronder de gedraging is verricht, wijs ik er verder op dat de verdachte de vuurwerkbom door de brievenbus naar binnen heeft gegooid, en niet – bijvoorbeeld – voor de voordeur heeft neergelegd. Ook is in dit verband vanzelfsprekend van belang dat de verdachte gebruikt heeft gemaakt van een geïmproviseerd explosief dat bestond uit meerdere aan elkaar getapete Cobra’s 6, terwijl van een Cobra 6 op zichzelf al een zeer krachtige explosie kan worden verwacht.

Gelet op het voorgaande kon het hof oordelen dat het ontsteken en het door de brievenbus werpen van drie aan elkaar getapete Cobra’s 6 een aanmerkelijke kans oplevert op zwaar lichamelijk letsel bij alle in die woning aanwezige bewoners. De bewijsmiddelen bieden daarvoor voldoende aanknopingspunten. Voor zover de stellers van het middel aanvoeren dat het hof zijn oordeel nader had moeten motiveren, merk ik op dat in hoger beroep door de verdediging niet is betoogd dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Tot een nadere motivering was het hof daarom niet gehouden.

Het middel faalt in zoverre.

Ik kom tot de volgende slotsom. Voor zover het middel klaagt over de bewezenverklaring onder 3 ten aanzien van [slachtoffer 4] , is het middel terecht voorgesteld. Nu de bewezenverklaring ten aanzien van de overige drie in de bewezenverklaring genoemde personen wel in stand kan blijven, wordt de aard en ernst van het bewezenverklaarde onder 3 door de partiële vernietiging van de bewezenverklaring ten aanzien van [slachtoffer 4] nauwelijks aangetast. Daar staat tegenover dat het hof de vordering van [slachtoffer 4] als benadeelde partij heeft toegewezen, zodat niet kan worden gezegd dat de verdachte geen belang heeft bij vernietiging van de bewezenverklaring op dit punt.

Gelet op het voorgaande, en nu de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden naar mijn oordeel geen andere conclusie toelaten dan dat de verdachte na terugwijzing van de zaak zal worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging, geef ik de Hoge Raad in overweging om de zaak zelf af te doen. De Hoge Raad kan de verdachte in dat geval ambtshalve vrijspreken van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 4] en zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren.

7. Het vierde middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring onder 4 en houdt in dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bewoners zich op dat moment ophielden in andere vertrekken dan de hal waar het vuurwerk tot ontploffing kwam.

De bewezenverklaring onder 4 (zie hiervoor onder 3.1) is gebaseerd op art. 157 Sr. Voor de bewezenverklaring van het onderdeel dat door de ontploffing gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , te duchten was, is vereist dat het gevaar voor dat letsel ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Om de redenen die ik hiervoor onder 6.13 tot en met 6.20 van deze conclusie heb genoemd, op grond waarvan het hof kon oordelen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, meen ik dat het hof ook heeft kunnen oordelen dat het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Voor de volledigheid merk ik nog op dat [slachtoffer 4] , die ten tijde van de ontploffing niet thuis was, niet in de bewezenverklaring onder 4 wordt genoemd.

Het middel faalt.

8. Het vijfde middel

Het middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van de verdachte – die ten tijde van de feiten minderjarig was – het volwassenstrafrecht heeft toegepast op gronde die deze beslissing niet kunnen dragen.

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een jeugddetentie van 200 dagen, waarvan 100 voorwaardelijk. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van negen maanden wordt opgelegd. De raadsvrouw heeft in het kader van de strafoplegging verzocht geen hogere straf op te leggen dan de rechtbank. Het hof heeft zich vervolgens ambtshalve gebogen over de vraag of het adolescentenstrafrecht of het volwassenstrafrecht moet worden toegepast. De strafmotivering van het hof – die uiteindelijk leidt tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden – houdt daarover het volgende in:

“Het hof dient de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht de toepassing van het jeugdstrafrecht of het volwassenstrafrecht aan de orde is.

Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was verdachte zeventien jaar en ruim tien maanden oud, zodat in beginsel nog net het jeugdstrafrecht zou moeten worden toegepast. Slechts vanwege beperkte redenen mag hiervan op grond van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht worden afgeweken: Vanwege de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of als de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.

Het hof overweegt dat verdachte ten tijde van de feiten de leeftijd van achttien jaar al bijna had bereikt en dat verdachte zeer volwassen feiten heeft begaan. Hij heeft immers met voorbedachte raad in het holst van de nacht een zware bom van illegaal vuurwerk een woning binnen gegooid en heeft dat nog gefilmd ook.

De combinatie van deze factoren maakt dat het hof het volwassenenstrafrecht zal toepassen.”

Op grond van art. 77b lid 1 Sr kan de rechter het volwassenstrafrecht toepassen ten aanzien van verdachten die ten tijde van het plegen van een strafbaar feit zestien of zeventien jaar zijn. Die bepaling luidt als volgt:

“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, kan de rechter de artikelen 77g tot en met 77gg buiten toepassing laten en recht doen overeenkomstig de bepalingen in de voorgaande titels vervat, indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.”

De reden voor het toepassen van het volwassenstrafrecht moet gelegen zijn in de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat elke grond op zichzelf voldoende kan zijn om het volwassenstrafrecht toe te passen. Uit het vonnis of arrest moet wel nadrukkelijk blijken dat de rechter een van de in de art. 77b lid 1 Sr genoemde criteria aanwezig acht. De Hoge Raad stelt echter geen strenge eisen aan de motivering van het oordeel dat het volwassenstrafrecht wordt toegepast.

Zo vond de Hoge Raad in een arrest van 21 november 2000 bijvoorbeeld voldoende dat het hof had geoordeeld dat het “in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan” aanleiding zag om het volwassenstrafrecht toe te passen, hetgeen niet meer behelst dan de herhaling van het in de wet genoemde criterium. In een recentere zaak van 23 mei 2023 had het hof toepassing gegeven aan het volwassenstrafrecht en in dat kader enkel gewezen op de persoonlijkheid van de verdachte en een rapport van de reclassering. De Hoge Raad verwierp het middel met een verkorte motivering.

In cassatie staat niet ter discussie dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het volwassenstrafrecht wordt toegepast omdat de verdachte al bijna achttien jaar was en dat hij “zeer volwassen feiten heeft begaan”. Het eerste argument draagt wat mij betreft weinig bij aan de motivering, maar het tweede argument – waarmee het hof onmiskenbaar het oog heeft op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan – draagt de motivering van de toepassing van het volwassenstrafrecht zelfstandig. Dat het gooien van een zware bom van illegaal vuurwerk in een woning een ernstig feit is, behoeft weinig toelichting. Daar komt nog eens bij dat de verdachte dit ’s nachts en met voorbedachte raad heeft gedaan, terwijl hij zijn daad ook nog filmde. Het hierop gebaseerde oordeel dat het volwassenstrafrecht ten aanzien van de verdachte wordt toegepast, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

9. Slotsom

Het eerste, tweede, vierde en vijfde middel falen. Het tweede en vijfde middel kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het derde middel slaagt deels. Zoals ik hiervoor onder 6.22 en 6.23 heb voorgesteld, kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot

- vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de onder 3 subsidiair bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling ten aanzien van [slachtoffer 4] , de beslissing op de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 4] en de ten behoeve van hem toegewezen schadevergoedingsmaatregel;

- vrijspraak van het hiervoor bedoelde onderdeel van de tenlastelegging onder 3;

- niet-ontvankelijkverklaring van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 4] en

- verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?