PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04461 B
Zitting 27 januari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 26 november 2024 (raadkamernummer 24-022241) het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klager, strekkende tot teruggave aan hem van een inbeslaggenomen motor, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. L.E.G. van der Hut, advocaat, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel klaagt over de verwerping van een verweer over de rechtmatigheid van de inbeslagneming. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de motor zal verbeurdverklaren. Ook klaagt het tweede middel over het oordeel van de rechtbank dat het beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
2. De procedure voor de rechtbank
De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in:
“Het klaagschrift strekt tot teruggave van het onder klager in beslag genomen voorwerp, te
weten: een motor, BMW F 900 Xr, [kenteken] .
(…)
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken:
onder klager is op 23 augustus 2024 op de voet van artikel 94 Sv in beslag genomen:
1. een motor, BMW F 900 Xr met [kenteken] ;
2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen;
3. klager heeft gesteld rechthebbende te zijn van hetgeen in beslag is genomen;
4. het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de bestuurder
van de motor op 23 augustus 2024 als verdachte.
Standpunten
Standpunt van klager
De raadsman van klager heeft ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat aangevoerd dat klager zich primair op het standpunt stelt dat de inbeslagname onrechtmatig is, omdat de reden voor de inbeslagneming onjuist is (verbalisanten wilden klager onder druk zetten om de naam van de bestuurder te noemen, zodat sprake is van ‘détournement de pouvoir’).
Subsidiair stelt klager zich op het standpunt dat de in de KVI genoemde grondslag (waarheidsvinding) onjuist is, omdat de verbalisanten reeds wisten dat klager niet de bestuurder van de motor was ten tijde van de verkeersovertredingen en meer subsidiair stelt klager zich op het standpunt dat de inbeslagname in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Immers, klager is de motor al drie maanden kwijt en de motor vertegenwoordigt een veel hogere waarde dan de eventueel op te leggen geldboete in de strafzaak. De belangen van klager wegen in dit geval dus zwaarder, aldus de raadsman.
(…)
De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de raadkamer niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Ten aanzien van het onrechtmatigheidsverweer
Met inachtneming van de marginale toets die de raadkamer dient aan te leggen, overweegt de raadkamer als volgt. De verbalisanten konden op grond van de gerezen verdenkingen de motor in beslag nemen, voor nader onderzoek en om later verbeurd verklaring mogelijk te maken. De raadkamer ziet niet dat louter beslag is gelegd om verschijning van de broer van klager af te dwingen. Klager was de te naam gestelde van het motorrijtuig, maar een te naam gestelde is niet altijd de (economisch/feitelijk) eigenaar of rechthebbende. Het is mede van belang wie het dagelijks gebruik heeft. Hoewel de verbalisanten mogelijk de motor hadden laten staan, indien de bestuurder van de motor die avond meteen was verschenen en had verklaard dat hij buiten medeweten van klager de motor had meegenomen, doet dit niet af aan de omstandigheid dat de verbalisanten op dat moment tot inbeslagneming konden overgaan.
Inhoudelijk
Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. Gelet op de aard van de overtredingen (met name het met hoge snelheid op een fietspad rijden), is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een verbeurdverklaring van de motor zal volgen, al dan niet met een compensatie op grond van artikel 33c Sr.
Op grond van het feit dat klager geen medewerking wilde verlenen aan de politie kan de later oordelende rechter mogelijk concluderen dat klager wilde verhullen dat hij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de motor zou worden gebruikt voor strafbare feiten.
Ten slotte is mogelijk dat de motor, ondanks de registratie op klagers naam, toebehoorde aan de bestuurder.
De raadkamer is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Naar het oordeel van de raadkamer is hetgeen namens klager is aangevoerd onvoldoende om aan te nemen dat voortduring van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De belangen van klager wegen op dit moment niet op tegen liet strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag.”
Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer houdt het volgende in:
“De rechter maakt melding van de e-mail die de raadsman van klager op 11 november 2024
heeft gestuurd met als bijlage 2 filmpjes en pleitaantekeningen.
De rechter geeft het woord aan de raadsman van klager.
De raadsman van klager zegt:
De filmpjes die ik heb gestuurd, betreffen de camerabeelden van de deurbel van cliënt. Het bestand was te groot om in één keer te sturen. Ik hoor u zeggen dat u de filmpjes hebt bekeken, maar dat er geen geluid bij zat. Dat is jammer.
U vraagt mij of mijn cliënt blijft bij zijn verklaring dat [betrokkene 1] de bestuurder van de motor was, zoals hij tegenover de politie heeft verklaard. Ja, daar blijft hij bij. Hij had de motor aan [betrokkene 1] uitgeleend. Ik weet niet voor hoe lang.
Ik verwijs verder naar mijn pleitaantekeningen.
Primair is ons standpunt dat de inbeslagname onrechtmatig is. De politie is alleen maar tot inbeslagname van de motor overgegaan om cliënt onder druk te zetten. Ze hebben dus oneigenlijk gebruik gemaakt van het middel beslag. Subsidiair is ons standpunt dat de agenten al wisten dat klager in ieder geval niet de bestuurder was. De grondslag die op de kennisgeving inbeslagname staat, waarheidsvinding, is dan ook onjuist en een verbeurdverklaring is niet aan de orde, want artikel 33a Sr ziet hier niet op. Meer subsidiair is ons standpunt dat het beslag thans in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Er is geen zicht op een datum voor de behandeling van de strafzaak. Klager is zijn motor al drie maanden kwijt. De motor vertegenwoordigt een veel grotere waarde dan een eventueel op te leggen boete in de strafzaak zou zijn. Het belang van klager weegt dus zwaarder.
De rechter geeft het woord aan de officier van justitie.
De officier van justitie zegt:
Ik ben het niet eens met de stelling van de raadsman dat sprake zou zijn geweest van ‘détournement de pouvoir’. Er was sprake van dusdanig ernstige verkeersovertredingen gepleegd met die motor dat inbeslagname op dat moment een geëigend middel was.
Daarnaast vind ik het bijzonder dat de verdediging wel de camerabeelden verstrekt van het moment dat de agenten aan de deur komen, maar niet van kort daarvoor, het moment dat de motor aankwam en geparkeerd werd in de tuin. Dan zouden we namelijk meteen weten wie de daadwerkelijke bestuurder was! De camerabeelden zijn nu niet compleet. Het helpt allemaal niet dat we het idee hebben dat klager een valse naam van de bestuurder heeft opgegeven. Wat mij betreft is het dan ook, als die strafzaak op zitting komt, niet hoogst onwaarschijnlijk dat de motor verbeurd zal worden verklaard. Ik meen dus dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.”
3. Het eerste middel
Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat sprake is geweest van détournement de pouvoir omdat de politie de motor in beslag zou hebben genomen om de klager onder druk te zetten om te zeggen wie er kort daarvoor op de motor had gereden toen de verbalisanten verschillende verkeersovertredingen hadden geconstateerd. Meer concreet wordt aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke grondslag van het verweer en aldus de last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van het verweer uitsluitend op de klager heeft gelegd. Daarbij wijst de steller van het middel er op dat de raadsman van de klager voorafgaand aan de behandeling van het klaagschrift deurbel-camerabeelden van de inbeslagneming door de verbalisanten aan de rechtbank heeft gestuurd, maar de beklagrechter in raadkamer heeft gezegd dat er geen geluid bij die filmpjes zat.
Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift heeft de raadsman van de klager voorafgaand aan de behandeling zijn pleitnota aan de rechtbank toegestuurd. Die pleitnota houdt voor zover hier van belang het volgende in:
“I. Feiten en omstandigheden
3. Uit een combinatie van door cliënt beschikbaar gestelde camerabeelden en het p-v bevindingen blijkt het volgende. Op 23 augustus jl. kwamen agenten bij cliënt aan de deur. Ze vertelden hem -samengevat - dat ze op zoek waren naar de bestuurder van de motor die in de voortuin stond. Op de opnames van de camera van cliënt is onder andere het volgende te horen.
Agent: "Wij zoeken de meneer die net op de motor zat (...) je broertje met het witte t-shirt, die willen we hebben.
Agent: "Nou ja prima, wij hebben ook camerabeelden hoor en daar staat het kenteken duidelijk op, de motor is warm, maakt niet uit...anders moeten we hem misschien gewoon wegtakelen."
Agent: "Roep je broertje nou gewoon, is makkelijker."
Agent: "Roep gewoon ff je broertje."
Client: "Mijn broertje is hier niet"
Agent: "Dan nemen we de motor in beslag"
II. Onrechtmatige inbeslagname
4. Vooropgesteld, uit het p-v bevindingen blijkt niet waarom de agenten ervan uitgingen dat de bestuurder van de motor een 'broertje' van cliënt zou zijn. Desalniettemin heeft het er, gelet op de bewoordingen van de agenten, alle schijn van dat de (dreiging met) inbeslagname heeft plaatsgevonden om cliënt onder druk te zetten om de naam van de bestuurder te geven. Dit is oneigenlijk gebruik van bevoegdheden en in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. Cliënt stelt zich primair op het standpunt dat het enkele handelen van de politie in strijd met voornoemd verbod de inbeslagname onrechtmatig maakt.”
Anders dan de steller van het middel, maak ik uit de overwegingen van de rechtbank niet op dat de rechtbank de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden heeft betwijfeld en/of de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag uitsluitend op de klager heeft gelegd. Integendeel; ondanks dat de rechtbank het gesprek tussen de verbalisanten en de klager zelf kennelijk niet heeft kunnen beluisteren, is de rechtbank bij de beoordeling van het verweer klaarblijkelijk uitgegaan van de weergave van het gesprek zoals dat is opgenomen in de pleitnota van de raadsman. Uitgaande van die weergave, heeft de rechtbank echter geoordeeld dat geen sprake is geweest van détournement de pouvoir. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat er na de geconstateerde verkeersovertredingen grond was om de motor in beslag te nemen en dat de rechtbank niet ziet dat louter beslag is gelegd om verschijning van de broer van klager af te dwingen. Daarbij heeft de rechtbank de strekking van het gesprek tussen de verbalisanten en de klager zo uitgelegd dat de verbalisanten de motor mogelijk hadden laten staan als de broer van de klager zich ter plekke bekend had gemaakt als de bestuurder en had verklaard dat hij de motor buiten medeweten van de klager had meegenomen. In dat geval, zo begrijp ik de rechtbank, was er voor de verbalisanten mogelijk geen reden en/of wettelijke grond meer geweest om de motor in beslag te nemen, maar daaruit volgt nog niet dat de inbeslagneming die plaatsvond toen níét kwam vast te staan wie de bestuurder was geweest, (uitsluitend) plaatsvond om de klager de bestuurder bekend te laten maken. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
De eerste deelklacht van het tweede middel klaagt als gezegd over het oordeel van de rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de motor zal bevelen.
Art. 33a leden 1 en 2 Sr luiden als volgt:
“1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;
f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.
2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:
a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of
b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.”
De rechtbank heeft kennelijk aangenomen dat de klager niet de bestuurder van de motor was ten tijde van geconstateerde verkeersovertredingen. Niettemin heeft de rechtbank geoordeeld dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de motor door de strafrechter zal worden verbeurd verklaard. Daarvoor voert de rechtbank – kennelijk met het oog op lid 2 van art. 33a Sr – twee argumenten aan. In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat de strafrechter op grond van het feit dat de klager geen medewerking wilde verlenen aan de politie kan concluderen dat de klager wilde verhullen dat hij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de motor zou worden gebruikt voor strafbare feiten. Het tweede argument dat de rechtbank geeft is dat de motor, ondanks de registratie op naam van de klager, mogelijk toebehoort aan de bestuurder de motor.
Het cassatiemiddel klaagt dat beide oordelen ontoereikend zijn gemotiveerd, mijns inziens terecht. Ik begin met de overweging van de rechtbank dat “mogelijk is” dat de motor toebehoort aan de bestuurder. Waarom met deze mogelijkheid rekening moet worden gehouden heeft de rechtbank niet toegelicht. In het klaagschrift (onder randnummer 8) heeft de klager gesteld eigenaar van de motor te zijn. Ook het openbaar ministerie gaat er in de schriftelijke reactie op het klaagschrift van uit dat klager de eigenaar is, en de klager is op de kennisgeving van inbeslagneming als eigenaar vermeld. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de motor onder de klager in beslag is genomen en dat de motor is geregistreerd op naam van de klager. Onder die omstandigheden, heeft de rechtbank door te wijzen op een enkele, niet-geconcretiseerde mogelijkheid dat de motor aan de bestuurder toebehoort, mijns inziens niet toereikend gemotiveerd waarom zij kennelijk niet heeft willen aannemen dat de motor toebehoort aan de klager. De enkele vaststelling dat een ander dan de klager op enig moment op de motor heeft gereden volstaat daartoe niet.
Dan het argument van de rechtbank dat de later oordelende strafrechter zal kunnen concluderen dat de klager de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de motor gebruikt zou worden bij strafbare feiten. Daarmee heeft de rechtbank naar ik aanneem tot uitdrukking gebracht dat – ervan uitgaande dat de motor aan de verdachte toebehoort – de verbeurdverklaring zal kunnen plaatsvinden op grond van art. 33a lid 2 Sr. Bij zo’n oordeel, dient de beklagrechter de vraag te betrekken of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter ook tot het oordeel zal komen dat de klager bekend was met het gebruik van het voorwerp voor het strafbare feit in verband waarmee de inbeslagneming heeft plaatsgevonden, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. De rechtbank wijst daarvoor in dit geval op de omstandigheid dat de klager “geen medewerking wilde verlenen aan de politie”. Daarmee doelt de rechtbank kennelijk op wat bij de bespreking van het eerste middel aan de orde kwam, namelijk dat de klager niet zijn broertje heeft geroepen toen de verbalisanten aan de deur stonden en aldus niet heeft meegewerkt aan de bekendmaking van de (mogelijke) bestuurder. Mogelijk doelt de rechtbank ook op de stelling van het openbaar ministerie in zijn schriftelijke reactie op het klaagschrift dat de klager nadien op een formulier dat het verzoek inhield de bestuurder bekend te maken, de naam heeft opgegeven van een persoon die volgens het openbaar ministerie niet voldoet aan het signalement van de bestuurder en dus niet de bestuurder was. De officier van justitie heeft hier ook in raadkamer aan gerefereerd.
De steller van het middel vindt het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk. Aangevoerd wordt dat de klager wél heeft meegewerkt door op het formulier de naam van de (gestelde) bestuurder bekend te maken en dat het feit dat het signalement kennelijk niet overeenkomt, niet zonder meer meebrengt dat de klager valse informatie heeft verschaft. Nog daargelaten dat de rechtbank met het niet verlenen van medewerking door de klager mijns inziens hoofdzakelijk doelt op het feit dat de klager zijn broertje niet heeft willen roepen toen de verbalisanten aan de deur stonden, meen ik dat deze klacht ook gelet op het volgende tevergeefs is voorgesteld. Van de beklagrechter kan, gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure, niet worden gevergd dat hij ten gronde treedt in de vraag wie de bestuurder van de motor is geweest, en (dus) of de klager de juiste naam heeft opgegeven. De overweging van de rechtbank moet mijns inziens dan ook zo worden begrepen dat de rechtbank voor mogelijk houdt dat de later oordelende strafrechter tot het oordeel komt dat een ander dan de door de klager opgegeven persoon de bestuurder van de motor is geweest en de klager in die zin dus geen medewerking heeft verleend aan de politie. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu kennelijk het uiterlijk van de opgegeven persoon niet overeenkomt met het signalement van de bestuurder.
Daarmee is echter niet gezegd dat de rechtbank ook toereikend heeft gemotiveerd dat de klager wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de bestuurder de geconstateerde verkeersovertredingen met de motor zou begaan. Over de vraag om welke verkeersovertreding(en) het gaat, vermeldt de beschikking van de rechtbank alleen dat met hoge snelheid over een fietspad is gereden. Uit het proces-verbaal van politie dat zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt, volgt dat de verbalisanten zagen dat de motorrijder een ‘wheelie’ maakte, vervolgens een stopteken van de politie negeerde en met hoge snelheid – onder meer over een fietspad – wegreed van de politie. Ik meen dat de door de rechtbank genoemde omstandigheid dat de klager niet heeft meegewerkt met de politie (kennelijk: door zijn broertje niet te roepen en de bestuurder niet bekend te maken), er hoofdzakelijk op wijst dat de klager de bestuurder (al dan niet zijn broertje) uit de wind heeft willen houden. Zonder bijkomende omstandigheden, levert dit mijns inziens niet een voldoende concrete aanwijzing op, op grond waarvan gezegd kan worden dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter zal oordelen dat de klager ook wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat die bestuurder de geconstateerde verkeersovertredingen zou begaan. Uit rechtspraak van de Hoge Raad over gevallen waarin een iemand rijdt in een auto van een ander zonder over een (geldig) rijbewijs te beschikken, maak ik op dat voor zo’n oordeel bijvoorbeeld ruimte is als de eigenaar van de auto de auto meegeeft aan een persoon als bijrijder, terwijl hij weet dat diegene een verstokte recidivist is op het gebied van rijden zonder rijbewijs. Er kan dan grond zijn voor het oordeel dat de eigenaar “redelijkerwijs had kunnen vermoeden” dat die persoon toch de auto zou gaan besturen. Dergelijke omstandigheden die erop wijzen dat in dit geval de klager er rekening mee moest houden dat de persoon die zijn motor gebruikte zich niet aan de verkeersregels zou houden en de geconstateerde overtredingen zou begaan, heeft de rechtbank niet vastgesteld. Het oordeel dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter zal oordelen dat de klager dit wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden, is daarmee niet toereikend gemotiveerd.
Nu de eerste deelklacht van het middel terecht is voorgesteld, kan de tweede deelklacht buiten bespreking blijven.
5. Slotsom
Het eerste middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende overweging worden afgedaan. De eerste deelklacht van het tweede middel slaagt. De tweede deelklacht van het tweede middel behoeft geen bespreking.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG