PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01836
Zitting 30 januari 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J.A.J. Leeman,
tegen
de officier van justitie in het arrondissementsparket Noord-Holland;
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.
1. Inleiding en samenvatting
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend ten aanzien van betrokkene voor de verzochte duur van zes maanden. Het is moeilijk gebleken om met betrokkene in contact te komen. De onafhankelijke psychiater heeft ondanks meerdere pogingen daartoe betrokkene niet kunnen spreken. Ook is betrokkene niet op de mondelinge behandeling verschenen. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft zij in een e-mailbericht aan haar advocaat laten weten dat zij in het buitenland verblijft.
In cassatie wordt ten eerste geklaagd dat de mondelinge behandeling niet buiten de aanwezigheid van betrokkene had mogen plaatsvinden, maar dat de rechtbank de behandeling van het verzoek had moeten aanhouden nu betrokkene in het buitenland verblijft. Verder wordt geklaagd dat de rechtbank niet heeft vastgesteld of betrokkene in staat of bereid was om zich te doen horen en dat de rechtbank daarnaar nader onderzoek had moeten doen. Tot slot wordt geklaagd dat de rechtbank de zorgmachtiging niet had mogen verlenen, zonder te beoordelen of onderzoek door de onafhankelijke psychiater in een direct contact redelijkerwijs niet mogelijk was. Naar mijn oordeel slagen de klachten grotendeels.
2. Feiten en procesverloop
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) ingekomen op 31 januari 2025, heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van zes maanden voor verschillende vormen van verplichte zorg.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2025, in eerste instantie op het woonadres van betrokkene, maar nadat na aanbellen aldaar de deur niet werd opengedaan, is de mondelinge behandeling voortgezet op het kantoor van het FACT [plaats].
Tijdens de mondelinge behandeling is betrokkene niet verschenen. Wel gehoord zijn de advocaat van betrokkene en de casemanager van het FACT.
Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Voor zover in cassatie van belang, wordt daarin het volgende vermeld:
“De rechter merkt op dat betrokkene niet ter zitting is verschenen.
De advocaat vertelt dat hij in de afgelopen week contact met betrokkene heeft gehad. Betrokkene geeft aan dat zij met rust gelaten wil worden. Zij voelt zich niet gehoord. De advocaat geeft aan dat betrokkene op de hoogte is van de zitting. Zij heeft vanochtend een emailbericht aan de advocaat gestuurd waarin zij haar mening kenbaar maakt. De advocaat maakt uit het emailbericht op dat betrokkene naar het buitenland is vertrokken.
(Het emailbericht van betrokkene van 14 februari 2025 is aan het proces-verbaal gehecht).
De casemanager geeft aan dat er meerdere pogingen zijn ondernomen om contact met betrokkene te krijgen, maar dat is niet gelukt. De casemanager geeft aan dat er grote zorgen over betrokkene zijn.
De rechter concludeert dat betrokkene de zorg afhoudt, maar wel op de hoogte is van deze zitting. De rechter heeft kennisgenomen van het emailbericht van betrokkene en heeft dit emailbericht in het dossier gevoegd. De rechter maakt uit het emailbericht van betrokkene op dat zij momenteel in het buitenland zou verblijven. De vraag is of dat echt zo is. De rechter concludeert wel dat betrokkene niet aanwezig is in haar woning te [plaats]. Verder is het de rechter gebleken dat betrokkene ook niet heeft willen spreken met de onafhankelijk psychiater welke de medische verklaring heeft opgesteld.
De rechter stelt vast dat betrokkene op de hoogte was van de zitting en er kennelijk voor heeft gekozen om niet ter zitting aanwezig te zijn. Zij heeft haar standpunt kenbaar gemaakt middels een email-bericht.
De behandeling van het verzoek wordt dan ook voortgezet.
De raadsman (…). Daarbij is betrokkene verder niet door de onafhankelijk psychiater onderzocht.”
Zoals volgt uit voornoemd proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 februari 2025 heeft betrokkene op diezelfde datum een e-mailbericht gestuurd aan haar advocaat. In dat e-mailbericht staat, voor zover in cassatie van belang, het volgende (met stilzwijgende verbetering van kennelijke verschrijvingen door mij en met onderstrepingen van mij; A-G):
“(…)
Vanaf 13 februari 2025 ben ik niet meer woonachtig in Nederland.
Verleden jaar heb ik besloten mijn leven op te bouwen in het buitenland. Mijn aanwezigheid in Nederland was de afgelopen maanden tijdelijk om o.a. administratieve zaken af te handelen.
De meldingen van bovenburen zijn niet waar, door mij weerlegd met bewijs bij woningbouw na hun te voorbarige brief van 3 oktober 2024.
Politie weet dit heel erg goed, maar kent mijn bovenbuurvrouw: haar voormalige schoonfamilie is een burgerwachtcoördinator en zij hebben daardoor al jaren zijn politiecontacten. De intenties van mijn buren en woningbouw zijn niet duidelijk, maar hebben niets goeds in de zin, en schenden mijn persoonlijke levenssfeer.
Een van de redenen waarom ik mijn leven in het buitenland opbouw.
Al weken ben ik bezig met mijn terugkeer naar het buitenland, en laat dit niet frustreren door buren met valse meldingen, een woningbouw die haar verantwoordelijkheden als verhuurder niet nakomt, met als enige dupe ondergetekende.
Ik laat mij niet door aangetoonde verzinsels van buren psychiatriseren.
Buiten het feit dat ik niets geks doe wanneer ik in mijn eigen huis telefoneer (waar ik politie veelvuldig te woord heb gestaan – die weer vertrok na mijn gespreksduur te hebben gezien en vaak mijn gesprekspartner had gesproken(!), heeft het gedrag van genoemde groep een negatieve uitwerking op het opbouwen van mijn nieuwe leven na erkenning Kinderopvangtoeslagaffaire.
Er verbetert niets door mij te psychiatriseren voor mij, integendeel.
(…)
Nu zegt u op huisbezoek te komen met een rechter. Weer ben ik niet geïnformeerd, weer gaat het om op dwingende wijze toegang verkrijgen tot mijn woning en persoonlijke levenssfeer, zonder reden en op aangetoonde valse beweringen over mijn persoon.
Het is voor mij moeilijk door de harde echo/galm in de woning, en het gedrag van deze buren, de woning te verhuren tijdens mijn verblijf in het buitenland. Dat is vervelend en gaat wederom ten koste van mij. Daarom is wonen en werken in het buitenland voor mij verleden jaar al een betere oplossing gebleken. Ik heb er erg veel zin in.
Dat u meldt dat er een huisbezoek rechter komt terwijl ik niet geïnformeerd ben, weer niet weet –zoals eerder bij twee andere personen in augustus – wie er in mijn huis zijn (geweest) is schokkend en lijkt mij geen normale gang van zaken.
Ik heb de tijd en moeite genomen u te schrijven en van informatie te voorzien, anders dan hoe met mij wordt omgegaan. Ik weet niet wat de zorgen zijn, deze zijn niet onderbouwd, en wie dit daadwerkelijk heeft aangevraagd. Ook ben ik van zaken niet geïnformeerd en krijg ik over diverse personen niet te horen wie zij zijn, en met wie ik in gesprek ben geweest (gedwongen). De mogelijkheid een klacht daarover in te dienen is mij daardoor ontnomen.
Daarnaast heb ik niet de gelegenheid gekregen een eigen advocaat te regelen via mijn rechtsbijstandverzekering. Om maar iets te noemen.
De hele gang van zaken is zeer verontrustend.
Vanaf 13 februari 2025 ben ik niet meer woonachtig in Nederland.
(…).”
Bij beschikking van 14 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking), schriftelijk uitgewerkt op 28 februari 2025, heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 14 augustus 2025. Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank daarin overwogen:
“1.2 (…)
Betrokkene is niet ter zitting verschenen.
De advocaat heeft ter zitting aangegeven dat hij in de afgelopen week contact met betrokkene heeft gehad. Betrokkene geeft aan dat zij met rust gelaten wil worden. Zij voelt zich niet gehoord. De advocaat geeft aan dat betrokkene op de hoogte is van de zitting. Zij heeft vanochtend een emailbericht aan de advocaat gestuurd waarin zij haar mening kenbaar maakt. De advocaat maakt uit het emailbericht op dat betrokkene naar het buitenland is vertrokken.
De casemanager geeft aan dat er meerdere pogingen zijn ondernomen om contact met betrokkene te krijgen, maar dat is niet gelukt. De casemanager geeft aan dat er grote zorgen over betrokkene zijn.
De rechter concludeert dat betrokkene de zorg afhoudt, maar wel op de hoogte is van deze zitting. Zij heeft voorafgaand aan deze zitting een emailbericht met haar mening naar de advocaat gestuurd. De rechtbank heeft kennis genomen van het emailbericht van betrokkene en heeft dit emailbericht in het dossier gevoegd. De rechtbank maakt uit het emailbericht van betrokkene op dat zij momenteel in het buitenland zou verblijven. De vraag is of dat echt zo is. De rechtbank concludeert wel dat betrokkene niet aanwezig is in haar woning te [plaats]. Verder is het de rechtbank gebleken dat betrokkene ook niet heeft willen spreken met de onafhankelijk psychiater welke de medische verklaring heeft opgesteld.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene op de hoogte was van de zitting en er kennelijk voor heeft gekozen om niet ter zitting aanwezig te zijn. Zij heeft haar standpunt kenbaar gemaakt middels een email-bericht. De behandeling van het verzoek wordt dan ook voortgezet.”
Namens betrokkene is – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de behandeling van het verzoek voort te zetten in afwezigheid van betrokkene. Onderdeel 2 is gericht tegen de beslissing van de rechtbank de zorgmachtiging te verlenen, terwijl uit de beschikking en uit het proces-verbaal niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of het medisch onderzoek door de onafhankelijke psychiater in een direct contact met betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was. Onderdeel 3 bevat een voortbouwklacht.
Onderdeel 1: Horen
Onderdeel 1 klaagt, zo begrijp ik, dat de rechtbank de mondelinge behandeling van het verzoek om twee redenen niet had mogen laten plaatsvinden buiten aanwezigheid van betrokkene. Dit resulteert in de eerste klacht dat de rechtbank de behandeling van het verzoek op grond van artikel 6:1 lid 3 Wvggz had moeten aanhouden, omdat betrokkene in het buitenland verbleef ten tijde van de mondelinge behandeling, dan wel nader onderzoek had moeten verrichten of betrokkene niet meer in Nederland, maar in het buitenland verbleef.Volgens de tweede klacht heeft de rechtbank niet vastgesteld of betrokkene in staat of bereid was om zich te doen horen en had de rechtbank nader onderzoek moeten doen naar de bereidheid van betrokkene zich te doen horen.
Bij de bespreking van het eerste onderdeel stel ik het volgende voorop.
Artikel 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op grond van artikel 6:1 lid 2 Wvggz.
Uit de parlementaire toelichting bij artikel 6:1 Wvggz blijkt dat de rechter zelf moet vaststellen dat betrokkene niet kan of wil worden gehoord:
“Met het eerste lid wordt duidelijker gesteld dat de rechter betrokkene moet horen tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is. De rechter moet zich er persoonlijk van vergewissen of betrokkene al dan niet gehoord wil worden. Het moet de rechter zelf zijn die vaststelt dat betrokkene niet kan of wil gehoord worden, desnoods ter plekke, maar niet tevoren op basis van de mededeling van iemand anders of een schriftelijke verklaring van betrokkene waarvan de rechter niet weet hoe die tot stand is gekomen.”
De rechter mag niet lichtvaardig vaststellen dat betrokkene niet bereid is gehoord te worden wanneer deze niet ter zitting verschenen is. Ook als sprake is van een behoorlijke oproeping en daadwerkelijke bekendheid van betrokkene met de mondelinge behandeling, mag uit zijn afwezigheid ter zitting niet zonder meer geconcludeerd worden dat betrokkene niet gehoord wil worden.
Verder worden er hoge motiveringseisen gesteld aan de vaststelling dat een betrokkene niet bereid is gehoord te worden door het niet-verschijnen op de zitting. In zaken waarin niet aan die eisen was voldaan, woog de Hoge Raad mee dat de advocaat van betrokkene heeft verklaard dat betrokkene de rechter wilde spreken of dat betrokkene had aangegeven aanwezig te zullen zijn op de mondelinge behandeling. Dergelijke omstandigheden kunnen aanleiding vormen voor nader onderzoek alvorens de rechter tot het oordeel kan komen dat betrokkene niet bereid is te worden gehoord.
Artikel 6:1 lid 3 Wvggz houdt in dat indien de betrokkene niet in Nederland verblijft, de behandeling van het verzoek door de rechtbank wordt aangehouden totdat de betrokkene in Nederland kan worden gehoord. Deze bepaling lijkt te zien op het geval de betrokkene tijdelijk in het buitenland verblijft. Dijkers merkt mijns inziens terecht op dat bij een permanent verblijf in het buitenland van een betrokkene aanhouding weinig zin heeft en toewijzing van het verzoek evenmin nu een Wvggz-maatregel niet als zodanig buiten Nederland ten uitvoer kan worden gelegd.In een uitspraak van 21 januari 2022 oordeelde de Hoge Raad dat nu de rechtbank had vastgesteld dat betrokkene ten tijde van de mondelinge behandeling in het buitenland verbleef en niet had vastgesteld dat betrokkene niet in staat of niet bereid was zich te doen horen, zij geen zorgmachtiging had mogen verlenen, maar de behandeling van het verzoek had moeten aanhouden.
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten van onderdeel 1. Deze slagen grotendeels.
Voor zover de eerste klacht inhoudt dat de rechtbank de mondelinge behandeling van het verzoek ingevolge artikel 6:1 lid 3 Wvggz had moeten aanhouden, omdat betrokkene op dat moment in het buitenland verbleef, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking immers niet vastgesteld dat betrokkene ten tijde van de mondelinge behandeling in het buitenland verbleef. Uit r.o. 2.1. van de bestreden beschikking volgt dat de rechtbank uit het e-mailbericht van betrokkene aan haar advocaat van 14 februari 2025 heeft opgemaakt dat betrokkene ten tijde van de mondelinge behandeling van het verzoek in het buitenland “zou verblijven”. De rechtbank overweegt in dat kader dat het “de vraag is of dat echt zo is”. Kennelijk twijfelde de rechtbank aan de mededeling van betrokkene in het e-mailbericht aan haar advocaat dat zij “vanaf 13 februari 2025 (…) niet meer woonachtig in Nederland” is (zie hiervoor onder 2.5). Of betrokkene al dan niet in het buitenland verblijft, heeft de rechtbank derhalve in het midden gelaten.
Voor zover in de eerste klacht wordt geklaagd dat de rechtbank nader onderzoek had moeten verrichten om voldoende zekerheid te verkrijgen dat betrokkene daadwerkelijk niet meer in Nederland zou verblijven, slaagt de klacht wel. Nu de rechtbank kennelijk niet zeker was of betrokkene zich ten tijde van de mondelinge behandeling van het verzoek nog in Nederland bevond, had de rechtbank hiernaar mijns inziens nader onderzoek moeten verrichten. Zo had de rechtbank een poging kunnen doen om betrokkene ter zitting te bellen en/of nadere vragen aan de advocaat van betrokkene en/of de casemanager kunnen stellen om zo meer informatie in te winnen met betrekking tot het (mogelijke) vertrek van betrokkene naar het buitenland.
De tweede klacht dat de rechtbank niet heeft vastgesteld of betrokkene in staat of bereid was om zich te doen horen en dat de rechtbank nader onderzoek had moeten doen naar de bereidheid van betrokkene zich te doen horen, slaagt.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking niet met zoveel woorden vastgesteld dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Wel heeft de rechtbank besloten de behandeling van het verzoek voort te zetten in afwezigheid van betrokkene. Zij heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat betrokkene op de hoogte was van de zitting en er kennelijk voor heeft gekozen om niet ter zitting aanwezig te zijn en dat zij haar standpunt kenbaar heeft gemaakt in een e-mailbericht. Daaraan voorafgaand heeft de rechtbank verder overwogen dat betrokkene zorg afhoudt, niet aanwezig was in haar woning op het moment van de daar geplande mondelinge behandeling en ook niet heeft willen spreken met de onafhankelijke psychiater.
De omstandigheden die de rechtbank aldus ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing de behandeling van het verzoek buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten, kunnen dat oordeel mijns inziens niet dragen. Uit de bestreden beschikking noch uit de overige stukken van het geding blijkt immers dat de rechtbank heeft onderzocht of de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen – bijvoorbeeld op een andere plaats dan in haar woning waar de mondelinge behandeling aanvankelijk zou plaatsvinden of telefonisch vanaf de zitting – ontbrak. Daarmee heeft de rechtbank de hiervoor weergegeven vaste rechtspraak van de Hoge Raad miskend.
Ten overvloede merk ik op dat nader onderzoek naar de bereidheid van betrokkene zich te doen horen temeer in de rede lag, omdat uit het e-mailbericht van betrokkene blijkt dat zij moeite had met het bezoek van de rechter bij haar thuis. Voor zover uit het e-mailbericht van betrokkene al haar mening of standpunt ten aanzien van de verzochte zorgmachtiging afgeleid kan worden, sluit een dergelijk bericht bovendien niet uit dat betrokkene daarnaast ook nog ter zitting gehoord zou willen worden.
Het voorgaande brengt met zich dat de klachten van het eerste onderdeel grotendeels slagen.
Onderdeel 2: Medische verklaring
Onderdeel 2 stelt de hoofdregel voorop dat de onafhankelijke psychiater zijn medische onderzoek aldus dient te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen in zijn fysieke aanwezigheid spreekt en observeert. Slechts indien deze wijze van onderzoek redelijkerwijs niet mogelijk is, kan van de hoofdregel worden afgeweken. Het onderdeel betoogt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of in dit geval medisch onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was. Ook ter zitting is aan dit punt door de rechtbank blijkens het proces-verbaal geen aandacht besteed, terwijl de advocaat van betrokkene erop heeft gewezen dat de onafhankelijke psychiater betrokkene niet fysiek heeft onderzocht, aldus het onderdeel.Aldus heeft de rechtbank miskend dat de omstandigheden die de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring heeft genoemd om betrokkene niet fysiek te horen of te onderzoeken, niet voldoende waren om de uitzondering op de hoofdregel te rechtvaardigen, zodat de beslissing van de rechtbank om de zorgmachtiging te verlenen rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, aldus, in de kern, het tweede onderdeel.
Bij de bespreking van het tweede onderdeel stel ik het volgende voorop.
Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit artikel 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met artikel 5:17 lid 3, onder a, en artikel 6:4 Wvggz, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een onafhankelijke psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in artikel 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het EHRM over artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de onafhankelijke psychiater het in de Wvggz voor de diverse vormen van verplichte zorg voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts beperkt mogelijk is. In die gevallen zal, met het oog op de beoogde maatregel, steeds op de best mogelijke manier moeten worden getracht inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel.
De psychiater dient in de medische verklaring deugdelijk te motiveren waarom de betrokkene niet in fysieke aanwezigheid kon worden onderzocht. Hij zal in zijn medische verklaring dus moeten verantwoorden waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord was, voor welk alternatief hij heeft gekozen (bijvoorbeeld beeldbellen indien dat mogelijk is), en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat aan de vereisten voor verlening van verplichte zorg is voldaan. De rechtbank zal vervolgens moeten beoordelen of de verzochte machtiging op grond van de medische verklaring kan worden verleend.
Indien het medisch onderzoek niet aan de hiervoor genoemde eisen voldoet en daardoor aan de wettelijke voorwaarden voor afgifte van een zorgmachtiging niet is voldaan, zal de rechtbank dit in voorkomend geval ambtshalve moeten constateren.
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten van onderdeel 2. De klachten van dit onderdeel slagen.
In de op 24 januari 2025 door de onafhankelijke psychiater ondertekende medische verklaring is voor zover in cassatie van belang het volgende vermeld:
“4. Psychiatrisch onderzoek
a. Datum en tijdstip van het onderzoek van betrokkene:
om uur
b. Wat zijn de symptomen die betrokkene vertoont?
Betrokkene bezocht op 12-12-2024, 08-01-2025 en 22-01-2025, twee keer aangekondigd en de laatste keer onaangekondigd, meermaals aangebeld maar ze doet niet open. Bij de eerste poging buurvrouw van betrokkene gesproken, ze vertelt het helemaal zat te zijn, heeft veel last van betrokkene ze zorgt voor veel overlast, schreeuwt met name ‘s nachts. Betrokkene ook telefonisch geprobeerd te bereiken, neemt mobiel niet op, belt niet terug.
Het afgelopen jaar begin 2024 is er ook een zorgmachtiging aangevraagd maar betrokkene is hierop naar het buitenland gevlucht. Nadat betrokkene is teruggekeerd naar haar woning nemen de meldingen over haar weer toe.
Informatie vanuit Vangnet en Advies: (…).
6. Ernstig nadeel
(…)
d. Welke symptomen, gedragingen of feiten zoals genoemd in vraag 6c zijn niet door uzelf waargenomen, maar door anderen aan u meegedeeld? Geef aan door wie u dit is meegedeeld alsmede diens relatie tot betrokken.
Alle hierboven genoemde symptomen en gedragingen zijn niet door mijzelf waargenomen maar mij medegedeeld via Vangnet en Advies en [FACT].
(…)
7. Maatregelen ter afwending van ernstig nadeel als gevolg van de psychische stoornis.
(…)
c. Toelichting
Betrokkene weigert elk contact, ondanks meerdere pogingen door zowel ondergetekende als medewerkers van [FACT].
10. Overige mededelingen
Welke overige mededelingen acht u nog van belang?
Mijn bevindingen zijn volledig gebaseerd op informatie van derden, graag had ik betrokkene zelf gesproken, maar betrokkene heeft er voor gekozen om dat niet te doen.
(…).”
Uit de medische verklaring volgt derhalve dat de onafhankelijke psychiater betrokkene niet heeft gesproken, hoewel zij daartoe verschillende vergeefse pogingen heeft ondernomen: driemaal door betrokkene te bezoeken en daarnaast telefonisch. Uit het van de mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal blijkt dat ook de casemanager heeft verklaard dat er meerdere pogingen zijn ondernomen om contact met betrokkene te krijgen, maar dat dit niet is gelukt. Onduidelijk is of deze verklaring ook betrekking heeft op de pogingen van de onafhankelijke psychiater.
Nu de onafhankelijke psychiater de medische verklaring heeft opgesteld zonder contact te kunnen leggen met betrokkene had de rechtbank, gelet op het hiervoor onder 3.19-3.22 weergegeven juridisch kader, moeten beoordelen of onderzoek door de onafhankelijke psychiater in een direct contact met betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was, in het kader van de bredere vraag of de verzochte machtiging op grond van de medische verklaring kon worden verleend. De toelichting door de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring over het aantal ondernomen pogingen om betrokkene te bereiken, zou mijns inziens een belangrijke factor zijn geweest in die beoordeling door de rechtbank.
Uit de bestreden beschikking blijkt echter niet dat de rechtbank heeft beoordeeld of onderzoek door de onafhankelijke psychiater in een direct contact met betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was. Ook uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt niet dat de rechtbank vragen heeft gesteld die op een dergelijke beoordeling zouden kunnen duiden. Daarbij acht ik nog van belang dat de advocaat van betrokkene ter zitting erop heeft gewezen dat de onafhankelijke psychiater betrokkene niet in persoon heeft onderzocht.
Uit de volgende gelijkluidende zin in zowel het proces-verbaal van de mondelinge behandeling als de bestreden beschikking (r.o. 1.2.) kan een dergelijke beoordeling mijns inziens niet worden afgeleid:
“Verder is het de rechter gebleken dat betrokkene ook niet heeft willen spreken met de onafhankelijk psychiater welke de medische verklaring heeft opgesteld.”
Deze omstandigheid wordt door de rechtbank immers slechts meegewogen in haar oordeel over de vraag of de behandeling van het verzoek in afwezigheid van betrokkene kan worden voortgezet en niet bij een beoordeling van de medische verklaring of het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. Bovendien houdt de enkele constatering dat betrokkene niet met de onafhankelijke psychiater heeft willen spreken niet zonder meer in dat onderzoek in een direct contact redelijkerwijs ook niet mogelijk zou zijn.
Nu de rechtbank niet kenbaar heeft beoordeeld of onderzoek door de onafhankelijke psychiater in een direct contact met betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was, slagen de klachten van onderdeel 2.
Onderdeel 3: Voortbouwklacht
Onderdeel 3 bevat zoals gezegd een voortbouwklacht, inhoudende dat ingeval het eerste of het tweede onderdeel, dan wel beide onderdelen slagen, het oordeel van de rechtbank waarin zij het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging heeft ingewilligd niet in stand kan blijven. Gelet op het slagen van (een deel van) de klachten van onderdeel 1 en van onderdeel 2, slaagt ook deze voortbouwklacht.
Tot slot
Een zaak als deze illustreert weer de lastige situatie waarvoor een rechter zich gesteld ziet indien het moeilijk is in contact te komen met een betrokkene en een betrokkene zorg afhoudt en in lijn daarmee ook niet ter zitting verschijnt, maar waarin de rechter wel van oordeel is dat een machtiging nodig is. In deze zaak ziet de rechtbank de verleende zorgmachtiging bovendien expliciet als instrument om betrokkene te benaderen:
“2.6. (…) De zorgmachtiging kan mogelijkheden bieden om betrokkene te benaderen en te onderzoeken wat betrokkene nodig heeft om beter te kunnen functioneren.”
Een dergelijke beslissing vind ik in een zaak als deze invoelbaar en herkenbaar. Toch rust ook in dergelijke zaken onverminderd de plicht op de rechter om kenbaar te beoordelen of onderzoek door de onafhankelijke psychiater in een direct contact met de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was en kenbaar te onderzoeken of de betrokkene bereid is zich ter zitting te doen horen en zijn oordeel op deze beide punten goed te motiveren. Dat is mijns inziens nog een keer de les voor de feitenrechter in dit soort zaken.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2025 en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G