PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01676 B
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 9 april 2025 (raadkamernummer 25-007178) het op grond van art. 164 lid 8 WVW 1994 ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave aan de klager van zijn door de politie ingevorderde en door het Openbaar Ministerie ingehouden rijbewijzen, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is op 23 april 2025 ingesteld namens de klager. T. Roggenkamp, advocaat in Roosendaal, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en dat de Hoge Raad bepaalt dat de officier van justitie onverwijld de ingehouden rijbewijzen aan de klager teruggeeft.
2. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking
Op 4 maart 2025 zijn een aan de klager afgegeven Nederlands rijbewijs en twee aan de klager afgegeven rijbewijzen uit de Verenigde Arabische Emiraten ingevorderd in verband met een verdenking van overtreding van onder meer art. 5a WVW 1994. Op 11 maart 2025 heeft de officier van justitie beslist de rijbewijzen in te houden tot 27 februari 2026.
In art. 164 lid 6 WVW 1994 is onder meer bepaald dat een ingevorderd of ingehouden rijbewijs wordt teruggegeven indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijn van zes maanden in art. 164 lid 6 WVW 1994 moet worden verstaan als een termijn van zes maal dertig dagen.
Uit namens mij ingewonnen inlichtingen is gebleken:
i. dat de officier van justitie de rijbewijzen van de klager nog niet heeft teruggegeven;
ii. dat er geen zitting (ook geen regie- of pro formazitting) heeft plaatsgevonden en dat het onderzoek van de zaak op de terechtzitting dus nog niet is aangevangen;
iii. dat er geen strafbeschikking is uitgevaardigd.
Inmiddels is er ruim tien maanden na de dag van de invordering van de rijbewijzen noch gedagvaard, noch een strafbeschikking uitgevaardigd. De consequentie daarvan is dat de officier van justitie op grond van de regeling van art. 164 lid 6 WVW (op dit moment al) verplicht is de ingehouden rijbewijzen onverwijld terug te geven aan de klager.
Daarnaast merk ik op dat op 27 februari 2026 de beslissing van de officier van justitie tot het inhouden van de rijbewijzen van de klager (automatisch) afloopt. Vanaf die datum is er dus geen sprake meer van inhouding van een rijbewijs op grond van art. 164 WVW 1994. De consequentie daarvan is dat indien de Hoge Raad uitspraak doet na 27 februari 2026, de klager geen belang meer heeft bij het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank, zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard. Datzelfde geldt indien de officier van justitie vóór 27 februari 2026 eigenstandig ingrijpt en bepaalt dat de rijbewijzen aan de klager moeten worden teruggegeven.
3. Slotsom
Het middel behoeft geen bespreking.
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
Gelet op de huidige stand van zaken strekt deze conclusie ertoe dat
– de bestreden beschikking wordt vernietigd, en
– de Hoge Raad zal bepalen dat de officier van justitie de op 11 maart 2025 ingehouden rijbewijzen onverwijld teruggeeft aan de klager.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G