ECLI:NL:PHR:2026:117

ECLI:NL:PHR:2026:117

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 24/04574
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Overheidsprivaatrecht. Strafrecht. Procesrecht. Verhaal ontnemingsmaatregel op derde ex art. 94a en art. 6:4:4 Sv. Overgangsrecht bij art. 94a leden 4 en 5 Sv. Toepassing op feiten uit verleden i.s.m. art. 1 EP EVRM? Art. 87 lid 3 Rv. Passeren bewijsaanbod wegens onvoldoende gemotiveerd stellen c.q. betwisten. Motiveringsklachten. Gevolgen ontbreken proces-verbaal mondelinge behandeling.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04574

Zitting 30 januari 2026

CONCLUSIE

G. Snijders

In de zaak

[eiseres] ,

eiseres in cassatie,

advocaat: Y.E.J. Geradts

tegen

1. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

verweerder in cassatie,

advocaat: G.C. Nieuwland

2. [verweerder 2] ,

verweerder in cassatie,

niet verschenen

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] , de Staat en [verweerder 2] .

1. Inleiding

Het Openbaar Ministerie heeft op de voet van art. 94a leden 2, 4 en 5 Sv strafvorderlijk conservatoir beslag gelegd op onder meer bankrekeningen op naam van [eiseres] , alsmede op kunstvoorwerpen waarvan zij stelt eigenaar te zijn, met het oog op de tenuitvoerlegging van een in een strafprocedure tegen haar (inmiddels) ex-echtgenoot [verweerder 2] op te leggen ontnemingsmaatregel. Die maatregel is [verweerder 2] opgelegd – voor een bedrag van ruim € 24 miljoen – en is in 2019 onherroepelijk geworden. Art. 94a lid 4 Sv maakt beslag mogelijk voor het verhaal van een ontnemingsmaatregel op het vermogen van een ander dan de veroordeelde als voldoende aanwijzingen bestaan dat dit vermogen geheel of ten dele aan die ander is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van dat vermogen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden. Art. 94a lid 5 Sv voegt hieraan toe dat als het geval van art. 94a lid 4 Sv zich voordoet, ook beslag mogelijk is op ander vermogen van die ander, tot de waarde van het vermogen dat overeenkomstig art. 94a lid 4 Sv aan die ander is gaan toebehoren. De Staat meent dat aan de voorwaarden van deze bepalingen is voldaan bij de door de genoemde beslagen getroffen bankrekeningen. De kunstvoorwerpen waarop beslag is gelegd, zijn volgens de Staat eigendom van [verweerder 2] en daarom vatbaar voor beslag op grond van art. 94a lid 2 Sv.

[eiseres] is van opvatting dat de ontnemingsmaatregel niet ten uitvoer kan worden gelegd op haar bankrekeningen en de kunstvoorwerpen. Zij vordert in dit geding – dat een executiegeschil betreft als bedoeld in art. 438 Rv – onder meer een verklaring voor recht dat het de Staat niet is toegestaan om haar vermogen uit te winnen op grond van de ontnemingsmaatregel tegen [verweerder 2] . Deze vordering is in beide feitelijke instanties afgewezen.

In cassatie wordt namens [eiseres] allereerst geklaagd dat de door het hof toegepaste versie van art. 94a lid 4 Sv niet van toepassing is op vermogensoverdrachten die dateren van vóór 1 juli 2011, toen die bepaling in werking trad, en dat, als dat (toch) wel het geval mocht zijn, die terugwerkende toepassing in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM (hierna: EP EVRM). Daarnaast voert zij diverse klachten aan tegen het oordeel van het hof dat aan genoemde voorwaarden van art. 94a leden 4 en 5 Sv is voldaan. Ook komt [eiseres] op tegen het passeren van een door haar gedaan bewijsaanbod.

M.i. kan geen van de klachten tot cassatie leiden.

2. Feiten en procesverloop

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

(i) [eiseres] en [verweerder 2] zijn in 1980 met elkaar getrouwd onder huwelijkse voorwaarden, met uitsluiting van iedere gemeenschap. Ergens tussen 2004 en 2006 werd voor hen duidelijk dat het huwelijk op de klippen was gelopen. In 2006 zijn zij van tafel en bed gescheiden en in 2015 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

(ii) In mei 2004 is het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart naar [verweerder 2] . Hij werd onder meer verdacht van het witwassen van geld. [verweerder 2] is in verband met dit onderzoek op 17 juni 2004 aangehouden en verhoord. Op 17 juni 2004 is ook de woning van [verweerder 2] in [plaats 1] doorzocht. Op 3 mei 2005 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in de woning van [verweerder 2] in [plaats 1] en in de echtelijke woning in [a-straat 1] , [plaats 2] , waar [eiseres] indertijd woonde en [verweerder 2] de weekenden doorbracht.

(iii) [verweerder 2] is in 2010 door de rechtbank Haarlem veroordeeld voor (onder meer) het witwassen van geld. Deze veroordeling is in 2012 bevestigd door het gerechtshof Amsterdam. Het cassatieberoep tegen deze laatste uitspraak heeft de Hoge Raad in 2014 verworpen, zodat daarmee de veroordeling van [verweerder 2] onherroepelijk is geworden.

(iv) Bij arrest van 13 februari 2018 heeft het gerechtshof Amsterdam aan [verweerder 2] een ontnemingsmaatregel opgelegd, op grond waarvan [verweerder 2] aan de Staat € 24.493.121,78 dient te betalen. Het cassatieberoep tegen deze uitspraak is op 12 februari 2019 verworpen, zodat de ontnemingsmaatregel onherroepelijk is geworden.

(v) Tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft het Openbaar Ministerie op de voet van art. 94a lid 4 Sv zogeheten conservatoir ‘anderbeslag’ gelegd – respectievelijk door buitenlandse justitiële autoriteiten laten leggen – op vermogensbestanddelen van [verweerder 2] en/of [eiseres] . Beslag is onder meer gelegd op de volgende bankrekeningen die op naam staan van [eiseres] :

- een bankrekening bij UBS te Basel voor € 760.918,--;

- drie bankrekeningen bij Barclays te Londen voor in totaal £ 1.376.421,18;

- een bankrekening bij HSBC te Londen voor £ 10.742,64

(hierna: de bankrekeningen of de bankrekeningen van [eiseres] ).

Daarnaast is conservatoir beslag gelegd op een aantal roerende zaken, voornamelijk kunstvoorwerpen, waarvan [eiseres] stelt, maar de Staat betwist, dat deze haar eigendom zijn.

(vi) De aan [verweerder 2] opgelegde ontnemingsmaatregel wordt door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) namens de Staat in tranches geïncasseerd. Het voornemen bestaat om ook de onder 2.1 onder (v) genoemde vermogensbestanddelen uit te winnen, maar tot de sluiting van de behandeling van deze zaak bij het hof is de Staat niet tot deze executie van de maatregel overgegaan.

Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 19 november 2019 heeft [eiseres] de Staat en [verweerder 2] gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. Zij heeft in dit geding vorderingen ingesteld die erop neerkomen dat de beslagen worden opgeheven, de Staat wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en voor recht wordt verklaard dat het de Staat niet is toegestaan om haar vermogen uit te winnen op grond van de ontnemingsmaatregel tegen [verweerder 2] . Zij heeft verschillende gronden voor haar vorderingen aangevoerd.

Bij vonnis van 19 januari 2022 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiseres] afgewezen. De rechtbank heeft in haar vonnis de zaak als executiegeschil als bedoeld in art. 438 Rv aangemerkt, mede na een daarop gerichte eiswijziging van [eiseres] , omdat opheffing van het conservatoir beslag van art. 94a Sv alléén kan plaatsvinden langs de weg van beklag bij de strafrechter op grond van art. 552a Sv. De burgerlijke rechter is alleen bevoegd voor zover het gaat om de executie van de ontnemingsmaatregel (rov. 4.1). De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de kunstvoorwerpen (geen eigendom van [verweerder 2] , maar) eigendom van [eiseres] zijn (rov. 4.2). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen zijn dat een deel van het vermogen op de bankrekeningen kennelijk aan [eiseres] is gaan toebehoren om de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen, en [eiseres] dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden, een en ander als bedoeld in art. 94a lid 4 Sv en dat voor het deel van het vermogen waarvoor dat niet het geval is, voldoende grond bestaat om art. 94a lid 5 Sv toe te passen (rov. 4.3).

[eiseres] heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Bij arrest van 17 september 2024 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft het volgende overwogen.

- De rechtbank heeft het geschil als executiegeschil behandeld. Nu daartegen geen grief is gericht, zal het hof dat ook doen (rov. 4.4).

- Grief 1, die klaagt over de toepassing van het sinds 2011 geldende art. 94a leden 4 en 5 Sv op vermogensoverdrachten uit 2006/2007 tussen [verweerder 2] en [eiseres] treft geen doel. Het is vaste rechtspraak dat wijzigingen in het strafprocesrecht onmiddellijke werking hebben. Bij de wijziging van art. 94a Sv in 2011 is geen overgangsregeling vastgesteld in die zin dat deze bepaling in haar nieuwe versie niet van toepassing zou zijn op vermogensverschuivingen die vóór deze wetswijziging hadden plaatsgevonden. [eiseres] betoog dat art. 94a leden 4 en 5 Sv in haar geval tot gevolg zou hebben dat haar eigendomsrecht met terugwerkende kracht en dus in strijd met art. 1 EP EVRM wordt aangetast, faalt (rov. 4.5-4.9).

- Het hof verwerpt de stelling van [eiseres] dat [verweerder 2] met zijn vermogensoverdrachten aan [eiseres] niet de bedoeling had om verhaal te frustreren en dat, voor zover die bedoeling wel bij [verweerder 2] aanwezig was, [eiseres] dit niet wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Het hof gaat ervan uit dat [verweerder 2] aan [eiseres] voor ruim € 2,6 miljoen aan vermogen aan [eiseres] heeft overgedragen. Het hof komt tot de conclusie dat de overdrachten, anders dan door [eiseres] aangevoerd, niet werkelijk ten doel hadden te voorzien in het levensonderhoud van [eiseres] na de echtscheiding, maar kennelijk waren ingegeven door het oogmerk van frustratie van verhaal en dat [eiseres] wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de desbetreffende vermogensbestanddelen aan haar zijn overgedragen met het kennelijke doel het verhaal hierop te frustreren (4.10-4.19).

- Wat betreft de kunstvoorwerpen waarop de Staat beslag heeft gelegd en waarvan [eiseres] stelt dat deze haar eigendom zijn (in hoger beroep nog alleen een bronzen beeld en een [schilderij] ), is het aan [eiseres] als eisende partij om te stellen en te bewijzen dat deze haar eigendom zijn. In dat bewijs is zij niet geslaagd (rov. 4.21-4.24).

- De rechtbank heeft terecht beslist dat de Staat op grond van art. 94a lid 5 Sv bevoegd is € 700.000 op het eigen vermogen van [eiseres] te verhalen, in verband met de betalingen die [eiseres] ten behoeve van [verweerder 2] heeft gedaan uit de opbrengst van de verkoop van schilderijen (rov. 4.26-4.28).

- Uit het voorgaande volgt dat op de aan [eiseres] overgedragen vermogensbestanddelen van € 2,6 miljoen conservatoir beslag kon worden gelegd op grond van art. 94a lid 4 Sv. Het probleem is echter dat op de bankrekeningen van [eiseres] , waarop dit bedrag uiteindelijk terecht is gekomen, ook eigen vermogen van [eiseres] stond. Vanwege de vermenging in zoverre, kan niet eenvoudig worden vastgesteld in hoeverre de Staat zich kan verhalen op de saldi van de bankrekeningen. Voor de beslissing van de zaak is dat echter niet nodig. Uit het voorgaande volgt namelijk dat het standpunt van de Staat opgaat dat door [verweerder 2] , met behulp van [eiseres] , € 2,6 miljoen en € 700.000 is weggemaakt en dat de Staat op grond van art. 94a lid 5 Sv voor deze bedragen verhaal kan nemen op de bankrekeningen van [eiseres] . Het hof merkt hierbij op dat reeds het bedrag van € 2,6 miljoen meer is dan de gezamenlijke saldi op de bankrekeningen van [eiseres] (rov. 4.29-4.30).

[eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. [eiseres] en de Staat hebben ieder hun standpunt schriftelijk laten toelichten, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd.

3. Klacht bij schriftelijke toelichting en repliek

In de schriftelijke toelichting en repliek van [eiseres] wordt aangevoerd dat het arrest van het hof reeds moet worden vernietigd omdat het hof het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof niet aan de advocaat van [eiseres] en de Hoge Raad heeft toegezonden. Die klacht is niet opgenomen in de procesinleiding in cassatie. Daarin is wel een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het middel in verband met het niet beschikbaar zijn van het proces-verbaal. Bij de schriftelijke toelichting heeft [eiseres] doen opmerken het proces-verbaal nog steeds niet te hebben ontvangen, en bij repliek dat haar advocaat het proces-verbaal na de schriftelijke toelichting alsnog heeft ontvangen van de advocaat van de Staat die het al in februari 2025 mocht ontvangen. Volgens de repliek moet voor dit geval worden afgeweken van de uitspraken van de Hoge Raad van 22 maart 2019 en 18 oktober 2024 – waarin is beslist dat het ontbreken van een proces-verbaal geen grond voor cassatie is –, nu het proces-verbaal in deze cassatieprocedure niet meer kan worden meegenomen.

Deze klacht faalt reeds omdat zij niet is aangevoerd in de procesinleiding en een latere aanvulling van het middel alléén toelaatbaar is als daarvoor een voldoende rechtvaardiging bestaat. Het ontbreken van het proces-verbaal is een dergelijke rechtvaardiging. In dat geval gelden wel de eisen (i) dat de aanvullende klacht niet eerder kon worden aangevoerd dan na kennisneming van het proces-verbaal, en (ii) dat de aanvulling van het middel met bekwame spoed is ingediend. Voorts zal, gelet op de belangen van de wederpartij, in de procesinleiding in cassatie uitdrukkelijk een voorbehoud op dit punt moeten zijn gemaakt, tenzij de wederpartij in cassatie is verschenen.

Een voldoende rechtvaardiging voor het pas bij schriftelijke toelichting en repliek aanvoeren van de hiervoor in 3.1 genoemde klacht ontbreekt. Het middel had die klacht immers al kunnen bevatten. Aan de hiervoor in 3.2 onder (i) genoemde eis is dus niet voldaan. Overigens had [eiseres] – ervan uitgaande dat de zeer late ontvangst van het proces-verbaal verschoonbaar is (ik neem dat tot uitgangspunt) – naar aanleiding van de ontvangst van het proces-verbaal via de advocaat van de Staat alsnog gebruik kunnen maken van het gemaakte voorbehoud, anders dan bij de klacht wordt verondersteld. Het stadium waarin de zaak op dat moment verkeerde, stond daaraan niet in de weg, blijkens het door haarzelf genoemde HR 18 oktober 2024. Daarin had (ook) de A-G het proces-verbaal opgevraagd, het proces-verbaal (wel) ontvangen en dat doorgestuurd naar eiseressen, die daarop alsnog aanvullende klachten formuleerden. De rolraadsheer van de Hoge Raad oordeelde de indiening daarvan na sluiting van de behandeling uitdrukkelijk toelaatbaar. De Hoge Raad verwees voor zijn oordeel dat de niet-ontvangst van het proces-verbaal geen grond voor cassatie vormde, mede naar deze gang van zaken, en behandelde mede de aangevulde klacht. Deze gang van zaken ligt ook bepaald voor de hand, omdat zo lang de eiser of verzoeker tot cassatie geen kennis heeft kunnen nemen van een relevant stuk, hij de mogelijkheid tot aanvulling van zijn middel moet hebben, ook al is de behandeling van het cassatieberoep inmiddels gesloten, zoals in het geval van het arrest van 18 oktober 2024.

Uit het feit dat [eiseres] geen gebruik heeft gemaakt van het gemaakte voorbehoud volgt overigens dat zij geen belang meer heeft bij de klacht dat het proces-verbaal (veel) te laat aan haar advocaat is toegezonden. Zij moet immers over het proces-verbaal kunnen beschikken in verband met het door haar in te stellen c.q. ingestelde cassatieberoep, omdat dit grondslag kan vormen voor cassatieklachten. Overigens is de hiervoor in 3.1 genoemde klacht, als een cassatieklacht, ongegrond, blijkens de beide uitspraken die bij de klacht worden genoemd. Beide uitspraken houden juist in dat het niet ontvangen van het proces-verbaal geen grond voor cassatie is. Ook dat ligt bepaald voor de hand. De niet-toezending is immers geen gebrek in de uitspraak. In cassatie kan uitsluitend geklaagd worden over dergelijke gebreken. De controle van de cassatierechter is tot die gebreken beperkt.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel bevat vijf onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 4.7-4.9, waarin het hof de vraag bevestigend beantwoordt of het overgangsrecht en art. 1 EP EVRM de toepassing van art. 94a leden 4 en 5 Sv toestaan op vermogensoverdrachten van vóór de inwerkingtreding van de wijziging van die bepalingen. Onderdeel 2 klaagt dat het hof een bewijsaanbod van [eiseres] heeft gepasseerd. De onderdelen 3-5 bevatten (motiverings)klachten tegen de overwegingen waarin het hof art. 94a leden 4 en 5 Sv toepast op dit geval in rov. 4.16-4.20 en 4.26-4.30.

Alvorens de klachten te bespreken, sta ik eerst stil bij de regels van het in deze zaak aan de orde zijnde, zogeheten anderbeslag, het relevante overgangsrecht en de relevante regels van art. 1 EP EVRM.

‘Anderbeslag’

In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kan beslag worden gelegd op ‘voorwerpen’ tot bewaring van recht van een ter zake van dat misdrijf op te leggen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr (art. 94a lid 2 Sv). Dit is een conservatoir beslag, dat vooruitloopt op de op te leggen ontnemingsmaatregel. Met de term ‘voorwerpen’ wordt bedoeld alle zaken en alle vermogensrechten (art. 94a lid 6 Sv).

Tot 1 september 2003 gold dat het beslag met het oog op een ontnemingsmaatregel alleen kon worden gelegd op voorwerpen van degene aan wie de ontnemingsmaatregel zou moeten worden opgelegd. Dat is dus degene die wordt veroordeeld wegens het misdrijf. Vanaf 1 september 2003 is het op grond van de toen ingevoerde leden 3 en 4 van art. 94a Sv oud – nu art. 94a leden 4 en 5 Sv – ook mogelijk om voorwerpen die niet aan de verdachte maar aan een derde toebehoren, strafvorderlijk te beslaan met het oog op een op te leggen ontnemingsmaatregel. Een dergelijk beslag wordt wel aangeduid als een ‘anderbeslag’, omdat het een ander dan de verdachte c.q. veroordeelde treft. Doel van de invoering van het anderbeslag was om een instrument te creëren waarmee vermogen dat met behulp van een schijnconstructie uit de macht van de betrokken verdachte of veroordeelde is gebracht, binnen het bereik van beslag en verhaal te brengen.

Voor het leggen van een anderbeslag moet op grond van het huidige art. 94a lid 4 Sv aan twee vereisten zijn voldaan: (i) er bestaan voldoende aanwijzingen dat de (beslagen) voorwerpen geheel of ten dele aan de derde zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen (het vereiste van verhaalsfrustratie), en (ii) de derde wist dit of kon dit redelijkerwijze vermoeden (het wetenschapsvereiste). De wet kende aanvankelijk nog een derde vereiste, namelijk dat moest worden aangetoond dat het voorwerp afkomstig was uit het misdrijf waarvoor de ontnemingsmaatregel moest worden opgelegd (art. 94a lid 3 sub a Sv oud, het afkomstvereiste). Het wetenschapsvereiste was hierop toegespitst en zag erop dat de derde wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.

Het afkomstvereiste beperkte de mogelijkheid tot het leggen van anderbeslag in essentie tot die gevallen waarin aan de delictsomschrijving van witwassen was voldaan. Dit werd door de wetgever echter al snel als een te grote beperking gezien. Ook wanneer de verdachte op zichzelf legaal vermogen – waarbij dus geen sprake is van witwassen – bij een ander heeft ondergebracht met het kennelijke doel om verhaal te frustreren, moest het mogelijk zijn om daarop verhaal te kunnen nemen, mits aan de overige vereisten voor het leggen van anderbeslag was voldaan. Daarom is het afkomstvereiste per 1 juli 2011 vervallen. De formulering van het wetenschapsvereiste is daarbij gewijzigd in die van de huidige wettelijke omschrijving in art. 94a lid 4 Sv (dus dat de ander wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat de voorwerpen aan hem zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken).

Aanvankelijk bevatte het voorstel voor deze wijziging ook het wetenschapsvereiste niet meer. Op het voorstel kwam om die reden sterke kritiek van de Raad van State en ook van anderen, die erop wezen dat daarmee ook verhaal mogelijk werd op derden te goeder trouw. Dat zou een niet toelaatbare beperking meebrengen van het eigendomsrecht als gewaarborgd art. 1 EP EVRM, zo luidde de kritiek. In het voorstel zoals dat is ingediend bij de Tweede Kamer, is daarom het wetenschapsvereiste in zijn huidige omschrijving opgenomen, hetgeen het bezwaar volgens de regering wegnam.

Art. 94a lid 5 Sv staat toe dat in het geval, bedoeld in art. 94a lid 4 Sv, tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in art. 94a lid 4 Sv bedoelde voorwerpen. Deze uitbreiding van de beslag- en verhaalsmogelijkheid (destijds nog als art. 94a lid 4 Sv) is bij de invoering daarvan in 2003 (toen het hiervoor genoemde afkomstvereiste nog gold) als volgt toegelicht:

“De in artikel 94a, derde lid, Sv voorgestelde beslagmogelijkheid is beperkt tot voorwerpen die van misdrijf afkomstig zijn, zij het dat daaronder ook de voorwerpen vallen die door de bij de ontneming betrokkene of de derde in de plaats zijn gesteld van de oorspronkelijke, rechtstreeks van het misdrijf afkomstige voorwerpen. Deze beslagmogelijkheid houdt dus op te bestaan wanneer de derde het van misdrijf afkomstige voorwerp heeft opgesoupeerd of anderszins «weggemaakt», zonder dat daarvoor een ander voorwerp in de plaats is gesteld. Het is redelijk om in zo’n geval beslag mogelijk te maken op andere voorwerpen die toebehoren aan de derde, tot ten hoogste het bedrag van de van misdrijf afkomstige voorwerpen. Een nieuw vierde lid van artikel 94a strekt hiertoe. Dit is in overeenstemming met de regels en uitgangspunten van het privaatrecht. Overigens is deze uitbreiding van de beslagmogelijkheid niet beperkt tot de situatie waarin het van misdrijf afkomstige voorwerp er niet meer is; de beslaglegger kan ervoor kiezen om wanneer laatstbedoeld voorwerp er nog is, toch een ander voorwerp te beslaan, bijvoorbeeld omdat dat gemakkelijker te beslaan of uit te winnen is. Ook waardevermindering van het van misdrijf afkomstige voorwerp kan reden zijn om (tevens) een ander voorwerp in beslag te nemen, tot in totaal de oorspronkelijke waarde van het van misdrijf afkomstige voorwerp.”

Het anderbeslag kan conservatoir gelegd worden, wat in deze zaak is gebeurd, zoals hiervoor bleek. De tekst van art. 94a Sv gaat uit van een conservatoir beslag. Als de ontnemingsmaatregel onherroepelijk is en betekend is, gaat het conservatoire anderbeslag van rechtswege over in een executoriaal beslag (art. 574 Sv oud, nu – sinds 1 januari 2020 – art. 6:4:4 Sv, en art. 704 lid 1 Rv). De executie van een ontnemingsmaatregel geschiedt op de wijze die is voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 574 Sv oud, nu 6:4:4 Sv; zie ook de huidige art. 6:4:9 Sv en 6:4:5 Sv).

Is geen beslag op de voet van art. 94a lid 4 Sv gelegd, dan vindt de executie van de ontnemingsmaategel plaats doordat het openbaar ministerie een dwangbevel uitvaardigt. Dat dwangbevel is een executoriale titel en kan ten uitvoer worden gelegd zoals een vonnis van de burgerlijke rechter. Die executie kan ook plaatsvinden door een anderbeslag, dat evenals een conservatoir anderbeslag moet voldoen aan de eisen van art. 94a lid 4 Sv (art. 575 leden 1 en 2 Sv oud, nu – sinds 1 januari 2020 – art. 6:4:5 leden 1 en 2 Sv).

Executiegeschillen (art. 438 Rv)

Omdat de wet niet voorziet in een andere rechtsgang, kan de derde op wiens voorwerp anderbeslag is gelegd, tegen de executie van een ontnemingsmaatregel in verzet komen door een executiegeschil aanhangig te maken bij de burgerlijke rechter op de voet van art. 438 Rv (art. 574 lid 3 Sv oud, nu art. 6:4:4 lid 3 Sv, en art. 575 lid 4 Sv oud, nu art. 6:4:5 lid 4 Sv). In dat geschil kan, net als in de beklagprocedure ex art. 552a Sv tegen een conservatoir anderbeslag, worden geklaagd dat niet aan de vereisten van art. 94a leden 4 en 5 Sv is voldaan. Daarover is in de wetsgeschiedenis van art. 94a Sv het volgende opgemerkt (cursiveringen in origineel):

“Alle adviesinstanties vragen zich af of volstaan kan worden met een regeling van het beslag onder derden. Zijn niet in de fase van de uitwinning van de inbeslaggenomen voorwerpen van derden grote problemen te verwachten? De situatie is hier niet anders dan in civilibus: door de onherroepelijke einduitspraak waarbij de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd, gaat het conservatoir (derden)beslag over in executoriaal beslag en kan het OM met de einduitspraak als titel in de hand de inbeslaggenomen voorwerpen uitwinnen (artikel 577b jo. 574 Sv jo. artikel 430 jo. 704 Rv). De «executabiliteit» is niet afhankelijk van een afzonderlijk rechterlijk oordeel, terwijl daaraan ook geen andere voorwaarden zijn verbonden dan gelden voor het beslag. Weliswaar kan op de voet van artikel 438 Rv een executiegeschil worden aangebracht bij de civiele rechter, maar deze zal aan de wettelijke gronden toetsen die zijn neergelegd in artikel 94a, derde lid, Sv. Zoals gezegd kan een dergelijke rechterlijke toetsing ook reeds in de beslagfase worden gevraagd van de raadkamer (op de voet van artikel 552a Sv). Gelet op het voorgaande zijn geen bijzondere regels vereist voor de uitwinning van de op grond van artikel 94a, derde lid, Sv inbeslaggenomen voorwerpen.”

Enigszins onduidelijk is of in deze zaak de executoriale fase is ingegaan, nu rechtbank en hof niet hebben vastgesteld dat de daarvoor vereiste betekening heeft plaatsgevonden. Dit is echter niet van belang, nu rechtbank en hof beide (de rechtbank in rov. 4.1.3 en het hof in rov. 4.4) tot uitgangspunt hebben genomen dat deze zaak (in elk geval) beoordeeld moet worden als ware sprake van een executiegeschil ex art. 438 Rv en dat uitgangspunt niet door partijen is bestreden, zoals het hof vaststelt in rov. 4.4. Dit betekent dat het hof de vraag had te beantwoorden hoe moet worden geoordeeld over de door de Staat nog aan te vangen executie.

Art. 94d Sv

Het hof heeft voor zijn verwerping van de door [eiseres] gestelde strijd met art. 1 EP EVRM van de terugwerkende kracht waarmee art. 94a leden 4 en 5 Sv volgens haar in haar geval wordt toegepast, in rov. 4.8 gewezen op het gegeven dat in het geval dat is voldaan aan de voorwaarden van art. 94a leden 4 en 5 Sv, tevens sprake is van paulianeus handelen jegens de schuldeisers van [verweerder 2] . Daarom merk ik op dat naast de mogelijkheden die art. 94a Sv biedt, art. 94d lid 1 Sv al sinds 1993 de officier van justitie de mogelijkheid geeft om namens de Staat de bevoegdheden uit te oefenen die het BW toekent aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. In de memorie van toelichting bij de invoering van deze bepaling is onder meer opgemerkt (onderstreping toegevoegd):

“Die actie houdt in dat het openbaar ministerie, dat in deze handelt als vertegenwoordiger van de staat als schuldeiser, door een buitengerechtelijke verklaring de nietigheid kan inroepen van door de verdachte als schuldenaar onverplicht verrichte rechtshandelingen, wanneer de schuldenaar daarbij wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de staat als schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn. Betreft het meerzijdige rechtshandelingen, anders dan om niet, dan kunnen deze alleen worden vernietigd als ook degene(n) met wie de rechtshandeling is verricht wist of behoorde te weten dat daardoor benadeling van de staat als schuldeiser het gevolg zou zijn. Als gevolg van de vernietiging van de rechtshandeling vloeit het voorwerp of het recht waarop die rechtshandeling betrekking had weer in het vermogen of de beschikkingsmacht van de schuldenaar terug en kan er in die kwaliteit door de staat ten laste van de schuldenaar (verdachte) beslag op worden gelegd tot bewaring van het recht tot verhaal. Dat verklaart de voorgestelde locatie van deze bepaling, als «verlengstuk» van art. 94a. Aldus wordt beoogd allerlei schijnconstructies en «witwas» acties die de verdachte mocht hebben opgezet om door hem wederrechtelijk verkregen voordeel aan het zicht en de greep van de staat te onttrekken te kunnen ontmantelen en ongedaan te maken.”

Overgangsrecht

Art. 1 Sv bepaalt dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien. Deze bepaling bevat, anders dan art. 1 lid 2 Sr voor het strafrecht, geen algemene regel van het overgangsrecht voor de strafvordering. Art. 4 Wet algemene bepalingen luidt dat de wet alleen verbindt voor de toekomst en geen terugwerkende kracht heeft. Hieruit wordt door de strafrechter afgeleid dat, tenzij de wetgever een regeling van overgangsrecht heeft gegeven, strafvorderlijk handelen wordt beheerst door het recht dat geldt ten tijde van dat handelen. Deze onmiddellijke toepasbaarheid van (de bevoegdheden van) nieuw strafprocesrecht bij gebreke aan overgangsrecht is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Die rechtspraak geldt ook voor een bevoegdheid als vervat in art. 94a Sv. De in deze zaak aan de orde zijnde wetgeving – waarbij het huidige art. 94a leden 4 en 5 Sv tot stand is gekomen – bevat geen relevante bepalingen van overgangsrecht, zoals het hof terecht heeft geconstateerd in rov. 4.7. Dus zijn vanaf de inwerkingtreding van die wetgeving de in die bepaling vervatte bevoegdheden toe te passen. Die toepassing betreft dan allicht de op dat moment bestaande feitelijke toestand of verhouding, zoals genoemde rechtspraak inhoudt en volgt uit de betekenis van het begrip ‘onmiddellijke werking’. Voor het hier aan de orde zijnde art. 94a leden 4 en 5 Sv heeft de Hoge Raad dan ook al tweemaal in deze zin beslist, eerst in een uitspraak van de strafkamer en later ook in een uitspraak van de civiele kamer (art. 81 RO).

Gelet op het voorgaande was op de executie van de ontnemingsmaatregel in 2019 art. 574 Sv oud van toepassing en nu – sinds 1 januari 2020 – de art. 6:4:4 en 6:4:9 Sv, die als gezegd ten aanzien van die bevoegdheid hetzelfde luiden. Het hof is dus terecht uitgegaan van die toepasselijkheid in rov. 4.7 (zie in dezelfde zin juist genoemde art. 81 RO- uitspraak van de Hoge Raad).

Art. 1 EP EVRM

In de authentieke Engelse tekst luidt art. 1 EP EVRM:

“Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.

The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.

Vaste rechtspraak van het EHRM is dat uit art. 1 EP EVRM drie te onderscheiden maar samenhangende regels voortvloeien, namelijk:

“the first rule, set out in the first sentence of the first paragraph, is of a general nature and enunciates the principle of the peaceful enjoyment of property; the second rule, contained in the second sentence of the first paragraph, covers deprivation of possessions and subjects it to certain conditions; the third rule, stated in the second paragraph, recognises that the Contracting States are entitled, amongst other things, to control the use of property in accordance with the general interest.”

Voor iedere inbreuk op de eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM geldt (i) dat deze volgens de geldende regels van het nationale recht moet plaatsvinden (‘lawfulness’), (ii) dat deze een legitiem doel moet dienen (‘a legitimate aim’) – dat een relevant algemeen belang moet zijn – en (iii) dat er een redelijke verhouding moet bestaan tussen de inbreuk en dat doel (‘proportionality’, die onder meer moet worden nagegaan met de zogeheten ‘fair balance-test’).

Bij beantwoording van de vraag of een inmenging ‘lawful’ is, moet sprake zijn van ‘compliance with the relevant provisions of domestic law’. Bovendien moet sprake zijn van een bepaalde kwaliteit van wetgeving, in die zin dat deze voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is. Het feit dat een maatregel ten tijde van zijn invoering een reeds bestaande situatie beslaat, maakt deze niet in strijd met dit vereiste. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat van de vereiste voorzienbaarheid sprake moet zijn op het moment van inmenging, dus bijvoorbeeld op het moment van de confiscatie.

De ontneming van eigendom (‘deprivation of possessions’) zal normaal gesproken met schadevergoeding gepaard moeten gaan. Voor de regulering van eigendom (‘control of the use of property’) geldt dat niet. Bij het antwoord op de vraag of een redelijke verhouding bestaat tussen de inbreuk en het doel daarvan komt de verdragstaten vaak een ‘wide margin of appreciation’ toe.

Het EHRM plaatst gevallen van ‘confiscation’ en ‘forfeiture’ van goederen of vermogen dat uit misdrijf is verkregen – waar het in deze zaak dus om gaat – veelal onder de regulering van eigendom (‘control of the use of property), maar soms onder ontneming van eigendom (‘deprivation of possessions’). Voor de wijze van toetsen maakt dat blijkens zijn rechtspraak echter geen verschil. Als voldaan is aan genoemde eisen van ‘lawfullnes’, ‘a legitimate aim’ en ‘proportionality’, dan oordeelt het EHRM de confiscatie en verbeurdverklaring niet in strijd met art. 1 EP EVRM. Het EHRM geeft de verdragstaten op dit vlak zeer veel ruimte, ook wat betreft de ontneming van eigendom bij derden. Dan is bij de ‘fair balance-test’ (uiteraard) wel van belang of de derde al dan niet te goeder trouw was wat betreft de reden van de overdracht aan hem (witwassen of verhaalsfrustratie). Een en ander geldt ook, zoals hiervoor in 4.13 tweede alinea al vermeld, als de confiscatie en verbeurdverklaring plaatsvinden op grond van een regeling die dateert van ná het tijdstip dat de derde de goederen of het vermogen heeft verkregen.

Illustratief voor de zienswijze van het EHRM is hetgeen het overweegt in de al genoemde uitspraak Gogitidze e.a. t. Georgië:

“105 Having regard to such international legal mechanisms as the 2005 United Nations Convention against Corruption, the Financial Action Task Force’s (FATF) Recommendations and the two relevant Council of Europe Conventions of 1990 and 2005 concerning confiscation of the proceeds of crime (ETS No. 141 and ETS No. 198) (see paragraphs 55-65 above), the Court observes that common European and even universal legal standards can be said to exist which encourage, firstly (etc.). Thirdly, confiscation measures may be applied not only to the direct proceeds of crime but also to property, including any incomes and other indirect benefits, obtained by converting or transforming the direct proceeds of crime or intermingling them with other, possibly lawful, assets. Finally, confiscation measures may be applied not only to persons directly suspected of criminal offences but also to any third parties which hold ownership rights without the requisite bona fide with a view to disguising their wrongful role in amassing the wealth in question.

(…)

107 (…) The domestic authorities were further given leeway under the Convention to apply confiscation measures not only to persons directly accused of offences but also to their family members and other close relatives who were presumed to possess and manage the ill-gotten property informally on behalf of the suspected offenders, or who otherwise lacked the necessary bona fide status (…)”

Zie ook recent in de genoemde uitspraak Tartamella e.a. t. Italië:

“that the second aim pursued by the impugned measures – namely, the recovery of an amount equivalent to the proceeds of crime – would not in principle require an assessment of whether the assets in question belong to the offender. Indeed, the Court has in many cases accepted that confiscation may affect third parties’ assets, when these have been obtained unlawfully or the third party otherwise lacks bona fide status.”

Oordeel hof over het overgangsrecht en art. 1 EP EVRM

Het oordeel van het hof in rov. 4.5-4.9 is in overeenstemming met het voorgaande. Wat betreft het overgangsrecht (rov. 4.7, eerste vier zinnen) behoeft dat na het voorgaande geen toelichting. Wat betreft art. 1 EP EVRM wordt daarop hierna nog ingegaan, bij de bespreking van subonderdeel 1b.

Bespreking onderdeel 1a; het overgangsrecht

Subonderdeel 1a keert zich tegen het oordeel van het hof over het overgangsrecht. Het subonderdeel klaagt allereerst dat [eiseres] in de memorie van grieven onder 33 en 36 heeft aangevoerd dat art. 94a lid 4 Sv niet kan worden toegepast op rechtsfeiten – de vermogensoverdrachten zoals opgesomd in rov. 4.11 – die in 2006/2007 hebben plaatsgevonden, omdat dit in strijd is met het legaliteitsbeginsel, en dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is als in rov. 4.7 niet besloten ligt dat dit betoog is verworpen, omdat daarop dan niet is gerespondeerd.

Onder (i) klaagt het subonderdeel dat het feit dat een bepaling directe c.q. onmiddellijke werking heeft, niet betekent dat deze bepaling kan worden toegepast op rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden toen die bepaling nog niet gold. Daarmee miskent het Hof de strekking van het legaliteitsbeginsel. Sterker nog, het feit dat het overgangsrecht van deze wettelijke regeling (art. 94a lid 4 Sv) niet bepaalt dat deze nieuwe wet van toepassing is op rechtsfeiten die vóór haar inwerkingtreding zijn opgetreden, brengt met zich mee dat de nieuwe wet juist niet op de eerdere rechtsfeiten kan worden toegepast. De onmiddellijke werking houdt in dat de nieuwe wettelijke bepaling niet kan worden toegepast op de vermogensverschuiving (de relevante rechtsfeiten) omdat deze in 2006/2007 heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Niet in geschil is dat de vermogensoverdrachten in 2006/2007 de relevante rechtsfeiten zijn, waar het hier om draait.

Onder (ii) voert het subonderdeel aan dat deze regels niet anders zijn bij strafvorderlijke bepalingen. Het is niet zo dat bij strafvorderlijke bepalingen die onmiddellijke werking hebben de wet automatisch kan worden toegepast op rechtsfeiten die eerder hebben plaatsgevonden. Dat is geen vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft niet geoordeeld dat strafvorderlijke bepalingen die onmiddellijk in werking treden ook altijd kunnen worden toegepast op rechtsfeiten die eerder hebben plaatsgevonden ook ten nadele van derden.

Onder (iii) klaagt het subonderdeel dat daarnaast geldt dat de wet sowieso redelijk dient te worden uitgelegd, in het kader van het wettelijk systeem als geheel met inachtneming van de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde, de strekking en inhoud van de wet, etc., waaraan het hof niet heeft getoetst. Het is niet proportioneel en/of redelijk of getuigt van een behoorlijke procesorde om deze nieuwe wettelijke regeling, met weinig waarborgen voor een derde (niet verdachte) van toepassing te laten zijn op rechtsfeiten die veel eerder hebben plaatsgevonden. Als de wettelijke bepaling al zou hebben gegolden in 2006/2007 dan had [eiseres] kunnen zorgdragen voor een deugdelijke schriftelijke bevestiging dat de overdrachten waren gedaan om haar niet onverzorgd achter te laten na 26 jaar huwelijk. Nu wordt dat gebrek aan bewijs – haar bewijsnood – haar 18 jaar na dato tegengeworpen. Dit is sowieso geen redelijke wetstoepassing en ook om die reden had art. 94a lid 4 Sv niet zo mogen worden toegepast.

Onder (iv) klaagt het subonderdeel dat art. 94a lid 4 Sv weliswaar opgenomen is in het Wetboek van Strafvordering, maar dat deze bepaling niet louter een formeelrechtelijke bepaling is. Als de regel al zou luiden dat formeelrechtelijke bepalingen zonder enige afweging kunnen worden toegepast op rechtsfeiten die eerder hebben plaatsgevonden dan geldt deze regel niet voor art 94a leden 4 en 5 Sv. Onmiskenbaar is dat art. 94a lid 4 Sv niet een zuiver formeelrechtelijke bepaling is, maar een bepaling met diverse materieelrechtelijke aspecten waarbij het eigendom van derden in het geding is en wordt aangetast. Het is een materieelrechtelijke bepaling te vergelijken met de actio pauliana of een ‘bodemrecht’-bepaling of een aansprakelijkheidsbepaling.

Aan het slot klaagt het subonderdeel dat de overweging van het hof in rov. 4.7 inhoudende “ [eiseres] betwist dit op zichzelf niet” onjuist is, gelet op de memorie van grieven onder 33 en 36 – waar [eiseres] heeft aangevoerd dat art. 94a leden 4 en 5 Sv niet op feiten van voor de inwerkintreding daarvan kan worden toegepast –, terwijl dit voorts niet relevant is, nu de rechter de wet goed dient toe te passen, hetgeen het hof niet heeft gedaan door de in 2011 ingevoerde bepaling toe te passen op rechtsfeiten uit 2006/2007.

De klachten van het subonderdeel falen. Zoals volgt uit het hiervoor in 4.10 vermelde, gaan ze uit van een onjuiste rechtsopvatting over het overgangsrecht. De invoering met onmiddellijke werking van een bevoegdheid brengt per definitie mee dat die bevoegdheid, met ingang van de inwerkingtredingsdatum, op reeds bestaande – van vóór de inwerkingtreding daterende – feiten kan worden toegepast. Dat kan tot gevolgen leiden die in strijd zijn met de rechtszekerheid en die daarom onwenselijk, onredelijk of onaanvaardbaar zijn. Om deze reden bevat art. 69 Overgangswet Nieuw BW bijvoorbeeld een reeks van algemene uitzonderingen op de onmiddellijke werking, die als gezegd als hoofdregel geldt op grond van aanwijzing 5.61 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (dat in art. 68a Overgangswet Nieuw BW duidelijkheidshalve is herhaald). In andere gevallen kan deze onmiddellijke werking echter juist wel gewenst zijn. Bij de totstandkoming van wetgeving wordt ervan uitgegaan dat dit laatste meestal het geval is. Vandaar dat wetgeving, blijkens genoemde aanwijzing 5.61, als hoofdregel onmiddellijke werking heeft en, volgens diezelfde aanwijzing, zelfs geldt dat als geen overgangsrecht in een wet is opgenomen, deze onmiddellijke werking heeft.

De keuze voor het overgangsrecht bij een nieuwe wettelijke regeling is allicht aan de wetgever. Door af te zien van overgangsrecht bij de wijziging van art. 94a Sv in 2011, heeft de wetgever voor onmiddellijke werking gekozen, naar hem, gelet op genoemde aanwijzing van de Aanwijzingen voor de regelgeving en de hiervoor in 4.10 genoemde vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet zal zijn ontgaan en ook niet heeft kunnen ontgaan. Blijkens het hiervoor in 4.4 derde alinea opgemerkte, heeft de wetgever het daar genoemde wetenschapsvereiste bovendien uitdrukkelijk een voldoende bescherming voor derden in dit verband geacht. Zoals hiervoor in 4.10 opgemerkt, heeft de Hoge Raad dan ook al bij herhaling beslist dat de ontneming op grond van art. 94a leden 4 en 5 Sv kan worden toegepast op vermogensverschuivingen die dateren van vóór de inwerkingtreding van die wijziging. Onredelijk is dat niet omdat door de gelding van het wetenschapsvereiste ook in de gevallen die dateren van vóór de wijziging in 2011, voldoende duidelijk was dat het, zoals het hof het zegt, niet ging om ‘een veilig bezit’, maar om bezit dat juist aantastbaar was met verhaalsacties.

Op het voorgaande lopen de klachten onder (i)-(iv) van het subonderdeel stuk. De wetgever heeft als gezegd voor het onderhavige overgangsrecht gekozen. Van strijd met het legaliteitsbeginsel, waarover de inleidende klacht van het subonderdeel klaagt, is daarmee geen sprake. De regeling van de wetgever kan alleen worden getoetst aan internationaal recht, wat in het middel bij subonderdeel 1b aan de orde is, dat hierna wordt besproken. De slotklacht van het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het oordeel van het hof en faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag in zijn arrest. De overweging van het hof in rov. 4.7 “ [eiseres] betwist dit op zichzelf niet” ziet op de daaraan voorafgaande overweging, dat bij de wijziging van art. 94a Sv in 2011 geen overgangsrechtelijke bepaling is opgenomen die inhoudt dat de nieuwe versie niet van toepassing is op vermogensverschuivingen die hebben plaatsgevonden vóór die wijziging (dit gegeven bestrijdt [eiseres] evenmin in cassatie).

Bespreking subonderdeel 1b; art. 1 EP EVRM

Subonderdeel 1b klaagt dat het hof in rov. 4.7 en 4.8 een verkeerde toets aanlegt of art. 1 EP EVRM is geschonden. Volgens het subonderdeel gaat het erom of de wettelijke regeling kan worden toegepast op rechtsfeiten die dateren van vóór de inwerkingtreding van die wet – de wet krijgt immers daardoor formele terugwerkende kracht – waardoor er volgens [eiseres] , feitelijk met terugwerkende kracht, een onterechte inbreuk wordt gemaakt op haar eigendomsrecht. Het EHRM past het door het hof in rov. 4.8 genoemde leerstuk van de legitieme verwachting toe als de prealabele vraag moet worden beantwoord of er sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM. Als het hof heeft geoordeeld dat er geen inbreuk is gemaakt op het eigendom van [eiseres] dan heeft het hof art. 1 EP EVRM sowieso onjuist uitgelegd c.q. toegepast en kan het arrest niet in stand blijven. Want niet in geschil is – gelet op rov. 4.8 en 4.30 – dat de Staat vermogen van [eiseres] wil uitwinnen. Dan is er sowieso sprake van een inbreuk op haar eigendomsrecht. De vraag die moet worden beantwoord en waarop het hof niet is ingegaan, is of de inbreuk gerechtvaardigd is, waarbij getoetst moet worden of de wettelijke regeling 1. rechtsgeldig is, 2. een legitiem doel dient, en 3. proportioneel is.

Het subonderdeel klaagt vervolgens ‘Ad 1' dat het toepassen van nieuwe wettelijke regels/wetgeving op rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden vóórdat de wettelijke regeling bestond, niet aan de vereiste van lawfulness voldoet, inhoudende dat het nationale recht ‘sufficiently accessible, precise and forseeable ’ is en voldoende mate ‘quality of law’ heeft. In 2006/07 was niet voorzienbaar dat de bepaling zou worden ingevoerd. [eiseres] is daardoor in bewijsnood gekomen, hetgeen te meer klemt, omdat wetenschap van verhaalsfrustratie ook wordt gebaseerd op wat [eiseres] behoorde te weten. Anders dan het hof in rov. 4.8 oordeelt, kon [eiseres] niet op de wetswijziging bedacht zijn.

‘Ad 3’ klaagt het onderdeel dat het hof eveneens onvoldoende heeft getoetst of de (formele) terugwerkende kracht proportioneel is. Het hof heeft niet meegenomen dat door toepassing van art. 94a leden 4 en 5 Sv anno 2024 de facto ‘eigen geld’ van [eiseres] zelf wordt uitgewonnen en niet meer het vermogen dat zij in 2006/2007 van haar ex-man heeft ontvangen omdat zij dat vermogen in de loop van 2011-2014 (vóór de beslaglegging door het Openbaar Ministerie) aan haar ex-man heeft terugbetaald. Aldus wordt niet alleen vermogen van haar ex-man – het vermeende niet veilige bezit uit rov. 4.8 – uitgewonnen, maar ook vermogen van [eiseres] zelf op basis van een bepaling die nog niet gold in 2006/2007. Daarmee is wel degelijk art. 1 EP EVRM geschonden en ook daaraan heeft het Hof niet getoetst.

Het subonderdeel klaagt tot slot dat het oordeel omtrent de ‘legitieme verwachting’ in rov. 4.8 onvoldoende gemotiveerd is, omdat het feit dat [verweerder 2] als verdachte werd aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek – wat er zij van wat [eiseres] daarvan wist – in elk geval op zichzelf onvoldoende grond is voor het oordeel dat [eiseres] die verwachting niet kon hebben.

Met betrekking tot het subonderdeel kan worden vooropgesteld dat het hof in rov. 4.8-4.9 reageert op hetgeen [eiseres] in haar memorie van grieven onder 34-36 heeft aangevoerd. Dat is dat art. 1 EP EVRM het eigendomsrecht beschermt en dat een staat weliswaar dat recht met terugwerkende kracht mag aantasten, maar dat die ruimte beperkingen kent, zoals volgt uit de EHRM-uitspraak Maurice t. Frankrijk. Uit die uitspraak blijkt volgens [eiseres] dat aan aantastingen van eigendomsrecht met terugwerkende kracht en grote financiële consequenties hoge eisen worden gesteld. [eiseres] heeft er voor haar geval op gewezen dat vrijwel haar gehele vermogen sinds 2014 onder beslag ligt, en dat het enkele feit dat het om strafrecht gaat daarvoor geen rechtvaardiging kan vormen. Zelf is zij geen verdachte, noch geweest en zij had niets te maken met de zakelijke bezigheden van [verweerder 2] en al helemaal niet met die waarvoor hij is vervolgd. Het vermogen houdt voorts geen verband met de feiten waarvoor hij is vervolgd. Onder die omstandigheden was volgens haar sprake van strijdigheid met art. 1 EP EVRM.

Naar aanleiding van dit betoog overweegt het hof halverwege rov. 4.7 dat het enkele feit dat regelgeving het gebruik van reeds bestaande eigendom beperkt of aantast op zichzelf geen strijd oplevert met art. 1 EP EVRM, en dat dit alleen anders is als deze regelgeving specifiek ten doel zou hebben om het geschil tussen [eiseres] en de Staat te beïnvloeden en dat dat geval zich hier niet voordoet. Hierna overweegt het hof in rov. 4.8 dat art. 94a lid 4 Sv de eis stelt dat [eiseres] wist of behoorde te weten dat zij medewerking verleende aan het onttrekken van vermogensbestanddelen aan het verhaal door crediteuren op [verweerder 2] . Volgens het hof had [eiseres] daarom moeten begrijpen dat met dat doel aan haar overgedragen vermogen geen veilig bezit was en mogelijk blootstond aan (verhaals)acties van schuldeisers van [verweerder 2] . Daarin ligt volgens het hof ook het verschil met de zaak Maurice t. Frankrijk. [eiseres] kon anders dan in het geval van die uitspraak geen legitieme verwachting hebben dat op deze vermogensbestanddelen nooit verhaal zou worden genomen.

In rov. 4.9 brengt het hof tot uitdrukking dat de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden (die hiervoor in 4.19 zijn weergegeven) er niet aan in de weg staan dat art. 94a lid 4 Sv wordt toegepast.

Met een en ander en hetgeen het eerder in rov. 4.5 overweegt, brengt het hof onmiskenbaar mede tot uitdrukking dat naar zijn oordeel (i) sprake is van eigendom van [eiseres] in de zin van art. 1 EP EVRM en (ii) dat met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel op die eigendom is voldaan aan de hiervoor genoemde eisen waaraan een inbreuk op het recht van art. 1 EP EVRM moet voldoen. In het oordeel van het hof ligt immers besloten (a) dat de inmenging op de wet berust (de art. 94a leden 4 en 5 Sv), (b) dat voor de inmenging een ‘legitimate aim’ bestond, namelijk het voorkomen van verhaalsfrustratie als bedoeld in art. 94a lid 4 Sv, en (c) dat die inbreuk proportioneel is, omdat de inmenging pas kan plaatsvinden als de derde (hier [eiseres] ) wist of behoorde te weten dat zij aan die verhaalsfrustratie meewerkte. Met de toevoeging dat [eiseres] had moeten begrijpen dat het met dit doel aan haar overgedragen vermogen geen veilig bezit was en mogelijk bloot zou staan aan (verhaals)acties van crediteuren van [verweerder 2] heeft het hof aan de uitgevoerde toets kennelijk willen toevoegen dat ook vóór de inwerkingtreding van het gewijzigde art. 94a lid 4 Sv bij [eiseres] niet de gegronde verwachting heeft kunnen leven dat meewerken aan de verhaalsfrustratie zonder consequenties zou blijven. Vertrekpunt bij dit oordeel van het hof is dat [eiseres] deze wetenschap (de wetenschap die art. 94a lid 4 Sv eist) had, wat het hof op deze plaats in het arrest nog moet onderzoeken, maar welke wetenschap het verderop in zijn arrest aanneemt.

Uit het voorgaande volgt dat de inleidende klacht van subonderdeel 1b, dat het hof niet is uitgegaan van een inbreuk op het recht op art. 1 EP EVRM of niet de hiervoor in 4.13 genoemde toets heeft uitgevoerd om na te gaan of die inbreuk toelaatbaar is, feitelijke grondslag mist in het arrest van het hof. Het hof is daarvan wel uitgegaan en het heeft die toets uitgevoerd. Aan het subonderdeel kan worden toegegeven dat het gebruik van de term ‘legitieme verwachting’ door het hof in rov. 4.8 enigszins verwarringwekkend is – het EHRM pleegt die term te gebruiken met betrekking tot de vraag of sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM –, maar daarmee treft het subonderdeel geen doel.

De klacht onder ‘Ad 1’ in het subonderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de rechtspraak van het EHRM geldt de eis van de voorzienbaarheid van de inbreuk door de uitoefening van een wettelijke bevoegdheid op het tijdstip van de uitoefening van die bevoegdheid en niet eerder al, in de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van de regeling die deze bevoegdheid geeft (zie hiervoor 4.13 tweede alinea en ook 4.14 eerste alinea, slot). Anders gezegd: aan de ‘lawfullness’ van de inbreuk staat niet in de weg dat de inmenging plaatsvindt in al bestaande eigendomsrechten.

De klacht ‘Ad 3’ in het subonderdeel faalt omdat blijkens art. 94a lid 5 Sv nu juist niet de eis geldt dat de goederen of het vermogen dat op naam van de derde is gesteld om uitwinning te voorkomen, zich nog in het bezit van de derde bevindt ten tijde van de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. De bedoeling daarvan is onmiskenbaar om verhaalsfrustratie te bestrijden en wel door voorbij te gaan aan het ‘opsouperen’ of ‘wegmaken’ van die goederen of het vermogen (zie hiervoor in 4.5). Als het gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel is op grond van de hiervoor in 4.14 genoemde rechtspraak van het EHRM duidelijk dat deze een dergelijke voorziening toelaatbaar oordeelt, mits de derde niet te goeder trouw was. Dat is als gezegd ook de eis van de wet (in art. 94a lid 4 Sv). Overigens stelt het hof in het vervolg van zijn arrest (zie met name rov. 4.19 en 4.20) ook ampel een vergaande mate van wetenschap van [eiseres] vast. Volgens het hof was [eiseres] niet te goeder trouw (rov. 4.19).

De slotklacht van het subonderdeel veronderstelt dat het hof in rov. 4.8 heeft geoordeeld dat [eiseres] geen legitieme verwachting had dat zij het overgedragen vermogen kon houden omdat [verweerder 2] als verdachte werd aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek. Die veronderstelling is onjuist. Als gezegd oordeelt het hof dat [eiseres] die verwachting niet mocht hebben als zij de wetenschap had als bedoeld in art. 94a lid 4 Sv (welke wetenschap het hof verderop in zijn arrest aanneemt). De klacht faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof.

Bespreking onderdeel 2; aanbod getuigenbewijs

Onderdeel 2 klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs dat [eiseres] heeft gedaan. Bij brief van 11 juni 2024 heeft [eiseres] , kort voor de mondelinge behandeling van de zaak door het hof op 27 juni 2024, gevraagd om getuigen te mogen horen ter zitting, die volgens haar konden verklaren over diverse onderwerpen waarover het hof in zijn arrest heeft geoordeeld. De griffie van het hof heeft in een e-mail van 20 juni 2024 aan de advocaten van partijen medegedeeld: “Het hof zal pas na de mondelinge behandeling beslissen of en zo ja over welk probandum getuigen zullen worden gehoord.” Op de brief met het verzoek om getuigen te mogen horen heeft de Staat ook gereageerd bij brief van 19 juni 2024 met aangehechte productie en een H-formulier. In rov. 2.1 worden deze processtukken niet opgesomd en in zoverre is die overweging feitelijk onjuist, aldus het onderdeel. Niet in geschil is dat er een getuigen-aanbod is gedaan en dat daarop door het Hof ten onrechte niet is gerespondeerd, aldus het onderdeel. Daardoor kunnen rov. 4.13, 4.14, 4.15, 4.17, 4.18, 4.19, 4.20 en rov. 4.29 en de eindoordelen niet in stand blijven. Door het horen van de getuigen had het hof tot andere oordelen kunnen komen met betrekking tot de vraag of sprake is van verhaalsfrustratie en of [eiseres] dat had moeten weten. Ook rov. 4.22 en 4.24 waarin het hof oordeelt dat [eiseres] niet geslaagd is in het bewijs dat het [schilderij] van haar is, kunnen niet in stand blijven. Ook daarvoor had [eiseres] juist bewijs aangeboden.

Zoals het onderdeel zelf vermeldt, heeft het hof de brief van 11 juni 2024 niet bij de stukken van het geding vermeldt in rov. 2.1. Daarmee rijst de vraag of die brief wel tot die stukken te rekenen valt, nu het in de eerste plaats aan het hof is om te bepalen of een stuk tot die stukken behoort. Die vraag is in cassatie van belang, nu op grond van art. 419 lid 2 Rv de feitelijke grondslag van de middelen alleen kan worden gevonden in de stukken van het geding.

Naar de huidige opvatting kunnen ook andere stukken dan de in de wet voorziene processtukken gedingstuk zijn, zoals met name brieven en e-mails. De opsomming van stukken in de uitspraak van de lagere rechter is tegenwoordig ook niet meer doorslaggevend voor het antwoord op de vraag welke stukken in een zaak tot de stukken van het geding zijn te rekenen. Als blijkt dat de rechter over een stuk beschikte en daarvan kennis heeft genomen of daarvan (volgens de regels van een goede procesorde) kennis heeft moeten nemen, dan valt dit stuk eveneens aan te merken als gedingstuk. Dat een stuk aan deze eisen voldoet, zal eventueel door eiser of verzoeker in cassatie aannemelijk moeten worden gemaakt.

In deze zaak staat voldoende vast dat de brief van 11 juni 2024 tot de stukken van het geding behoort. De Staat heeft daarop blijkens de in het onderdeel genoemde brief van 19 juni 2024 gereageerd en hetzelfde geldt voor het hof zelf blijkens de in het onderdeel genoemde e-mail van de griffie van het hof. De brief is bij de mondelinge behandeling ook ter sprake gekomen. De Staat rekent de brief in cassatie dan ook zonder meer tot de stukken van het geding. Het onderdeel kan daaraan dus feitelijke grondslag voor een klacht ontlenen.

Een mogelijke verklaring voor het feit dat het hof de brief niet in zijn arrest heeft vermeld, is dat het hof de inhoud daarvan niet van belang heeft geacht voor zijn arrest. Dat is in zoverre begrijpelijk dat de brief in de allereerste plaats het verzoek bevat om getuigen te mogen horen bij de mondelinge behandeling. Dat betreft een verzoek als bedoeld in art. 87 lid 3 eerste zin Rv, dat bepaalt dat ‘met voorafgaande toestemming van de rechter tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen kunnen worden gehoord’. De rechter heeft, zoals al uit de wettekst volgt, de vrijheid om een verzoek hiertoe af te wijzen, anders dus dan bij een getuigenbewijsaanbod dat aan de daaraan te stellen voldoet, dat op grond van art. 166 lid 1 Rv juist moet worden gehonoreerd.

Blijkens de in reactie op de brief verzonden e-mail van de griffie heeft het hof het nog te vroeg geacht voor het mogelijk horen van getuigen. De e-mail deelt mee dat hof pas na de mondelinge behandeling zal beslissen óf en, zo ja, over welk probandum getuigen zullen worden gehoord. Begrijpelijkerwijs is het hof van oordeel geweest dat genoemd verzoek hiermee was afgedaan. Mogelijk heeft het hof daarom van de brief geen melding gemaakt in zijn arrest.

Naar ik meen, neemt het onderdeel echter terecht tot uitgangspunt dat de brief (óók) een bewijsaanbod bevat. De relevante passage van de brief begint met te vermelden dat [eiseres] bewijs aanbiedt in de vorm van getuigenverhoren, en eindigt, kennelijk voortbordurend op deze vermelding, met de opmerking dat het de voorkeur van [eiseres] heeft dat getuigen bij de mondelinge behandeling worden gehoord (het mag dus ook bij een formeel getuigenverhoor, zo volgt daaruit m.i.). De Staat heeft de brief, blijkens zijn brief van 19 juni 2024 en zijn verweer in cassatie, ook als een bewijsaanbod opgevat. Namens [eiseres] is bij de mondelinge behandeling ook nog eens uitdrukkelijk gerept van een in de brief vervat bewijsaanbod (dat overigens ter zitting nog is herhaald), blijkens het van die behandeling opgemaakte proces-verbaal.

Mede gelet op dat laatste – de inhoud van het door het hof zelf vastgestelde proces-verbaal – denk ik niet dat het bewijsaanbod het hof is ontgaan, zoals wellicht zou kunnen afgeleid uit het hiervoor in 4.26 vermelde. Het lijkt me dat het hof het aanbod heeft gepasseerd op grond van hetgeen het overweegt in rov. 4.11-4.19 (ten aanzien van de vermogensoverdrachten) en 4.24 (ten aanzien van de eigendom van [schilderij] ). Die overwegingen komen immers erop neer dat [eiseres] de stellingen van de Staat onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, door deze niet uit te werken in concrete stellingen en verklaringen omtrent de toedracht van de feiten zoals deze volgens haar is, door deze evenmin te onderbouwen met voor de hand liggende stukken (die er wel zouden moeten zijn en zouden moeten kunnen worden overgelegd) en door niet in te gaan op al hetgeen de Staat heeft aangevoerd dat tegen die toedracht pleit. Dit is een grond waarop een bewijsaanbod volgens vaste rechtspraak gepasseerd mag worden. De vaststelling van het hof dat [eiseres] de stellingen van de Staat onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, is feitelijk en m.i. niet onbegrijpelijk. De Staat heeft zijn stellingen vergaand met concrete feiten onderbouwd. De rechtbank heeft al geoordeeld dat [eiseres] daartegenover onvoldoende heeft gesteld (rov. 4.2.4 en 4.3.11-4.3.14). Dat is weliswaar door [eiseres] bestreden bij grieven 2-4, maar zij is daarbij over de feiten niet concreter geworden.

Bij het voorgaande komt nog bij dat het aanbod van [eiseres] in de brief uitsluitend betrekking heeft op het horen als getuige van [betrokkene 1] , de zuster van [verweerder 2] , en [betrokkene 2] , de echtgenoot van [betrokkene 1] , dat [eiseres] bij memorie van grieven al een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] heeft overgelegd (als productie 13) en dat [eiseres] niet heeft vermeld wat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] nog meer of anders kunnen verklaren dan in de overgelegde verklaring van [betrokkene 1] staat. Van de stellingen die het aanbod vermeldt, is bovendien alleen in enige mate concreet dat [schilderij] destijds een cadeau is geweest van [verweerder 2] aan [eiseres] . Op (de vele door de Staat aangevoerde) aanwijzingen die het hof in rov. 4.24 vaststelt en die het als grond noemt om die stelling te verwerpen – uit de nadien voorgevallen feiten blijkt duidelijk wat anders –, is [eiseres] echter in het geheel niet ingegaan. Ook heeft zij geen concrete stellingen aangevoerd over het hoe, waar en waarom van de gift, waarover zij gemakkelijk het een en ander had kunnen aanvoeren en dat haar stelling controleerbaar zou hebben gemaakt.

Op een en ander loopt het onderdeel stuk.

Bespreking onderdelen 3-5; toepassing art. 94a leden 4 en 5 Sv

Onderdeel 3 klaagt dat het hof in rov. 4.20 en 4.29-4.30, art. 94a leden 4 en 5 Sv verkeerd heeft toegepast en verwijst naar stellingen in de memorie van grieven IV onder 2. Het Hof heeft volgens het onderdeel miskend dat ten tijde van de beslaglegging in 2014 er niet werd voldaan aan art. 94a lid 4 Sv omdat geen voorwerpen (of vermogen) meer toebehoorden aan [eiseres] die (of dat) afkomstig was van haar ex-man. Ruim voor het beslag had zij bedragen aan hem terugbetaald a fonds perdu, aldus het Hof in rov. 4.15. Meer dan zij had ontvangen, aldus het onderdeel. Het onderdeel klaagt vervolgens dat art. 94a lid 5 Sv hier niet kan worden toegepast. Er is geen vermogen kwijtgemaakt. Het vermogen is teruggegaan naar de verdachte. Dat sprake moet zijn van wegmaken van vermogen blijkt uit Kamerstukken II 2001/02, 28 079, nr. 3, p. 20, aldus het onderdeel.

De klachten van het onderdeel falen. Zij miskennen de samenhang tussen art. 94a lid 4 Sv en art. 94a lid 5 Sv. Art. 94a lid 4 Sv beperkt op zichzelf inderdaad de mogelijkheid van anderbeslag tot zaken en vermogensrechten (zoals art. 94a lid 6 Sv ‘voorwerpen’ definieert) waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat deze geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden. Als echter ten aanzien van bepaalde zaken of vermogensrechten eenmaal aan de voorwaarde van art. 94a lid 4 Sv is voldaan, breidt art. 94a lid 5 Sv die bevoegdheid uit tot alle andere aan de betrokken persoon toebehorende zaken en vermogensrechten, tot ten hoogste de waarde van de in art. 94a lid 4 Sv bedoelde zaken en vermogensrechten.

Het hof heeft vastgesteld dat aan [eiseres] vermogen (zaken en vermogensrechten) is overgedragen (de opbrengst van de onroerende zaken, rov. 4.11-4.12), ten aanzien waarvan aan de door art. 94a lid 4 gestelde vereisten is voldaan (rov. 4.13-4.19). Vervolgens heeft het hof overwogen dat op het vermogen dat onder het beslag ligt, ook beslag kon worden gelegd ex art. 94a lid 5 Sv, ongeacht of dit nog hetzelfde vermogen was als waarvoor aan de eis van art. 94a lid 4 Sv werd voldaan, omdat het beslagen vermogen de waarde van dat vermogen niet overstijgt (rov. 4.29-4.30).

Een en ander is in overeenstemming met art. 94a leden 4 en 5 Sv. Anders dan het onderdeel betoogt, is voor de toepassing van art. 94a lid 5 Sv niet vereist dat het oorspronkelijke, in art. 94a lid 4 Sv bedoelde vermogen door de derde is weggemaakt, zo volgt uitdrukkelijk uit de wetsgeschiedenis (zie hiervoor onder 4.5). Daarin is zelfs juist de mogelijkheid van een keuze vermeld voor het verhaal nemen op het overdragen vermogen dan wel op ander vermogen van de derde, in het geval dat eerstgenoemd vermogen nog wel bij de derde aanwezig is. De door het onderdeel verdedigde opvatting dat vermogen dat inmiddels weer terug is bij de verdachte, buiten de reikwijdte van art. 94a leden 4 en 5 Sv zou vallen (waarvan overigens bij de stellingen van [eiseres] niet echt sprake is, nu zij verwijst naar het feit dat door haar gelden zijn overgemaakt naar vennootschappen van [verweerder 2] , dus niet naar [verweerder 2] zelf), verhoudt zich ook niet met de aan art. 94a leden 4 en 5 Sv ten grondslag liggende idee dat schijnconstructies moeten kunnen worden bestreden. Het onderdeel betoogt in wezen dat constructies waarbij bijvoorbeeld met gelden wordt geschoven, deze worden rondgepompt, of het zogeheten ‘kasrondje’ plaatsvindt, de werking van deze bepalingen effectief zou kunnen frustreren.

Onderdeel 4 bevat drie subonderdelen, die klagen dat een aantal overwegingen van het hof in rov. 4.16-4.19 tegenstrijdig en onbegrijpelijk zijn. Subonderdeel 4.I is gericht tegen de volgende overwegingen:

“4.16 Op de bankrekeningen van [eiseres] stond niet alleen de (opbrengst van) de vermogensbestanddelen die [verweerder 2] aan haar had overgedragen (in totaal £ 2,6 miljoen), maar ook ‘eigen vermogen’, te weten de (eigen) helft van de opbrengst van het pand aan [a-straat] (£ 1.682.679 op een van de rekeningen bij Barclays) en de erfenis van haar ouders (een bedrag van € 377.753,98 in 2011 op de rekening bij UBS gestort), tezamen ca. € 2,1 miljoen. Het is redelijk de betalingen van in totaal € 3,4 miljoen aan [verweerder 2] -gerelateerde doelen proportioneel toe te rekenen aan de € 2,6 miljoen (van [verweerder 2] ontvangen) respectievelijk de € 2,1 miljoen (eigen geld). Dat zou betekenen dat van de € 3,4 miljoen 55% (dus € 1,87 miljoen) afkomstig is van de vermogensoverdrachten van [verweerder 2] en 45% (dus € 1,53 miljoen) uit eigen geld van [eiseres] . Dit alles leidt tot de conclusie dat van de € 2,6 miljoen die [eiseres] in 2006 en 2007 van [verweerder 2] had ontvangen, zij in de periode 2011-2014 een bedrag van € 1,87 miljoen weer aan [verweerder 2] of diens vennootschappen ten goede heeft laten komen.

(…)

Het handelen van [eiseres] valt alleen te verklaren als wordt aangenomen dat zij vanaf de aanvang wist dat de aan haar door [verweerder 2] ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen niet waren bedoeld voor haarzelf, en alleen maar bij haar werden gestald voor toekomstige aanwending voor [verweerder 2] en zijn vennootschappen.”

Het subonderdeel klaagt dat rov 4.18 onjuist en onbegrijpelijk is gemotiveerd want innerlijk tegenstrijdig is met hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 4.16. Ofwel is het vermogen bij [eiseres] gestald om het op een later moment terug te betalen aan haar ex-man, maar dan zal [eiseres] niet uit haar ‘eigen geld’ gedeeltelijk haar ex-man financieren, zoals in rov. 4.16 is overwogen. Ofwel rov. 4.18 klopt niet, want het geld is niet gestald bij [eiseres] , want [eiseres] betaalt ook uit ‘eigen’ geld – niet zijnde het geld dat zij heeft ontvangen als alimentatie – om haar ex-man te helpen als hij in financiële moeilijkheden verkeert, aldus het subonderdeel.

Het subonderdeel faalt, omdat genoemde overwegingen niet tegenstrijdig zijn. Het hof gebruikt de proportionele toerekening in rov. 4.16 ter staving van zijn oordeel dat de vermogensoverdrachten het kennelijke doel hebben gehad verhaal te frustreren, omdat, zélfs als het eigen vermogen van [eiseres] op de bankrekeningen wordt verdisconteerd, dit zou betekenen dat alleen al in de periode van 2011-2014 € 1,87 miljoen van de overgedragen € 2,6 miljoen aan [verweerder 2] of diens vennootschappen ten goede zijn gekomen, wat de daar door het hof behandelde stelling van [eiseres] logenstraft dat de betalingen voor haar zouden zijn bestemd. Daarbij betrekt het hof overigens ook nog de omstandigheid die het noemt in rov. 4.17, dat, kort gezegd, de overdrachten plaatsvonden kort na het moment dat [verweerder 2] wist dat hij verdacht werd van en zou worden vervolgd voor witwassen. Over dat oordeel klaagt het middel niet. Rov. 4.16 gaat dus, kort gezegd, over het wettelijke vereiste van verhaalsfrustratie (zie over dat vereiste hiervoor in 4.4).

In rov. 4.18-4.19 gaat het hof in op de (geobjectiveerde) wetenschap van [eiseres] , dus op het wetenschapsvereiste. Het hof concludeert dat die wetenschap bij [eiseres] aanwezig was, onder andere omdat haar handelen alleen valt te verklaren als wordt aangenomen dat zij van aanvang af wist dat de aan haar door [verweerder 2] ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen niet waren bedoeld voor haarzelf, en alleen maar bij haar werden gestald voor toekomstige aanwending voor [verweerder 2] en zijn vennootschappen. Dat [eiseres] daarbij ook haar ‘eigen vermogen’ heeft aangewend (zoals het hof veronderstellenderwijs in rov. 4.16 aanneemt), maakt die overweging niet tegenstrijdig met rov. 4.16. Rov. 4.18 behandelt als gezegd een andere kwestie, namelijk of [eiseres] wist of behoorde te weten van de bedoeling van verhaalsfrustratie met betrekking tot het door [verweerder 2] aan haar overgedragen vermogen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en betrekt ook daarbij meer omstandigheden dan slechts de aanwending van de gelden, waarover het onderdeel al evenmin klaagt. Het subonderdeel vermeldt overigens geen vindplaatsen waaruit zou volgen dat [eiseres] heeft aangevoerd dat het feit dat sprake was van de aanwending van haar eigen vermogen, in de weg zou staan aan het aannemen van de bedoeling van verhaalsfrustratie met betrekking tot het overgedragen vermogen of van haar wetenschap daarvan.

Subonderdeel 4.II is gericht tegen rov. 4.18 en 4.19, die voor zover van belang luiden (cursivering in origineel):

“4.18 (…) [eiseres] voert nog aan dat [verweerder 2] zeer vermogend was en dat zij dus niet hoefde te vermoeden dat hij het verhaal van de ontnemingsvordering zou willen frustreren. Dat iemand een vordering kan betalen betekent echter niet dat hij die ook wil betalen. Heel goed denkbaar is dat [verweerder 2] vermogen heeft overgedragen om het verhaal van een vordering te frustreren, ook al zou hij die wel kunnen betalen.

Het hof is dan ook van oordeel dat [eiseres] wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de desbetreffende vermogensbestanddelen aan haar zijn overgedragen met het kennelijke doel het verhaal hierop te frustreren. (…)”

Het subonderdeel klaagt dat het hof zonder motivering tot het oordeel komt dat bij [verweerder 2] mogelijk van betalingsonwil sprake is geweest in 2006/2007. Het betreft een apodictisch oordeel, volgens het onderdeel. Het Hof maakt niet inzichtelijk waarom er bij [verweerder 2] sprake zou zijn van betalingsonwil omtrent een vordering waarvan hij het bestaan nog niet wist, laat staan dat [eiseres] dat wist of had moeten weten. De logica en deugdelijke motivering ontbreken volgens de klacht.

Ook klaagt het subonderdeel dat het hof helemaal niet ingaat op het verweer van [eiseres] dat [verweerder 2] zo vermogend was dat ook met de betaling van € 2,6 miljoen alle mogelijke vorderingen die het OM nadien nog op hem zou kunnen hebben, gemakkelijk zouden kunnen worden betaald. Het enkele feit dat [eiseres] in 2011-2014, dus vele jaren later, haar ex-man financieel heeft ondersteund omdat hij in moeilijkheden kwam te verkeren is dan onvoldoende. De wetenschap of het behoren te weten moet getoetst worden in 2006/2007.

Ook dit subonderdeel faalt. Het hof stelt in rov. 3.2 en 4.19 vast dat [verweerder 2] al 2004 is aangehouden als verdachte en dat in verband met de verdenking al in 2005 een doorzoeking heeft plaatsgevonden van de woning van [eiseres] . In rov. 4.17 gaat het hof op grond van de daar vermelde feiten ervan uit dat [verweerder 2] kennelijk in 2006 rekening ermee hield dat vorderingen tegen hem konden worden ingesteld in verband met de tegen hem lopende strafzaak. Het hof zet in rov. 4.11-4.19 zeer uitgebreid uiteen op grond van welke feiten en omstandigheden het concludeert (i) dat het vermogen in 2006/2007 is overgedragen met het kennelijke doel van verhaalsfrustratie, en (ii) dat [eiseres] dit wist of behoorde te weten. De overwegingen waartegen het subonderdeel opkomt, zijn daarvan een onderdeel en moeten in die context worden gelezen. Het hof brengt in die overwegingen tot uitdrukking dat de door [eiseres] ingeroepen omstandigheid dat [verweerder 2] zeer vermogend was en een ontnemingsmaatregel dus zou kunnen betalen, niet afdoet aan de door hem getrokken conclusies. Die overwegingen zijn in genoemde context alleszins begrijpelijk.

Subonderdeel 4.III keert zich tegen een andere overweging in rov. 4.19, namelijk:

“4.19 (…) Daar komt bij dat [eiseres] de herkomst van de opbrengst van het huis aan [a-straat] heeft trachten te verhullen, door aan haar bank op te geven dat het bedrag van £ 3,45 miljoen was verkregen uit erfenis en dat “die Liegenschaft” (het onroerend goed) familiebezit was. Dit was niet juist en hieruit blijkt dat [eiseres] geen open kaart speelde als het ging om de herkomst van dit onderdeel van het aan haar overgedragen vermogen. Dat [eiseres] te goeder trouw was is dus niet juist. Ook indien dit anders zou zijn maakt dat voor de toepassing van art. 94a lid 4 Sv geen verschil, omdat het er niet slechts om gaat wat [eiseres] wist maar ook om wat zij redelijkerwijs kon vermoeden en in dit geval kon [eiseres] redelijkerwijs vermoeden dat [verweerder 2] vermogen aan haar overdroeg om verhaal daarop te frustreren.”

Het subonderdeel klaagt allereerst dat deze overweging strijdig is met art. 25 Rv, omdat de Staat nimmer heeft aangevoerd dat [eiseres] niet te goeder trouw zou zijn geweest omdat zij de bank UBS onjuist heeft geïnformeerd. Dat is een eigen interpretatie van het Hof en daarmee treedt het Hof ook buiten de rechtsstrijd (art. 25 Rv) en is dit een ongeoorloofde verrassingsbeslissing. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij in 2006/2007 het vermogen te goeder trouw heeft verkregen (randnummer 56 memorie van grieven). Daarnaast klaagt het subonderdeel dat deze overweging onbegrijpelijk is. Als [eiseres] de UBS-bank in 2011/2012 onjuist zou hebben geïnformeerd, dan kan daaruit niet het niet te goeder trouw zijn/de verhaalsfrustratie uit 2006/2007 worden afgeleid. Het een heeft niets met het ander te maken. Tot slot klaagt het subonderdeel dat deze overweging feitelijk onjuist is, gelet op (i) productie 6, bijlage 37-2 waarnaar de Staat in de conclusie van antwoord onder 2.2.22 heeft verwezen bij de stelling dat [eiseres] de Bank onjuist heeft geïnformeerd; (ii) de akte overlegging producties van 22 november 2021 bij de rechtbank, nr. 1, 3, 5, 6 en 12 en productie 26 (verklaring van de vermogensbeheerder); (iii) de pleitnotities van [eiseres] bij de rechtbank, p. 2, 2e alinea; en (iv) het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 4, nr. 7.

Het subonderdeel faalt al bij gebrek aan belang. Het hof heeft in rov. 4.19 slotzin overwogen dat ook als het oordeel omtrent het niet te goeder trouw zijn van [eiseres] anders zou zijn, dat geen verschil maakt, omdat dan nog steeds in haar geval sprake is van geobjectiveerde wetenschap van de bedoeling van verhaalsfrustratie als bedoeld in art. 94a lid 4 Sv. De overweging waartegen het subonderdeel opkomt, is dus niet dragend voor de beslissing van het hof. Overigens wordt het oordeel van het hof dat [eiseres] niet te goeder trouw was, niet alleen gedragen door zijn vaststelling dat [eiseres] de bank UBS onjuist heeft geïnformeerd, maar door het al hetgeen het in rov. 4.19 overweegt. Ook daarom is die vaststelling niet dragend voor het oordeel van het hof. Overigens is onjuist dat de Staat niet heeft aangevoerd dat [eiseres] de bank UBS onjuist heeft geïnformeerd. Dat heeft de Staat wel.

Onderdeel 5 – dat twee subonderdelen bevat – keert zich tegen rov. 4.26-4.28, waarin het hof het standpunt van [eiseres] bij grief 6 verwerpt dat de opbrengst van schilderijen van [verweerder 2] door haar is aangewend om bonafide schulden van [verweerder 2] te voldoen en dat daarom geen sprake is van de bedoeling van verhaalsfrustratie. Het hof heeft in dat verband geoordeeld dat het feit dat het om bonafide schulden ging, niet betekent dat geen sprake is (de bedoeling van) verhaalsfrustratie.

Subonderdeel 5.i klaagt dat het hof bij dit oordeel niet heeft getoetst aan de voorwaarden van art. 94a lid 4 Sv, hoewel [eiseres] hier uitdrukkelijk op heeft gewezen in de memorie van grieven, nr. 79.

Subonderdeel 5.ii klaagt dat het hof daarnaast de reikwijdte van art. 94a lid 4 Sv heeft miskend in rov. 4.27. Het verkopen van schilderijen door [verweerder 2] teneinde schuldeisers te betalen, waaronder zijn advocaat voor strafrechtelijke bijstand, kan niet als verhaalsfrustratie worden bestempeld vanwege het enkele feit dat sommige crediteuren wel worden betaald en anderen niet, zoals het Hof daar oordeelt. Het Hof gaat ofwel uit van een onjuiste rechtsopvatting wanneer sprake is van verhaalsfrustratie in de zin van art. 94a lid 4 Sv, dan wel is een en ander onvoldoende onderbouwd. Te meer omdat het Openbaar Ministerie op deze schilderijen in de periode 2011-2014 geen beslag heeft gelegd. Voorts komt het oordeel van het hof in strijd met art. 6 EVRM, omdat de verdachte recht heeft op een eerlijk proces waartoe een advocaat behoort, aldus het onderdeel. Het subonderdeel klaagt tot slot dat de verkoop van de bewuste schilderijen in de periode 2010-2014 plaatsvond (met verwijzing naar de conclusie van antwoord 2.2.9-2.2.13), en dat ten aanzien van de voor 1 juli 2011 verkochte schilderijen art. 94a lid 4 Sv niet kan worden toegepast, omdat dit rechtsfeiten betreft van vóór de inwerkingtreding van de huidige bepaling.

Subonderdeel 5.i faalt omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof is in rov. 4.26-4.28 wel nagegaan of is voldaan aan de voorwaarden van art. 94a lid 4 Sv. Subonderdeel 5.ii faalt omdat het uitgaat van onjuiste rechtsopvatting. Het feit dat sommige crediteuren wel worden betaald en anderen niet, is juist een schoolvoorbeeld van verhaalsfrustratie. Daar komt bij dat het hof in rov. 4.27 het nodige vaststelt over de context waarin dat in dit geval is gebeurd. Overigens faalt het onderdeel ook bij gebrek aan belang. Het hof heeft aan het slot in rov. 4.30 overwogen, op grond van hetgeen in rov. 4.29-4.30 overweegt, dat als grief 6 wél op zou gaan, dat niet tot andere beslissing zou leiden.

Slotsom

Het beroep is ongegrond.

5. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?